Reizigers lopen risico op zoönosen: infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Vooral mensen tussen 18 en 39 jaar bereiden zich meestal minder goed voor op deze risico’s. Wat zou hen helpen om wel goed voorbereid op reis te gaan? Om deze vraag te beantwoorden, doet het RIVM onderzoek naar zoönosegeletterdheid onder reizigers tussen 18 en 39 jaar.
Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Voorbeelden hiervan zijn hondsdolheid door een beet of krab van een zoogdier, of de ziekte van Weil na een duik in een plas. Reizigers lopen risico op deze ziekten, zeker als ze naar gebieden gaan waar bepaalde zoönosen vaker voorkomen.
Onvoldoende voorbereid
Uit eerder onderzoek blijkt dat vooral mensen tussen 18 en 39 jaar zich vaak onvoldoende voorbereiden op de risico’s van zoönosen op reis. Ze zoeken minder vaak informatie, nemen minder maatregelen vooraf en laten zich minder vaak vaccineren. Ook nemen ze na een beet of krab niet altijd contact op met een arts.
Doel van dit onderzoek
Het doel van dit onderzoek is om beleid en communicatie beter af te stemmen op de zoönosegeletterdheid van reizigers tussen 18 en 39 jaar. Een ander doel is om oplossingen te bedenken die deze reizigers kunnen ondersteunen bij het nemen van preventieve maatregelen.
Hoe ziet dit onderzoek eruit?
Dit onderzoek bestaat uit drie onderdelen:
- Groepsinterviews met jongeren tussen 18 en 39 jaar om te achterhalen hoe jongeren informatie zoeken, beoordelen en gebruiken als het gaat om zoönoserisico’s.
- Interviews met stakeholders, zoals reisorganisaties, huisartsen en dierenartsen, over hun rol in communicatie en beleid.
- Co-creatiesessies waarin samen met jongeren en stakeholders oplossingen worden ontwikkeld, zoals communicatiematerialen, tools en trainingen.
Tussenresultaten groepsgesprekken
De groepsgesprekken met jongeren zijn inmiddels afgerond. In totaal spraken onderzoekers van het RIVM met 27 jongeren tussen de 18 en 39 jaar, verdeeld over zes groepsgesprekken die plaatsvonden in Utrecht, Amsterdam en online. De deelnemers zijn geworven via de sociale mediakanalen van het RIVM, verschillende (Receiver Operating Characteristic)’s en een wervingsbureau.
Uit de groepsgesprekken met jongeren komt een aantal inzichten naar voren:
- Perceptie van risico’s: Veel jongeren denken dat het risico op zoönosen vooral buiten Europa ligt. Voor reizen naar verre of buiten-Europese bestemmingen zoeken zij vaker actief informatie op, bijvoorbeeld bij de (Gemeentelijke Gezondheidsdienst), het RIVM, Nederland Wereldwijd of de (World Health Organization).
- Informatiezoekgedrag: De bereidheid om informatie te zoeken of preventieve maatregelen te nemen, verschilt sterk per leeftijd, reiservaring en bestemming. Jongeren en minder ervaren reizigers vertrouwen vaak vooral op hun directe omgeving, zoals ouders, of zoeken weinig tot geen informatie op, tenzij iemand in hun omgeving negatieve ervaringen heeft gehad.
- Bekende en onbekende risico’s: Voor bekende bestemmingen, zoals familiebezoek of vakanties binnen Europa, bereiden jongeren zich zelden specifiek voor op zoönoserisico’s. Hondsdolheid noemen ze het vaakst als risico op reis. Andere zoönosen zijn minder bekend.
- Barrières: Belangrijke drempels voor het nemen van preventieve maatregelen zijn:
- de kosten
- praktische bezwaren
- iemands sociale omgeving
- onduidelijkheid over het risico
- beperkte bekendheid met de risico’s
- Behoeften: Jongeren hebben behoefte aan duidelijke, centrale en actuele informatie over zoönoserisico’s, het liefst in eenvoudige taal. Verwarring ontstaat wanneer informatiebronnen elkaar tegenspreken. Ook is er vraag naar overzichtelijke checklists per land met daarin onder andere:
- risico’s
- wat te doen bij incidenten
- waar vaccinaties te halen zijn
- informatie over kosten en vergoeding
Visuele hulpmiddelen, zoals kaarten en icoontjes, kunnen daarbij helpen. Daarnaast geven jongeren aan dat het zou helpen als informatie op het juiste moment wordt aangeboden. Bijvoorbeeld bij het boeken van een reis of vliegtickets, of via social media en influencers.
Vervolg
De komende maanden ronden de onderzoekers de interviews met jongeren en stakeholders af en analyseren ze de uitkomsten. Tegelijkertijd starten ze met de voorbereidingen voor de co-creatiesessies. Die zullen aan het einde van de zomer plaatsvinden. In deze sessies gaan de onderzoekers samen met jongeren en stakeholders aan de slag om praktische oplossingen te ontwikkelen, zoals communicatiematerialen of tools, zodat beleid en communicatie over zoönoserisico’s beter aansluiten op de behoeften van reizigers.