Het aantal uur kraamzorg dat een gezin gemiddeld krijgt is de afgelopen jaren gedaald. Tegelijkertijd lijkt de behoefte aan kraamzorg toe te nemen, onder andere door verkorte ziekenhuisopnames na de bevalling. Vooral gezinnen in een kwetsbare situatie krijgen structureel minder kraamzorg. Dit blijkt uit onderzoek naar de ontwikkelingen in de kraamzorg door het RIVM en Zorginstituut Nederland. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hield toezicht op de kraamzorg met bezoeken aan kraamzorgaanbieders en gesprekken met betrokken partijen.
Van de groep in een kwetsbare situatie ontving 21 procent minder dan de minimaal aanbevolen 24 uur, bij niet-kwetsbaren is dit 8 procent. Gezinnen in een kwetsbare situatie hebben te maken met een combinatie van factoren die een negatief effect kunnen hebben op hun gezondheid. Voorbeelden zijn schulden, een laag inkomen, een praktische opleiding en/of een niet-Nederlandse herkomst. Voldoende kraamzorg is belangrijk voor een gezonde start van het gezin na de geboorte. Het draagt onder meer bij aan het lichamelijk herstel van de moeder. En de kraamverzorgende geeft emotionele ondersteuning aan het gezin en begeleiding bij (borst)voeding.
Verschillen tussen regio’s
In alle regio’s daalde het aantal ontvangen uren kraamzorg, maar deze daling is in de regio’s Zuid-Limburg en Zeeland het meest zichtbaar. Daar nam het gemiddelde aantal uren soms met meer dan zeven uur af. In grote steden als Amsterdam en Rotterdam blijft het aantal uren relatief laag, maar de daling is daar minder sterk. In deze stedelijke gebieden krijgen gezinnen al langer minder uren kraamzorg en is het aantal gezinnen dat minder dan 24 uur of geen kraamzorg krijgt hoger dan in andere gebieden.
Geen duidelijk verband tussen kraamzorg en later zorggebruik
Het onderzoek van het RIVM laat geen duidelijke relatie zien tussen het aantal kraamzorguren en het zorggebruik of de zorguitgaven van moeders en kinderen in de eerste jaren na de geboorte. Wel valt op dat moeders die veel kraamzorg ontvangen (meer dan 50 uur) vaker gebruikmaken van geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en medisch-specialistische zorg in het ziekenhuis, zowel voor als na de bevalling. Of kraamzorg hiermee goed aansluit op de hogere zorgbehoefte tijdens de kraamweek, of dat dit vooral het gevolg is van andere oorzaken (gezondheid of persoonlijk), is met de data uit dit onderzoek niet vast te stellen.
Het RIVM gaat in 2026 vervolgonderzoek doen. Hierin ligt de focus op de redenen waarom er in sommige gebieden en door sommige groepen minder kraamzorg wordt ontvangen.
Zorgverzekeringswet biedt ruimte voor meer passende inzet van kraamzorg
Zorginstituut Nederland pleit voor meer passende inzet van kraamzorg. Daarvoor is het belangrijk te kijken naar de daadwerkelijke zorgbehoefte van een gezin en niet naar een standaardpakket aan uren, zoals dit nu nog gebeurt. Het Zorginstituut wijst erop dat er bij het toekennen van kraamzorg moet worden uitgegaan van ‘waar een gezin redelijkerwijs op is aangewezen’. Deze bepaling uit de Zorgverzekeringswet geeft ruimte om minder of juist meer uren toe te kennen dan het standaardpakket, op basis van de behoefte van het gezin. Zo kan schaars zorgpersoneel beter én op de juiste plek worden ingezet, daar waar dat de meeste waarde toevoegt.
Toezicht IGJ (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)
Uit het toezicht van de IGJ komt naar voren dat ondanks de inzet en professionele zorg die kraamzorgaanbieders leveren, de gevolgen van het personeelstekort meer voelbaar worden voor meer zwangeren en kraamvrouwen. In steeds meer regio’s zorgen personeelstekorten vaker voor minder kraamzorg. Dit brengt risico’s met zich mee, met name voor kraamvrouwen in een kwetsbare situatie. Een professionele en gezamenlijke aanpak is nodig om de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk in te zetten.