Infectieziekten Bulletin, september 2026
Auteurs
Rosaline van den Berg, (Doctor of Philosophy)1; Rémy Schilperoort, PhD2; Hélène Voeten, PhD3,5; Elisabeth Huijskens, PhD4; Gregorius J. Sips, MD PhD3,5; Aimée Tjon-A-Tsien, MD PhD3; Joan Roozemond, (master of science)1; Fleur Groenendijk, MD6; Gertjan Medema, PhD7; Raïssa Tjon-Kon- Fat, MD PhD1
Affiliaties
- Infectieziektebestrijding, (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) Zuid-Holland Zuid, Dordrecht
- Partners4UrbanWaters, Nijmegen
- Infectieziektebestrijding, GGD Rotterdam-Rijnmond, Rotterdam
- Medische Microbiologie, Albert Schweitzer ziekenhuis, Dordrecht
- Maatschappelijke Gezondheidszorg, (Erasmus University Medical Center), Rotterdam
- Infectieziektebestrijding, GGD Zeeland, Goes
- KWR Water Research Institute, Nieuwegein
Inleiding
Infectieziekten kunnen zich in kinderdagverblijven snel verspreiden. Er is immers intensief contact tussen jonge kinderen, de hygiënenaleving is vaak beperkt en de handhygiëne onder medewerkers is niet altijd optimaal. Om tijdig zicht te krijgen op ernst en omvang van mogelijke uitbraken in instellingen geldt de meldplicht op grond van artikel 26 van de Wet Publieke Gezondheid (WPG).
In de praktijk wordt echter weinig gemeld. In (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)-regio Zuid-Holland Zuid deed 45–80% van de kinderdagverblijven in de periode 2015–2021 geen enkele melding, terwijl het aannemelijk is dat jaarlijks meerdere uitbraken voorkomen.
Tegelijkertijd vormen kinderdagverblijven een relevante setting voor surveillance. Ongeveer 60% van de kinderen (0–4 jaar) bezoekt een kinderdagverblijf, dat doorgaans het hele jaar door geopend is. Afwezigheid is over het algemeen ziektegerelateerd en wordt vaak routinematig geregistreerd.
Tegen deze achtergrond verkenden wij rioolwateronderzoek als aanvullende surveillancemethode bij kinderdagverblijven, binnen een breder onderzoeksproject (1). Analyse van rioolwater maakt het mogelijk om circulatie van ziekteverwekkers in een populatie te detecteren, onafhankelijk van test- en meldgedrag, inclusief uitscheiding door asymptomatische personen. Bovendien is de methode non-invasief en kan deze worden gekoppeld aan bestaande syndroom(surveillance)data (1).
In dit artikel beschrijven wij onze ervaringen met de praktische haalbaarheid en toegevoegde waarde van rioolwatersurveillance voor kinderdagverblijven in de GGD-praktijk ('kan het'). Dit stuk sluit aan bij het eerder ontwikkelde waardenkompas ('mag het') (2).
De uitvoering van rioolwateronderzoek in de praktijk
Waar monitoring via rioolwaterzuiveringsinstallaties vooral regionale trends laat zien, is lokale toepassing afhankelijk van bemonstering in het rioolnetwerk. Voor lokale en ‘on demand’ monitoring wordt vaak passieve bemonstering gebruikt, waarbij een sampler 24–72 uur in het riool wordt geplaatst.
Het rioolnetwerk is een ondergrondse infrastructuur van buizen voor transport van afvalwater, met op beperkte plaatsen rioolputten (met putdeksels) die toegang bieden tot het riool(water). Deze putten zijn de enige praktisch toegankelijke plekken om te meten. Het creëren van nieuwe meetpunten is mogelijk, maar dit vereist ingrepen aan de infrastructuur, waarvoor meestal toestemming nodig is van de gemeente of perceeleigenaar.
Elke rioolput heeft een stroomgebied. Dit is het bovenstroomse gebied waarvan al het afvalwater via die put passeert. De bijbehorende ‘populatie’ omvat alle personen die bijdragen aan deze afvalwaterstroom.
Huisaansluitingen, de leidingen waarmee gebouwen op het riool zijn aangesloten, kunnen soms direct uitkomen in een rioolput, waardoor direct op gebouwniveau kan worden bemonsterd. Maar meestal zijn deze aansluitingen rechtstreeks gekoppeld aan de rioolbuis, waardoor bemonstering alleen mogelijk is op punten waar afvalwater al gemengd is met het afvalwater van andere gebouwen.
De kernvraag bij rioolwateronderzoek is daarom of er een meetpunt kan worden gevonden waarbij de gemeten populatie voldoende overeenkomt met de gewenste onderzoekspopulatie. Dit valt in de praktijk niet mee, waardoor interpretatie van metingen beperkt wordt.
Praktijkervaringen rioolwateronderzoek bij kinderdagverblijven
Selectie op papier
Alleen de grotere kinderopvanglocaties (de 25% grootste locaties qua kindplaatsen) werden geselecteerd om de detectiekans te vergroten. Daarnaast werden locaties uitgesloten die hun gebouw deelden met bijvoorbeeld een school of buitenschoolse opvang. Op basis van rioolkaarten van gemeenten werden tien potentiële meetlocaties geïdentificeerd voor veldproeven.
Veldproeven
De tien geselecteerde potentiële meetlocaties zijn in het veld geverifieerd met kleurstofproeven. Hierbij werd kleurstof door de afvoer van het kinderdagverblijf gespoeld en geobserveerd of deze zichtbaar werd op de beoogde meetlocatie. Tijdens deze veldbezoeken is ook beoordeeld of de beoogde meetlocatie fysiek toegankelijk was en of werkzaamheden veilig konden worden uitgevoerd.
Tijdens de veldproeven kwamen diverse technische knelpunten aan het licht. Bij één locatie kon het putdeksel niet worden geopend, zelfs niet met zwaar gereedschap. De verantwoordelijke gemeente kon dit niet op korte termijn verhelpen, waardoor deze locatie afviel. Op een andere locatie bleek het riool zwaar vervuild (mogelijk door een verstopping) waardoor betrouwbare bemonstering onmogelijk was. Bij een derde kinderdagverblijf bleek het afvalwater te worden afgevoerd naar een septische tank waar ook een koeienstal op aangesloten was, terwijl rioolkaarten een gescheiden afvoer suggereerden. Bij één locatie werd geen kleurstof teruggevonden in de verwachte rioolput waardoor niet kon worden vastgesteld waar het afvalwater terechtkwam.
Bij de resterende zes locaties bleek het afvalwater niet afzonderlijk toegankelijk voor bemonstering. Op het eerste punt in het rioolstelsel waar bemonstering wel mogelijk was, was het afvalwater al sterk vermengd met dat van omliggende gebouwen. Hierdoor zou bij detectie van een pathogeen niet kunnen worden vastgesteld of dit afkomstig was van het kinderdagverblijf of van andere gebouwen in de omgeving.
Geen geschikte locaties
Ondanks zorgvuldige voorbereiding bleek rioolwatermeting van de beoogde onderzoekspopulaties niet uitvoerbaar. Deze ervaringen laten zien dat ‘geschikt op papier’ niet automatisch betekent dat bemonstering in de praktijk ook mogelijk is. Beschikbare rioolkaarten gaven niet altijd voldoende inzicht in de daadwerkelijke afvoer van afvalwater. De ondergrondse infrastructuur bleek daarbij een doorslaggevende maar moeilijk voorspelbare factor.
Alternatieve bemonsteringsmethoden voor rioolwateronderzoek
Nadat rioolwateronderzoek niet uitvoerbaar bleek, hebben we alternatieve bemonsteringsmethoden verkend, waaronder plaatsing van passieve samplers in de afvoerleiding van het toilet. De technische haalbaarheid en veiligheid van deze methode waren onzeker. Veiligheids- en hygiënebezwaren gaven de doorslag; de methode werd onhygiënisch en onveilig geacht voor jonge kinderen en daarom ongeschikt voor kinderdagverblijven.
Een derde optie, het aanleggen van extra rioolputten om ‘puur’ afvalwater te bemonsteren, bleek niet haalbaar vanwege hoge kosten en een lange doorlooptijd.
Wat betekenen deze ervaringen voor de praktijk?
Wanneer is rioolwateronderzoek kansrijk?
Na afweging van ethische randvoorwaarden uit de beslishulp (‘mag het’), is een kritische beoordeling van de praktische uitvoerbaarheid (‘kan het’) essentieel. Onze ervaringen laten zien dat de haalbaarheid en toegevoegde waarde van rioolwateronderzoek sterk contextafhankelijk is.
- Doel en context van het rioolwateronderzoek
De context is cruciaal. In een uitbraakcontext met zeldzame pathogenen, is beperkte bijmenging van afvalwater acceptabel, mits detectie mogelijk blijft. Een aangetoond signaal is dan waarschijnlijk uitbraakgerelateerd (3).
In niet-uitbraakcontexten, zoals bij het in kaart brengen van de circulatie van veelvoorkomende pathogenen, is diezelfde bijmenging eerder wél problematisch, omdat signalen niet eenduidig aan een specifieke populatie kunnen worden toegeschreven. - Locaties
Actuele rioolkaarten zijn een belangrijke voorwaarde om meetlocaties te identificeren. Een geschikte meetlocatie vereist dat het afvalwater representatief is voor de doelgroep. In de praktijk is dit vaak lastig: afvalwater van een gebouw mengt al vroeg met dat van andere gebouwen. Dit hangt samen met de wijze waarop huisaansluitingen zijn gekoppeld aan het rioolnetwerk, waardoor afzonderlijke bemonstering op instellingsniveau vaak niet mogelijk is. - Technische en operationele haalbaarheid op locatie
De meetlocatie moet fysiek toegankelijk zijn, voldoende doorstroming hebben en veilig te benaderen zijn voor installatie en verwijdering van samplers. Praktische belemmeringen, zoals vastzittende putdeksels, vervuiling of veiligheidsrisico’s, kunnen een locatie toch onbruikbaar maken ondanks dat deze van tevoren geschikt lijkt. Of een locatie daadwerkelijk geschikt is, kan vaak pas tijdens een veldproef worden vastgesteld.
Conclusies
Rioolwateronderzoek is in de basis een laagdrempelig instrument, maar de toepasbaarheid is afhankelijk van de context. Deze studie nomineren wij dan ook als een ‘briljante mislukking’ zoals inzichtelijk toegelicht tijdens de Transmissiedag infectieziekten RIVM 2026 (4,5): een goed onderbouwde aanpak die in de praktijk niet uitvoerbaar bleek, maar waardevolle inzichten opleverde voor toekomstig onderzoek en toepassing. In ons onderzoek bleek de methode minder geschikt voor endemische surveillance in kleinschalige, complexe omgevingen zoals kinderdagverblijven. Hoewel rioolwateronderzoek een waardevolle aanvulling kan zijn op bestaande surveillance-instrumenten, is het geen generiek-inzetbare oplossing. De methode vereist technische expertise, afstemming met beheerders en realistische verwachtingen over de uitvoerbaarheid. Voor GGD-professionals betekent dit dat het zinvol is om na de morele en juridische afweging altijd een grondige haalbaarheidscheck te doen, en om expliciet te wegen of rioolwateronderzoek in uw situatie echt meerwaarde heeft ten opzichte van alternatieven.
Praktijkkader: wanneer wel en wanneer geen rioolwateronderzoek?
Rioolwateronderzoek kan een waardevolle aanvulling zijn op bestaande surveillancemethoden, maar de toepasbaarheid hangt is sterk contextafhankelijk. De kernvraag is steeds of een meetpunt kan worden gevonden waarbij het afvalwater representatief is voor de populatie die men wil onderzoeken, én of dit in de praktijk ook uitvoerbaar blijkt.
Rioolwateronderzoek is vooral geschikt wanneer:
- een duidelijk afgebakende populatie kan worden gekoppeld aan een toegankelijk meetpunt in het riool;
- het gebouw of complex een eigen of goed te isoleren afvoer heeft;
- rioolkaarten beschikbaar zijn en in de praktijk voldoende inzicht geven in de afvoerstructuur;
- de meetlocatie veilig, toegankelijk en technisch geschikt is voor bemonstering;
- de methode aanvullende informatie oplevert ten opzichte van bestaande surveillance, bijvoorbeeld doordat ook uitscheiding door personen zonder klachten wordt meegenomen;
- het doel past bij de methode, bijvoorbeeld signaaldetectie in een uitbraakcontext.
Rioolwateronderzoek is minder geschikt wanneer:
- geen meetpunt kan worden gevonden dat voldoende overeenkomt met de beoogde onderzoekspopulatie;
- afvalwater van de doelgroep al vroeg mengt met dat van andere gebouwen of populaties;
- het doel is om endemische circulatie van veelvoorkomende pathogenen op kleine schaal te monitoren;
- praktische randvoorwaarden zoals veiligheid, toegankelijkheid of uitvoerbaarheid niet kunnen worden gegarandeerd.
Kernboodschap voor de praktijk
De kans op succes hangt vooral af van de vraag of een meetlocatie kan worden gevonden die de beoogde populatie goed representeert. In situaties waar dit mogelijk is, kan rioolwateronderzoek waardevolle aanvullende informatie opleveren. In complexere settings, waar afvalwaterstromen snel mengen, is de toepasbaarheid vaak beperkt en zijn andere surveillancemethoden meestal geschikter.
- van den Berg R, Huijskens E, Groenendijk F, Sips G, Voeten H, Tjon-A-Tsien A, Roozemond J, Schilperoort R, Medema G, Tjon-Kon-Fat R. Improving surveillance of infectious diseases in child daycare settings: insights from a pilot study in the Netherlands. Frontiers in Public Health. Accepted for publication 2026.
- Hiddink J, Fanoy E, de Jong M, Medema G, de Raad A, Sips G, Jaspers L. Ontwikkeling van een waardenkompas voor de toepassing van rioolwatersurveillance bij infectieziektebestrijding. Infectieziekten Bulletin 2026.
- Joosten M, Dijkstra A, de Jong M, Schilperoort R, Langeveld J, Prins M, Sips G, Fanoy E, de Graaf M, Medema G, Jaspers L. Local wastewater monitoring as a complementary tool in a mumps outbreak investigation in the Netherlands: A proof-of-concept study. Int J Infect Dis. 2026;164:108423.
- 33ste Transmissiedag infectieziekten | RIVM
- Briljante Mislukkingen - Instituut voor Briljante mislukkingen
Infectieziekten Bulletin - september 2026
- LCI-richtlijnen door de jaren heen
- Tetanus: vergeten maar niet verdwenen
- Rukt schurft op in kinderdagopvanglocaties en basisscholen? Een analyse van meldingen binnen GGD regio Utrecht (2019 – 2025).
- De (on)mogelijkheden van rioolwateronderzoek – gebaseerd op ervaringen uit de praktijk bij kinderdagverblijven