In oktober 2020 werd voor het eerst westnijlkoorts vastgesteld bij iemand die het virus in Nederland had opgelopen. Sindsdien doet het RIVM samen met andere organisaties doorlopend onderzoek naar het westnijlvirus in Nederland.

Doel van het onderzoek

Het doel van dit onderzoek is om zo vroeg mogelijk te zien of het westnijlvirus in Nederland rondgaat, en om met die inzichten op tijd de juiste maatregelen te nemen en mensen te wijzen op passende voorzorgsmaatregelen.

One health-samenwerking

Het westnijlvirus komt voor in vogels en wordt verspreid door gewone huissteekmuggen die zich voeden met bloed van besmette vogels. De muggen kunnen het virus verspreiden naar andere vogels, paarden (en soms andere zoogdieren) en mensen. Daarom werken deskundigen met verschillende expertises, op het gebied van volksgezondheid, diergezondheid, ecologie en leefomgeving, nauw samen bij het onderzoeken, voorkomen en bestrijden van (ziekte veroorzaakt door) westnijlvirus. Verschillende experts letten op verschillende soorten signalen.

Deze nauwe samenwerking voor de gezondheid van mens, dier en leefomgeving noemen we ‘one health’. Zonder samenwerking zou je belangrijke signalen kunnen missen.

Samenwerkende partijen

De volgende partijen zijn betrokken bij het onderzoek naar westnijlvirus in Nederland:

  • RIVM - Centrum voor Infectieziektebestrijding (CIb)
  • NVWA Incidenten- en Crisiscentrum (NVIC)
  • NVWA Centrum Monitoring Vectoren (CMV)
  • Erasmus MC - Viroscience
  • Sanquin Research
  • Royal (Gezondheidsdienst voor Dieren)
  • (Universiteit Utrecht) - Dutch Wildlife Health Centre (DWHC)
  • (Wageningen University &Research) - Wageningen Bioveterinary Research (WBVR)
  • Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW)

Vroeg signalen oppikken

De betrokken partijen houden samen in de gaten of het westnijlvirus rondgaat in Nederland. Het RIVM zorgt hierbij voor de coördinatie. Signalen over westnijlvirus komen uit diagnostiek bij mensen en paarden met klachten, en uit onderzoek bij vogels en steekmuggen. Door proactief te monitoren, kunnen we zien waar het westnijlvirus voorkomt en hoe dat verandert in de tijd. Dit is belangrijk om op tijd maatregelen te kunnen nemen en mensen actief te kunnen wijzen op voorzorgsmaatregelen. Hieronder delen we meer over het onderzoek per expertisegebied.

 

Westnijlvirus bij vogels  

Westnijlvirus gaat rond onder vogels en wordt door steekmuggen tussen vogels overgedragen. Vooral zangvogels zijn gevoelig voor een westnijlvirusinfectie. Als het westnijlvirus wordt gevonden in standvogels (vogels die in Nederland blijven), betekent dit dat het virus in Nederland rondgaat.

Sinds 2016 doen vogelringers van het NIOO-KNAW samen met DWHC en Erasmus MC onderzoek naar muggenoverdraagbare virussen bij levende en dode vogels. Meer dan tweehonderd ringers zijn getraind om in heel Nederland monsters te verzamelen en te onderzoeken. Dit bleek de afgelopen jaren een waardevol earlywarning-systeem. Deze onderzoeken, met aanvullende diagnostiek van het Erasmus MC, leveren waardevolle data om de verspreiding van westnijlvirus in Nederland te monitoren en beter te begrijpen.

Westnijlvirus bij steekmuggen 

Gewone huissteekmuggen kunnen het westnijlvirus krijgen door zich te voeden met bloed van besmette vogels. Daarna kunnen de muggen het virus verspreiden naar andere vogels en incidenteel naar paarden (en andere zoogdieren) en mensen. Als westnijlvirus wordt gevonden in muggen, betekent dit dat het virus rondgaat.

Inzicht in de muggenpopulaties in Nederland is belangrijk om de risico’s op infectie voor mens en dier in te schatten. Het Erasmus MC doet onderzoek naar de virussen, bacteriën en parasieten die muggen in Nederland kunnen overdragen op mensen en dieren. De NVWA zorgt voor muggenvallen en aanvullend muggenonderzoek op locaties waar het westnijlvirus is vastgesteld. Daarnaast zet de NVWA zich ervoor in muggenoverlast te voorkomen.

Westnijlvirus bij paarden

Paarden kunnen incidenteel besmet raken met westnijlvirus door een beet van een besmette mug. Een klein deel van de paarden ontwikkelt neurologische symptomen. Paarden kunnen het virus niet verder verspreiden via muggen. Een paard kan geen andere paarden of mensen besmetten.

Als het westnijlvirus wordt vastgesteld bij paarden, laat dat zien dat er muggen actief zijn die besmet zijn met het westnijlvirus en het zo kunnen verspreiden. Diagnostiek voor westnijlvirus in paarden met neurologische klachten is van belang voor de behandeling van het paard. Als een paard positief test, kan de dierenarts van het paard de eigenaar adviseren over maatregelen. Als preventieve maatregel is er voor paarden onder meer een vaccin tegen het westnijlvirus.

(Wageningen Bioveterinary Research), NVWA en Royal GD zijn in Nederland betrokken bij de monitoring in paarden. Royal GD houdt in de gaten of er paarden zijn met klachten die kunnen wijzen op het westnijlvirus. WBVR doet hiervoor testen. Voor dierenartsen geldt een meldplicht om constateringen of verdenkingen van het westnijlvirus te melden bij de NVWA. Aan de hand van een melding doet de NVWA onderzoek. Het Nationaal Referentielaboratorium voor meldingsplichtige dierziekten zorgt voor de definitieve testuitslagen.

Westnijlvirus bij wilde dieren

Besmette steekmuggen kunnen het westnijlvirus ook aan andere zoogdieren overbrengen. DWHC monitort en onderzoekt ziekten onder wilde dieren in Nederland, en let daarbij ook op het westnijlvirus.

Als mensen een dood wild dier vinden, bijvoorbeeld een wilde vogel of een vos, bunzing, steenmarter of wezel, kunnen zij dat melden op de website van het DWHC. Het DWHC neemt de melding dan op in hun algemene overzicht, en haalt soms een dier op voor onderzoek. DWHC bekijkt alle meldingen dagelijks en bepaalt met behulp van triage welke dieren het ophaalt voor onderzoek. In samenwerking met het Erasmus MC onderzoekt het DWHC waaraan het dier is overleden en welke ziekten het dier had. Door de gerichte selectie van dieren voor onderzoek kan het DWHC de aanwezigheid en verspreiding van ziekten onder wilde dieren in Nederland, zoals het westnijlvirus, zo goed mogelijk in kaart brengen.

Westnijlvirus bij mensen

Mensen kunnen besmet raken met het westnijlvirus via de beet van een besmette steekmug. Muggen kunnen het virus niet van mens-op-mens overdragen en mensen kunnen het virus niet overdragen aan andere mensen of dieren, behalve via bloed- en orgaandonatie. Als er een westnijlvirusinfectie in mensen wordt gevonden, geeft dat informatie over de aanwezigheid van het virus in Nederland of, als het is vastgesteld bij een terugkerende reiziger, daarbuiten. 

Monitoring van infecties bij mensen vindt op verschillende manieren plaats, namelijk via:
•    meldplicht
•    onderzoek van donorbloed
•    syndroomsurveillance

Hieronder leest u daar meer over.

Meldplicht

Westnijlvirusinfecties bij mensen zijn in Nederland meldingsplichtig via de Wet Publieke Gezondheid. Dit betekent dat westnijlvirusinfecties binnen 24 uur gemeld moeten worden bij de (Gemeentelijke Gezondheidsdienst). De GGD spoort de bron van de infectie op (buitenland/binnenland en de meest waarschijnlijke locatie). Het RIVM verzamelt deze (gepseudonimiseerde) meldingen centraal voor een landelijk beeld. Westnijlvirusinfecties worden gediagnosticeerd in een medisch-microbiologisch laboratorium. Het RIVM en het (Erasmus Medical Center) zijn nationaal referentielaboratorium voor westnijlvirus en andere muggen-overdraagbare virussen. Daarnaast is het RIVM Europese Unie-referentielaboratorium voor deze virussen. 

Kerntaken van deze referentielaboratoria zijn: 
•    referentiediagnostiek
•    ondersteuning van andere laboratoria met materialen en technische advisering
•    het monitoren van de karakteristieken van de virussen die rondgaan
•    wetenschappelijke ontwikkeling 
•    beleidsadvies

Bloeddonaties

Het westnijlvirus kan via donatie van lichaamsmaterialen, zoals bloed, van mens naar mens overgedragen worden. Onderzoek in gedoneerd bloed naar de aanwezigheid van westnijlvirus geeft inzicht in het rondgaan van het virus in Nederland.

In 2020, het eerste jaar met westnijlvirusinfecties in Nederland bij mensen, heeft Sanquin Research een extra screening van bloeddonors ingevoerd. Deze screening is eind 2021 stopgezet, omdat tijdens die periode geen verdere infecties zijn vastgesteld.

In augustus 2026 is Sanquin Research begonnen met wetenschappelijk onderzoek naar de aanwezigheid van het westnijlvirus in bloeddonaties. Hiervoor test Sanquin donaties van bloed, bloedplaatjes en quarantaineplasma (plasma bestemd voor directe transfusie) op de aanwezigheid van het westnijlvirus. Westnijlvirus dat in dit onderzoek gevonden wordt, wordt verder genetisch geanalyseerd door het nationale referentielaboratorium bij het RIVM. Hierbij kan onder andere op basis van verwantschap met andere westnijlvirussen gekeken worden of de infectie in Nederland of ergens anders in Europa opgelopen is.

Naast het wetenschappelijke onderzoek dat Sanquin Research uitvoert, heeft Sanquin de wettelijke taak om donorbloed te screenen zodra wordt vastgesteld dat mensen infecties hebben opgelopen in Nederland. Met deze screening wordt voorkomen dat bloed met virussen erin wordt gebruikt voor transfusie.

Syndroomsurveillance

Een infectie met het westnijlvirus leidt bij minder dan 1% van de besmette mensen tot neurologische klachten, zoals problemen met het zenuwstelsel of de hersenen. Door lichaamsmateriaal te onderzoeken van mensen met zulke klachten, bij wie met standaardonderzoek geen oorzaak is gevonden, kunnen artsen nagaan of er misschien toch sprake is van een westnijlvirusinfectie. Zo krijgen zij beter zicht op diagnoses die eerder zijn gemist bij ernstig zieke patiënten. Verder doet het RIVM samen met andere organisaties in Nederland onderzoek naar de aanwezigheid van antistoffen tegen het westnijlvirus en andere door muggen overgedragen virussen.

Meer informatie

Meer over Integraal Vectormanagement leest u in het rapport: Westnijlvirus in Nederland: Aanpak Integraal Vectormanagement 2021-2023.