Risico voor het ongeboren kind

Bij niet-immune zwangeren leidt het doormaken van een infectie met parvovirus B19 in een deel van de gevallen tot verticale transmissie. Volgens Brits onderzoek uit 1998 leidt infectie tijdens de eerste 20 weken van de zwangerschap in 9% van de gevallen tot spontane abortus of intra-uteriene vruchtdood.

Intra-uteriene infectie zeer vroeg in de zwangerschap kan spontane abortus veroorzaken, waarbij multipele congenitale afwijkingen bij de vrucht worden gevonden.
In het tweede trimester van de zwangerschap - wanneer het foetale bloedvolume sterk toeneemt – kan een intra-uteriene infectie met parvovirus zich manifesteren als hydrops foetalis. In milde gevallen kan hydrops foetalis spontaan herstellen, in ernstigere gevallen kan het leiden tot intra-uteriene vruchtdood. Bij de kinderen die levend ter wereld kwamen, zijn er geen aanwijzingen gevonden voor een relatie tussen parvovirus B19-infectie en congenitale afwijkingen.

Advies

Veel volwassenen hebben de ziekte als kind al doorgemaakt en zijn levenslang beschermd. Overleg met de verloskundige, huisarts of gynaecoloog als gezinsleden of kinderen op het werk mogelijk de vijfde ziekte hebben. Geïnfecteerde moeders kunnen het ongeboren kind laten onderzoeken op bloedarmoede en mogelijk laten behandelen. Zie ook de brochure over zwangerschap en infecties

Professionals

Screening voor of tijdens de zwangerschap

Screening op parvovirus B19 wordt in het algemeen niet geadviseerd; het bepalen van de antistoffen heeft geen consequenties.

In bepaalde beroepen – met name in de gezondheidszorg, het basisonderwijs en de kinderopvang - wordt wel geadviseerd om bij aanvang van de werkzaamheden vrouwelijke werknemers in de vruchtbare leeftijd te screenen op parvovirus B19. Bij een positieve IgGImmunoglobulin G zijn in de toekomst geen verdere acties nodig. Aan werknemers met een onbekende of seronegatieve immuunstatus wordt aangeboden om bij een daadwerkelijke zwangerschapswens (opnieuw) antistoffen te bepalen.

Indien bij de zwangere zonder of kort na contact (< 2 weken) IgG-antistoffen tegen parvo B19 aantoonbaar zijn, is zij beschermd tegen vijfde ziekte. Ziekteverlof voor onbeschermde zwangere medewerksters van scholen en kindercentra is alleen geïndiceerd indien er sprake is van een epidemie van parvovirus B19 op de school of kindercentrum.
bron: NVABWetenschappelijke vereniging van bedrijfsartsen, LCILandelijke coördinatie infectieziektebestrijding, NHGNederlands Huisartsen Genootschap

Een zwangere heeft contact gehad met een kind met vijfde ziekte. Zijn er maatregelen nodig?

Indien de zwangere in de eerste 20 weken van haar zwangerschap intensief contact heeft gehad met een kind met vijfde ziekte, kan een antistofbepaling (IgMimmuunglobuline M en IgG) worden aangeboden om de vatbaarheid te bepalen. Indien blijkt dat de zwangere niet beschermd is, kan de antistofbepaling na 2-3 weken worden herhaald om besmetting vast te stellen dan wel uit te sluiten.

Wat is het beleid t.a.v. een zwangere leerkracht bij een uitbraak van vijfde ziekte op school of kindercentrum?

Indien er sprake is van een parvovirus B19-epidemie op school of kindercentrum, de zwangere in de eerste 20 weken van haar zwangerschap is en niet beschermd is (antistofbepaling aanbieden), wordt geadviseerd contact met besmettelijke kinderen te vermijden. De NVAB adviseert zwangere medewerkers met een onbekende of seronegatieve immuunstatus en de verdenking op een kind of epidemie met erythema infectiosum op de werkplek (school/kinderdagopvang) bij een zwangerschap <20 weken deze werkplek te mijden. Drie weken na de laatste erythema infectiosum of bij een zwangerschap >20 weken is de werkplek weer veilig. Als bij een zwangerschap <20 weken blijkt dat er sprake is van een acute besmetting, dient verwijzing naar de gynaecoloog plaats te vinden. bron: LCI/NVAB

Wat is het beleid t.a.v. zwangere moeders bij een uitbraak van vijfde ziekte op school of kindercentrum?

De toegang tot de school of kindercentrum wordt niet ontraden. De kans dat zwangeren door derden geïnfecteerd raken tijdens het brengen en halen van hun kind lijkt erg klein. Veel groter is de kans dat hun eigen kind geïnfecteerd raakt en hen besmet. Dit is niet te vermijden. De zwangere wordt geadviseerd over eventuele antistoffenbepaling. Antistoffenbepaling is alleen geïndiceerd als er een reëel risico is geweest, n.l. de zwangere is in de eerste 20 weken van de zwangerschap en heeft een kind met erythema infectiosum in het gezin of de zwangere heeft zelf symptomen passend bij parvovirus B19-infectie.
bron: LCI

Welke diagnostiek bij een zwangere met klachten?

De diagnose parvovirus B19-infectie wordt gesteld door de detectie van parvovirus B19 IgM en IgG antistoffen. bron: LCI

Wat is het beleid bij een aangetoonde parvo B19-infectie tijdens de zwangerschap?

Indien de zwangere in de eerste 20 weken van haar zwangerschap een aangetoonde parvovirus B19 infectie heeft, dient zij verwezen te worden naar een gynaecoloog. Bij progressieve hydrops foetalis of ernstige foetale anemie kan een intra-uteriene bloedtransfusie worden gegeven. bron: LCI

Is er een indicatie voor het afbreken van de zwangerschap bij een mogelijke infectie met parvovirus B19?

Er is geen indicatie voor het afbreken van de zwangerschap bij een mogelijke infectie met parvovirus B19. Het doormaken van een infectie met parvovirus B19 tijdens de eerste 20 weken van de zwangerschap kan in een deel van de gevallen leiden tot intra-uteriene infectie. Deze kan zich manifesteren als hydrops foetalis, welke in milde gevallen spontaan kan herstellen. In 9% van de gevallen leidt de infectie tot een spontane abortus of intra-uteriene vruchtdood. Bij de kinderen die levend ter wereld komen, zijn er geen aanwijzingen gevonden voor een relatie tussen parvovirus B19-infectie en congenitale afwijkingen. 

Naar de LCI-richtlijn Erythema infectiosum (vijfde ziekte)

Andere richtlijnen