CPT | richtlijnen behandeling | begeleiding patiënten met tuberculose / TBI | gepubliceerd 9 januari 2026
Foto: ©WHO Europe / Carl Cordonnier
De sociaal verpleegkundige begeleidt en ondersteunt mensen die behandeld worden voor tuberculose of een tuberculose-infectie. Deze verpleegkundige zorg is beschreven in de richtlijn Verpleegkundige zorg voor mensen die behandeld worden voor tuberculose of een tuberculose infectie.
Personen die worden behandeld voor de ziekte tuberculose
Nadat de diagnose tuberculose is gesteld door een arts, meldt hij of zij deze patiënt bij de GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)-afdeling tbc (Tuberculose)-bestrijding. Dan wordt er een sociaal verpleegkundige als casemanager gekoppeld aan deze patiënt.
De belangrijkste taken van de sociaal verpleegkundige zijn:
- Informeren en voorlichting geven over de ziekte tuberculose en eventuele beschermingsmaatregelen
In eerste instantie aan de betreffende persoon en in overleg met de patiënt, ook aan zijn naasten en eventuele anderen. De sociaal verpleegkundige heeft, zo mogelijk binnen drie werkdagen na de melding een gesprek met de persoon die behandeld wordt voor tuberculose. Eén van de redenen voor dit snelle contact is dat tuberculose een ziektebeeld is dat verschillende emoties, denkbeelden en belevingen oproept bij de mensen. De implicaties en onrust kunnen groot zijn bij deze diagnose, zowel bij de patiënt als bij zijn/haar omgeving. Dit kan mogelijk door voorlichting beperkt worden.
Ondersteuning bieden bij de behandeling, zodat de behandeling kan worden ingepast in de leefwijze van betrokkenen
Een geslaagde behandeling draagt bij aan de genezing van de individuele patiënt, het beperken van de recidiefkans, het voorkomen van resistentie en het beperken van de transmissie. De begeleiding van de patiënt met tuberculose is een langdurig proces. De opbouw van een vertrouwensrelatie is hierin een belangrijk element.Tijdens de begeleiding creëert de sociaal verpleegkundige zodanige omstandigheden dat de patiënt tot therapietrouw in staat is. Er kunnen allerlei redenen zijn waarom dit niet goed lukt, de verpleegkundige kan hierop diverse interventies inzetten, zoals beschreven in de richtlijn. (Te denken valt aan het gebruik van medicijndozen of medicatiesupervisie, bepaalde regelingen voor onverzekerden en/of ongedocumenteerden of het inzetten van ‘incentives’ en ‘enablers’.)
Zie hiervoor ook de richtlijn Medicatietrouw van V&VN, de leidraad Opschorten van uitzetting van vreemdelingen met tuberculose en Financiering van zorg bij tuberculose van de CPT (Commissie voor Praktische Tuberculosebestrijding) en de website van KNCV Tuberculosefonds voor de ondersteuning van patiënten.
Monitoren en evalueren
Een belangrijke taak is het tijdig signaleren van bijwerkingen. Belangrijk om de patiënt (en eventueel zijn/haar naasten) hierover goed te informeren en aan te geven wie men kan bellen bij bijzonderheden.Gedurende de gehele behandeling is het belangrijk om alert te blijven op signalen waaruit blijkt dat de therapietrouw onder druk staat. Wanneer de meeste ziektesymptomen zijn verdwenen en patiënten hun gewone leven weer gaan oppakken wordt het opvolgen van de voor genezing noodzakelijke leefstijl vaak moeilijker.
- Organiseren en uitvoeren van het bron- en contactonderzoek
Als er sprake is van een besmettelijke vorm van tuberculose zal er vrijwel altijd een contactonderzoek worden opgestart. Als niet duidelijk is wie de bron is van de betreffende persoon, kan er ook onderzoek onder de contacten nodig zijn. Voor meer informatie hierover zie de richtlijn Bron- en contactonderzoek.
- Aanspreekpunt zijn voor vragen en klachten
Tuberculose is een ziekte die gelukkig in Nederland steeds minder voorkomt. Hierdoor is het voor velen ook een onbekende ziekte, die vaak veel vragen en onrust oproept. Belangrijk is dat de sociaal verpleegkundige laagdrempelig beschikbaar is voor vragen, om op deze manier stigmatisering te voorkomen.
Personen die worden behandeld voor een tuberculose-infectie
De manier waarop deze begeleiding wordt ingevuld verschilt per GGD. De begeleiding bij een tbc-infectie is gericht op informatieverstrekking over de betekenis van de infectie, de behandeling en eventuele bijwerkingen en het belang van het opvolgen van het behandeladvies.
Het eerste contactmoment vindt zo snel mogelijk na diagnose plaats. Tijdens het eerste gesprek wordt o.a. (onder andere) een inschatting gemaakt van de mogelijkheden tot aanpassing van de leefstijl en het creëren van omstandigheden die de medicatie-inname door de patiënt bevorderen. Als niet bekend is waar de infectie vandaan komt kan het nodig zijn dat er een bronopsporingsonderzoek wordt gestart, zie ook de richtlijn Bron- en contactonderzoek.
In sommige situaties kan besloten worden tot extra contactmomenten, zoals een extra bezoek op de GGD of een huisbezoek. De ervaring is dat vooral bij de behandeling van kinderen met een tbc-infectie ondersteuning van de ouders vaak noodzakelijk is.