Ieder mens ademt dagelijks duizenden liters lucht in. Die lucht kan deeltjes of andere stoffen bevatten, die schadelijk zijn voor de gezondheid. Het RIVM onderzoekt welke nadelige effecten dit kunnen zijn. Op basis van de kennis hierover beantwoordt het RIVM vragen vanuit beleid en regelgeving. Bijvoorbeeld over stoffen die door menselijke activiteit in de lucht voorkomen. Ook speelt het RIVM met het onderzoek in op toekomstige vragen. We geven advies hoe veilig om te gaan met stoffen die mensen inademen, bijvoorbeeld op de werkplek.
Wat is inhalatietoxicologie?
Toxicologie is de wetenschap die onderzoekt hoe chemische stoffen en deeltjes schadelijk kunnen zijn voor mens, dier en ecosystemen. Inhalatietoxicologie richt zich specifiek op stoffen die de mens inademt.
Het RIVM onderzoekt welke stoffen schadelijk kunnen zijn, bij welke hoeveelheden ze effect hebben en hoe ze precies werken in het lichaam. Het gaat hierbij niet alleen om effect op longen en luchtwegen. Sommige ingeademde stoffen kunnen via de longen in het bloed terechtkomen en zo ook in andere organen komen. Denk aan het hart, de hersenen of bij zwangere vrouwen aan de placenta en het ongeboren kind. Deze kennis helpt bij het adviseren over veilige grenswaarden van stoffen.
Waarom is inhalatietoxicologie belangrijk?
Om de volksgezondheid te beschermen is het belangrijk om onderzoek te doen naar de schadelijkheid van de stoffen die mensen inademen, inclusief luchtverontreiniging. Ook kunnen hiermee de gevolgen van blootstelling aan vluchtige stoffen in producten zoals verf en schoonmaakmiddelen en het werken met chemische stoffen beoordeeld worden. Deze kennis is onmisbaar bij het maken van beleid en richtlijnen die de blootstelling aan schadelijke stoffen kunnen verminderen.
Hoe verloopt inhalatietoxicologisch onderzoek?
Het RIVM heeft eigen laboratoria om inhalatietoxicologisch onderzoek te doen. Onderzoekers gebruiken verschillende methoden:
- Laboratoriumonderzoek met gekweekte cellen: Long- en neuscellen worden in een schaaltje gekweekt en via de lucht blootgesteld aan stoffen. Dit gebeurt met speciale technieken waarbij cellen in contact staan met vloeistof en lucht, net als in echte longen.
- Onderzoek met vrijwilligers: Mensen ademen een paar uur lang kleine hoeveelheden stoffen in. Bijvoorbeeld ultrafijnstof van vliegtuigen of nanodeeltjes. Onderzoekers meten daarna de heel kleine veranderingen in het lichaam.
- Proefdieronderzoek: Soms zijn er nog proefdieren nodig voor onderzoek. Bijvoorbeeld voor onderzoek naar effecten op het immuunsysteem of neurologische systeem. Dit onderzoek kan nog niet buiten het lichaam van een organisme gedaan worden.
- Chemische testen (zonder cellen): Veel nadelige effecten door inademing van stoffen beginnen met een chemische reactie in de longen. Te denken valt aan de reactie met antioxidanten zoals vitamine C en ook met andere biologische moleculen zoals lipiden die een belangrijk onderdeel van de cellen vormen. Hierdoor raakt weefsel beschadigd en ontstaan ontstekingen. In het laboratorium kan in een reageerbuis de chemische reactie van stoffen onderzocht worden en gebruikt om de schade te voorspellen.
Rol van het RIVM
Het RIVM heeft een sterke positie op het gebied van inhalatietoxicologie. Internationale organisaties zoals de WHO (World Health Organization ), de Europese Unie en de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) vragen het RIVM regelmatig om advies. Het RIVM beantwoordt vragen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat over luchtkwaliteit, nanomaterialen, microplastics en de uitstoot van stoffen door de industrie.
De kracht van het RIVM is dat wetenschappelijk onderzoek, de beoordeling van de kansen op nadelige effecten (de zogenaamde risico's) en beleidsadvisering bij elkaar komen.
Lees meer over wat het RIVM doet.
Met wie werkt het RIVM samen?
Het RIVM werkt vooral samen met publieke instellingen zoals universiteiten en andere onderzoeksinstituten. Veel onderzoek gebeurt in internationale projecten, vaak gefinancierd door de Europese Unie. Het RIVM heeft eigen faciliteiten en is daardoor een aantrekkelijke samenwerkingspartner voor wetenschappers zonder deze kennis of mogelijkheden.