Geiten in stal

Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het NivelNederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg in samenwerking met IRASInstitute of Risk Assessment Sciences/UUUniversiteit Utrecht, WURWageningen University & Research en het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Oorzaken verband longontsteking en nabijheid geitenbedrijf onbekend

De oorzaken van deze relatie tussen het wonen nabij een geitenbedrijf en een verhoogde kans op het oplopen van een longontsteking zijn nog niet bekend en worden nader onderzocht. Daarnaast lopen er studies om meer duidelijkheid te krijgen of de kans op het oplopen van een longontsteking en het wonen nabij een geitenhouderij ook in andere provincies verhoogd is. Tevens wordt niet alleen de nabijheid van geitenhouderijen, maar ook die van pluimveehouderijen onderzocht. Het eerder gevonden verband tussen een verhoogde kans op het oplopen van een longontsteking en het wonen nabij een pluimveehouderij kon in de nieuwe studie alleen worden bevestigd voor het jaar 2014.

Het onderzoek

Het onlangs verschenen rapport (zie Download in de rechterkolom) is het resultaat van onderzoek dat is uitgevoerd door het NivelNederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, het Institute for Risk Assessment Sciences (IRASInstitute of Risk Assessment Sciences, Universiteit Utrecht), Wageningen University & Research (WURWageningen University & Research). Bij de analyses is gebruikgemaakt van gegevens uit de elektronische patiëntendossiers van huisartsen in het oosten van de provincie Noord-Brabant en het noorden van de provincie Limburg.
De studie is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het is een eerste deelonderzoek in een reeks van onderzoeken in het kader van het programma VGO3, gecoördineerd door het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.