Het tijdstip waarop een postoperatieve wondinfectie (POWIPostoperatieve wondinfecties) optreedt kan zowel tijdens het verblijf in het ziekenhuis, als na ontslag uit het ziekenhuis liggen. De criteria voor het vaststellen van een postoperatieve wondinfectie die gehanteerd worden binnen het PREZIESPREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance netwerk stellen dat een postoperatieve wondinfectie die binnen 30 dagen na de operatie optreedt als ziekenhuisinfectie wordt meegeteld. Als er sprake is van een implantaat van niet-humane oorsprong geldt een termijn van één jaar (t/m 2014) of 90 dagen (2015). Vanaf 2016 is de follow-up periode bij de module POWI per indicatoroperatie vastgesteld op 30 of 90 dagen en hoeft geen rekening meer gehouden te worden met de aanwezigheid van een implantaat (zie protocol en definities vanaf 2016).  Door de steeds kortere ligtijden van patiënten en de toename van dag- en poliklinische behandelingen zal het percentage postoperatieve wondinfecties dat na ontslag uit het ziekenhuis optreedt toenemen. Daarom is de follow-up periode verplicht.

De literatuur beschrijft verschillende methoden om postoperatieve wondinfecties op te sporen die zich na het ontslag van de patiënt uit het ziekenhuis openbaren (zie figuur 1). Internationaal bestaat evenwel geen consensus met betrekking tot de aanbevolen methode van de follow-up periode (FUPfollow-up periode). In 1998 is in het kader van het PREZIESPREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance netwerk een inventarisatie uitgevoerd naar ervaringen met methoden van FUP in het buitenland en in Nederland. Op basis van de verzamelde informatie is, rekening houdend met de haalbaarheid in termen van volledigheid en tijdsinvestering, een tweetal methoden voor FUP aanbevolen voor het gebruik binnen het PREZIES netwerk.

 

Figuur 1. Sensitiviteit en arbeidsintensiviteit voor methoden van surveillance na ontslag
                        WO = directe wondobservatie; DO = dossieronderzoek; RK = registratiekaart in polikliniek status; VC = vragenlijst chirurg; MC = melding chirurg alleen bij POWI; VP = vragenlijst patiënt; TP = telefonisch interview patiënt; VBK = vragenlijst behandelend arts bij klachten.

Aanbevolen methoden voor FUP

Een registratiekaart in de polikliniekstatus (RK in figuur 1), waarop de chirurg invult of zich bij een patiënt al dan niet een postoperatieve wondinfectie heeft ontwikkeld, wordt aanbevolen als haalbare en betrouwbare methode van FUP. Kernpunt hierbij is dat de chirurg de registratiekaart polikliniekstatus terugstuurt van alle patiënten die de polikliniek bezoeken. Bij het vermoeden van onvoldoende respons en medewerking van de chirurg dient de methode intern gevalideerd te worden. Bij gebleken onvoldoende validiteit van de registratiekaart wordt onderzoek van de poliklinische patiëntdossiers als methode van FUP aanbevolen (DO in figuur 1). Voorwaarde hierbij is dat de medische verslaglegging in het poliklinisch dossier voldoende is.

Voor meer informatie:

Download Registratiekaart polikliniekstatus