Altijd Alert
December 2025
Altijd Alert is een uitgave van de Milieuongevallen Dienst en de Ongevalsorganisatie Straling van het RIVM
Voorwoord
Beste lezer,
‘Altijd alert’; Het is voor de Milieuongevallen Dienst (MOD) en de Ongevalsorganisatie Straling (OOS) meer dan een motto. Het is een belofte aan onze partners én de samenleving, waar we dagelijks aan werken. In deze tijd van snelle ontwikkelingen en complexe dreiging, zijn we voortdurend bezig om onze paraatheid te vergroten. Ook tegen hybride dreigingen die steeds meer op de voorgrond treden.
Achter de schermen werken we voor de MOD aan een visie en koers voor de toekomst. Hoe blijven we wendbaar en weerbaar? Tegelijkertijd versterken we onze operationele slagkracht. Bijvoorbeeld door de migratie van CalNnet, het Calamiteiten Netwerk van de OOS (Ongevalsorganisatie straling) en het REMM (Radiologisch Expertiseteam Meten en Modelleren), waar we nu volop mee bezig zijn. Daarmee maken we onze communicatie nog professioneler en robuuster. Ook brengen we met Pluimradar 2.0 – gepland begin 2026 – nieuwe technologie en praktische toepasbaarheid dichter bij elkaar.
Dat geldt ook voor aansluiting op het Landelijk Crisis Management Systeem (LCMS). Een belangrijke stap, waarmee we tijdens de NAVO-top al ervaring konden opdoen. Met het LCMS kunnen we sneller en effectiever informatie delen en ophalen. Daarmee versterken we onze eigen informatiepositie én die van onze ketenpartners. Zo zijn we beter in staat om samen te handelen bij uiteenlopende dreigingen.
We hopen dat de artikelen in deze Altijd Alert inspireren, uitdagen en uitnodigen tot gesprek. Want alleen samen blijven we … altijd alert.
Veel leesplezier gewenst!
Herman Schreurs en Nicole Troisfontaine
RIVM Netwerkmiddag respons: 18 juni 2026
Samenwerken tijdens incidenten begint met elkaar leren kennen en beter begrijpen. In 2026 organiseren we als de Milieuongevallen Dienst (MOD) en de Ongevalsorganisatie Straling (OOS) daarom weer onze tweejaarlijkse netwerkdag. Het doel is elkaar ontmoeten, kennis delen en leren van incidenten. Zo kunnen we ons nog beter inzetten voor een gezonde en veilige leefomgeving.
Op het programma staan onder andere workshops over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van incidentbestrijding gevaarlijke stoffen (IBGS), CBRN (Chemische, biologische, radiologische en nucleaire) en kern- en stralingsongevallen. Het programma gaat over bestrijden en beheersen van incidenten, maar ook over preparatie en goede nazorg om de nadelige gevolgen van een ramp of incident te beperken. Een meer gedetailleerd programma volgt nog.
Deze dag is bedoeld voor (overheids)professionals in de veiligheidsketen.
Deelname is gratis. Het tijdstip is van 12.00-17.00u en de locatie is NDC Den Hommel in Utrecht .
Reserveer 18 juni alvast in uw agenda en wij hopen u op dan (opnieuw) te ontmoeten!
Nieuwe blusmethode elektrische auto’s lijkt veelbelovend, wel aandacht nodig voor vermijden milieuschade
Een elektrische auto waarvan de batterij in brand staat, is moeilijk te blussen. Dit komt onder andere omdat de behuizing van de batterij waterdicht is. Het ultrahogedruk (UHD) snij- en blussysteem lijkt een veelbelovende nieuwe methode om de brandende batterij te bereiken. Wel blijkt uit metingen van het RIVM dat bij deze methode het bluswater sterk vervuild kan raken. Het opvangen van vervuilende stoffen kan gevaarlijke situaties voor mens en milieu voorkomen. Het RIVM adviseert daarom de procedure rondom deze methode verder door te ontwikkelen.
Er komen steeds meer elektrische auto’s. Daardoor komt het vaker voor dat er brand in de batterij ontstaat. Omdat de behuizing van batterijen van elektrische auto’s waterdicht zijn, is blussen van buitenaf erg moeilijk. De brandweer zet daarom nu vaak de hele auto in een grote container (dompelcontainer) onder water of laat het gecontroleerd uitbranden.
Methode met ultrahogedruk verbetert blusproces
Om het blussen van branden van de batterij bij elektrische voertuigen te verbeteren, kan het ultrahogedruk (UHD) snij- en blussysteem een veelbelovende oplossing bieden. Met dit systeem kan er door het voertuig heen worden gesneden, zodat het bluswater direct bij de brandende batterij komt. Om deze relatief nieuwe methode te testen, heeft het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) in 2024 samen met enkele partners twee brandexperimenten uitgevoerd. Het RIVM heeft daarbij metingen verricht om te onderzoeken welke gevaarlijke stoffen uit de batterij vrijkomen in de rook en het bluswater.
Schadelijke stoffen in rook, bluswater en omgeving
Uit metingen tijdens het experiment, in combinatie met literatuuronderzoek, blijkt dat na inzet van het UHD-systeem een aanzienlijke hoeveelheid schadelijke stoffen uit de batterij met het bluswater vrij kan komen. Het gaat hierbij onder andere om zware metalen zoals kobalt en nikkel, die worden aangemerkt als Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De hoeveelheid zware metalen die kan vrijkomen, is afhankelijk van verschillende factoren. Niet elke batterij bevat bijvoorbeeld zware metalen. Daarnaast blijft de emissie beperkt als maar een (klein) deel van de batterij in brand staat. De uitstoot zal naar verwachting juist groter zijn wanneer de volledige batterij al door de brand is aangetast of wanneer er relatief veel bluswater bij UHD-blussing wordt gebruikt en op meerdere plekken dwars door de batterijbehuizing heen wordt gesneden.
Vergelijking met andere blusmethoden
Er zijn veel factoren die bijdragen aan de totale omvang van de vervuiling die vrijkomt. Hoewel geen diepgaand vergelijkend onderzoek met andere blusmethoden is uitgevoerd, zijn wel een aantal eerste observaties te delen. Zo is het een realistisch scenario dat blussen met het UHD-systeem vervuilender kan zijn dan andere blusmethoden. Dat is het geval als deze stoffen via het bluswater in de omgeving van het voertuig terechtkomen en zich verder verspreiden. Daarom zijn bij een UHD-blussing maatregelen nodig om te voorkomen dat zware metalen via een straatkolk in het riool terechtkomen. Het blussen met een dompelcontainer voorkomt op de incidentlocatie verspreiding naar de omgeving en is daarom minder milieubelastend.
Vergeleken met een dompelcontainer blijven er zowel bij een UHD-blussing als uitbrandscenario mogelijk veel schadelijke stoffen achter in het brandresidu en op het bodemoppervlak rondom de brandlocatie, waardoor reiniging van het straatoppervlak nodig kan zijn. Het is verstandig om zolang het straatoppervlak niet gereinigd is, maatregelen te nemen om te voorkomen dat personen met de vervuiling in contact komen.
Bij een uitbrandscenario zal de hoeveelheid depositie uit de rook in de omgeving over het algemeen groter zijn dan bij een UHD-blussing of dompelcontainer. Depositiemetingen bij dit experiment laten zien dat de kans klein is dat bij een brand in een elektrische auto de bodemnormen door depositie uit rook worden overschreden, ongeacht de blusmethode.
Uitdaging van de toekomst
Door de energietransitie rijden er steeds meer elektrische voertuigen in Nederland. En dat zijn niet alleen personenauto’s. Ook elektrische bussen en vrachtauto’s zullen steeds meer in het straatbeeld zichtbaar zijn. De batterijcapaciteit van een vrachtauto kan al snel tien keer groter zijn dan van een elektrische auto. Een brandende bus of vrachtauto kan over het algemeen niet in een dompelcontainer worden geplaatst. Ook de gevolgen van een uitbrandscenario zijn dan niet altijd wenselijk. Dat betekent dat het UHD-systeem in dergelijke situaties de meest geschikte oplossing kan zijn, ondanks dat de vervuiling hierdoor kan toenemen.
Advies voor veilig en milieuverantwoord gebruik UHD-systeem
Het UHD-blussysteem blijkt dus een effectieve en mogelijk in de toekomst zelfs onmisbare methode om branden in de batterij van elektrische voertuigen te bestrijden. Tegelijkertijd zijn er al zorgen over de kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland. Er zullen extra inspanningen nodig zijn om vermijdbare vervuiling te voorkomen. Omdat UHD-blussing tot aanzienlijke vervuiling kan leiden, adviseert het RIVM om te onderzoeken hoe de verspreiding van schadelijke stoffen door UHD-blussing zoveel mogelijk beperkt kan worden. Denk hierbij aan praktische oplossingen, zoals het plaatsen van geïmproviseerde filters of absorptiematerialen, zoals een absorptieslang of -matten voor straatkolken en het aanbrengen van een provisorische barrière rond de locatie van het brandende voertuig. Of dit soort maatregelen praktisch toepasbaar en daadwerkelijk effectief zijn, zal verder onderzocht moeten worden.
Lees het rapport op de website van het RIVM: Meetresultaten bij branden met elektrische voertuigen en gebruik van ultrahogedruk snij- en blussystemen.
Update zorgt voor toekomstbestendig Calamiteiten Netwerk
Het Calamiteiten Netwerk (CalNet) is een ICT-netwerk voor radiologische of nucleaire noodsituaties. In dit netwerk zijn applicaties beschikbaar die nodig kunnen zijn voor communicatie en het uitwisselen van informatie. Recent is het netwerk geactualiseerd. Na een traject van twee jaar bouwen en intensief testen zijn vanaf september 2025 alle gebruikers en applicaties overgezet. Tijd voor een toelichting.
Wie zijn de gebruikers?
Het Calamiteiten Netwerk faciliteert tijdens een radiologische en/of nucleaire noodsituatie de communicatie en informatie-uitwisseling tussen organisaties. CalNet wordt gebruikt door binnenlandse partijen zoals KNMI (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut), WFSR (Wageningen Food Safety Research), waakvlaminstituten en de ANVS maar ook door buitenlandse instellingen in bijvoorbeeld België, Duitsland en Frankrijk.
Welke applicaties draaien er op het Calamiteiten Netwerk?
Bekende applicaties in CalNet zijn het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR), het verspreidingsmodel NPK-PUFF (Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding) waarvan bijvoorbeeld Pluimradar gebruik maakt en het Calamiteiten Web (CalWeb), de website voor het uitwisselen van informatie.
Minder bekend, maar niet minder gebruikt, is JRodos, om de dosis en verspreiding van radioactieve materiaal uit te rekenen (wat weer van het NPK-PUFF gebruik maakt). Voor de vergelijking van meetgegevens met verspreidingsberekeningen wordt QGIS gebruikt. Natuurlijk zijn er ook ondersteunende applicaties zoals browsers, tekstverwerkers en spreadsheetprogramma’s.
Deze applicaties hebben ook informatie van buitenaf nodig, zoals meteorologische informatie voor de verspreidingsberekening. CalNet haalt deze informatie op bij het KNMI. Meetgegevens komen van de RIVM-meetwagens, de kennisinstituten, waakvlaminstituten, het NMR (Nationaal Meetnet Radioactiviteit) en de Veiligheidsregio. Ook kunnen meetgegevens van Europese collega’s (bilateraal met Duitsland en België, via de EU of IAEA) gebruikt worden.
Hoe is het Calamiteiten Netwerk opgebouwd?
Aan het CalNet worden hoge eisen gesteld. Veruit de belangrijkste eis is dat de gebruikers eigenlijk altijd moeten kunnen doorwerken, ook bij problemen met bijvoorbeeld het internet. Meteorologische gegevens moeten altijd beschikbaar zijn zodat verspreidingsberekeningen uitgevoerd kunnen worden, en ook moet er direct vanuit thuis gewerkt kunnen worden (als er wel internet is). Ook moet CalNet flexibel zijn: een nieuwe applicatie, gebruiker of databron moet makkelijk toegevoegd kunnen worden. Om aan deze hoge eisen te voldoen heeft het RIVM voor CalNet een losstaand netwerk opgezet. Ook zijn er alternatieve verbindingsmogelijkheden, mocht het internet uitvallen, en kan CalNet doordraaien omdat het niet afhankelijk is van systemen buiten CalNet.
Migratie van het Calamiteiten Netwerk
Iedere vijf jaar vervangen we de hardware van het CalNet. Daarbij is het een harde eis dat het CalNet openblijft. Gebruikers merken dus niets van deze migratie omdat applicaties die al zijn overgezet naadloos samenwerken met applicaties op de oude systemen.
Door verscherpte beveiligingseisen moest dit keer het volledige netwerk opnieuw opgebouwd worden. Daarna moesten alle applicaties overgezet worden naar de nieuwe omgeving. Daardoor bestonden er een lange periode twee werkende platformen naast elkaar. En dus ook twee parallelle datastromen voor het NMR, voor de meteorologische data en voor de meetgegevens uit binnenland en buitenland. Dit betekende ook het uitvoeren van onderhoud en beheer én het beschikbaar houden van twee platformen.
Dat was een grote belasting voor het onderhouds- en bouwteam en voor de testgebruikers. Samen zorgden ze ervoor dat alle applicaties en werkplekken waren getest, alle applicaties konden samenwerken en alle datastromen goed functioneerden. Als gevolg van de netwerkverbouwing, moest ook het NMR aangepast worden en het meetpostnetwerk van het NMR, en ook hier gold dat het NMR moest blijven doordraaien.
Big bang overgang
Na twee jaar bouwen en intensief testen konden we in september van 2025 alle gebruikers en bijna alle applicaties overzetten. Een big-bang overgang die zorgvuldig gepland was en waar een groot aantal mensen paraat stond. Gelukkig waren er maar weinig problemen. De laatste fase van de migratie is in september uitgevoerd
Succesvolle eerste inzet DESIRE-meetkastjes bij grote brand
Op zondag 24 augustus 2025 ontstond brand in een cacaobedrijf in Veenendaal. Cacaobranden kunnen nog dagenlang blijven smeulen, waarbij veel koolstofmonoxide (CO) vrijkomt. De AGS vroeg de MOD om bij de meerdaagse monitoring van CO te ondersteunen. De monitoring was een geschikte situatie om DESIRE-meetkastjes in te zetten.
Desire met foto's
Wat zijn DESIRE-meetkastjes?
De MOD heeft in het kader van het RIVM-onderzoeksproject DESIRE een aantal prototype meetkastjes gebouwd. DESIRE staat voor ‘de inzet van sensoren bij incidenten in de regio’, wat ook goed het doel van het project weergeeft. Meer informatie hierover staat in Altijd Alert uit april 2024. Elk meetkastje bevat dezelfde sensoren voor het meten van fijnstof (PM10 en PM2,5), CO, CO2 en VOC. Met externe voeding kunnen de meetkastjes meerdere dagen luchtconcentraties monitoren. De meetwaarden worden naar een database van het RIVM gestuurd.
Ondersteuning bij de cacaobrand: de afspraak
Op zondag en maandagochtend deed de brandweer handmatig CO-metingen. Omdat de smeulbrand naar verwachting nog een paar dagen zou duren, is afgesproken dat de brandweer bij een CO-piek in de DESIRE-metingen ter plekke metingen gaat doen. Dit type sensoren geeft namelijk nog altijd alleen een indicatie. Voor deze situatie was signalering van verhoogde CO-waarden voldoende. Daarbij levert een verhoging van fijnstof een bevestiging dat de verhoogde CO-waarde afkomstig is van de brand. De meetdata van de meetkastjes werden ‘real time’ gepresenteerd op een digitale kaart die zichtbaar was voor de brandweer.
Meetresultaten
Naast de extra geplaatste meetkastjes staan er ook meetkastjes in Veenendaal die onderdeel zijn van Samen Meten, een netwerk waarin het RIVM samenwerkt met burgerwetenschappers. Deze meetkastjes zijn meestal eigendom van omwonenden en de meetdata wordt openbaar gedeeld op de website www.samenmeten.nl. De combinatie van de meetkastjes van de MOD en van de omwonenden maakt het mogelijk om snel een mooi verdeeld netwerk te hebben van metingen dicht bij de brand en verder op. Door het windstille weer was de windrichting erg wisselend. In de ochtend kon op de diverse sensoren afgelezen worden dat de wind over diverse woonwijken ging. Enkele klachten van bewoners waren daarom al verwacht en te verklaren.
Eerste inzet levert altijd leerpunten op
Er zijn bij deze inzet verschillende technische mankementen en wensen aan het licht gekomen. Zo bleek dat het beschikbaar maken en houden van de meetdata nog niet voldoende robuust is. Ook is het wenselijk dat een piek in de meetdata automatisch wordt gemeld aan de AGS. De MOD gaat ook verder onderzoeken hoe we data van onze meetkastjes beter kunnen combineren met de data van burgermetingen.
Ook willen we de meetkastjes steviger en weersbestendiger maken. Op die manier is de meetapparatuur minder gevoelig voor invloeden van neerslag, temperatuur, vervuiling van de sensoren en batterijduur.
Het RIVM gaat met deze bevindingen aan de slag om de toepassing van deze meetkastjes te verbeteren.
De hamvraag: zijn DESIRE-meetkastjes nuttig?
Volgens de bij het incident betrokken AGS Inge van Driezum (VRU) was deze inzet zeker nuttig: ‘Het is een extra instrument om in de gaten te houden of er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand. Vooral bij een brand of nablustraject dat lang duurt, zou je hiermee de monitoring van de omgeving deels kunnen automatiseren.’
Succesvolle opleidingsmodule interventiewaarden gevaarlijke stoffen
“Een goed advies over de acute gezondheidsrisico’s bij incidenten met gevaarlijke stoffen begint met een goede opleiding, met kennis over te gebruiken interventiewaarden”. Dat zegt Henk Jans, arts medische milieukunde en opleidingscoördinator van de Gezondheidskundig Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (GAGS). Vanuit die gedachte zijn deze zomer weer acht Gezondheidskundig Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (GAGS) in opleiding opgeleid in de theoretische achtergronden én de toepassing van interventiewaarden. Het RIVM stelt de interventiewaarden vast en verzorgt dit deel van de GAGS (Gezondheidskundig Adviseur Gevaarlijke Stoffen)-opleiding. Belangrijk werk want zonder onderbouwde interventiewaarden is snel en verantwoord ingrijpen bij een incident met gevaarlijke stoffen haast onmogelijk.
Over interventiewaarden
Bij kortdurende blootstelling aan een gevaarlijke stof kan er sprake zijn van gezondheidsrisico’s. Voor een goede respons bij een chemisch incident is het cruciaal dat er eenduidige en veilige grenswaarden zijn en een betrouwbaar instrument voor risicobeoordeling.
Interventiewaarden geven aan bij welke concentratie van een gevaarlijke stof gezondheidsrisico’s ontstaan. De GAGS kan op basis van deze waarde de hulpverleners ter plekke advies geven over mogelijk maatregelen. Vanuit verschillende centra werken RIVM-onderzoekers samen om deze interventiewaarden af te leiden. Nederland leidt sinds 1993 interventiewaarden af. Sinds 1997 doet het RIVM dit.
2e alinea opleiding interventiewaarden
Belangrijke gebruikers in de veiligheidsregio’s zijn de Gezondheidskundig Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (GAGS, GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)/GHOR) en de Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (AGS, brandweer). De MOD (Milieuongevallen Dienst) gebruikt de interventiewaarden als toetswaarden tijdens incidenten en in de bijbehorende rapportages. Daarnaast gebruikt de MOD ze voor verspreidingsberekeningen. De interventiewaarden zijn opgenomen in hulpmiddelen zoals de IncidentApp. Ook staan ze in handboeken zoals de Nederlandse Chemiekaarten en in het Belgische Brandweerinterventieboek Gevaarlijke stoffen.
Opleidingsmodule GAGS (Gezondheidskundig Adviseur Gevaarlijke Stoffen)
Elke veiligheidsregio kan bij incidenten met gevaarlijke stoffen hulp inroepen van een GAGS, die een achtergrond heeft als arts of medisch milieukundige. Tijdens de opleidingsmodule leren zij hoe interventiewaarden voor gevaarlijke stoffen worden afgeleid, welke wetenschappelijke en toxicologische aspecten hierbij een rol spelen, en hoe zij deze waarden kunnen toepassen in hun dagelijkse adviespraktijk.
Theorie leren toepassen
De opleiding start met een bijeenkomst waarin de theoretische basis wordt gelegd voor het afleiden van interventiewaarden. Daarna gaan de deelnemers zelf aan de slag met een praktijkopdracht: het afleiden van interventiewaarden voor een specifieke stof. Aan het eind van de cursus presenteren de verschillende groepen hun resultaten op een interactieve wijze aan medecursisten, praktijkbegeleiders en RIVM-collega’s.
Kennis delen en netwerk versterken
In de evaluatie laten deelnemers weten vooral de discussie over gemaakte keuzes erg waardevol en leerzaam te vinden. Zo zegt Arjan Koppen: ”De opdracht om interventiewaarden te bepalen heeft me duidelijk gemaakt hoe zorgvuldig en volledig humane en proefdierdata worden geanalyseerd om veilige, goed onderbouwde interventiewaarden vast te stellen die de te verwachten klinische effecten realistisch weergeven.”
Ook draagt de opleiding bij aan de versterking van het netwerk. Tussen de GAGS (Gezondheidskundig Adviseur Gevaarlijke Stoffen) onderling en met het RIVM. En dat is waardevol zowel in de voorbereiding als tijdens een incident.
Lees meer: Interventiewaarden voor de incidentbestrijding | Risico's van stoffen
Inzetten met canisters 2019-2025
In 2019 is het RIVM begonnen met het uitlenen van canisters aan de veiligheidsregio’s. De brandweer kan dan tijdens een incident op locatie zelf snel en efficiënt luchtmonsters nemen. Bijvoorbeeld bij situaties met gezondheidsklachten of een vreemde lucht, vaak in het binnenmilieu. Ook wanneer de concentratie van moeilijk te meten of onbekende stoffen moet worden vastgesteld kan een canister nuttig zijn. Bijvoorbeeld bij lekkage. Daarnaast kan een canister worden ingezet om de aanwezigheid van een drugslab aan te tonen. De inzet van canisters bespaart kostbare tijd, want de brandweer kan de luchtmonstername vrijwel meteen starten. Het wachten op apparatuur of specialisten van buitenaf is dan niet nodig. Het RIVM analyseert de canisters na bemonstering met behulp van gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS) ter plekke of later op het RIVM.
Inmiddels heeft de brandweer bij tientallen incidenten zelf of samen met de MOD (Milieuongevallen Dienst) de canisters ingezet. Zie figuur 1.
Figuur 1: overzicht canister bemonstering bij IBGS (Incidentbestrijding gevaarlijke stoffen)-incidenten
Voorbeelden
Vooral in 2023 en 2024 zijn de canisters vaak ingezet. Bijvoorbeeld in augustus 2023 bij geuroverlast in het centrum van Tiel. Bij dit incident kon het RIVM op deze manier de stof tetrahydrothiofeen identificeren. In Tiel was het incident zo urgent dat de MOD ook met een veldteam en mobiele meetwagen ter plaatse is geweest. Analyse van luchtmonsters met de GCMS kan ook op het RIVM plaatsvinden. In overleg met de aanvrager bespreken we hoe snel analyse moet plaatsvinden. In november 2024 analyseerde de MOD canisters na een incident met geuroverlast in Spijkenisse. Uit de analyse bleek dat er ruim verhoogde concentraties waren van verschillende VOC, een mengsel met veel aromatische (koolwater)stoffen, wat typisch is voor organische oplosmiddelen of aardoliedistillaten.
Aandachtspunten bij de inzet van een canister
Voor een zo goed mogelijk resultaat is het belangrijk de canister juist en op het juiste moment te gebruiken.
Overleg altijd eerst met de MOD-coördinator of, waar en hoe een canister het beste ingezet kan worden. Bepaal samen met de MOD-coördinator de urgentie van onderzoek.
Volg de bijgeleverde gebruiksinstructie in de Incident app en neem voor bemonstering de werkinstructie en video door.
Ga zorgvuldig te werk bij het bemonsteren van lucht met behulp van canisters. Dan zijn de monsters representatief en betrouwbaar. Controleer regelmatig of de canisters nog voldoende onderdruk hebben. Dat voorkomt onvolledig gevulde canisters waardoor de bepaling van de concentratie onbetrouwbaarder wordt. Helaas was dat bij een aantal incidenten het geval.
Combineer de bemonstering met metingen door middel van een Photo Ionisatie Detector (PID). Een PID (Pelvic Inflammatory Disease) geeft direct inzicht in de aanwezigheid van vluchtige organische stoffen. Dat kan helpen bij het kiezen van de juiste locaties en het inschatten van de urgentie van de situatie. De PID-waarde helpt het RIVM bij het juist analyseren met behulp van de GC-MS (gaschromatografie-massaspectrometrie).
Documenteer alle handelingen zorgvuldig: noteer het tijdstip, de locatie, de omstandigheden en de meetresultaten van de PID op het formulier. Op die manier kunnen de resultaten goed worden geïnterpreteerd.
Meer informatie
Meer informatie over canisters en de monsternamestrategie staat in de Altijd Alert uit 2024.
Vijf jaar gezondheidsonderzoek na corona: welzijn en sociale cohesie cruciaal voor weerbaarheid
Welzijn en sociale cohesie zijn belangrijke pijlers in hoe de samenleving bestand is tegen een crisis. Het is daarom belangrijk om hier voortdurend aandacht voor te hebben, zowel voor, tijdens als na een crisis. Die boodschap stond centraal tijdens het symposium ‘Crises en weerbaarheid’ dat werd gehouden op 2 december in Amersfoort. De ongeveer 300 aanwezigen kwamen uit verschillende organisaties: van GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)’en, veiligheidsregio’s en ministeries tot welzijnsorganisaties en het Rode Kruis.
De aanleiding voor het symposium is de afronding van het onderzoeksprogramma Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19. Van 2021 tot en met 2025 is er onderzoek gedaan naar de impact van de coronapandemie op de gezondheid en het ervaren geluk van mensen in Nederland.
Het symposium is georganiseerd door het Netwerk Gezondheidsonderzoek bij Rampen (Netwerk GOR*).
inleiding gor-covid
Schade aan publieke gezondheid
Uit de gezondheidsonderzoeken kwam al snel naar voren dat de coronapandemie zelf, maar ook de maatregelen daartegen onmiskenbaar schade hebben toegebracht aan de publieke gezondheid. In het bijzonder aan de mentale gezondheid van jongeren.
Naast jongeren hebben ook andere groepen in de samenleving veel geleden onder de pandemie, zoals bijvoorbeeld mensen met langdurige klachten na coronabesmetting, mensen die al mentale of fysieke problemen hadden of mensen met moeite met rondkomen.
Mensen die een hoger welzijn ervaren en een sterker sociaal netwerk hebben, herstelden sneller van covid-19 en kwamen beter uit de crisis. Groepen voor wie dat niet geldt, werden extra geraakt. Er is nog altijd een groep postcovidpatiënten die blijvend ondersteuning nodig heeft.
3e alinea gor-covid
Werken aan een weerbaardere samenleving
Op het symposium werden vanuit onderzoek, beleid en praktijk inzichten gedeeld over de impact van crises om zo tot praktische handvatten te komen om samen te werken aan een weerbaardere samenleving.
Elske Marra, programmaleider GOR-COVID en adviseur nazorg bij rampen van het RIVM en Michel Duckers, bijzonder hoogleraar Crises, Veiligheid en Gezondheid en onderzoeker bij het Nivel gingen in op de vijf pijlers van weerbaarheid en veerkracht(externe link). Volgens hen ontbreekt daar nog een belangrijk aspect: het welzijn van de mens. Antropoloog Danielle Braun ging in op de rol van cultuur, veerkracht en herstel binnen een samenleving ten tijde van een crisis.
Blijven monitoren op welzijn
Hoe zorgen we dan voor een weerbaardere samenleving? Aandacht voor welzijn en sociale cohesie voor, tijdens en na crises is hiervoor heel belangrijk. Hoe dan? Daar was ook op het symposium niet een sluitend antwoord op. Wel waren er genoeg ideeën. Zo benadrukte Heddy de Wijs (hoofd centrum Veiligheid bij het RIVM) tijdens een panelgesprek het belang van goede monitoring op welzijn. Mede door de pandemie hebben we nu een goed systeem van monitoring op welzijn en mentale gezondheid. Door te blijven monitoren, ook zonder crisis of ramp, kan tijdens en na een crisis het effect van maatregelen op het welzijn beter worden afgewogen.
Nazorg in de rampenbestrijding
Gezondheidsonderzoek bij rampen (GOR) is een van de twee onderdelen van nazorg, naast psychosociale hulpverlenining (PSH). Goede (soms langdurige) nazorg begint niet pas ná een incident of ramp, maar gelijk in de warme fase, zo was al eerder in het interview met Femke de Zwart en Elske Marra in Altijd Alert van juli 2025.
* Netwerk GOR uit lokale GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)'en, GGD GHOR Nederland (Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio), het Nivel, ARQ (Nationaal Psychotrauma Centrum) Nationaal Psychotrauma Centrum en het RIVM. ZonMw (ZorgOnderzoek Nederland Medische Wetenschappen) is namens het ministerie van VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) opdrachtgever van het onderzoek. De organisaties in het netwerk gebruikten voor het onderzoek meerdere monitors en registratie-data, maar deden ook literatuuronderzoek en hielden expertbijeenkomsten.
Colofon
Altijd Alert - december 2025
Heeft u vragen of opmerkingen, stuur een mail naar: incident@rivm.nl