De vraag naar ouderenzorg neemt niet af, maar verschuift steeds meer van een zorginstelling naar thuis. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM. Ouderen gaan pas naar een zorginstelling als ze zwaardere zorg nodig hebben. Ook verblijven ze er dan minder lang. Bij 1 op de 5 van de onderzochte zorginstellingen zorgde dit in de periode 2018-2024 voor een sterke daling van het aantal cliënten. Zorgbestuurders en professionals zien de verschuiving van zorg als een structurele ontwikkeling.
In Nederland groeit het aantal ouderen (65 jaar en ouder). Hierdoor neemt het aantal ouderen dat zorg nodig heeft toe. De verwachting is dat de vraag naar zorg blijft toenemen. De meeste ouderen die langdurige zorg ontvangen verblijven nog steeds in een zorginstelling (112.000 in 2018 en 127.000 in 2024, in beide jaren 3,5% van de 65+ers in Nederland). Maar de toename van langdurige zorg thuis is groter. Die steeg van 34.000 ouderen in 2018 naar 78.000 in 2024. Ook werd de geleverde zorg in deze periode gemiddeld zwaarder. In dezelfde periode daalde het aantal ouderen dat wijkverpleging uit de Zorgverzekeringswet kreeg van 257.000 naar 240.000.
Bezetting van verpleeghuizen
Landelijk bleef de bezetting van verpleeghuizen gemiddeld genomen gelijk. Wel zijn er opvallende verschillen. Bijna de helft van de verpleeghuizen heeft een toename in het aantal bezette plekken, vooral voor zwaardere zorgvragen. Maar bij 1 op de 5 verpleeghuizen is een sterke daling in bezetting te zien. Bij de overige onderzochte verpleeghuizen bleef de bezetting nagenoeg gelijk. Het is niet uit te sluiten dat het aantal verpleeghuizen met een sterke terugloop in bezetting in Nederland groter is dan in deze analyses. Een deel van de verpleeghuizen is niet meegenomen omdat er geen volledige data beschikbaar waren. Mogelijk heeft een deel hiervan moeten stoppen, is gefuseerd door een te sterke terugloop in de bezetting of heeft hun bestaande zorgovereenkomst niet kunnen verlengen. Het onderzoek laat ook zien dat het percentage verpleeghuizen met geen of relatief korte wachtlijsten sinds 2023 licht toenam, van 10 naar 13 procent. Het percentage van verpleeghuizen dat helemaal geen wachtlijsten heeft, nam toe van ongeveer 8 procent in 2019-2024 naar 9,5 procent in 2025.
Minder lang verblijf in zorginstelling
De verschuiving naar meer langdurige zorg thuis past bij het doel van de overheid om ouderen te stimuleren om langer thuis te blijven wonen. Ouderen geven in dit onderzoek aan dit zelf ook te willen. Op het moment dat zij naar een zorginstelling gaan, verblijven zij er wel minder lang. De groep die er maximaal 3 maanden verblijft, werd in de onderzochte periode 2 keer zo groot. Het percentage ouderen dat er maximaal 5 maanden verbleef steeg met 65 procent. Tegelijkertijd daalde het aantal ouderen met een verblijfsduur van 5 jaar of langer met 5 procent.
Gesprekken met professionals en ouderen
Zorgbestuurders en professionals herkennen dit beeld. Volgens hen zorgt de verschuiving naar langdurige zorg thuis in veel gevallen voor kortere wachtlijsten of (tijdelijke) leegstand als de beschikbare capaciteit nog is ingericht op het aanbieden van minder zware langdurige zorg. Ook ervaren zij dat het werk zwaarder wordt. Ouderen hebben zwaardere zorg nodig en overlijden na een korter verblijf in het verpleeghuis. Hierdoor moet het personeel vaker een verpleeghuisplek voor nieuwe cliënten klaarmaken. Ouderen hechten waarde aan hun zelfstandigheid en sociale omgeving en willen daarom graag zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Over verhuizen wordt pas nagedacht bij een concrete aanleiding, zoals een acute gebeurtenis als een beroerte of val.
Gevolgen van de verschuiving naar meer zorg thuis
Door de verschuiving naar meer zorg thuis, gaan ouderen vaker pas naar een verpleeghuis als het niet anders mogelijk is. Hierdoor wordt de zorgvraag in instellingen gemiddeld zwaarder. Dat vraagt aanpassingen van zorginstellingen en de zorgprofessionals die daar werken. Daarnaast kunnen er meer aanpassingen bij ouderen thuis nodig zijn, zoals een traplift. Dat betekent dat zorggebruikers en hun mantelzorgers te maken krijgen met verschillende zorgloketten en dus meer mentale belasting. De verwachting is bovendien dat er in de toekomst te weinig
mantelzorgers beschikbaar zijn, zo blijkt uit ander RIVM-onderzoek.
Lokaal inspelen op veranderingen
Uit de interviews blijkt verder dat bestuurders van zorgorganisaties verschillend met de verschuiving naar meer zorg thuis omgaan. Op basis van het onderzoek wordt geadviseerd dat zorgorganisaties lokaal ruimte krijgen om in te spelen op de veranderingen, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van nieuwe woonzorg-concepten. De geïnterviewde bestuurders ervaren wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid soms als belemmerend. Tegelijk zijn er volgens hen goede voorbeelden die laten zien dat goede regionale samenwerking het makkelijker maakt om gezamenlijke oplossingen te vinden. Dit vraagt wel om openheid, de bereidheid om over het eigen organisatiebelang heen te kijken en meewegen wat ouderen belangrijk vinden bij het overwegen van een verhuizing, zoals behoud van hun sociale netwerk in de buurt.
Over dit onderzoek
Aanleiding voor dit onderzoek waren signalen die het ministerie van (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) de afgelopen jaren kregen van ‘onbenutte capaciteit’ (leegstand) in zogeheten Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorgvoorzieningen (VVT). Dit was opvallend omdat de Nederlandse bevolking steeds ouder wordt. Het ministerie van VWS vroeg het RIVM daarom om de ontwikkelingen in de ouderenzorg in kaart te brengen. Voor dit onderzoek zijn vooral gegevens tot en met 2024 gebruikt. Het RIVM beveelt aan om dit onderzoek over twee jaar te herhalen. Daarmee kunnen ook de ontwikkelingen van de periode na 2024 meegenomen worden.