Er is in Nederland nog geen goed beeld van welke chemische stoffen in het lichaam van mensen terechtkomen en in welke hoeveelheid. De Gezondheidsraad adviseerde de overheid daarom in 2024 om 100 stoffen in bloed en urine te meten (humane biomonitoring) en om dit elke vijf jaar te doen bij een groep van 1.500 mensen die een afspiegeling is van de Nederlandse bevolking. Het RIVM heeft nu in kaart gebracht hoe zo’n meetprogramma eruit kan komen te zien.
Het RIVM adviseert onder meer om het programma op te zetten met de kennis en expertise van verschillende organisaties. Denk aan de (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)’en, universiteiten en universitaire ziekenhuizen. Deze organisaties zullen bijvoorbeeld adviseren over de te onderzoeken stoffen. Waarschijnlijk gaat het om zogeheten Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), zoals zware metalen en (Per- en polyfluoralkylstoffen), en gewasbeschermingsmiddelen. Een ander advies is om internationaal samen te werken omdat er in andere landen al ervaring is met soortgelijke programma’s.
Bronnen van gemeten stoffen
Met aanvullende verzamelde gegevens in het voorgestelde programma kan, naast het meten van concentraties, ook een eerste beeld naar voren komen over uit welke bronnen de gemeten stoffen komen. Daarnaast kunnen de gegevens worden gebruikt om de kosten voor de samenleving van blootstelling aan deze stoffen in te schatten. Het programma biedt ook mogelijkheden om gerichte vervolgstudies te doen, zoals bijvoorbeeld naar specifieke gebieden of bepaalde kwetsbare groepen. Het RIVM schat de kosten van het meetprogramma in op twintig miljoen per meetronde. Een meetronde duurt vijf jaar. Veel andere landen in Europa hebben zo’n programma al. Het is nu aan de regering om te beslissen of het meetprogramma er ook echt komt.
Het RIVM deed dit onderzoek in opdracht van het ministerie van (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport).