Het doel van minister Schouten is dat alle landbouwgronden in 2030 duurzaam beheerd worden. Bodemorganische stof speelt een cruciale rol in het goed functioneren van de bodem. Werkt een hoger bodemorganisch stofgehalte ook door naar een betere waterkwaliteit? Aan de hand van data van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid en Eurofins onderzochten we deze vraag1.

Stikstof is een essentieel element voor plantengroei. Stikstofbemesting wordt al tientallen jaren toegepast op landbouwgronden. Echter, niet al het opgebrachte stikstof wordt opgenomen door de gewassen. Een deel wordt (tijdelijk) ingebouwd in de bodemorganische stof of wordt omgezet door het bodemleven naar stikstofgas (denitrificatie) en vervluchtigt naar de atmosfeer. Een deel kan ook uitspoelen naar het grond- en oppervlaktewater in de vorm van nitraat.

Bodemorganische stof in de stikstofcyclus

Het type landgebruik heeft invloed op de mate van nitraatuitspoeling. Bouwlanden met gewasrotaties zijn vaak gevoeliger voor uitspoeling dan permanente graslanden. Dit komt omdat de bodem geploegd wordt tussen gewasrotaties. Dit stimuleert de afbraak van bodemorganische stof waardoor stikstof wordt gemineraliseerd en kan uitspoelen. Ook het type bodem beïnvloedt de omvang van nitraatuitspoeling. Bij bodems met een hoger organisch stofgehalte kan er meer denitrificatie en immobilisatie van stikstof plaatsvinden door het bodemleven dan in bodems met een laag organisch stofgehalte. Hierdoor spoelt er minder nitraat uit in bodems met een hoger organisch stofgehalte.

Bodemorganische stof is dus een belangrijke component in de stikstofcyclus. In deze studie concentreren we ons op zandgronden. Deze gronden hebben een hoger risico op nitraatuitspoeling dan klei- en veengronden. Het organische stofgehalte van zandgronden kan variëren. We onderzoeken of er een relatie is tussen het bodemorganische stofgehalte en nitraatconcentraties in het grondwater op zandgronden in Nederland. Ook kijken we of het landgebruik een rol speelt in deze relatie.

Data van het LMMLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid en Eurofins

De waterkwaliteitsdata (nitraatconcentraties in het grondwater) zijn afkomstig van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. Daarnaast hebben we gebruik gemaakt van bodemdata van Eurofins (www.eurofins.nl). We hebben de analyse uitgevoerd voor de periode 2008-2016. Percelen die zijn bemonsterd in het LMM hebben we gekoppeld aan percelen die door Eurofins zijn bemonsterd. We hebben onderscheid gemaakt in drie typen grondgebruik:

• Permanent grasland: laatste 5 jaar gras en minimaal 9 jaar gras in 12 jaar

• Rotatie grasland/bouwland

• Permanent bouwland: in 12 jaar maximaal 3 x gras, waarbij maximaal 1 x gras in laatste 5 jaar

Bij hoger bodemorganisch stofgehalte lagere nitraatconcentraties

De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater is gemiddeld veel hoger onder permanent bouwland dan onder grasland in rotatie met bouwland en onder permanent grasland. Het percentage bodemorganische stof is hoger onder permanent grasland dan onder de twee andere typen landgebruik (Figuur 1). Ondanks de grote variatie tussen percelen (schaduwvlakken in Figuur 2), zien we over het algemeen dat een hoger bodemorganisch stofgehalte relateert met lagere nitraatconcentraties in het bovenste grondwater op melkveebedrijven op zandgronden per grondgebruikstype (Figuur 2).

 

Staafdiagram met nitraatconcentraties en percentage bodemorganische stof

Figuur 1: Nitraatconcentraties (NO3mg/Lmilligram per liter) in het bovenste grondwater en het percentage bodemorganische stof (% bodem OS) voor de periode 2008-2016 per type landgebruik. Resultaten worden weergegeven als gemiddelde waarden ± standaardfout.

 

Figuur met regressielijnen tussen nitraatconcentraties en percentage bodemorganische stof

Figuur 2: Regressielijnen tussen nitraatconcentraties (NO3 mg/L) in het bovenste grondwater en percentage bodemorganische stof (% bodem OS) per type landgebruik voor de periode 2008-2016. De gekleurde schaduw geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval van de regressielijn aan.

Discussie

Deze resultaten zouden erop kunnen wijzen dat bodembeheermaatregelen die gericht zijn op het verhogen van het gehalte aan bodemorganische stof, mogelijk bijdragen aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Vooral in permanent bouwland waar de nitraatconcentraties in het grondwater hoog zijn, zou de meeste winst te behalen kunnen zijn. Onder grasland bouwt bodemorganische stof vooral in de eerste jaren snel op. Door het scheuren van grasland wordt de bodem luchtiger en wordt de opgebouwde bodemorganische stof weer snel afgebroken door het bodemleven. Dit zien we terug in de gehaltes bodemorganische stof in grasland in rotatie met bouwland; deze gehaltes komen nog niet in de buurt van die van permanent grasland. Ondanks de snelle afbraak van bodemorganische stof, zijn de nitraatconcentraties in het grondwater hier toch lager. Dit hangt waarschijnlijk samen met de opname van het vrijgekomen stikstof door het volggewas, en toename in denitrificatie door de aanwezigheid van makkelijk afbreekbaar bodemorganische stof.

Een agrariër kan invloed uitoefenen op het bodemorganisch stofgehalte van de bovenste 20 centimeter (bijvoorbeeld door zijn grasland niet te scheuren of groenbemesters te gebruiken). Zo kan hij een bijdrage leveren aan het verbeteren van de bodemkwaliteit. Een verbeterde bodemkwaliteit zorgt ook voor een betere bodemstructuur waardoor planten beter kunnen wortelen en stikstof kunnen opnemen. Dat kan weer bijdragen aan het verminderen van nitraatuitspoeling naar het grondwater. Sturen op bodembeheermaatregelen die de bodemorganische stof verhogen, kan er dus voor zorgen dat de waterkwaliteit verbetert.

Annemieke van der Wal (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)

LMM e-nieuws april 2020

1 Dit artikel is gebaseerd op een eerder gepubliceerd artikel in het vakblad Bodem (nummer 5, 2019).