Ontwikkeling gemiddelde nitraatconcentratie op derogatiebedrijven 2007-2019

Tot en met 2017 was in alle regio’s behalve de Veenregio duidelijk sprake van een dalende trend in de nitraatconcentraties in het uitspoelend water. In de Veenregio was de gemiddelde nitraatconcentratie altijd laag.

Door de droogte van 2017 en 2018 zijn de nitraatconcentraties in 2019 in alle regio’s gestegen. 2018 was een extreem droog jaar, maar ook in 2017 was er met name in het oosten van het land al sprake van lokaal droge omstandigheden.

Ondanks de stijgingen bleef in drie van de vier regio’s de gemiddelde nitraatconcentratie onder de norm van 50 mg/lmilligram per liter. In de Lössregio was de nitraatconcentratie in 2018 65 mg/l (data van 2019 zijn voor de Lössregio nog niet beschikbaar).

In Zand 250 was de gemiddelde nitraatconcentratie 22 mg/l in 2019. Zowel in Zand 230 als in de Klei- en de Veenregio kwamen de nitraatconcentraties in 2019 hoger uit dan gemiddeld over de jaren 2007-2018 (nitraatconcentraties van respectievelijk 48, 42 en 15 mg/l in 2019). In de Zandgebieden 230 en 250 en in de Lössregio is desondanks nog steeds sprake van een significante dalende trend. In de Veen-en in de Kleiregio is geen trend zichtbaar.

Figuur die de gemiddelde nitraatconcentratie in water uitspoelend uit de wortelzone op derogatiebedrijven in vier regio’s in de periode 2007-2019 laat zien.

Gemiddelde nitraatconcentratie in water uitspoelend uit de wortelzone op derogatiebedrijven in de vier regio’s in de periode 2007-2019.

Jaarrapportages

Jaarlijks rapporteren RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de WURWageningen University & Research over de bedrijfsvoering en de waterkwaliteit op bedrijven die zich aangemeld hebben voor derogatie.

Derogatie & Waterkwaliteit

Derogatieregeling (aantal woorden: 254)
Ons vee produceert niet alleen melk of vlees, maar ook mest. Deze
mest bevat voedingsstoffen die gewassen laten groeien. Een deel van
deze stoffen wordt niet opgenomen en spoelt uit naar het grondwater
en het oppervlaktewater. Dat is slecht voor het milieu. Daarom bepaalt
de Europese Unie hoeveel dierlijke mest de agrariër op zijn land mag
gebruiken.
Naast de norm van de EU heeft Nederland een eigen norm voor de totale
hoeveelheid meststoffen, die hoger ligt dan de norm voor dierlijke mest. Het
verschil tussen de twee mag de agrariër aanvullen met kunstmest. Onder
bepaalde voorwaarden mogen Nederlandse agrariërs van de EU meer
dierlijke mest gebruiken dan de Europese norm. Dit heet derogatie.
Om derogatie te kunnen krijgen moet een agrarisch bedrijf voor minimaal
80% uit grasland bestaan. Grasland houdt de voedingsstoffen namelijk
beter vast dan bijvoorbeeld maïs. Er is dus minder uitspoeling van mest
naar het grondwater en oppervlaktewater.
Voor agrarische bedrijven is derogatie op twee manieren financieel
voordelig. Enerzijds omdat ze minder mest hoeven af te voeren en
anderzijds omdat ze minder kunstmest hoeven aan te kopen.
Met het Landelijke meetnet effecten Mestbeleid meet RIVM sinds 2006 op
300 derogatiebedrijven de waterkwaliteit. Wageningen Economic Research
verzamelt daar informatie over de bedrijfsvoering en het mestgebruik
Uit de monitoring blijkt dat het gebruik van meer dierlijke mest op
derogatiebedrijven geen negatief effect heeft op de waterkwaliteit.
Dat komt omdat de totale hoeveelheid mest die gebruikt mag worden niet
verhoogd is. Ook is het aandeel grasland op bedrijven met derogatie groter
geworden, waardoor meststoffen minder uitspoelen.