Voor haar promotieonderzoek doet Loes Verkuil onderzoek naar agro-ecologische landbouwpraktijken in Nederland. Het is een project over klimaatbestendige landbouw: landbouw die beter bestand is tegen klimaatverandering en natuurvriendelijker is. In de eerste fase van haar onderzoek ontwikkelde ze een agro-ecologie index die een ruimtelijk beeld geeft van agro-ecologie in Nederland. Vervolgens onderzocht ze de drijfveren van agrariërs die deze vorm van landbouw toepassen. Het blijken vooral de voordelen voor hun bedrijf en directe omgeving te zijn, die agrariërs motiveren om agro-ecologische praktijken toe te passen. Het bredere maatschappelijke belang van bijvoorbeeld een betere waterkwaliteit speelt veel minder een rol.
Wat is agro-ecologie?
Agro-ecologie is een landbouwvorm die uitgaat van het hele ecosysteem en die streeft naar een balans tussen landbouw en natuur. Belangrijke kernpunten zijn:
- herstel van ecosysteemdiensten: landbouw wordt ingezet om ecosysteemdiensten te behouden of zelfs te herstellen
- beperken van externe hulpbronnen: door minder afhankelijk te zijn van bijvoorbeeld kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen wordt het voedselsysteem duurzamer
- sluiten van nutriëntencycli: reststromen en voedingsstoffen worden zoveel mogelijk binnen het bedrijf gehouden
- sociale waarden: agro-ecologie besteedt aandacht aan sociale aspecten zoals inclusiviteit, samenwerking met lokale gemeenschappen en lokale afzet.
Concrete voorbeelden van agro-ecologische praktijken zijn bijvoorbeeld strokenteelt, landschapselementen die voor biodiversiteit zorgen, natte teelten, gebruik van zonnepanelen en verkoop aan huis.
Agro-ecologie index
In de eerste fase van het onderzoek lag de focus op de identificatie van agro-ecologie in Nederland. Loes: ‘We wilden eerst de schaal en de ruimtelijke verdeling van het gebruik agro-ecologische praktijken onder Nederlandse boeren in kaart brengen. Ook wilden we weten wat kenmerken zijn van bedrijven die veel van dit soort maatregelen gebruiken.’ Samen met collega-onderzoekers ontwikkelde ze daarvoor een agro-ecologie index. De index is gebaseerd op principes die de FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN) hanteert in haar definitie van agro-ecologie.
Ze gebruikten data van ruim 700 agrarische bedrijven uit het Bedrijveninformatienet van Wageningen Social & Economic Research. Van deze bedrijven waren er voldoende gegevens beschikbaar over agro-ecologische praktijken om de analyses te kunnen doen.
Agro-ecologie in Nederland nog beperkt
‘Het gebruik van agro-ecologische praktijken is gemiddeld in Nederland nog beperkt en kent een aanzienlijke ruimtelijke variatie’, vertelt Loes. ‘Hernieuwbare energieopwekking is daarbij een uitzondering, want veel agrarische bedrijven hebben tegenwoordig bijvoorbeeld wel zonnepanelen.’
Flevoland heeft gemiddeld de hoogste scores op de index, Limburg en Brabant de laagste. Flevoland scoort onder andere hoger op diversiteit in inkomen en agrarische producten, maatregelen die voor betere natuurwaarden moeten zorgen (bijvoorbeeld subsidies voor natuurbeheer), bodemkwaliteit en hernieuwbare energieopwekking. De onderzoekers denken dat dat onder meer te maken heeft met de hoge landprijzen en relatief lange pachtcontracten in de provincie. Loes: ‘De provincie staat bekend om duurzame landbouwinitiatieven. De landprijzen zijn er hoog, dit drijft boeren om óf heel intensief te gaan werken, óf om alternatieve markten op te zoeken. Ook zijn de pachtcontracten er relatief lang en het grondbezit hoog. De zekerheid die dat met zich meebrengt leidt tot meer investeringen in duurzaamheid.’
Grotere inkomensstabiliteit
Loes: ‘De landbouwsector in Nederland is heel intensief. Veel boeren voelen geen ruimte om agro-ecologische maatregelen te nemen. De focus ligt vooral op zoveel mogelijk financiële opbrengst. Er wordt vaak gedacht dat het toepassen van agro-ecologie een negatief effect heeft op het inkomen. Maar uit ons onderzoek blijkt dat dat niet klopt. We hebben gekeken naar het effect van het toepassen van agro-ecologie op het totale inkomen en het inkomen per hectare, en daar kwam geen effect uit. Het inkomen van agrariërs die meer agro-ecologische maatregelen nemen wordt niet lager of hoger dan van agrariërs die minder van deze maatregelen toepassen.’
De onderzoekers keken ook naar de relatie tussen de mate van agro-ecologische praktijken en inkomensstabiliteit Het onderzoek – uitgevoerd over de periode 2010-2020 – geeft een indicatie dat agro-ecologische praktijken juist kunnen bijdragen aan stabielere inkomens voor boeren. ‘Dat komt waarschijnlijk omdat deze praktijken vaak meer diversiteit in hun bedrijfsvoering brengen (zie kader), en daarmee voor risicospreiding kunnen zorgen’, aldus Loes. ‘In situaties van extreme droogte bijvoorbeeld (waarvan we ook in het LMM (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid) de afgelopen jaren de gevolgen zagen, red.) kan diversiteit in bedrijfsvoering agrariërs minder kwetsbaar maken. Agro-ecologie kunnen we dan ook zien als een goed voorbeeld van klimaatbestendige landbouw.’
Drijfveren vooral gebaseerd op voordelen eigen bedrijf
Wat maakt dat agrariërs kiezen voor agro-ecologische praktijken? Met die vraag vervolgde Loes haar onderzoek. Aan de hand van interviews met 17 agrarische ondernemers onderzocht ze de drijfveren voor het toepassen van agro-ecologische praktijken. Uit de voorlopige resultaten blijkt dat het vooral persoonlijke en instrumentele waarden zijn die agrariërs aanzetten tot het nemen van agro-ecologische maatregelen: bedrijfskosten verlagen, persoonlijke motivatie (‘ik zie minder vogels op m’n bedrijf’) en wat je buren zeggen of doen. Agrariërs hebben daarbij vooral oog voor de kleinschalige, directe effecten voor het bedrijf, zoals een betere bodemkwaliteit of waterbeschikbaarheid. Het bredere belang, zoals het verbeteren van de waterkwaliteit of het tegengaan van klimaatverandering, speelt minder een rol.
Meer bewustwording nodig
Het onderzoek van Loes levert interessante inzichten op. Het laat onder meer zien dat het belang van een goede waterkwaliteit ook bij agrariërs die actief bezig zijn met hun impact op de omgeving, nog niet altijd voldoende bekend is.
Wat is er nodig en welke relevantie heeft het LMM daarbij? Loes: ‘Meer bewustwording bij agrariërs over hoe hun manier van werken ook invloed kan hebben op grotere milieuproblemen, zoals de waterkwaliteit zou een stap in de goede richting zijn. Dus meer aandacht voor voorlichting, het gesprek aan gaan en de voordelen van een betere waterkwaliteit duidelijker maken. Ook participatief onderzoek samen met agrariërs is een goede manier om de kloof tussen wetenschap en boer te verkleinen. Bijvoorbeeld door samen met boeren waterkwaliteit te meten.’
Dit laatste gebeurt overigens al in het LMM. In het project zelf metende LMM-deelnemers hebben melkveehouders in samenwerking met het RIVM zelf de waterkwaliteit op hun bedrijf gemeten. De resultaten van dit project verschijnen begin 2026. Loes: ‘Dat is een mooi voorbeeld om de bewustwording bij agrariërs te vergroten!’
Meer data, meer inzicht
Met de ervaringen die ze heeft opgedaan met haar promotieonderzoek doet Loes tot slot nog een aanbeveling: ‘Het zou goed zijn als er op grotere schaal meer data beschikbaar komt over de agro-ecologische praktijken van agrarische bedrijven in Nederland. Daarmee wordt het ook eenvoudiger om bijvoorbeeld de gevolgen voor de waterkwaliteit goed in beeld te brengen.’
Loes Verkuil is promovendus bij het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM) van de Vrije Universiteit Amsterdam. Het RIVM is collaborating partner in het project.
Meer lezen?
- Verkuil et al (2024) Bright spots of agroecology in the Netherlands: A spatial analysis of agroecological practices and income stability. Agricultural Systems, volume 220.
- Verkuil et al (2026) Exploring perceived drivers and ecosystem benefits for agroecology adoption among livestock farmers in the Netherlands. People and Nature <under review>.
Angelique van der Lans (RIVM)
LMM e-nieuws, februari 2026