Risico’s voor consumenten door resten van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel worden nu nog per middel ingeschat. Maar verschillende gewasbeschermingsmiddelen kunnen eenzelfde gezondheidseffect hebben. Wanneer middelen tegelijk worden gebruikt, kunnen ze dus een groter risico vormen dan los van elkaar. Deze opgetelde effecten moeten volgens Europese wetgeving worden meegenomen in de risicobeoordeling. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft daarom met de Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit een methode ontwikkeld die kan berekenen in welke mate mensen via voedsel aan meerdere gewasbeschermingsmiddelen blootstaan. 

De Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit) heeft deze nieuwe methode in gebruik genomen voor de cumulatieve beoordeling van residuen op voedsel. EFSA concludeert nu in een voorlopige risicobeoordeling dat de opgetelde blootstelling via voedsel op dit moment geen gevaar voor de gezondheid oplevert. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is het daarmee eens. 
Het RIVM heeft blootstellingsschattingen gemaakt voor gewasbeschermingsmiddelen die effect kunnen hebben op het zenuwstelsel en de schildklier. In eerste instantie lijkt het erop dat de blootstelling van kleuters en jonge kinderen aan middelen die op het zenuwstelsel kunnen werken hoog is. Er ontbreekt echter informatie om een complete blootstellingschatting te kunnen maken. 

Het is bijvoorbeeld niet bekend de hoeveel resten van gewasbeschermingsmiddelen op bewerkte producten zitten. Door bewerkingen zoals schillen, koken en tot sap verwerken, neemt het restant gewasbeschermingsmiddel af vergeleken met het onbewerkte product. Maar het is niet bekend hoeveel minder dat precies is. In de huidige risicobeoordeling voor appelsap wordt bijvoorbeeld de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel gebruikt die op de onbewerkte appel zit. Hierdoor kan de eigenlijke blootstelling worden overschat. Om onderschatting zo veel mogelijk uit te sluiten is er bij de gebruikte aannames uitgegaan van de meest ongunstige situatie.

Op basis van de blootstellingsberekening van het RIVM heeft EFSA een risicobeoordeling gedaan. EFSA komt tot de conclusie dat door de ontbrekende informatie de blootstelling is overschat. Deze optelsom is vergeleken met het beschermingsdoel dat door de Europese Commissie is vastgesteld. Die houdt in dat de blootstelling van 99,9 procent van de bevolking aan resten van gewasbeschermingsmiddelen minstens 100 keer lager moet zijn dan de blootstelling waarbij ze in dierstudies nog net geen schadelijk effect veroorzaken. Voor deze twee organen blijkt dat het geval te zijn. 

EFSA zal hierna de cumulatieve risico’s van gewasbeschermingsmiddelen op andere organen gaan beoordelen. Met de opgedane ervaring wil EFSA het proces van volgende beoordelingen voortaan sneller laten verlopen.