Binnen het LMMLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid worden al heel lang de fosfaatconcentraties in het bovenste grondwater gemeten. Fosfaat bindt meestal goed aan de bodem. Je zou dus voor de meeste locaties geen problemen met te hoge concentraties in het grondwater verwachten. Toch is het mogelijk dat er lokaal fosfaat weglekt vanuit de bodem naar het grondwater. We hebben met onze jarenlange meetgegevens onderzocht of we dit ook konden waarnemen. De stijging van het fosfaatgehalte die we in het grondwater van enkele bedrijven vonden, blijkt niet veroorzaakt te zijn door het weglekken van fosfaat uit de bodem.

Gebruik meetgegevens jarenlange deelnemers

Omdat het plaatselijke weglekken van fosfaat pas na jaren zichtbaar kan worden in het grondwater, hebben we ons onderzoek gericht op de bedrijven waar we al vanaf 2006 metingen doen. Van de 395 bedrijven die in 2006 aan het LMMLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid meededen zijn er in 2019 nog 181 over. Te weten 135 in de Zandregio, 47 in de Veenregio en 16 in de Kleiregio. In de Lössregio waren geen bedrijven in 2019 die sinds 2006 deelnamen.  Van de 181 bedrijven hebben we de trend in fosfaatconcentratie in de periode 2006 t/m 2019 bekeken.

Meeste bedrijven hebben een blijvend laag fosfaatgehalte

In het grondwater van veen- en klei is van nature meer fosfaat aanwezig dan in het grondwater van zand. De norm voor veen en klei is dan ook 3 mg P/liter en voor zand 0,4 mg P/liter. De meeste bedrijven hebben een blijvend laag fosfaatgehalte (onder de 0,4 mg P/liter) in het grondwater gedurende de meetperiode. Wanneer het fosfaatgehalte nauwelijks meetbaar laag is (kleiner dan 0,013 mg P/liter) kan het natuurlijk ook niet verder dalen. We hebben alle bedrijven op een rijtje gezet in volgorde van de toenemende jaarlijkse trend in het fosfaatgehalte (Figuur 1).

Figuur die de Jaarlijkse trends van de fosfaatconcentraties (mg P/liter) in het grondwater tussen 2006 en 2019 laat zien

Figuur 1: Jaarlijkse trends van de fosfaatconcentraties (mg P/liter) in het grondwater tussen 2006 en 2019 op de 181 geselecteerde LMM bedrijven.

Aan de linkerkant en onder de streep zie je de bedrijven waar het fosfaatgehalte in de periode 2006 – 2019 daalt. Een aantal van deze bedrijven hadden oorspronkelijk al een relatief hoog fosfaatgehalte (groter dan 0,4 mg P/liter, aangegeven met oranje bolletjes). Maar zelfs het allerlaagste bolletje geeft geen statistisch significante daling weer. De grijze bolletjes in het midden geven aan dat bij de meeste bedrijven het fosfaat gehalte in de loop der jaren gelijk is gebleven.  

Aan de rechterkant en boven de streep zie je de bedrijven met stijgende fosfaatgehalten. De vier oranje bolletjes geven bedrijven weer waar het fosfaat gehalte hoog is en mogelijk stijgend. Bij de oranje bolletjes is dit niet significant. De drie groene bolletjes komen van bedrijven met een laag fosfaatgehalte dat significant aan het stijgen is. De twee rode bolletjes geven bedrijven weer die hoge fosfaatgehalten hebben die nog significant verder stijgen. Er is dus geen enkel bedrijf met een significante daling en er zijn vijf bedrijven met een significante stijging. Op deze vijf bedrijven hebben we verder onderzocht wat er aan de hand was.

Wat is er aan de hand?

In laag Nederland is het grondwaterpeil meestal gereguleerd maar op de vijf bedrijven was er sprake van een daling van het grondwaterpeil van tweeënhalf tot acht cm per jaar. Hierdoor moest er dus steeds dieper grondwater bemonsterd worden. Bij vier van deze vijf bedrijven werden ook stijgende ammonium concentraties gevonden. Dat wijst op dieper gelegen zuurstofarm grondwater. De drie bedrijven met de hoogste stijging hadden ook toenemende zeezoutconcentraties. Hogere zeezoutconcentraties komen in laag Nederland voor in dieper grondwater. Deze drie bedrijven lagen ook in de lagere gedeelten van Nederland. De toenemende fosfaat concentraties werden dus niet veroorzaakt door het weglekken van fosfaat uit de bodem. Het bemonsteren van dieper grondwater is de oorzaak van de toenemende fosfaatconcentraties.

Patrick van Beelen en Annemieke van der Wal (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)

LMM e-nieuws november 2020