Bedrijfsartsen richten zich vooral op individuele verzuimbegeleiding waardoor er minder ruimte is voor preventieve taken, zoals een open spreekuur of werkplekbezoek. Hoewel bijna elke bedrijfsarts preventie wel als onderdeel van zijn takenpakket ziet, verwacht slechts 57 procent dit ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Dat is een van de conclusies uit het proefschrift van Suzanne Orhan Pees. Vandaag promoveert zij aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

De ervaren steun voor preventie speelt een belangrijke rol in de daadwerkelijke uitvoering ervan en verklaart waarom een groot deel van de bedrijfsartsen niet aan preventie toekomt. De meeste bedrijfsartsen (84 procent) ervaren wel steun van collega’s, 62 procent van de eigen arbodienst, maar slechts 43 procent van de werkgevers voor wie zij werken.

Preventieve taken in de praktijk

Hoewel preventieve taken staan beschreven in de Arbowet, lukt het bedrijfsartsen in de praktijk vaak niet om daar tijd voor vrij te maken. Om hen te ondersteunen, is daarom een interventie opgezet. Bij de interventie werd met bestaande groepen voor intercollegiale toetsing in drie bijeenkomsten aan de slag gegaan met het onderwerp uitvoeren van preventieve taken, waarbij bedrijfsartsen een persoonlijk actieplan opstelden deze taken meer op te pakken.

Meer tijd voor advies over verzuimbegeleiding

De interventie vergrootte het bewustzijn over het belang van preventie onder deelnemende bedrijfsartsen. Ook lukte het veel bedrijfsartsen om werkdoelen op te stellen om meer met preventie aan de slag te gaan. Na een jaar besteedden de deelnemende bedrijfsartsen gemiddeld vijf uur per maand meer aan het geven van preventief advies tijdens de verzuimbegeleiding. Een verklaring hiervoor is dat bedrijfsartsen voor de uitvoering van deze taak niet afhankelijk zijn van extra tijd, geld, of goedkeuring van werkgevers of hun eigen arbodienst. Maar, de totale tijd die bedrijfsartsen aan preventie besteden verschilde niet tussen de deelnemers aan de interventie en de controlegroep.

Aanbevelingen

Veel van de belemmeringen voor de uitvoering van preventieve taken hangen samen met hoe het systeem in Nederland is ingericht. Om tot een betere uitvoering te komen, adviseert Orhan Pees in haar onderzoek dat er een duidelijker doel voor preventie nodig is. Daarbij zijn afspraken en middelen nodig van alle betrokkenen, waaronder werkgevers en arbodiensten. Omdat uit het onderzoek de rol van werkgevers essentieel bleek, is het belangrijk na te gaan hoe werkgevers kunnen worden gestimuleerd om te investeren in preventie.

Dit onderzoek was een samenwerking van het RIVM met het Amsterdam (Universitair Medisch Centrum), in opdracht van het ministerie van (Sociale zaken en werkgelegenheid).