Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu doet onafhankelijk onderzoek op het gebied van radioactiviteit en straling. Veel onderzoek heeft betrekking op de bron-risico keten. Het gaat daarbij om beantwoording van vragen als: welke bronnen dragen het meest bij aan de stralingsbelasting? Hoe verspreiden radioactieve stoffen zich door het milieu en welke belastingspaden zijn daarbij relevant? Wat zijn de voor- en nadelen van beschermende maatregelen? Wat zijn de effecten van lage dosis straling en wat betekent dat voor de gezondheidsrisico’s van straling? Onderzoek kan zich richten op normale blootstellingsituaties, zoals radon in woonhuizen, maar ook op ongevalssituaties, zoals bijvoorbeeld een kernramp.

Het onderzoek is deels beleidsondersteunend, en deels wetenschappelijk. Beleidsondersteunend onderzoek is gericht op de vragen van nu, ter ondersteuning van beleidsontwikkeling op het gebied van bescherming tegen ioniserende straling. Dit onderzoek wordt in de regel uitgevoerd op verzoek van een ‘Haagse’ opdrachtgever. Het wetenschappelijk onderzoek heeft als doel om kennis te ontwikkelen voor de maatschappelijke vragen van morgen. Vooral bij dit type onderzoek werken we nauw samen met universiteiten, hoge scholen en andere onderzoeksorganisaties in binnen- en buitenland. Hieronder worden enkele thema's nader toegelicht.

Late gezondheidseffecten van straling: kanker, hart- en vaatziekten

Iedereen staat elke dag bloot aan ioniserende straling. Het gaat hierbij om lage doses, die we gedurende ons hele leven  geleidelijk oplopen. Van de overlevenden van de atoombom, die in korte tijd een veel hogere stralingsdosis opliepen, weten we dat bij hen het risico op kanker door straling verhoogd is. Ook weten we voor hogere doses (groter dan 100 millisievert) vrij goed hoe de verhoging van het risico afhangt van de ontvangen hoeveelheid straling. Voor lage doses, die we allemaal in het dagelijks leven oplopen, is het verband is tussen dosis en risico op kanker veel meer onzeker. Om hier toch meer van te weten ontwikkelt het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu wiskundige modellen die gebaseerd zijn op kennis uit de radiobiologie. Deze risicomodellen worden getoetst aan bestaande gegevens van mensen (of dieren) die in het verleden aan straling zijn blootgesteld.

Naast kanker kan blootstelling aan ioniserende straling ook hart- en vaatziekten veroorzaken. Om dit beter te onderzoeken heeft het RIVM een wiskundig model ontwikkeld voor het ontstaan van aderverkalking onder invloed van straling. De centrale aanname in het model is, dat blootstelling aan straling kan leiden tot een ontstekingsreactie die veel later aderverkalking tot gevolg heeft.

Veilig stralingsniveau in woningen, op werkplekken en in openbare gebouwen

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft de afgelopen jaren metingen uitgevoerd in woningen, op werkplekken en in openbare gebouwen in Nederland, om zo inzicht te krijgen in de blootstelling aan straling binnenshuis. Dit onderzoek had tot doel ondersteuning te bieden bij het invoeren van Europese richtlijnen op het gebied van stralingsbescherming in de Nederlandse wet- en regelgeving. Op basis van dat onderzoek is onder meer advies gegeven over de hoogte van het referentieniveau van radon in woningen en gebouwen, dat begin 2018 middels het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming van kracht geworden is. In dat besluit worden ook eisen gesteld aan het gammastralingsniveau van bouwmaterialen. Het RIVM heeft onderzocht op welke manieren daar invulling aan gegeven kan worden.

Verbetering van kennis en middelen die we nodig hebben tijdens een kernongeval

Een van de veiligheidstaken van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is om tijdens een kernongeval in kaart te brengen hoe mensen aan extra straling worden blootgesteld. Ook adviseren we over welke beschermende maatregelen het best genomen kunnen worden. Voor dat doel ontwikkelt en verbetert het RIVM in internationaal verband modellen om na te gaan hoe radioactief materiaal zich na een kernongeval door de lucht verspreidt. Ook kijken we naar het ‘omgekeerde’: als we ergens radioactiviteit meten, kunnen we dan vaststellen waar het materiaal vandaan komt, en wanneer het is vrijgekomen?

Na een ongeval kunnen allerlei producten besmet raken met radioactief materiaal. Denk bijvoorbeeld aan de containers die na Fukushima aankwamen in de haven van Rotterdam. Het RIVM heeft een model ontwikkeld om de dosis in te schatten die iemand oploopt als hij of zij aan zo’n product wordt blootgesteld.

Tijdens en na een kernongeval kan de overheid verschillende maatregelen nemen om de bevolking te beschermen. In eerste instantie zijn dat vooral evacueren, schuilen en innemen van stabiel jodium. Deze maatregelen hebben als doel om de blootstelling aan straling te reduceren, maar ze hebben daarnaast ook andere, soms schadelijke neveneffecten. Stress na evacuatie kan bijvoorbeeld leiden tot gezondheidsklachten. Het RIVM heeft in kaart gebracht welke kennis internationaal aanwezig is om de voor- en nadelen van crisismaatregelen af te kunnen wegen.

Radioactief afval in een circulaire economie

Om in 2050 te komen tot een circulaire economie is het nodig om restmaterialen, die voorheen als afval werden gezien, opnieuw als grondstof te gebruiken. Om de beleidsvorming over radioactief afvalbeheer te ondersteunen heeft het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu een overzicht gemaakt van de basisbegrippen in de wet- en regelgeving voor conventioneel en radioactief afvalbeheer, de belangrijkste voorschriften die daaraan zijn verbonden en de verschillen daartussen.