Het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMGLandelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit) bestaat in totaal uit circa 350 grondwaterputten verspreid over Nederland. Iedere put bevat één tot drie filters op dieptes van 10 tot 25 meter beneden maaiveld. Jaarlijks vindt bemonstering van deze filters plaats volgens een bepaald bemonsteringsschema. Deze bemonstering wordt uitgevoerd volgens een vast protocol. Zowel in het veld als in het laboratorium worden verschillende gegevens verzameld, gevalideerd en opgeslagen.

Locatie van de meetpunten

De ligging van de meetlocaties is weergegeven in onderstaande figuur. In de loop van de tijd zijn er meetpunten vervallen en nieuwe meetpunten geplaatst, dit als gevolg van beschadiging of een onveilige bemonsteringslocatie.

Kaart van Nederland met daarop de locaties van de LMG putten

Figuur 1: Meetlocaties van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMGLandelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit).

 

Gebiedsindeling

De meetpunten zijn op twee manieren gegroepeerd, namelijk in ecodistrictgroepen en in homogene deelgebieden.

Ecodistrictgroepen

Ecodistricten zijn gebieden die ruimtelijk homogeen zijn voor wat betreft geologische, geomorfologische en mesoklimatologische kenmerken en kenmerken van de diepe grondwaterstromen (Klijn, 1988). Deze indeling is gekozen omdat grondwaterkwaliteit in grote mate bepaald wordt door de van nature aanwezige stoffen en situatie in de ondergrond. Deze indeling is ook toegepast in onderstaande eerdere LMG-rapportages (RIVM rapport 714801030 en RIVM rapport 680721005). Ecodistricten zijn geaggregeerd naar ecodistrictgroepen die weer geaggregeerd zijn naar ecoregio’s.

We onderscheiden de volgende ecodistrictgroepen:

Ecodistrictgroep Afkorting in figuren/tabellen

duinen en strandwallen

1. duin
laagveengebieden 2. laagvn
polders en droogmakerijen 3. pold
zeekleigebieden 4. zklei
rivierengebied 5. rklei
beekdalcomplexen 6. beekd
hoogveengebied 7. hoogvn
Gelderse Vallei en Veluwezoom 8. GelVal
oostelijk dekzandgebied met geïsoleerde stuwwallen  9. O-dekz
keileemgebieden 10. kleilm
Utrechtse Heuvelrug en Veluwe 11. UtH
Centrale Slenk 12. C-slenk
zuidwestelijk zandgebied 13. ZW-zand
Peelhorst en oude rivierterrassen 14. Peel
krijt- en lössgebied 15. loess

 

Op onderstaande kaart is de ligging van de ecodistrictgroepen te zien.

Figuur 2: Ligging ecodistrictgroepen.

 

Homogene deelgebieden

Homogene deelgebieden zijn gevormd door landgebruik (LGN7), grondsoort (bodemkaart 1:50.000 uit 2006) en ecoregio’s uit Klijn (1988) te combineren. Bij deze indeling wordt de invloed van de mens wél meegenomen: er wordt namelijk ook rekening gehouden met het landgebruik.

We onderscheiden de volgende homogene deelgebieden:

Homogene deelgebied Afkorting in figuren/tabellen
Duinen en strandwallen; bos en natuur; duinzand 1. b/dz
Zeeklei-, laagveengebied; gras/mais; veen 2. g-m/v
Zeeklei-, laagveengebied; gras/mais; zeeklei 3. g-m/zk
Zeeklei-, laagveengebied; akkerbouw; zeeklei 4. a/zk
Zeeklei-, laagveengebied; bebouwd; antropogeen 5. s/ant
Rivierengebied; gras/mais; rivierklei 6. g-m/rk
Zandgebieden; gras/mais; zand 7. g-m/z
Zandgebieden; akkerbouw; zand 8. a/z
Zandgebieden; bos/natuur; zand 9. b/z
Zandgebieden; bebouwd; zand 10. s/z
Zandgebieden; gras/mais; moerig 11. g-m/m
Zandgebieden; bebouwd; antropogeen 12. s/antr-x

 

Op onderstaande kaart is de ligging van de homogene deelgebieden te zien.

Kaart van Nederland met homogene gebieden

Figuur 3: Ligging homogene deelgebieden.

 

Opbouw van een waterput

De putten van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) zijn opgebouwd uit één tot drie filters per put (zie onderstaande figuur). De meest voorkomende variant is een put met drie filters. Deze filters zijn op circa 10 meter (filter 1), 15 meter (filter 2) en 25 meter (filter 3) onder maaiveld geïnstalleerd. De lengte van alle filters is 2 meter. De filters op 10 en 25 meter worden gebruikt voor de bemonstering. Het filter op 15 meter diepte is een reservefilter. Dit filter wordt gebruikt als filter 1 of 3 niet bemonsterd kan worden.

Dwarsdoorsnede van een LMG-put

Figuur 4:  Opbouw van een waterput.

 

Indeling filters

Naast het onderscheid tussen diepe en ondiepe filters, zijn de filters ook ingedeeld naar hoofdgrondsoort en type water (zoet of zout). Het water valt in de categorie zout als in alle meetjaren tot 1997 de chloorconcentratie > 1.000 mg/lmilligram per liter bedroeg. In tabel 1 is deze categorie-indeling weergegeven, met het aantal filters sinds 2010.

Categorie Diep/ondiep Gebied Zoet/zout Filters (n) Bemonsteringsfrequentie
A Ondiep Zand Zoet 211 Ieder jaar
B Diep Zand Zoet 201 Iedere 4 jaar
C Ondiep Niet-zandgebieden Zoet 110 Iedere 2 jaar
D Diep Niet-zandgebieden Zoet 98 Iedere 4 jaar
E Ondiep Alle Zout 22 Iedere 4 jaar
F Diep Alle Zout 34 Iedere 4 jaar

Tabel 1: Categorie-indeling filters LMG, met de aantallen filters sinds 2010 en de bemonsteringsfrequentie sinds 1997 (Wever en van Bronswijk, 1998).

 

Bemonsteringsschema

De bemonsteringsstrategie gaat uit van een één-, twee- en vierjaarlijkse meetcyclus. Dit hangt samen met de snelheid waarmee een verandering in de grondwaterkwaliteit verwacht wordt: filters waar weinig tot geen verandering in de grondwaterkwaliteit wordt verwacht worden minder frequent bemonsterd dan filters waar wel veranderingen worden verwacht. De filterindeling en de bemonsteringsfrequenties voor iedere categorie is vermeld in Tabel 1.

Bemonsteringsmethode

De bemonstering van de LMG-meetpunten is uitgevoerd volgens een Standaard Operating Procedure (SOP) genaamd ‘Grondwaterbemonstering in het kader van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit’. In deze procedure zijn de volgende onderdelen vastgelegd:

  • voorbereiding in het veld (bijvoorbeeld nameten van de hoogte van de beschermkoker en peilbuisdiepte);
  • doorpompen en monstername;
  • veldmetingen na monstername (pH, EC, zuurstof en bicarbonaat)
  • conservering en vervoer

Hieronder beschrijven we de verschillende stappen van de bemonstering. Deze stappen zijn in de genoemde SOP vastgelegd. De bemonsteringsmethode en bijbehorende stappen sluiten aan op het protocol NTA 8017 Monsterneming van grondwater ten behoeve van monitoring van grondwaterkwaliteit (NEN, 2008).

Voorbereiding

Voordat de bemonstering wordt uitgevoerd, worden de grondwaterpeilen in de te bemonsteren filters en de einddiepte van deze filters gemeten. Dit doen we in verband met het mogelijk dichtslibben van een filter.

Doorpompen en monstername

Na het peilen van de waterstanden en de einddiepten in de filters, wordt een onderwaterpomp boven in de stijgbuis van het te bemonsteren filter ingebracht, net onder de grondwaterspiegel. Op deze hoogte vindt het doorpompen volgens een per filter vastgestelde pomptijd en pompsnelheid plaats. Monstername start pas nadat minimale afpomptijd is verlopen én de peilbuis minstens driemaal is ververst én de veldparameters constant zijn geworden. De zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid (EC) en temperatuur worden om de drie minuten gemeten. Deze veldparameters moeten constant zijn voordat er bemonsterd kan worden.

Wanneer de veldparameters constant zijn wordt de onderwaterpomp tot 1 meter boven het filter neergelaten en wordt een grondwatermonster genomen.

Veldmetingen na monstername

Na de monstername wordt een aantal veldmetingen uitgevoerd. In het veld worden de zuurgraad (pH), temperatuur, elektrische geleidbaarheid (EC), zuurstof en bicarbonaat (HCO3) bepaald.

Conserveren

Vervolgens wordt het grondwatermonster gefiltreerd, verzameld en geconserveerd. Hierdoor wordt voorkomen dat de kwaliteit van het grondwater verandert voordat het in het laboratorium geanalyseerd wordt. De manier van conservering is mede afhankelijk van het laboratorium waar de monsters worden geanalyseerd.

De waarnemingen in het veld worden per putfilter opgeslagen in een veldcomputer.

Vanuit het oogpunt van kwaliteitsborging en -controle worden op reguliere basis duplomonsters en blancomonsters in het veld verzameld.

Wat meten we?

De grondwatermonsters worden op een groot aantal parameters geanalyseerd, zowel direct in het veld als later in het laboratorium.

EC, pH en zuurstof

Elektrische geleidbaarheid (EC) en zuurgraad (pH) worden zowel in situ als in het laboratorium bepaald. Zuurstof (O2) wordt enkel in situ gemeten.

Laboratoriumanalyses

In het laboratorium worden de grondwatermonsters van de bemonsterde LMG-putten geanalyseerd. Hier worden macro- en anorganische microcomponenten bepaald:

  • macrocomponenten: nitraat, sulfaat, ammonium, chloor, kalium, natrium, magnesium, calcium, ijzer, mangaan, totaal fosfor en opgelost organisch koolstof.
  • anorganische microcomponenten: barium, strontium, zink, aluminium, cadmium, nikkel, chroom, koper, arseen en lood.

Berekening waterkwaliteit

De volgende stappen zijn genomen om tot een gemiddelde waarde per ecodistrictgroep te komen:

  • de putfilters zijn ingedeeld in ecodistrictgroepen,
  • waarnemingen onder de rapportagegrens zijn omgezet naar 0.5*de rapportagegrens,
  • wanneer waarnemingen ontbreken, zijn deze opgevuld d.m.v. niet gewogen interpolatie, namelijk: a) Gemiddelden van vorige- en volgende waarden; of b) Eerste of laatst gemeten waarde,
  • ontbrekende jaren van een parameter zijn niet aangevuld indien: a) van 2013 t/m 2018 niet is gemeten. D.w.z. er moet van het putfilter minimaal 1 waarneming zijn in de laatste 6 jaar. En: b) er moet over de tijdreeks van 1984 t/m 2012 per 8 jaar minimaal 1 waarneming zijn (dus maximaal 7 opeenvolgende jaren geen waarneming). De reguliere cyclus van het LMG is 4 jaar. Een putfilter kan in reparatie zijn, waardoor monstername doorgeschoven kan worden. Vandaar deze (arbitraire) keuze van minimaal eens in de 8 jaar een waarneming,
  • per putfilter is de gemiddelde nitraatconcentratie berekend voor de 4-jarige periode 2015-2018,
  • vervolgens is per ecodistrictgroep de gemiddelde concentratie berekend, door de gemiddelden van de 4-jarige periode 2015-2018 te middelen.

De KRWKaderrichtlijn Water-norm voor nitraat is 50 mg/l. In de legenda bij de kaarten is gekozen om de grenzen te leggen bij de helft van de norm en de hele normwaarde.

Welke normen?

De toestand van de grondwaterkwaliteit wordt weergegeven door de berekende gemiddelde concentratie te vergelijken met de norm. Voor de verschillende stoffen die in het LMG worden gemonitord bestaan er verschillende normen die ieder hun eigen toepassing hebben. In deze rapportage is ervoor gekozen de drempelwaarden te gebruiken. De drempelwaarden zijn afgeleid in het kader van de KRW (Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009) en zijn beschermend voor zowel de toepassing van drinkwater als voor ecosystemen. Drempelwaarden zijn beschikbaar voor arseen, cadmium, nikkel, lood, chloride en fosfaat. Voor nitraat is een EUEuropean Union grondwaterkwaliteitsnorm beschikbaar.

In het geval er geen drempelwaarden bestaan (chroom, koper, zink) is een kwaliteitswaarde bepaald o.b.v. de drempelwaardesystematiek. In deze systematiek wordt de drinkwaternorm vergeleken met de JG-MKN (ecologische waarde). De laagste waarde wordt gekozen, zodat beide receptoren beschermd zijn. Deze norm wordt vervolgens vergeleken met de achtergrondconcentratie. Als de achtergrondconcentratie hoger is dan de laagste norm, dan wordt de kwaliteitswaarde gelijk gesteld aan de achtergrondconcentratie.

Voor een aantal stoffen is geen drinkwaternorm, JG-MKN en achtergrondwaarde beschikbaar (aluminium, kalium, NH4, sulfaat). Voor deze stoffen is de indeling gemaakt op basis van de aangetroffen concentraties.

  Drinkwaternorm (Drinkwater besluit, 2011) JG-MKN (BKM, 2015)

Achtergrondwaarde

Drempelwaarde/EU grondwaterkwaliteitsnorm (BKMWBesluit Kwaliteitsdoelstellingen en Monitoring Water, 2015) Kwaliteitswaarde (tabel 3,5 Verweij, 2017)
Aluminium 200        
Arseen 10 0,5 13,2/18,71 13,2/18,7  
Cadmium 5 0,08-0,25 0,12 0,35  
Chloride 150   1601 160  
Chroom 50 3,4 3,3/203   3,4/20
Koper 2000 2,4 8.8/3,93   8,8/3,9
Kalium          
NH4 0,2 0,304      
Nikkel 20 20 0,52 20  
Nitraat 50     50  
Lood 10 7,2 0,22 7,4  
P-totaal     2/6,91 2/6,9  
Sulfaat 150 100      
Zink 3000 7,8 138/583   138,58

Tabel 2: Normen, drempelwaarden en kwaliteitswaarden voor stoffen die in het LMG worden gemonitord

1RIVM rapport 607402003, 2011
2RIVM rapport 607300005, 2008
3RIVM rapport 2017-0125, 2017