Ontwikkeling gemiddelde nitraatconcentratie op derogatiebedrijven 2007-2017

De uitspoeling van nitraat uit de wortelzone op de bedrijven van het Derogatiemeetnet is in alle regio’s gedaald in de periode 2007-2017. Het zwaartepunt van de daling ligt in de eerste jaren van het meetnet.

Sinds 2014 mogen derogatiebedrijven op zandgrond in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg, maximaal 230 kgkilogram N/ha graasdiermest gebruiken (Zand 230). Op zandgrond in de in overige provincies (Zand 250), en op klei- en veengrond, mogen bedrijven 250 kg N/ha graasdiermest gebruiken.

In de Veenregio, Kleiregio en Zand 250 is de nitraatconcentratie gedurende de gehele meetperiode lager dan de EUEuropean Union norm van 50 mg/lmilligram per liter. In Zand 230 en in de Lössregio zijn de bodems het gevoeligst voor uitspoeling en hebben de hoogste nitraatconcentraties. Vanaf 2015 komen de nitraatconcentraties ook in deze regio’s onder de 50 mg/l en die daling lijkt zich in 2016 en 2017 voort te zetten. In Zand 250 ligt de nitraatconcentratie in het water dat uitspoelt uit de wortelzone, na een aanvankelijke daling, sinds 2009 rond de 25 mg/l.

In de Kleiregio is de nitraatconcentratie netto iets gedaald maar is er veel natuurlijke variatie. Deze variatie (ook te zien in andere regio’s) is hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door weersinvloeden. In de Veenregio is de nitraatconcentratie die uitspoelt uit de wortelzone het laagst van alle onderscheiden regio’s. Dit is een gevolg van de relatief hoge afbraak van nitraat in veenbodems.

Gemiddelde nitraatconcentratie in water uitspoelend uit de wortelzone op derogatiebedrijven in de vier regio’s in de periode 2007-2017.

Jaarrapportages

Jaarlijks rapporteren RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de WURWageningen University & Research over de bedrijfsvoering en de waterkwaliteit op bedrijven die zich aangemeld hebben voor derogatie.

Derogatie & Waterkwaliteit

Derogatieregeling (aantal woorden: 254)
Ons vee produceert niet alleen melk of vlees, maar ook mest. Deze
mest bevat voedingsstoffen die gewassen laten groeien. Een deel van
deze stoffen wordt niet opgenomen en spoelt uit naar het grondwater
en het oppervlaktewater. Dat is slecht voor het milieu. Daarom bepaalt
de Europese Unie hoeveel dierlijke mest de agrariër op zijn land mag
gebruiken.
Naast de norm van de EU heeft Nederland een eigen norm voor de totale
hoeveelheid meststoffen, die hoger ligt dan de norm voor dierlijke mest. Het
verschil tussen de twee mag de agrariër aanvullen met kunstmest. Onder
bepaalde voorwaarden mogen Nederlandse agrariërs van de EU meer
dierlijke mest gebruiken dan de Europese norm. Dit heet derogatie.
Om derogatie te kunnen krijgen moet een agrarisch bedrijf voor minimaal
80% uit grasland bestaan. Grasland houdt de voedingsstoffen namelijk
beter vast dan bijvoorbeeld maïs. Er is dus minder uitspoeling van mest
naar het grondwater en oppervlaktewater.
Voor agrarische bedrijven is derogatie op twee manieren financieel
voordelig. Enerzijds omdat ze minder mest hoeven af te voeren en
anderzijds omdat ze minder kunstmest hoeven aan te kopen.
Met het Landelijke meetnet effecten Mestbeleid meet RIVM sinds 2006 op
300 derogatiebedrijven de waterkwaliteit. Wageningen Economic Research
verzamelt daar informatie over de bedrijfsvoering en het mestgebruik
Uit de monitoring blijkt dat het gebruik van meer dierlijke mest op
derogatiebedrijven geen negatief effect heeft op de waterkwaliteit.
Dat komt omdat de totale hoeveelheid mest die gebruikt mag worden niet
verhoogd is. Ook is het aandeel grasland op bedrijven met derogatie groter
geworden, waardoor meststoffen minder uitspoelen.