Succesvol waterkwaliteitsbeheer is afhankelijk van bestuurlijke inrichting en sociale structuren. Lokale overheden moeten in landen die sterk gedecentraliseerd zijn (zoals Nederland) knelpunten op nationaal niveau kunnen aankaarten die niet lokaal kunnen worden opgelost, omdat de bevoegdheden of middelen daarvoor ontbreken. Er zijn betere afspraken nodig over wat lokaal kan en wat bij voorkeur landelijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor de aanpak van nieuwe verontreinigende stoffen.

Het belang van water voor de samenleving en de kwetsbaarheid voor vervuiling moeten een grotere rol krijgen in het maatschappelijk debat. De ‘waarde van water’ beperkt zich niet tot directe gezondheidseffecten, maar draagt ook bij aan een prettige leefomgeving en het welzijn van mensen. Meer aandacht daarvoor kan de betrokkenheid bij waterkwaliteit doen groeien. En dat is nodig om waterkwaliteitsdoelen te realiseren.

Dit zijn twee lessen voor de praktijk uit het promotieonderzoek waarop RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu-onderzoeker Susanne Wuijts op 28 oktober 2020 hoopt te promoveren aan de Universiteit Utrecht.

Urgente problematiek

Overal ter wereld hebben landen moeite de kwaliteit van hun wateren te herstellen en te beschermen. Dat geldt ook voor Nederland, waar het proces de laatste decennia stagneert, nadat in de jaren 70 veel vooruitgang werd geboekt. De problematiek is urgent: Nederland en andere Europese landen staan voor de opgave de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water in 2027 te behalen.

Verschillende perspectieven

Het onderzoek belicht verschillende perspectieven op de effectiviteit van waterkwaliteitsbeheer, variërend van de verbetering van het ecosysteem en het behalen van de wettelijke doelen tot de kwaliteit van maatschappelijke processen rond participatie, transparantie en integriteit. De combinatie van deze perspectieven kan helpen waterkwaliteitsdoelen te formuleren en te behalen. Maar die aanpak alleen geeft geen garantie. Het gaat ook om de prioriteit die aan het behalen van waterkwaliteitsdoelen wordt gegeven.

Het promotieonderzoek toont daarnaast aan dat planning en uitvoering vragen om verschillende manieren van aansturing. Bij keuzes in governance (zoals de inzet van mensen en instrumenten en de wijze van monitoren) ligt de nadruk op de planfase. De uitvoering komt minder aan bod. Dit verklaart deels de moeilijkheden bij het behalen van waterkwaliteitsdoelen.

Proefschrift

Wuijts’ proefschrift Towards more effective water quality governance is te downloaden via de website van de Universiteit Utrecht.