Bij het uitvoeren van de metingen speelden de volgende aspecten een rol.

Bemonstering

De aanpak van de bemonstering in het TrendMeetnet Verzuring kent vele aspecten. Veel van deze zaken zijn vastgelegd in werkprocedures. Van belang zijn in ieder geval de volgende punten.

Voor de start van de monstername maken we eerst een velddossier van de boslocatie. Hierin zitten onder andere plattegronden waarop de omgeving van de locatie en de bemonsteringspunten staan aangegeven. 


Plattegrond met 10 monsterpunten ingetekend. Op iedere meetlocatie van het TrendMeetnet Verzuring selecteren we binnen het betreffende bos of heideperceel 10 monsterpunten. Deze monsterpunten bevinden zich in beginsel om de 50 meter langs een rechte lijn en in ieder geval op tenminste 20 meter van de rand van het bos of het heideveld. De bemonstering houdt in dat bij ieder van de 10 monsterpunten van een locatie een grondwatermonster wordt verzameld. Voor de monsterneming van het bovenste grondwater gebruiken we de open boorgatmethode. Daarbij boren we met een Edelmanboor tot circa 50 cm onder de grondwaterspiegel, waarna een filterlans wordt geplaatst. Het grondwater wordt vervolgens met een slangepomp opgepompt en gefilterd.

De 10 monsters voegen we in het laboratorium samen tot één mengmonster. Dit mengmonster wordt geanalyseerd op een groot aantal componenten. Van de individuele grondwatermonsters bepalen we in het veld ook al enkele parameters. 

Grondwatermonstername

Als het grondwater snel toestroomt, zoals bijvoorbeeld bij zandgrond, kan voor de bemonstering van het grondwater de open boorgatmethode worden gebruikt. Met een Edelmanboor boren we tot circa 0,4 meter diepte een gat van circa 10 cm diameter en plaatsen daarin een kraag om invallen van bouwvoor-materiaal te voorkomen. In het geval van grasland verwijderen we eerst met een spadeStatistical Program to Assess Dietary Exposure de graszode (de bovenste 0,2 meter) en boren we daarna tot 0,4 meter diepte en plaatsen de kraag. Vervolgens boren we door tot circa 0,8 meter beneden de grondwaterspiegel. In het boorgat plaatsen we een bemonsteringslans met aan het eind een geperforeerd deel over een lengte van 0,5 meter. Via de polyethyleen slang van de bemonsteringslans pompen we vervolgens het grondwater met een slangenpomp op. Na te hebben doorgespoeld tot het water helder is of niet meer helderder wordt (minimaal 1 liter) nemen we een watermonster. Hiertoe pompen we het water door een inline- of wegwerpfilter met een poriëngrootte van 0,45 μm en verzamelen het gefiltreerde water direct in flessen. 

Verzameling gegevens

De grondwatermonsters worden in het veld geanalyseerd op:

  • Zuurgraad (pH)
  • Electrisch geleidingsvermogen
  • Zuurstof
  • Nitraat (via kleurreactie)

Daarnaast bepalen we in het veld met een GPSGlobal Positioning System de exacte locatie van het monsterpunt en meten we de grondwaterstand. Ook leggen we een aantal locatiekenmerken vast. Dit zijn onder andere het landschapstype en binnen een steekproefcirkel met een straal van vier meter tevens: het begroeiingtype, hoofdboomsoort, kroonbedekking, boomhoogte, bedekking struiklaag, bedekking kruidlaag en dikte van de strooisellaag. Ook maken we  foto’s van de locatie.

In het laboratorium wordt een groot aantal analyses uitgevoerd op het mengmonster van de 10 monsterpunten:

  • Zuurgraad, electrisch geleidingsvermogen en opgelost organisch koolstof (DOC);
  • Zware metalen (cadmium, lood, chroom, koper, zink en arseen);
  • Overige metalen (aluminium, barium, calcium, magnesium, mangaan, natrium en strontium);
  • Vermestende stoffen (totaal-fosfaat, ortho-fosfaat, ammonium, chloride, nitraat, sulfaat en kalium).