Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft in kaart gebracht of wettelijke normen voor geneesmiddelen nodig zijn om de waterkwaliteit te garanderen. Wettelijke normen blijken niet altijd nodig te zijn om beleid voor de waterkwaliteit vorm te geven. Hiervoor kan een wetenschappelijk onderbouwde schatting van de concentratie die veilig is voor organismen (een risicogrens) voldoende informatie geven. Wettelijke normen zijn ook niet nodig om de waterkwaliteit door de jaren heen te volgen of om de waterkwaliteit van locaties te kunnen vergelijken. 

Monitoren

Wettelijke normen voor de waterkwaliteit kunnen nuttig zijn om beleid te verankeren, maar brengen ook verplichtingen met zich mee. Waterbeheerders moeten dan de waterkwaliteit monitoren, de resultaten rapporteren en maatregelen nemen als normen niet worden gehaald. Voor medicijnresten is dat juist het lastige punt. Een waterbeheerder kan namelijk niet eisen dat er vanuit een ‘bron’, zoals een huishouden, minder medicijnenresten in het water terechtkomen. Ook zijn oplossingen aan het einde van de zogeheten medicijnketen, zoals aangepaste rioolwaterzuiveringen, niet overal zinvol of haalbaar. 

In Nederland zijn ongeveer 2000 verschillende actieve stoffen geregistreerd als geneesmiddel. Het is praktisch en financieel onhaalbaar om van al deze stoffen te meten of er restanten in water achterblijven. Ook is van de meeste stoffen weinig tot geen informatie beschikbaar over de effecten op waterorganismen. 

Het is  niet nodig om voor iedere actieve stof apart een risicogrens af te leiden. Mogelijk kan  een verzameling van stoffen (indicatorstoffen of gidsstoffen)  representatief zijn voor een grotere  groep. Metingen van effecten bij organismen en zogeheten bioassays kunnen soms ook een voldoende beeld geven van de kwaliteit van een watersysteem.
 
Voor beleidsmakers en waterbeheerders is een informatieblad opgesteld. Met de informatie kunnen zij een besluit nemen over de wenselijkheid van normen voor medicijnresten.