Polaire aprotische oplosmiddelen zijn vloeibare stoffen die breed worden ingezet in bijvoorbeeld de chemische industrie. Een aantal van deze oplosmiddelen, namelijk NMPN-Methyl-2-pyrrolidone, DMACdimethylacetamide en DMFDimethylformamide zijn giftig (onder meer voor de voortplanting) maar deze worden nog op grote schaal gebruikt. Er zijn veilige alternatieven voor deze stoffen nodig. De WURWageningen University & Research heeft bekeken welke nieuwe bio-based stoffen als mogelijke alternatieven kunnen dienen. RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft de veiligheid van dertien van deze stoffen verkend. 

Voor drie van deze stoffen is de veiligheid voor de mens onduidelijk. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat er reden is voor zorg over milieu effecten. Wel is er meer onderzoek nodig om deze stoffen te kunnen registreren onder REACH, de Europese stoffenwetgeving. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu onderzoek geeft een eerste indruk van de mogelijkheden om deze stoffen veilig verder te ontwikkelen en op de markt te brengen.

Dit onderzoek maakt deel uit van de “Safe Chemicals Innovation Agenda” (SCIA), een Nederlandse agenda om, onder andere, schadelijke stoffen te vervangen door duurzame en veilige alternatieven. Nederland neemt hierin het voortouw in Europa. 

Het RIVM heeft ook andere initiatieven lopen om het gebruik van de schadelijke polair aprotische oplosmiddelen in te perken. We hebben namens Nederland een restrictie (beperkings) voorstel ingediend onder de REACH wetgeving voor NMPN-Methyl-2-pyrrolidone en zijn bezig met een voor DMAcdimethylacetamide. Restricties worden gewoonlijk toegepast voor het beperken of verbieden van de vervaardiging, het in de handel brengen (waaronder de invoer) of het gebruik van een stof, maar kunnen ook relevante voorwaarden opleggen zoals het vereisen van technische maatregelen of specifieke etiketten.