Zorginstellingen, zoals ziekenhuizen en verpleeghuizen, zijn locaties waar resistente bacteriën kunnen ontstaan en zich gemakkelijk verspreiden. Daarom zijn er richtlijnen voor het gebruik van antibiotica en de verzorging van patiënten. De overheid en de zorgsector stellen zich de komende jaren extra doelen om antibioticaresistentie verder tegen te gaan.

Antibiotica in zorginstellingen

Patiënten in een zorginstelling hebben een verhoogd risico op het krijgen van een infectie. Dit komt doordat ze meestal gezondheidsproblemen hebben, meestal van oudere leeftijd zijn en/of behandelingen of ingrepen moeten ondergaan of hebben gehad. Deze patiënten krijgen daarom vaak antibiotica. Met als gevolg dat resistente bacteriën in zorginstellingen meer voorkomen. Patiënten verblijven hier dicht bij elkaar. Bij de verzorging kunnen deze bacteriën daardoor gemakkelijk verspreiden. Een goede hygiëne is daarom belangrijk. Het kan infecties voorkomen waardoor artsen minder antibiotica hoeven voor te schrijven. En dat is nodig omdat een infectie met een resistente bacterie ernstige gevolgen kan hebben voor mensen met een kwetsbare gezondheid. Daarom gelden er in de zorg richtlijnen met betrekking tot antibiotica.

  • Antibiotica mogen alleen worden voorgeschreven door een arts.
  • Artsen moeten richtlijnen volgen bij het voorschrijven van antibiotica.
  • Personeel in een zorginstelling volgt strikte richtlijnen voor hygiëne. Dit voorkomt dat resistente bacteriën van de ene naar de andere patiënt gaan.
  • Als een patiënt in het ziekenhuis of verpleeghuis ligt en deze persoon heeft

Gegevens over antibioticaresistentie

Om ons tegen antibioticaresistentie te beschermen, moeten we weten hoe vaak en waar Bijzonder Resistente Micro Organismen (BRMObijzonder resistente micro-organismen) voorkomen en welke trends zich daarin voordoen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) verzamelt en analyseert deze gegevens systematisch. Dit noemen we surveillance. Hiermee kan het RIVM het antibioticagebruik en het aantal infecties met resistente bacteriën in kaart brengen.  Het gaat om gegevens van bijvoorbeeld ziekenhuizen en verpleeghuizen. Aan de hand van deze data kunnen we zien hoeveel antibiotica er wordt gebruikt, welke bacteriën waar voorkomen, of ze in aantallen toe- of afnemen en of er nieuwe bij komen.

In 2018 deed het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, in opdracht van het ministerie van VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport , onderzoek naar het voorkomen van resistente bacteriën in verpleeghuizen. Dit is in Nederland nog niet eerder onderzocht. Het is belangrijk om dit te onderzoeken, omdat dit inzicht helpt in de bestrijding van antibioticaresistentie. Zo kunnen er gerichte maatregelen genomen worden. Het onderzoek laat zien of en in hoeverre cliënten in de langdurige zorg een resistente bacterie bij zich dragen. Een bijkomend voordeel voor de deelnemende verpleeghuizen is dat ze hierdoor een goed beeld kregen in het voorkomen van antibioticaresistentie in hun eigen huis.

In samenwerking met de regionale zorgnetwerken ABRantibioticaresistentie heeft het RIVM verpleeghuizen benaderd voor het onderzoek. In totaal deden 4.419 cliënten in 159 verpleeghuizen mee. Bij deze cliënten keken we of zij bepaalde typen resistente bacteriën (ESBLExtended spectrum beta-lactamases en CPECarbapenamse-producerende enterobacteriaceae) bij zich droegen. Uit de resultaten blijkt dat het aantal mensen met de resistente bacterie ESBL even vaak voorkomt als in de algemene bevolking. Dat het aantal gelijk ligt, is goed nieuws. Wel zagen we grote verschillen in het voorkomen van resistente bacteriën tussen de deelnemende huizen. Bij een derde was er een reden om verder te onderzoeken of de bacterie zich in het huis had verspreid. Daarnaast is bij de onderzochte cliënten  geen CPE-bacterie aangetroffen. Daar zijn we blij mee, want er zijn nauwelijks antibiotica die infecties met deze bacterie kunnen behandelen.

Klik hier om een interview over dit onderzoek te lezen met Jaap van Dissel, directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding.

Evaluatie
Bovengenoemd onderzoek is geëvalueerd. Hierbij zijn de ervaringen van alle betrokken partijen (PPOPuntprevalentieonderzoek coördinatoren, verpleeghuizen en Medisch Microbiologische Laboratoria) in kaart gebracht. Deze inzichten zijn belangrijk bij een eventuele herhaling van dit onderzoek of bij soortgelijke onderzoeken in de toekomst. Het evaluatierapport kan je hier lezen.