Bij ruim 90% van de mensen bij wie antistoffen tegen SARSsevere acute respiratory syndrome-CoVcoronavirus-2 in het bloed zitten, zijn ruim 6 maanden later nog steeds antistoffen in het bloed aanwezig. In deze 6 maanden zijn de antistoffen bovendien sterker geworden. Ze binden zich beter aan het virus en daarom zijn minder antistoffen nodig om hetzelfde werk te doen. Dit blijkt uit nieuwe resultaten van de PIENTER Corona Studie van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Deze studie kijkt naar de opbouw van immuniteit tegen SARS-CoV-2 in Nederland.

In de PIENTER Corona Studie onderzoekt het RIVM het bloed van deelnemers op verschillende momenten om te kijken of er antistoffen in zitten. Antistoffen zorgen ervoor dat het lichaam het SARS-CoV-2 virus herkent. Over het algemeen geldt dat hoe meer antistoffen er in het bloed zitten, hoe beter het lichaam is beschermd tegen een virus. De studie ging van start in maart.

4,9% deelnemers heeft antistoffen in bloed

De nieuwe resultaten van het onderzoek (PiCo 3) laten zien dat 4,9% van de deelnemers antistoffen tegen SARS-CoV-2 in het bloed heeft. Zij zijn dus besmet geweest met het virus. Dit bloed is grotendeels voor de piek van de tweede golf afgenomen, in de laatste week van september en de eerste week van oktober. Het percentage is nu dus waarschijnlijk een stuk hoger, omdat er veel mensen besmet raakten in deze tweede golf.

Tijdens de eerste meting in maart (PiCo 1) had 2,8% van de deelnemers antistoffen in het bloed. In juni (PiCo 2) was dit percentage 4,5%. In de groep jong volwassenen (20-30 jaar) worden het meest antistoffen in het bloed gevonden. Verder zijn er grote regionale verschillen. In Brabant zijn de meeste mensen besmet geweest, in de noordelijke provincies het minst.

Kijk voor meer informatie en de resultaten op www.rivm.nl/pienter-corona-studie.