Q-koortsuitbraak in de provincie Utrecht in 2009

In mei en juni 2009 was er sprake van een sterke toename van Q-koortsmeldingen in de provincie Utrecht, met meer dan 120 humane meldingen geclusterd in tijd en plaats. In dit artikel beschrijven wij de casuïstiek en het brononderzoek van deze uitbraak. Hiertoe werden de patiëntengegevens van de 124 meldingen in 2009 geanalyseerd. Vervolgens werd met behulp van brononderzoek en het berekenen van humane attack rates rondom geiten- en schapenbedrijven onderzocht welke bronnen mogelijk ten grondslag lagen aan de uitbraak. Relatief veel patiënten werden opgenomen (34%). Het opnamepercentage onder vrouwen was hoger dan onder mannen (53% vs 27%). Van 1 groot melkgeitenbedrijf in Bunnik en van 3 kleine hobbyhouders met schapen in Houten werden monsters positief bevonden na brononderzoek door de Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA). Rondom het grote tankmelkpositieve melkgeitenbedrijf werden op basis van het woonadres van Q-koortspatiënten hoge attack rates gevonden met een met de afstand geleidelijk afnemende gradiënt: attack rate 0-5km-zone: 56/100.000, relatief risico ten opzichte van de 5-10km-zone: 6.4 (95%BI: 4.2-9.9). Meerdere kleine veehouderijen vertoonden ook hoge attack rates binnen de 5km-zone. Wij concluderen dat er in 2009 enige verschillen zijn tussen de Q-koortsuitbraak in de provincie Utrecht en de rest van Nederland voor wat betreft ziekenhuisopname, man/vrouw verdeling en potentiële bronnen. Een groot tankmelkpositief melkgeitenbedrijf lijkt een belangrijke bron van deze Q-koortsuitbraak te zijn geweest, maar de rol van kleine houderijen is op basis van dit onderzoek niet uit te sluiten.