Burgerwetenschap, ook wel citizen science genoemd, is een methode waarbij burgers en wetenschappers samen wetenschappelijk onderzoek doen. Voor beide partijen kan zo’n gezamenlijk onderzoeksproces waardevol zijn. Arno Hooijboer, projectleider van het innovatieprogramma van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid, vroeg zich af of citizen science ook iets zou kunnen betekenen voor het (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid)? Hij vond negen boeren bereid om gedurende een jaar zelf de waterkwaliteit op hun bedrijf te meten. De redactie van LMM e-nieuws ging met Arno in gesprek over zijn ervaringen.
Wat was de aanleiding voor dit project?
‘WaterSNIP is het innovatieprogramma van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. Hierin proberen we nieuwe meetmethodes uit. Ik hoorde over verschillende citizen science-projecten met boeren, en de resultaten daarvan klinken veelbelovend. Dat maakte me nieuwsgierig, zou dat ook voor het (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid) kunnen werken? Dus deden we een oproep in de LMM-nieuwsbrief, waarin we deelnemers vroegen om mee te doen aan een project waarbij ze zelf de waterkwaliteit op hun bedrijf gingen meten. Uiteindelijk vonden we negen melkveehouders bereid om mee te werken.’
Wat was de motivatie voor boeren om mee te doen?
‘De deelnemers zijn eigenlijk zonder uitzondering ontevreden met het mestbeleid, met name over het afschaffen van derogatie. Zij doen hun best om zo goed mogelijk te boeren en wilden door zelf te meten laten zien dat de uitspoeling op hun bedrijf beperkt is. Je ziet ook dat er wantrouwen is naar andere beleidsmaatregelen, zoals de bufferstroken. Deelnemers zijn er niet van overtuigd dat dit zin heeft; door zelf metingen te doen wilden ze dit onderzoeken.’
‘Handelingsperspectief was voor verschillende boeren ook een reden om mee te doen. Het uitspoelen van meststoffen is ook in hun eigen nadeel, want ze worden dan niet opgenomen door het gewas om beter te groeien. Het is vaak nog onduidelijk welke maatregelen ze kunnen nemen om de uitspoeling terug te dringen. In dit project hoopten ze daar meer inzicht in te krijgen.’
Hoe zag het project er concreet uit?
‘We begonnen met twee workshops: een in Noord- en een in Zuid-Nederland. In die workshops hebben we samen met de deelnemende boeren uit die regio een meetplan gemaakt. Volgens dit plan hebben de deelnemers in het noorden gedurende een jaar hun slootwater bemonsterd. De deelnemers analyseerden het slootwater op nitraat en fosfaat en bepaalden het doorzicht in de sloot. In het zuiden hebben deelnemers het grondwater uit peilbuizen bemonsterd. Ze bepaalden de nitraatconcentratie en de grondwaterstand. Na een jaar meten hebben we het project afgesloten met een bijeenkomst op het RIVM. We hebben daarna alle deelnemers geïnterviewd om de ervaringen vast te leggen.’
Wat waren de grootste uitdagingen voor de boeren bij het meten van waterkwaliteit?
‘Dat bleek toch vooral de tijd en ruimte om het te doen. Je ziet dat het zelf meten vooral lukt op bedrijven waar alles op rolletjes loopt. Zit er iets tegen, bijvoorbeeld een zieke medewerker, dan is het zelf meten (begrijpelijkerwijs) het eerste dat afvalt.’
Hoe kijken de deelnemende boeren terug op het project?
‘De geïnterviewde deelnemers waren enthousiast over het project. Niet alle wensen waarmee ze aan het project begonnen zijn uitgekomen, maar dat was misschien ook wel wat ambitieus. Met deze metingen kunnen de deelnemers geen verruiming van mestnormen krijgen, zo werkt het huidige mestbeleid niet. En het aantal metingen is te beperkt om te onderzoeken welke maatregelen werken om uitspoeling te verlagen. Deelnemers geven wel aan dat ze er veel van geleerd hebben. Bijvoorbeeld over de verschillen tussen uitspoeling in de zomer en winter; dat uitspoeling naar de sloten vooral in de winter plaatsvindt. Of dat er een verschil in uitspoeling is tussen percelen met akkerbouwgewassen of gras. We vertellen daar regelmatig over in het (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid), maar door het zelf te meten op het eigen bedrijf gaat dit meer leven bij deelnemers.’
Wat heeft jou het meest verrast?
‘Het enthousiasme om te meten was bij een paar boeren erg groot. Die hebben elke maand vijf slootwaterpunten bemonsterd of twee grondwaterpeilbuizen. Wat ik ook opvallend vond was dat de boeren door het bemonsteren meer oog kregen voor de planten en dieren in en om het water op hun bedrijf. Ze werden bijvoorbeeld erg enthousiast van een groene kikker of een bijzondere oeverplant.’
Je begon dit project met de vraag of citizen science iets voor het LMM kan betekenen. Wat is je antwoord op deze vraag?
‘In het algemeen zie ik in Nederland veel mogelijkheden om citizen science in te zetten bij metingen van waterkwaliteit, ook in de agrarische sector. In het LMM is dit helaas niet zo logisch. We willen in het LMM een groep boeren bemonsteren die willekeurig gekozen en representatief voor de Nederlandse landbouw zijn. Het klinkt misschien tegenstrijdig, maar dat uitgangspunt komt in gevaar als boeren hun bedrijfsvoering gaan aanpassen aan de hand van meetresultaten. Het meetnet wordt daarmee minder representatief voor de Nederlandse landbouw.’
Het rapport Zelf-metende LMM-deelnemers. Een pilot waarin veehouders zelf de waterkwaliteit meten verschijnt naar verwachting eind juni.
Angelique van der Lans, met dank aan Arno Hooijboer
LMM e-nieuws mei 2026