De hygiënerichtlijn voor instellingen voor volwassenen met een lichamelijke of verstandelijke beperking is voor het laatst volledig herzien in 2015. Tussentijdse wijzigingen sinds de laatste herziening staan aangegeven in de Verantwoording.

De schoonmaakschema’s bij deze richtlijn kunt u hier downloaden als Word-document. Voor het maken van een checklist of rapport kunt u gebruik maken van de normenlijst.

 

1 Inleiding

In deze inleiding staat voor wie de richtlijn voor instellingen voor volwassenen met een lichamelijke of verstandelijke beperking is geschreven. Ook wordt er uitgelegd waarom hygiëne belangrijk is en wat het doel van de hygiënemaatregelen is. Daarnaast vindt u een leeswijzer als ondersteuning bij het vinden van specifieke informatie.

Voor wie is deze hygiënerichtlijn?

Deze richtlijn is een hulpmiddel om de hygiëne vorm te geven in instellingen voor de zorg voor volwassenen met een lichamelijke of verstandelijke beperking (in deze richtlijn ‘cliënten’ genoemd). Voorbeelden van zulke instellingen zijn dagverblijven voor volwassenen, wooncentra en projecten voor begeleid wonen.

In de eerste plaats is deze richtlijn geschreven voor managers, omdat zij direct verantwoordelijk zijn voor een goede hygiëne binnen hun instelling. Als ondersteuning voor managers zijn kant-en-klare instructies opgenomen voor uitvoerend medewerkers.

Hygiëne en micro-organismen

Een goede hygiëne voorkomt de verspreiding van micro-organismen. Voorbeelden van micro-organismen zijn bacteriën, virussen en schimmels. Micro-organismen zijn onzichtbaar voor het blote oog en komen overal voor: op de huid, in lichaamsvloeistoffen zoals bloed en ontlasting, op meubelen en gebruiksvoorwerpen, in de lucht, in water, op en in voedsel. De meeste zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar sommige kunnen ziekten veroorzaken.

Door contact tussen mensen kunnen deze ziekteverwekkers zich van de ene mens naar de andere verspreiden. Als ze zich vervolgens in het lichaam vermenigvuldigen, kan iemand ziek worden. Zulke ziektes noemen we infectieziekten.

Of een besmetting uitgroeit tot een infectie, heeft met verschillende dingen te maken:

  • de hoeveelheid ziekteverwekker waarmee iemand besmet is;
  • hoe gemakkelijk de ziekteverwekker mensen ziek maakt;
  • iemands lichamelijke conditie. De een wordt ziek, de ander voelt zich niet lekker en een derde heeft nergens last van.

De cliënten van uw instelling lopen een groter infectierisico dan de gemiddelde burger. Dit komt doordat:

  • cliënten vaak relatief dicht op elkaar leven;
  • cliënten veel gebruikmaken van dezelfde ruimtes en materialen;
  • cliënten vaak een verminderde weerstand hebben;
  • cliënten soms een slechte persoonlijke hygiëne hebben;
  • medewerkers meerdere cliënten helpen, en zo ziekteverwekkers kunnen verspreiden.

Hoe verspreiden micro-organismen zich?

Micro-organismen verspreiden zich op de volgende manieren:

  • via de handen;
  • via lichaamsvloeistoffen (ontlasting, urine, bloed, wondvocht enzovoorts);
  • via voorwerpen als wc’s en deurklinken;
  • door de lucht (bijvoorbeeld via druppels door hoesten, na braken of via huidschilfers of stof);
  • via voedsel en water;
  • via dieren, zoals huisdieren en insecten.

Hygiëne voorkomt ziekte

Infectierisico’s beperkt u in de eerste plaats door een goede hygiëne. Alle regels in deze richtlijn hebben hiermee te maken.

Wat is het doel van deze richtlijn?

Zoals hierboven beschreven, lopen uw cliënten een groter infectierisico dan de gemiddelde burger. Het is aan u als organisatie om dit risico zo klein mogelijk te maken. Deze richtlijn is opgesteld om u hierin te ondersteunen. Hiertoe wordt in deze richtlijn een overzicht gegeven van belangrijke hygiënemaatregelen waarmee u het risico op het ontstaan en verspreiden van infectieziekten in uw instelling kunt verkleinen.

Leeswijzer

Elk hoofdstuk en elke paragraaf begint met een korte inleidende tekst. Hierin leest u waarom het onderwerp belangrijk is. Zo nodig wordt daarnaast aangegeven voor welke medewerkers of voor welk type zorginstelling de paragraaf van toepassing is.

Na deze inleidende tekst volgt een opsomming van de hygiënemaatregelen. Sommige maatregelen gelden op basis van wetgeving, uw zorgplicht, professionele standaarden of veldnormen, andere worden alleen meegegeven als tip.

U herkent de maatregelen als volgt:

Hygiënemaatregelen

  • De maatregelen op basis van wetgeving, uw zorgplicht, professionele standaarden of veldnormen staan in een geel kader. Dit zijn de minimale eisen aan een goed hygiënebeleid. Wanneer u een vergelijkbaar of beter alternatief heeft, of als de maatregelen niet van toepassing zijn op de werkzaamheden van uw instelling, mag u hiervan afwijken. Het wordt aangeraden om deze afwijkingen in uw hygiënebeleid te beargumenteren.

Wetgeving

  • Wanneer een maatregel voortkomt uit wetgeving, wordt deze wetgeving in schuingedrukte tekst toegelicht onder het kopje 'wetgeving'. Ontbreekt dit  in een paragraaf? Dan zijn de maatregelen in het gele kader gebaseerd op uw zorgplicht, professionele standaarden of veldnormen.

Tips

  • Tips herkent u aan de schuingedrukte tekst in een grijs kader. Deze punten zijn vrijblijvend. Maar als u de tips opvolgt, werkt u hygiënischer.

In hoofdstuk 7 vindt u schoonmaakschema’s en instructies voor uitvoerend medewerkers.

2 Algemene hygiëne

In dit hoofdstuk vindt u algemene informatie over hygiënisch handelen. Specifieke informatie over schoonmaken en desinfecteren staat in hoofdstuk 5.

Voor een optimale hygiëne is het niet alleen belangrijk dat uw medewerkers weten hoe ze moeten werken, maar ook waarom ze dat moeten doen.

Hygiënenormen

  • Zorg dat uw medewerkers goed weten hoe infectieziekten worden overgebracht én wat ze hier tegen kunnen doen.

2.1 Persoonlijke hygiëne van medewerkers

Deze paragraaf is van toepassing op medewerkers die verzorgende, verplegende of medische handelingen uitvoeren bij cliënten. Medewerkers die alleen sociale activiteiten uitvoeren met cliënten, kunnen onderstaande maatregelen als tips beschouwen.

Medewerkers en cliënten hebben veel contact met elkaar. Tijdens verzorgende, verpleegkundige en medische handelingen kunnen ziekteverwekkers zich gemakkelijk verspreiden via de handen, kleding en gedeelde materialen. Een goede persoonlijke hygiëne verkleint het infectierisico. Hieronder vindt u de eisen aan de persoonlijke hygiëne van medewerkers; de eisen voor cliënten vindt u in paragraaf 3.1.

Algemene regels

Medewerkers moeten zichzelf schoon houden. Dit houdt in dat zij naast schone kleding, ook schone haren hebben en eventuele wondjes goed afdekken. Ziekteverwekkers kunnen gemakkelijk overgebracht worden via de handen. Daarom moeten de handen goed schoon te maken zijn. Kunstnagels, nagellak en hand- en polssieraden belemmeren een goede handhygiëne.

Geef uw medewerkers de volgende instructies:

Hygiënenormen

  • Draag uw haren kort, in een paardenstaart, opgestoken of in een schone, strakke hoofddoek.
  • Dek open wondjes af met een waterafstotende pleister.
  • Gebruik eenmalige zakdoeken en gooi deze na gebruik meteen weg.
  • Voert u verzorgende, verpleegkundige of medische handelingen uit bij cliënten? Let dan op het volgende:
    • Knip nagels kort en draag geen kunstnagels.
    • Gebruik geen nagellak.
    • Draag geen hand- en polssieraden, zoals een trouwring of horloge.

Tips:

  • Draagt u oorsieraden? Draag dan knopjes in plaats van grote oorbellen of ringetjes. Deze kunnen tijdens werkzaamheden ergens achter haken of in contact komen met cliënten.

Handhygiëne

Een van de meest voorkomende manieren waarop ziekteverwekkers worden verspreid, is via de handen. Om te voorkomen dat medewerkers ziekteverwekkers verspreiden van de ene cliënt naar de andere cliënt, moeten de handen op de juiste momenten worden schoongemaakt. Dit kan door ze te wassen met water en zeep of ze in te wrijven met een handdesinfecterend middel. Doordat zorgmedewerkers hun handen veel moeten wassen of desinfecteren, kunnen de handen snel uitdrogen. Een handcrème kan dan uitkomst bieden.

Geef uw medewerkers de volgende instructies:

Hygiënenormen

  • Was of desinfecteer uw handen volgens de stappen in paragraaf 7.2.
  • Was uw handen met water en vloeibare zeep als ze zichtbaar vuil zijn. Gebruik dan geen handdesinfecterend middel; door zichtbaar vuil vermindert de werking.
  • Zijn uw handen niet zichtbaar vuil? Dan mag u kiezen of u uw handen wast of desinfecteert.
    De handen worden voldoende schoon als u alleen wast of desinfecteert. Doe het dus niet beide, direct na elkaar; uw huid droogt dan meer uit en beschadigt sneller.
  • Was of desinfecteer uw handen onder andere:
    • na een toiletbezoek (en na het helpen of verschonen van cliënten);
    • voor en na verzorgende, verpleegkundige en medische handelingen;
    • na contact met lichaamsvloeistoffen zoals ontlasting, urine, bloed, wondvocht, speeksel, braaksel of sperma;
    • na het uittrekken van handschoenen;
    • na hoesten, niezen of het snuiten van de neus.
      Dit is ook belangrijk als u een zakdoek hebt gebruikt. Ziekteverwekkers kunnen namelijk via de zakdoek op uw handen komen.
  • Gebruik alleen handdesinfecterende middelen die zijn toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides.
    Zie paragraaf 5.1 en paragraaf 8.2.
  • Gebruikt u handcrème? Gebruik dan bij voorkeur een tube. Crèmes in potten raken sneller besmet met ziekteverwekkers.

Tips

  • Bewaar handdesinfecterende middelen buiten bereik van cliënten, om te voorkomen dat ze het opdrinken.

Handschoenen

Het dragen van handschoenen is vereist in situaties waarbij de handen in contact kunnen komen met lichaamsvloeistoffen en bij het uitvoeren van steriele handelingen. Via lichaamsvloeistoffen is er een verhoogd risico op besmetting met ziekteverwekkers.

Geef de volgende instructies:

Hygiënenormen

  • Draag handschoenen wanneer uw handen in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen. Dit is bijvoorbeeld bij:
    • het helpen van cliënten op het toilet;
    • het schoonmaken of desinfecteren van voorwerpen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen op zitten;
    • het sorteren van de vuile was.
  • Gebruik in bovenstaande gevallen alleen handschoenen:
    • die gemaakt zijn van poedervrije latex of nitril;
    • die voldoen aan de NENNederlandse norm over informatiebeveiliging in de zorg normen EN 420, EN 455 en EN 374;
      Deze normen moeten op de verpakking zichtbaar zijn.
    • uit een verpakking waarop een CEConformité Européenne-markering staat (zie afbeelding);
      logo CE-markering
    • uit een verpakking waarop de naam en het adres van de producent staat. Als dit geen adres binnen de EUEuropean Union is, moet ook de naam en het adres van de EU-vertegenwoordiger vermeld zijn.
  • Heeft u een latexallergie type I of vermoedt u dat u allergisch bent? Gebruik dan nitril.
  • Vermijd contact met deurklinken, telefoons en andere apparaten en materialen wanneer u handschoenen draagt.
    Dit om besmetting van de handschoenen of van de omgeving te voorkomen.
  • Gebruik handschoenen eenmalig en verwissel deze per cliënt. Trek handschoenen na gebruik direct binnenstebuiten uit, zonder hierbij uw polsen aan te raken, en gooi ze weg.

Kleding

Ook via kleding kunnen ziekteverwekkers verspreid worden. Om dit te voorkomen, moeten medewerkers besmetting van en via hun kleding voorkomen. Geef uw medewerkers de volgende instructies:

Hygiënenormen

  • Draag schone kleding tijdens verzorgende, verpleegkundige en medische handelingen. Trek schone kleding aan als de kleding zichtbaar vervuild is met lichaamsvloeistoffen. Hiervoor moet dus een reservesetje (privé- of dienst)kleding aanwezig zijn.
  • Draag tijdens verzorgende, verpleegkundige en medische handelingen bovenkleding met korte mouwen of rol de mouwen op tot boven de ellebogen wanneer uw handen of kleding in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen.
  • Draag tijdens verzorgende, verpleegkundige en medische handelingen geen sjaals, vesten of andere loshangende accessoires die tegen de cliënt aan kunnen komen.

Tips

  • Zorg voor reservekleding die medewerkers aan kunnen trekken wanneer hun kleding tijdens de werkzaamheden vervuild raakt met lichaamsvloeistoffen.

Beschermende middelen (anders dan handschoenen)

In sommige gevallen moeten medewerkers naast handschoenen ook andere beschermende middelen, zoals een schort, mondneusmasker en spatbril, dragen om het risico op besmetting te verkleinen. Hieronder vindt u de algemene maatregel. Wanneer een cliënt een infectieziekte heeft, gelden mogelijk aanvullende maatregelen. Raadpleeg hiervoor de protocollen van uw instelling of een deskundige infectiepreventie, bijvoorbeeld van uw regionale GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst. Voor uw medewerkers geldt:

Hygiënenormen

  • Draag een wegwerpschort bij cliëntgebonden handelingen waarbij uw kleding vervuild kan raken met lichaamsvloeistoffen.
    Een halterschort is in normale situaties voldoende. In bepaalde situaties is een schort met lange mouwen noodzakelijk; raadpleeg hiervoor de betreffende protocollen van uw instelling. Ook kan uw regionale GGD u advies geven.

2.2 Huishoudelijk afval

Afval kan plaagdieren aantrekken. Omdat deze plaagdieren ziekteverwekkers met zich mee kunnen dragen, is een goed afvalbeleid nodig.

Hygiënenormen

  • Voorkom dat huishoudelijk afval zich ophoopt op plaatsen waar plaagdieren bij kunnen.

Tips

  • Leeg afvalemmers minstens één keer per dag. Sluit de zakken goed en bewaar ze in gesloten rolcontainers.
  • Verschoon damesverbandcontainers in de damestoiletten dagelijks.
  • Houd de opslagplaats van afval schoon, zodat er geen ratten of andere plaagdieren op afkomen. Plaats geen afval naast afvalcontainers. Zorg dat het afval wordt opgehaald voordat een container vol is.

2.3 Voedselveiligheid

Instellingen voor gehandicaptenzorg moeten maatregelen nemen om te voorkomen dat kinderen ziek worden door bedorven of besmet eten.

Wetgeving

  • Sinds 1995 zijn alle organisaties die voedsel bereiden, verwerken, behandelen, verpakken, vervoeren, distribueren en verhandelen verplicht een voedselveiligheidssysteem te hebben op basis van HACCP (Hazard Analysis Critical Control Points; een systeem om de voedselveiligheid te beheersen). Deze verplichting is opgenomen in de Europese verordening Verordening (EG) 852/2004. Daarnaast zijn Nederlandse regels voor de hygiëne bij productie, bereiding en behandeling van levensmiddelen opgenomen in het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen en het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen.

Verschillende branches hebben een praktische uitwerking van de HACCP gemaakt, in de vorm van Hygiënecodes. In Hygiënecodes staan voedselveiligheidsmaatregelen die voor alle stadia van voedselverwerking gelden: van het kopen of ontvangen tot het bewaren, het bereiden en het serveren van eten en drinken. Door volgens een Hygiënecode te werken, voldoet u automatisch aan de wettelijke voorschriften van voedselveiligheid.

Hygiënecodes

Hygiënecodes die u kunt gebruiken zijn (zie ook de HACCP-richtlijn):

  • de hygiënecode voor de voedingsverzorging in zorginstellingen en Defensie;
  • de hygiënecode voor de voedingsverzorging in woonvormen;
  • de Hygiënecode voor kleine instellingen in kinderopvang, welzijn, maatschappelijke dienstverlening en jeugdzorg.

Hygiënemaatregelen

  • Bepaal volgens welke Hygiënecode er op uw locatie wordt gewerkt. Zorg dat de gekozen code alle voedselprocessen in uw centrum dekt.
  • Zorg dat iedereen die betrokken is bij voedselprocessen volgens de Hygiënecode werkt.

2.4 Dieren

Deze paragraaf geldt voor intramurale instellingen en locaties voor kleinschalig wonen. Instellingen voor ambulante zorg kunnen onderstaande maatregelen als tips beschouwen.

Net als mensen kunnen dieren een infectieziekte oplopen. Een klein deel van deze infectieziekten kan van dieren worden overgedragen op mensen. Deze ziekten noemen we zoönosen. Het overdragen van ziekteverwekkers kan bijvoorbeeld gebeuren tijdens het aaien of knuffelen van dieren.

Hygiënenormen

  • Bij cliënten met huisdieren dient er met de cliënt een overeenkomst te zijn waarin alles over de gezondheid van het dier is vastgelegd.
  • Bij binnenkomst dient het dier gezond te zijn en de benodigde vaccinaties te hebben gehad. Dit kan worden vastgelegd in de overeenkomst.
  • Zorg dat er afspraken zijn over de frequentie en werkwijze van schoonmaak. Dit is afhankelijk van het soort en aantal dieren.
  • Zijn er dieren ziek? Ga hygiënisch te werk en let extra goed op uw persoonlijke hygiëne.
  • Vermijd direct contact met zieke dieren en hun uitwerpselen en draag beschermende kleding en materialen, zoals een masker, overall en handschoenen. Gooi deze na (eenmalig) gebruik weg en was de overall/ kleding op minimaal 60 °C
  • Zet verdachte dieren direct in quarantaine en zorg dat cliënten niet in contact komen met zieke dieren.
  • Zorg dat honden en katten niet in de buurt van speeltoestellen komen (vooral niet bij de zandbak)

3 Hygiëne van cliënten

In het voorgaande hoofdstuk zijn maatregelen beschreven die u en uw medewerkers kunnen nemen om infectierisico’s te verkleinen. Maar veel cliënten kunnen hier zelf ook aan bijdragen, door een goede persoonlijke hygiëne. Daarom is het belangrijk dat het hygiënisch bewustzijn van de cliënten zo mogelijk wordt vergroot. In paragraaf 3.1 vindt u maatregelen die hieraan bijdragen en maatregelen die u moet nemen wanneer nieuwe kinderen ernstig vervuild zijn. In paragraaf 3.2 vindt u informatie over seksuele voorlichting.

3.1 Persoonlijke hygiëne van cliënten

Binnen instellingen in de gehandicaptenzorg is er veel contact tussen cliënten onderling en tussen cliënten en medewerkers. Hierbij kunnen ziekteverwekkers, zoals bacteriën en virussen zich gemakkelijk verspreiden via de handen, kleding en gedeelde spullen. Een goede persoonlijke hygiëne van cliënten verkleint de kans op verspreiding.

Benodigde materialen

Hygiënenormen

  • Zorg dat elke cliënt een set persoonlijke toiletartikelen heeft.

Handelingen

Hygiënenormen

  • Leer cliënten aan dat ze hun handen wassen:
    • na een toiletbezoek;
    • voor én na het eten;
    • na niezen, hoesten en afvegen van de neus;
    • na contact met vuile kleding, afval en zand.
  • Leg cliënten, indien mogelijk, uit dat ze tijdens het niezen of hoesten:
    • niet in de richting van iemand anders kijken maar het hoofd wegdraaien of -buigen;
    • een zakdoek, de elleboogplooi of een hand voor de mond houden.
  • Stimuleer cliënten met een verstandelijke beperking zich regelmatig te wassen en hun tanden of kunstgebit te poetsen. Bepaal als instelling de minimale frequentie. Laat een medewerker de cliënt wassen en tanden poetsen als de cliënt het zelf niet kan.
  • Laat cliënten met hoortoestellen hun oorstukje minimaal wekelijks schoonmaken volgens voorschrift van de fabrikant. Laat een medewerker deze taak overnemen als de cliënt het zelf niet kan.

3.2 Seksuele voorlichting

Neem zo nodig onderstaande eisen aan seksuele voorlichting op in uw beleid.

Hygiënenormen

  • Informeer cliënten over het belang van veilige seks.
  • Geef cliënten zo nodig condooms en voorlichtingsmaterialen over soaSeksueel overdraagbare aandoeningen’s, of leg deze op een toegankelijke plek.

Tips

  • Vraag bij verschillende instanties zoals de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst en SoaSeksueel overdraagbare aandoeningen Aids Nederland informatiemateriaal aan. Veel van deze folders zijn gratis (excl. verzendkosten) en in meerdere talen beschikbaar.

4 Medische en verpleegkundige zorg

Ziekteverwekkers kunnen gemakkelijk overgebracht worden via kleding en handen. Door het intensieve contact tussen medewerkers encliënten is er tijdens het verlenen van medische en verpleegkundige zorg een verhoogde kans op besmetting. Om dit risico op besmetting te verkleinen moet u zich tijdens het verlenen van zorg houden aan de eisen uit dit hoofdstuk. Daarnaast gelden uiteraard de algemene maatregelen op het gebied van persoonlijke hygiëne (zie paragraaf 2.1) en schoonmaak en desinfectie (zie hoofdstuk 5).

4.1 Verpleegkundige handelingen

In uw instelling kunnen diverse verpleegkundige handelingen worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld de verzorging van wonden, het schoonmaken of verwisselen van verschillende soorten katheters, sondes en canules en het verwisselen van incontinentiemateriaal.

Al dit soort handelingen geeft een verhoogd risico op verspreiding van micro-organismen van de ene naar de andere cliënt. Daarom is het van belang om in protocollen en werkinstructies maatregelen op te nemen die dit besmettingsrisico verminderen.

Hygiënenormen

  • Laat nieuwe en herziene protocollen en werkinstructies voor verpleegkundige handelingen beoordelen door een deskundige op het gebied van infectiepreventie.
  • Zorg dat in de protocollen en werkinstructies de juiste hygiëne- en infectiepreventiemaatregelen zijn opgenomen. Neem in ieder geval alle onderstaande maatregelen op die van belang zijn voor de handeling:

            Voorbereiding

  • Zet voordat u begint alle benodigdheden klaar binnen handbereik, op een schone ondergrond (zoals een schone handdoek). Plaats ook een afvalzakje binnen handbereik, zodat u vuile materialen direct kunt weggooien.
  • Controleer de houdbaarheidsdatum van alle materialen vóór elke handeling.
  • Controleer of de verpakkingen van steriele materialen onbeschadigd en ongeopend zijn.
  • Voorkom tocht tijdens de handeling, om het opdwarrelen van stof te voorkomen.
    Zo voorkomt u besmetting met micro-organismen in stofdeeltjes uit de lucht.
  • Open steriele materialen pas als u klaar bent om met de handeling te beginnen en laat ze na opening op de binnenkant van hun verpakking liggen.
  • Was of desinfecteer uw handen direct vóór iedere verpleegkundige handeling, vlak voordat u handschoenen aantrekt.

            Tijdens de handeling

  • Draag handschoenen wanneer uw handen in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen.
  • Draag een wegwerpschort wanneer uw kleding besmet kan raken met lichaamsvloeistoffen.
    In de meeste situaties is een halterschort voldoende; alleen als het protocol dat aangeeft, is een schort met lange mouwen nodig.
  • Draag een mondneusmasker met spatscherm of losse veiligheidsbril als er tijdens de handeling lichaamsvloeistoffen in het gezicht kunnen spatten.
  • Raak met handschoenen zo min mogelijk oppervlakken aan, om besmetting met micro-organismen te voorkomen.
    Zo voorkomt u bij schone en steriele handelingen dat de handschoenen besmet raken met micro-organismen uit de omgeving (bijvoorbeeld op deurklinken of telefoons) en bij vuile handelingen dat u micro-organismen van de handschoenen naar de omgeving verspreidt.
  • Desinfecteer waar nodig de aansluitpunten van materialen, voordat u nieuwe aansluit.

            Na de handeling

  • Gooi instrumenten en materialen die bedoeld zijn voor eenmalig gebruik (zoals handschoenen en mondneusmaskers) direct na de handeling weg. Maak een spatscherm of veiligheidsbril na gebruik schoon en desinfecteer hem vervolgens, of gooi hem ook weg.
  • Was of desinfecteer uw handen na het uittrekken van de handschoenen.
  • Noteer de openingsdatum en -tijd op materialen die na openen beperkt houdbaar zijn, zoals zalven en spoelvloeistoffen. Gebruik spoelvloeistof tot maximaal 24 uur na opening. Noteer ook de naam van de cliënt; geopende materialen mogen niet bij andere cliënten gebruikt worden.

Verblijfskatheter

Naast bovenstaande algemene maatregelen, geldt bij het aftappen of ontkoppelen van de urineopvangzak van een verblijfskatheter het volgende:

Hygiënenormen

  • Ontkoppel de urineopvangzak alleen van de katheter bij het verwisselen van de opvangzak of katheter, bij het spoelen van de katheter (alleen op medische indicatie), bij verstopping door gruis of bloedstolsels in de katheter, bij lekkage van de opvangzak of als de zak vies gaat ruiken.
    Bij elke ontkoppeling is er een risico op besmetting van het aansluitpunt.
  • Voorkom bij een urineopvangzak met aftapkraan dat het kraantje tijdens het aftappen in aanraking komt met het urinaal of de beker waarin de urine wordt opgevangen.
  • Leeg de urineopvangzak in een pospoeler. Gooi de lege urineopvangzak weg. Voorkom het spatten van urine ter voorkoming van aerosolen.

Tracheacanule

Naast bovenstaande algemene maatregelen, geldt bij het schoonmaken van de binnencanule van de tracheacanule het volgende:

Hygiënenormen

  • Verwijder binnencanules twee keer per dag en reinig ze.
  • Maak een gaasje nat met water uit een stromende kraan en maak hiermee de buitenkant van de binnencanule schoon. Maak de binnenkant schoon met wattenstokjes. Gebruik geen pijpenragers, deze kunnen de canule beschadigen.
  • Gooi de handschoenen na het schoonmaken weg en trek nieuwe aan voor het terugplaatsen van de canule.
  • Zet de droge binnencanule terug in de buitencanule.

Sondes

Naast bovenstaande algemene maatregelen, geldt bij het toedienen van sondevoeding of het vervangen van het toedieningssysteem het volgende:

Hygiënenormen

  • Pas handhygiëne toe voor het aansluiten of toedienen van sondevoeding. Het is niet nodig om handschoenen te dragen.
  • Bij continue toediening van de voeding geldt:
    • Vervang de zak of fles met voeding binnen 24 uur.
    • Vervang het toedieningssysteem tot aan de sonde na maximaal 96 uur.
    • Spoel het voedingssysteem door met water uit een flink stromende kraan wanneer de voedingszak wordt gewisseld.
  • Wordt de voeding in bolus toegediend, let dan op het volgende:
  • Bewaar de sondevoeding na openen maximaal 24 uur in de koelkast, in een afgesloten zak of fles. Noteer hiervoor de datum en tijd van openen. Uitzondering: gebruik sondevoeding die niet in de koelkast mag worden bewaard (vanwege klonteren bij lage temperaturen) direct na openen en gooi restjes weg.
  • Sluit de voedingssonde of PEG-katheter na elke toediening af met een schoon dopje.
  • Spoel een PEG-katheter na iedere toediening van voeding of medicijnen door met 2030 cc kraanwater. Doe dit minimaal vijf keer per dag.
  • Gebruik voor het doorspoelen een cliëntgebonden spuit. Hergebruik deze spuit maximaal 24 uur. Noteer hiervoor de naam van de cliënt en de datum en tijd van ingebruikname. Heeft de cliënt een schimmelinfectie (waar dan ook op het lichaam) of is de spuit beschadigd, bewaar hem dan niet maar gooi hem direct na gebruik weg.
  • Maak spuiten die worden hergebruikt na gebruik schoon in een sopje. Leg de stamper en huls daarna los van elkaar te drogen op een schone, droge doek of in een uitlekbakje waarin geen water kan blijven staan. Maak het aanrecht na het schoonmaken droog met papier.

Tips

  • Gebruik bij voorkeur kant-en-klare voeding; deze is onder gecontroleerde omstandigheden bereid waardoor de kans op besmetting van deze sondevoeding kleiner is dan bij zelf op te lossen voeding.

Gebruik van po’s en urinalen

Zie ook de WIPWerkgroep Infectiepreventie-richtlijn ‘Urinelozing en stoelgang’.

Onderstaande maatregelen gelden bij het gebruik van po’s en of urinalen:

Hygiënenormen

  • Gebruik po’s en urinalen bij voorkeur cliëntgebonden.
  • Gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen als er risico is op direct contact met urine en/of feces of risico op aerosolvorming.
  • Reinig en desinfecteer po’s en urinalen in een pospoeler of gebruik een vermaler.
  • Reinig en desinfecteer po’s en urinalen in een pospoeler.
  • Bij gebruik van een vermaler geldt:
    • Dek een gebruikte wegwerppo af tot aan verwerking door het vermaalsysteem.
    • Toon de gebruiksinstructies van de fabrikant duidelijk zichtbaar in de directe omgeving van het vermaalsysteem.
    • Instrueer medewerkers in het correcte gebruik van het vermaalsysteem.
    • Plaats de gebruikte volle po/urinaal/maatbeker zo snel als mogelijk in het vermaalsysteem, sluit de deur en start direct het programma. Pas aansluitend handhygiëne toe.
  • Leeg po’s/urinalen/maatbekers niet handmatig in een toilet of pospoeler. Het voorzichtig legen van een maatbeker in het toilet is alleen toegestaan bij afwezigheid van een pospoeler of vermaalsysteem. Het afwezig zijn van een pospoeler of vermaalsysteem is alleen toegestaan onder voorwaarden (zie de WIP-richtlijn).

Urine- en stomaopvangzakken

Zie ook de WIP-richtlijn ‘Urinelozing en stoelgang’.

Onderstaande maatregelen gelden voor opvangzakken voor urine en stoma’s:

Hygiënenormen

  • Urine- en stomaopvangzakken zijn voorzien van een terugslagklep.
  • Urine- en stomaopvangzakken zijn voorzien van een aftappunt.
  • Urinebeenzakken worden voor de nacht doorgekoppeld naar een schone standaard urine-opvangzak (de beenzak wordt dus niet afgekoppeld).
  • Vervang een urine-opvangzak (standaard en been) wekelijks en direct bij veel verontreinigingen in de zak of bij lekkage.
  • Koppel een urine-opvangzak alleen tussentijds af als dit noodzakelijk is; sluit aansluitend een schone zak aan.
  • Was materiaal ter fixatie van stomamateriaal (bijvoorbeeld gordels, bandages) wekelijks op minimaal 60°C en een volledig wasprogramma en direct bij zichtbare verontreiniging.

4.2 Steriele instrumenten en materialen

Steriele instrumenten en materialen moeten op de juiste wijze bewaard worden; gebeurt dit niet, dan kunnen de producten hun steriliteit verliezen. Let daarom op de volgende regels wanneer steriele instrumenten en materialen worden gebruikt:

Hygiënenormen

  • Controleer de houdbaarheidsdatum van steriele instrumenten en materialen periodiek (bijvoorbeeld maandelijks) en vóór gebruik. Gebruik de instrumenten en materialen niet na deze datum.
  • Sla steriele instrumenten en materialen stofvrij en droog op, op zo’n manier dat ze niet beschadigen.
    Prop ze dus bijvoorbeeld niet in een la, bundel instrumenten of materialen niet samen met elastiekjes of nietjes en schrijf of stempel niet op de verpakking.
  • Gebruik de instrumenten en materialen niet als de verpakking:
    • beschadigd of gescheurd is;
    • (deels) geopend is;
    • vochtig is of vochtkringen vertoont;
    • vuil is geworden.

Tips

  • Gebruik zoveel mogelijk wegwerpmaterialen.
  • Sla steriele instrumenten en materialen op volgens het ‘first in, first out’ (fifo)-principe. Dit betekent dat instrumenten en materialen die het eerst geleverd zijn, ook het eerst gebruikt worden. Plaats hiervoor de nieuwe voorraad achteraan en schuif de oude voorraad naar voren.
  • Wijs een medewerker aan die maandelijks de houdbaarheidsdatum van steriele instrumenten en materialen controleert.
  • Maak een lijst met de houdbaarheidsdata van alle steriele instrumenten en materialen en controleer deze lijst maandelijks. Zo kun je de houdbaarheid snel controleren. Gooi producten waarvan de houdbaarheidsdatum is verlopen weg. Geef met een paraaf aan dat de controle is uitgevoerd.

4.3 Omgang met scherp afval

Bij het verlenen van medische zorg of het injecteren van medicijnen kunnen scherpe materialen zoals naalden of mesjes worden gebruikt. Omdat deze materialen tijdens het gebruik besmet kunnen raken met ziekteverwekkers van cliënten, moet er veilig mee worden omgegaan.

Wetgeving

  • Omdat 85% van de prikaccidenten zich in de zorgsector voordoet, is er een Europese richtlijn (richtlijn 2010/32/EUEuropean Union ) opgesteld die werkgevers van alle EU-lidstaten verplicht om hun medewerkers te beschermen tegen prikaccidenten. In Nederland is dit vertaald in het Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel 4.97. In dit besluit staat dat er veilige naaldsystemen beschikbaar moeten zijn met ingebouwde beveiliging, zodat de zorgmedewerker na gebruik zichzelf of anderen er niet mee kan prikken. Ook is in het besluit opgenomen dat het verboden is om het hoesje na gebruik terug op de naald te zetten (‘recappen’ genoemd).

Neem de onderstaande maatregelen. Door u hieraan te houden, verkleint u de kans op een prikaccident.

Hygiënenormen

  • Gebruik veilige naaldsystemen met een ingebouwde beveiliging.
    Opmerking: op het moment van publicatie van deze richtlijn zijn nog niet alle naalden in een veilige uitvoering verkrijgbaar. Tot het moment dat alle naaldsystemen zijn vervangen, geldt: Voer, waar mogelijk, de veilige naaldsystemen in.
  • Doe hoesjes nooit terug op de naald.
  • Gooi naalden en andere scherpe wegwerpinstrumenten die de huid of slijmvlies doorboren, direct na gebruik in een naaldcontainer. Gooi dit scherpe afval dus nooit in een gewone afvalemmer!
  • Gebruik alleen naaldcontainers met:
    • het UNUnited Nations-keurmerk (zie afbeelding);
      logo UN-keurmerk
      Dit keurmerk geeft aan dat de container voldoet aan de eisen voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.
    • het juiste UN-nummer;
      Dit nummer geeft aan wat de inhoud van de naaldcontainer is. UN 2814 staat voor ‘infectieuze stof, gevaarlijk voor mensen’ en UN 3291 staat voor ‘ziekenhuis- of medisch afval, ongespecificeerd’;
    • een biohazardteken (zie afbeelding).
      logo biohazard
      Dit teken geeft aan dat de naaldcontainer stoffen met een infectierisico bevat (klasse 6.2).
  • Zorg dat de naaldcontainer tijdens het prikken of snijden altijd binnen handbereik staat.
  • Zorg dat het deksel van de naaldcontainer goed vast zit.
    Het deksel zit stevig vast wanneer u bij het aandrukken van de hoeken bij elke hoek een duidelijke klik heeft gehoord. Er zit dan geen speling meer in het deksel.
  • Vervang naaldcontainers wanneer ze tot de maximale vullijn vol zitten. Sluit het deksel en lever de volle naaldcontainer in volgens het protocol van uw instelling. Zet direct een nieuwe naaldcontainer neer.

Wetgeving

  • Volle naaldcontainers vallen in de categorie ‘specifiek ziekenhuisafval’. Aan de afvoer van ziekenhuisafval zijn bij wet eisen gesteld (zie hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer). Zo mag u uw containers alleen inleveren bij inzamelaars die een zogeheten VIHB nummer hebben. Op www.niwo.nl kunt u een lijst met goedgekeurde inzamelaars vinden*.

* Zoek hiervoor op ‘VIHB-lijst’ en klik vervolgens op ‘Raadplegen VIHB-lijst (bedrijfsafval en gevaarlijk afval)’

Tips

  • Maak met uw apotheek afspraken over het inleveren van volle naaldcontainers.

4.4 Prik-, snij-, bijt- en spataccidenten

Ook wanneer u zich bij de omgang met scherp afval houdt aan de eisen in de vorige paragraaf, kunnen er in uw instelling prik-, snij-, bijt- en spataccidenten plaatsvinden. Hier spreekt men van als het bloed of de slijmvliezen van een medewerker of cliënt in contact komt met bloed, wondvocht of de slijmvliezen van een ander. Bij zo’n accident kunnen ziekteverwekkers word overgedragen, zoals het hepatitis B- of C-virus en hivhumaan immunodeficientievirus. Bij een bijtaccident lopen zowel de bijter als de degene die gebeten is het risico om besmet te worden door de ander.

Door een protocol voor prik-, snij-, bijt- en spataccidenten dat bekend is bij de medewerkers, verkleint u de kans dat medewerkers of cliënten bij zo’n accident een infectieziekte oplopen.

Hygiënenormen

  • Ontwikkel een protocol voor prik-, snij-, bijt- en spataccidenten en stel uw medewerkers hiervan op de hoogte. In dit protocol moet in ieder geval het volgende staan:
  • Bij bloed-bloed- of bloed-slijmvliescontact (bijvoorbeeld wanneer bloed in het oog of de mond is gespat) moeten zo snel mogelijk de volgende stappen worden genomen:
    • Laat een wondje goed doorbloeden.
    • Spoel het wondje of het slijmvlies met water of fysiologisch zout.
    • Ontsmet een wondje (slijmvliezen niet!) met een wond desinfecterend middel voorzien van een RVGRegister Verpakte Geneesmiddelen-nummer (bijvoorbeeld Betadine of Sterilon).
    • Dek het wondje zo nodig af.
    • Neem direct hierna contact op met de instantie die volgens uw lokale protocol het accident moet behandelen. De deskundige maakt vervolgens een inschatting van de risico's en bespreekt het te volgen beleid.
  • Bij melding wordt een risico-inschatting gemaakt en worden eventuele vervolgstappen bepaald. Noteer hiervoor de volgende gegevens:
    • De personen die bij het accident zijn betrokken.
    • Het type verwonding (bijv. prik- of bijtwond).
    • Het materiaal waarmee iemand verwond is (het type naald in het geval van een prikaccident).

Vaccinatie van medewerkers tegen hepatitis B

Op basis van de Arbowet is de werkgever verplicht om personeel te beschermen tegen een infectie met hepatitis B, bijvoorbeeld door het aanbieden van vaccinatie. Dit valt echter buiten de reikwijdte van deze richtlijn. Maar zie voor meer informatie onder andere het Arbobesluit, art. 4.85 en www.kiza.beroepsziekte.nl.

4.5 Een infectieziekte in uw instelling

Ook wanneer u goede hygiënemaatregelen instelt, kan het voorkomen dat cliënten of medewerkers besmet raken met een infectieziekte. In sommige gevallen moet u dit melden bij de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst. De eisen hieraan vindt u onder het kopje ‘Meldingsplicht’. Onder het kopje ‘Medewerkers met infectieziekten’ vindt u maatregelen om de kans te verkleinen dat medewerkers met een infectieziekte cliënten besmetten. Tot slot vindt u onder ‘Bijzonder resistente micro-organismen (BRMObijzonder resistente micro-organismen)’ informatie over specifieke maatregelen die u moet nemen in het geval van het voorkomen van een cliënt met een BRMO-besmetting.

Tips

  • Breng infectiepreventie onder bij de medewerkers die verantwoordelijk zijn voor kwaliteit en veiligheid. Zij kunnen onderstaande informatie vertalen naar protocollen en werkinstructies.

Meldingsplicht

Cliënten in de gehandicaptenzorg zijn vaak vatbaarder voor infectieziekten dan de gemiddelde burger. Daarom geldt voor instellingen voor gehandicaptenzorg een meldingsplicht voor infectieziekten.

Wetgeving

  • Op grond van de Wet publieke gezondheid, artikel 26, is het hoofd van een instelling waar voor infectieziekten kwetsbare groepen een of meer dagdelen per etmaal in gemeenschappelijke ruimten verblijven of samenkomen, wettelijk verplicht om de GGD op de hoogte te stellen van een ongewoon aantal zieken.

In het LCI-draaiboek Wet publieke gezondheid, Artikel 26 meldingen instellingen is omschreven welke infectieziekten gemeld moeten worden, en vanaf hoeveel gevallen deze meldingsplicht ingaat.

Hygiënenormen

  • Meld infectieziekten volgens de regels omschreven in het LCI-draaiboek Wet publieke gezondheid, Artikel 26 meldingen instellingen. Zorg dat duidelijk is wie de melding doet.
  • Om een infectieziekte zo goed mogelijk te bestrijden heeft de GGD zo veel mogelijk informatie nodig. Houd deze gegevens bij.
    Wanneer en hoe werd de eerste cliënt of medewerker ziek, wat zijn de klachten, is er een diagnose gesteld (zo ja: door wie en hoe?), zijn er nog meer cliënten of medewerkers ziek geworden (en zo ja, wanneer?), is er spontaan herstel?
  • Bepaal samen met de behandelend arts en deskundigen van de GGD welke maatregelen u moet nemen.
    In de meeste gevallen hoeft u bij gezamenlijke activiteiten geen cliënten te weren omdat besmetting vaak al vóór de diagnose heeft plaatsgevonden.

Tips

  • Voor vragen en advies over (een uitbraak van) een infectieziekte, of als u twijfelt of u of een ander een besmettelijke ziekte heeft (zoals bijvoorbeeld tuberculose), kunt u contact opnemen met uw GGD.

Maatregelen bij besmetting

Medewerkers met een infectieziekte kunnen cliënten besmetten. Daarom moeten medewerkers zich direct bij een bedrijfsarts of afdelingshoofd melden wanneer zij een infectie hebben. Er wordt dan onderzocht of ze vervangende werkzaamheden moeten uitvoeren of tijdelijk moeten stoppen met werken.

Hygiënenormen

  • Stimuleer medewerkers de volgende symptomen direct te melden bij de bedrijfsarts of afdelingshoofd:
    • infecties aan de handen;
    • een luchtweginfectie;
    • huidaandoeningen;
    • steenpuisten;
    • ontstekingen aan ogen (conjunctivitis);
    • geelzucht;
    • acute of aanhoudende diarree en/of braken;
    • na opname of werken in een buitenlands ziekenhuis (i.v.m. een verhoogd risico op MRSAMethicillin-resistant Staphylococcus aureus).

MRSA

MRSA (Methicilline-Resistente Staphylococcus Aureus) is een bacterie die ongevoelig is voor veel soorten antibiotica. De bacterie wordt steeds vaker gevonden bij cliënten en medewerkers in zorginstellingen. MRSA is vooral gevaarlijk voor mensen met een sterk verminderde weerstand, zoals cliënten in een verpleeghuis of woonzorgcentrum. De bacterie kan infecties veroorzaken die moeilijk te behandelen zijn. Gezonde mensen ondervinden meestal geen last van de bacterie. Maar als drager van de bacterie, kunnen zij wel weer andere mensen besmetten.

MRSA wordt vooral overgedragen via de handen, maar kan ook worden verspreid via stofdeeltjes en huidschilfers. Om verspreiding van de bacterie in uw instelling te voorkomen, moet bij cliënten die besmet zijn met MRSA, uitgebreide contactisolatie worden toegepast tijdens:

  • de verzorging van de cliënt;
  • de schoonmaak van de kamer en het sanitair;
  • het opmaken en afhalen van het bed.

Buiten deze momenten is uitgebreide contactisolatie niet nodig. De cliënt mag dus gewoon deelnemen aan activiteiten. Wel is het belangrijk dat de cliënt zijn of haar handen goed wast of desinfecteert.

Hygiënenormen

  • Verzorg een cliënt die besmet is met MRSA op een eenpersoonskamer met eigen sanitaire voorzieningen.
  • Leg cliënten met MRSA uit wanneer en hoe ze handhygiëne moeten toepassen.
  • Laat medewerkers met psoriasis of eczeem geen cliënten met MRSA verzorgen.
    Mensen met deze huidafwijkingen raken sneller gekoloniseerd door de bacterie en zijn moeilijker te behandelen.
Persoonlijke hygiëne en beschermingsmaatregelen

Een goede persoonlijke hygiëne voorkomt dat u besmet raakt met MRSA. Naast de algemene maatregelen in paragraaf 2.1 geldt het volgende:

Hygiënenormen

  • Draag handschoenen, een wegwerpschort met lange mouwen en een chirurgisch mondneusmasker met neusklem tijdens:
    • de verzorging van de cliënt;
      Onder verzorging valt ook het tillen en rechtop zetten van de cliënt en het opschudden van kussens.
    • de schoonmaak van de kamer en het sanitair van de cliënt;
    • het opmaken en afhalen van het bed.
  • Trek bovengenoemde persoonlijke beschermingsmiddelen aan voordat u de kamer binnengaat.
    Zo voorkomt u besmetting van uw (werk)kleding.
  • Druk de neusklem van het mondneusmasker goed aan op uw neus.
    Zo voorkomt u dat bacteriën via de rand van het masker uw neus kunnen besmetten.
  • Trek na bovenstaande handelingen bij de cliënt de persoonlijke beschermingsmiddelen uit. Doe dit in de kamer van de cliënt en volg hierbij de volgende stappen in onderstaande volgorde:
    • Trek de handschoenen uit en gooi ze weg.
    • Desinfecteer de handen met handdesinfectans of was ze met water en zeep.
    • Trek het schort uit en gooi deze weg.
    • Doe het mondneusmasker af. Houd hierbij alleen de zijkant van het masker vast om besmetting van de handen te voorkomen. Gooi het masker direct weg.
      Om de persoonlijke beschermingsmiddelen weg te gooien, moet er een pedaalemmer of afvalbak zonder deksel, met afvalzak, aanwezig zijn in de kamer van de cliënt!
  • Desinfecteer of was de handen direct na het verlaten van de kamer opnieuw.
  • Laat iedereen direct na het verlaten van de kamer de handen desinfecteren of wassen.
    Wanneer de cliënt niet verzorgd wordt, de kamer niet wordt schoongemaakt en het bed niet wordt opgemaakt of afgehaald, hoeven mensen die de kamer binnenkomen (bijvoorbeeld voedingsassistenten, de technische dienst en familie) geen persoonlijke beschermingsmiddelen aan.

Uitgebreide informatie over hoe om te gaan met MRSA in een verpleeghuis vindt u ook in de WIP-richtlijn MRSA voor thuiszorg, verpleeghuis en verzorgingshuis. 

Norovirus

Norovirussen zijn zeer besmettelijke virussen die een ontsteking van het slijmvlies van het maag-darmkanaal veroorzaken, waardoor mensen symptomen krijgen als braken en diarree. In de volksmond wordt dit vaak ‘buikgriep’ genoemd. Dit virus komt veel voor, ook in verpleeghuizen en woonzorgcentra.

Het norovirus is erg besmettelijk en wordt vooral overgedragen via de zogenaamde fecaal-orale route. Dat wil zeggen dat virusdeeltjes in de ontlasting en het braaksel op de een of andere manier (meestal via de handen) in de mond terechtkomen. Dit gebeurt bijvoorbeeld als volgt: een besmet persoon wast zijn handen niet goed na een toiletbezoek. Hierdoor blijven virusdeeltjes uit de ontlasting achter op de handen. Vervolgens maakt hij voedsel klaar, waardoor de virusdeeltjes in het eten terechtkomen. Wanneer iemand anders dit voedsel vervolgens eet, kan hij of zij ook besmet raken. Het norovirus kan al enkele dagen vóór het ziek worden tot dagen erna in de ontlasting zitten.

Hygiënenormen

  • Verzorg een cliënt die besmet is met het norovirus bij voorkeur op een eenpersoonskamer. Als er meerdere cliënten ziek zijn mogen zij op een gezamenlijke kamer (cohort verpleging).
  • Zorg voor cliëntgebonden gebruik van sanitair óf zorg voor een scheiding in sanitair voor zieke cliënten en niet-zieke cliënten.
  • Pas handhygiëne toe volgens de afspraak in uw instelling.
  • Leg cliënten met het norovirus uit wanneer en hoe ze handhygiëne moeten toepassen.

Tips

  • Bekijk tijdens een uitbraak (bijvoorbeeld dagelijks bij de ochtendoverdracht) de instructiefilm ‘Norovirus, je ziet het niet maar het is er wel’, gemaakt door de GGD Rotterdam-Rijnmond. In deze film ziet u hoe het norovirus zich verspreidt en welke maatregelen er genomen kunnen worden. De film is gratis te downloaden op www.ggd.rotterdam.nl/filmnorovirus en is te zien op YouTube.
Persoonlijke hygiëne en beschermende maatregelen

Een goede persoonlijke hygiëne verkleint de kans dat u besmet raakt met het norovirus. Naast de algemene maatregelen in paragraaf 2.1 geldt het volgende:

Hygiënenormen

  • Draag een halterschort, handschoenen en een FFP1-mondneusmasker. Het FFP1-mondneusmasker draagt u bij werkzaamheden waarbij u in contact kunt komen met braaksel of diarree van een persoon die (waarschijnlijk) besmet is met het norovirus. Draag deze beschermende middelen ook bij het opmaken en afhalen van het bed.
  • Trek bovengenoemde persoonlijke beschermingsmiddelen aan voordat u de kamer binnengaat.
    Zo voorkomt u besmetting van uw (werk)kleding.
  • Zorg dat er FFP1-maskers bij de ingang van de kamer van de cliënt klaarliggen.
  • Gooi de persoonlijke beschermingsmiddelen direct na gebruik weg in een afsluitbare afvalbak, bij voorkeur met pedaal. Desinfecteer direct daarna de handen of was ze met water en zeep en droog ze af aan een papieren handdoekje.

Uitgebreide informatie over hoe om te gaan met het norovirus in een verpleeghuis vindt u ook in de WIP-richtlijn Norovirus voor verpleeghuizen, woonzorgcentra en kleinschalig wonen ouderen.

Bijzonder resistente micro-organismen (BRMO)

Resistentie van micro-organismen tegen meerdere groepen antibiotica komt wereldwijd steeds meer voor. Hierdoor moeten steeds vaker zwaardere antibiotica worden voorgeschreven, waartegen ook in toenemende mate resistentie dreigt te ontstaan. Micro-organismen die resistent zijn tegen de eerstekeuzeantibiotica of tegen meerdere groepen antibiotica worden bijzonder resistente micro-organismen (BRMO) genoemd. Voorbeelden van BRMO zijn ESBLExtended spectrum beta-lactamases-producerende Enterobacteriaceae en meticillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA).

Verspreiding van BRMO vormt een bedreiging voor zorginstellingen. Is een cliënt of medewerker besmet met een BRMO, dan is het belangrijk dat u maatregelen neemt om verdere verspreiding te voorkomen. Uiteraard is een goede basishygiëne noodzakelijk. Daarnaast zijn bij bepaalde BRMO aanvullende voorzorgsmaatregelen nodig. Een voorbeeld is het dragen van beschermende middelen. Voor extramurale zorg staan maatregelen omschreven in de LCI-richtlijn BRMO. Deze richtlijn bevat geen maatregelen voor MRSA; deze zijn beschreven de LCI-richtlijn Staphylococcus aureus-infecties. Daarnaast kunt u meer informatie vinden in de WIP-richtlijn BRMO voor verpleeghuizen, woonzorgcentra en kleinschalig wonen ouderen.

Hygiënenormen

  • Heeft een cliënt of medewerker een BRMO? Schakel dan altijd een deskundige infectiepreventie in, bijvoorbeeld van uw regionale GGD. Hij of zij kan u tegen uurtarief adviseren over de maatregelen die nodig zijn om verdere verspreiding te voorkomen.

5 Schoonmaken en desinfecteren

De informatie in dit hoofdstuk is in de eerste plaats geschreven voor instellingen die de schoonmaak en desinfectie laten uitvoeren door hun eigen medewerkers. Wanneer u een externe partij inhuurt voor het schoonmaken, kunt u onderstaande informatie gebruiken om goede afspraken te maken.

In vuil en stof kunnen ziekteverwekkers zitten. Door regelmatig schoon te maken, haalt u veel ziekteverwekkers weg. Hierdoor verkleint u de kans op ziekte.

Er is een verschil tussen schoonmaken en desinfecteren. Schoonmaken is stof en vuil verwijderen, bijvoorbeeld door te stofzuigen of te dweilen. Zo raakt u ook de meeste ziekteverwekkers in het stof of vuil kwijt. Maar om bijvoorbeeld ziekteverwekkers in bloedvlekken weg te krijgen moet u na het schoonmaken óók desinfecteren. Door te desinfecteren, doodt u zoveel mogelijk micro-organismen.

In situaties waarin u moet desinfecteren, is er een groter infectierisico dan in situaties waarin schoonmaken voldoende is. Vanwege dit verhoogde infectierisico vindt u hieronder eerst de maatregelen die gelden voor desinfecteren.

5.1 Desinfecteren

In sommige gevallen is het schoonmaken van voorwerpen en oppervlakken onvoldoende en moet er na het schoonmaken ook worden gedesinfecteerd. Desinfectie is nodig wanneer een oppervlak of voorwerp vervuild is met bloed, en bij sommige infectieziekten. Hierbij gelden de volgende algemene regels:

Hygiënenormen

  • Let op: desinfecteer alleen als er éérst is schoongemaakt. Desinfecterende middelen werken onvoldoende als iets nog vuil en stoffig is.
  • Desinfecteer een oppervlak of voorwerp als er bloed of een andere lichaamsvloeistof met zichtbare bloedsporen op zit. Dit geldt ook als het bloed er al lang op zit; ook in oud bloed kunnen ziekteverwekkers overleven.
  • Is er in uw instelling een ongewoon aantal personen met een (vermoedelijke) infectieziekte? Desinfecteer dan alleen als dit door een arts of uw GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst wordt aangeraden.
  • Draag bij het desinfecteren altijd wegwerphandschoenen en was de handen na afloop met water en zeep.
  • Desinfecteer alleen met middelen die zijn toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides. Zie ‘Toegelaten desinfecterende middelen voor oppervlakken, materialen en handen’ hieronder voor meer informatie.
  • Gebruik een desinfecterend middel altijd volgens de gebruiksaanwijzing.

Toegelaten desinfecterende middelen voor oppervlakken, materialen en handen

Wetgeving

  • De regels voor het gebruik van desinfecterende middelen staan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en het bijbehorende besluit. Kort gezegd komt het erop neer dat in Nederland alleen desinfecterende middelen op oppervlakken, materialen en handen gebruikt mogen worden waarvan is getoetst dat deze onschadelijk zijn voor mens, dier en milieu. Of een desinfecterend middel goed werkt en veilig is, wordt beoordeeld door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Naast beoordelen of een desinfecterend middel goed werkt en veilig is, stelt het Ctgb vast waarvoor het gebruikt mag worden. Een middel kan bijvoorbeeld alleen geschikt zijn voor het desinfecteren van de handen, en niet voor het desinfecteren van oppervlakken. Daarnaast zijn sommige middelen alleen effectief tegen sommige bacteriën, terwijl andere middelen ook virussen kunnen doden.

Middelen die door het Ctgb zijn toegestaan, hebben een N-nummer met 4 of 5 cijfers dat vermeld is op het etiket van het product (bijvoorbeeld: 23456 N). Ook staan de toegelaten middelen op de website van het Ctgb. Op deze website is voor elk toegelaten middel het ‘Actueel gebruiksvoorschrift’ opgenomen. In dit gebruiksvoorschrift staat waarvoor het middel gebruikt mag worden en tegen welke micro-organismen het effectief is. Ook staat er hoe u het middel moet gebruiken. Hoe u toegelaten middelen op de Ctgb-website kunt vinden, staat in paragraaf 8.2.

Hygiënenormen

  • Gebruik alleen een desinfecterend middel dat door het Ctgb is toegestaan. Controleer in het actueel gebruiksvoorschrift dat het middel:
    • geschikt is voor het ‘materiaal’ (bijv. handen, harde oppervlakken) dat u wilt desinfecteren; en
    • effectief is tegen de micro-organismen die u wilt doden.
      Wilt u een oppervlak desinfecteren dat is verontreinigd met bloed? Zorg dan dat uw middel effectief is tegen virussen. Desinfecteert u vanwege een (uitbraak van een) infectieziekte? Bespreek dan met een arts of deskundige infectiepreventie of uw desinfectiemiddel geschikt is tegen de (mogelijke) ziekteverwekker.

5.2 Schoonmaken

Goed schoonmaken lijkt een kwestie van gezond verstand, maar toch gaat er in de praktijk vaak veel mis. Als er verkeerd wordt schoongemaakt, kunnen er ziekteverwekkers achterblijven of zelfs verspreid worden. Let voor een goed schoonmaakresultaat op de volgende punten:

Hygiënenormen

  • Geef iedereen die schoonmaakt instructie over de juiste manier van schoonmaken en de middelen die ze hiervoor moeten gebruiken.
  • Maak alleen schoon met middelen die ook daadwerkelijk als schoonmaakmiddel worden verkocht, zoals een allesreiniger. Gebruik de middelen volgens de instructies op de verpakking.
  • Bewaar de schoonmaakmiddelen in de originele verpakking en zorg ervoor dat het etiket leesbaar blijft.
  • Gebruik dagelijks schone materialen.
  • Gebruik verschillende materialen voor sanitaire en andere ruimten.
  • Vervang schoonmaakmaterialen en sopwater als ze zichtbaar vuil zijn.
  • Laat natte schoonmaakmaterialen na gebruik nooit in emmers achter, om te voorkomen dat ziekteverwekkers uitgroeien.
  • Was schoonmaakmaterialen zoals moppen en doeken na gebruik op 60°C. Laat ze daarna drogen, aan de lucht of in een wasdroger. Of gebruik wegwerpmaterialen en gooi deze direct na gebruik weg.
  • Vervang het filter van de stofzuiger zo vaak als de fabrikant voorschrijft.
  • Berg schoonmaakmaterialen en middelen op in een speciaal daarvoor bestemde opslagruimte.
  • Draag handschoenen bij het schoonmaken van voorwerpen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen op (kunnen) zitten. Kan uw (werk)kleding bij het schoonmaken in contact komen met lichaamsvloeistoffen? Draag dan ook een wegwerpschort. Gooi de handschoenen en het schort weg na het schoonmaken.

6 Bouw en inrichting

Dit hoofdstuk is van toepassing op intramurale instellingen. Voert uw organisatie zorgtaken uit bij de cliënt thuis, dan kunt u onderstaande maatregelen als tips beschouwen. Aan de hand van dit hoofdstuk kunt u bekijken of er nog aanpassingen aan de woning van de cliënt gewenst zijn.

In dit hoofdstuk vindt u de eisen aan de bouw en inrichting die nodig zijn om een goede persoonlijke hygiëne, schoonmaak en hygiënische omgang met materialen, producten en afval mogelijk te maken. Voor elk type ruimte in uw instelling vindt u hieronder een paragraaf met de hygiënemaatregelen. De maatregelen zijn ingedeeld in bouwtechnische eisen en inrichtingseisen. Aan de inrichtingseisen kan snel worden voldaan; voor bouwtechnische veranderingen kan een meerjarenplan nodig zijn.

Wetgeving

  • Er zijn aanvullende bouwvoorschriften vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Bijvoorbeeld eisen aan het benodigde aantal toiletten. De specifieke eisen verschillen per type bouw (bestaande bouw of nieuwbouw); deze details vallen buiten de reikwijdte van deze richtlijn. Het Bouwbesluit 2012 vindt u op wetten.overheid.nl.

6.1 Algemene eisen

Alle ruimtes binnen uw instelling moeten goed schoon te maken en te houden zijn. Houd u aan de algemene eisen tijdens de bouw en inrichting:

Hygiënenormen

Bouwtechnisch

  • Leg in de gemeenschappelijke ruimtes gladde vloeren die goed schoon te maken zijn.

Tips

Bouwtechnisch

  • Dicht gaten en kieren om te voorkomen dat plaagdieren het pand binnen kunnen komen.

6.2 Keuken

Een gemeenschappelijke keuken kan variëren van een kleine ruimte met koelkast waar eten (koud) wordt klaargemaakt tot een grote keuken waar (warme) maaltijden bereid worden.

Hygiënenormen

Bouwtechnisch

  • Zorg voor een vloer die goed schoon te maken is.
  • Zorg dat de wand boven het aanrechtblad glad is tot een hoogte waar water en etenswaren tegenaan spatten. 
    Zo is de wand makkelijk schoon te maken.
  • Zorg dat het aanrechtblad en andere werkoppervlakken glad, onbeschadigd en goed schoon te maken zijn.

Inrichting

  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en handdoekjes. Gebruik bij voorkeur wegwerphanddoekjes. Is dat niet mogelijk? Gebruik dan katoenen handdoeken en vervang deze minimaal elk dagdeel.
  • Plaats een afvalemmer die men niet met de handen hoeft te openen (zoals een emmer met voetbediening). Voorzie de afvalemmer van een plastic zak.

Tips

  • Voorkom dat er instructies en aankondigingen op kastjes hangen; deze belemmeren een goede schoonmaak.

6.3 Sanitaire ruimten

Toiletten en postoelen

Iedereen die van het toilet gebruikmaakt, moet de handen kunnen wassen. Daarnaast moet de toiletruimte goed schoon te maken zijn. Dat gaat alleen als muren en vloeren glad zijn en er geen vocht in kan doordringen. Vocht is namelijk een goede voedingsbodem voor ziekteverwekkers.

Hygiënenormen

  • Iedereen die van het toilet of een postoel gebruikmaakt, moet de handen kunnen wassen. Daarnaast moet de toiletruimte goed schoon te maken zijn. Dat gaat alleen als muren en vloeren glad zijn en er geen vocht in kan doordringen.
    Vocht is namelijk een goede voedingsbodem voor ziekteverwekkers.
  • Zorg dat de vloer en de wanden tot een hoogte waar urine tegenaan kan spatten, geen vocht kunnen opnemen en gemakkelijk schoon te maken zijn.
  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser, wegwerphanddoekjes en een afvalbak.
  • Zorg dat het toilet een deksel heeft.
  • Zorg dat de postoel is gemaakt van glad, niet-absorberend materiaal dat goed schoon te maken is.
  • Zorg dat het toilet of de postoel is gemaakt van materialen die bestand zijn tegen reinigings- en desinfectiemiddelen.
  • Vervang kapotte toiletten of postoelen direct.
  • Plaats in gemeenschappelijke (dames)toiletten een afvalemmer voor maandverband en tampons, of schaf hier een speciale container voor aan.
    Hang bij voorkeur ook plastic of papieren zakjes op waar men het maandverband of de tampon in kan doen.

Tips

  • Plaats een vlakspoeler (een toilet met een horizontaal plateau), zodat de ontlasting gecontroleerd kan worden.

Douche/badkamer

Sommige cliënten worden binnen de instelling ook verschoond. Dit kan in de badkamer of in een aparte ruimte plaatsvinden. Omdat medewerkers en cliënten in contact (kunnen) komen met ontlasting en urine moet er extra op de hygiëne-eisen worden gelet:

Hygiënenormen

Inrichting

  • Zorg dat de bekleding van een badbrancard onbeschadigd en goed schoon te maken is.
  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en handdoekjes. Gebruik bij voorkeur wegwerphanddoekjes. Is dat niet mogelijk? Gebruik dan katoenen handdoeken en vervang deze minimaal elk dagdeel.
  • Zorg dat de vloer en de wanden tot een hoogte waar water tegenaan spat, geen vocht kunnen opnemen en gemakkelijk schoon te maken zijn. Het materiaal op de rest van de muren en het plafond moet goed bestand zijn tegen water en waterdamp.
  • Zorg voor een goede ventilatie.
  • Plaats een luieremmer of afvalbak met voetpedaal in de buurt van de verschoonplek. Voorzie de afvalemmer van een plastic zak.

Tips

  • Spoel een douchegordijn en douchemat na het douchen af en hang het uit. Hiermee verkleint u de kans op aanslag van schimmel en andere micro-organismen op het gordijn.

Spoelruimte

In de spoelruimte worden volle po’s en urinalen in de pospoeler gezet. Vaak worden in dezelfde ruimte ook de schone po’s en urinalen bewaard. Houdt u aan de volgende eisen om besmetting van de vuile naar de schone po’s en urinalen te voorkomen:

Hygiënenormen

  • Houd schone en vuile po’s en urinalen gescheiden.
  • Plaats een gebruikte po/urinaal/maatbeker zo snel als mogelijk in de desbetreffende houder van de pospoeler, sluit de deur en start direct het programma. Pas aansluitend handhygiëne toe.
  • Leeg po’s/urinalen/maatbekers altijd machinaal in de pospoeler (leeg deze dus niet handmatig, ook niet in het toilet).
  • Plaats de afgesloten po op een daartoe aangewezen plek/opbergrek voor vuile po’s als de pospoeler in gebruik is.
  • Dek een gebruikte po/urinaal af tot aan invoer in de pospoeler.

Tips

6.4 Separeercel

De separeercel is bedoeld voor cliënten die een gevaar zijn voor zichzelf of voor hun omgeving. Het is een kale ruimte met een vlakke vloer, een camera in het plafond en een matras. Er is meestal geen toilet of drinkwatervoorziening in deze ruimte, maar er kan eventueel wel een plastic waterfles en een po aanwezig zijn.

Hygiënenormen

Bouwtechnisch

  • Maak wanden en vloeren van een glad, niet-absorberend materiaal dat goed schoon te maken is.

Inrichting

  • Zorg voor een matras met afwasbare matrashoes.
  • Zorg voor fixatiemateriaal dat goed schoon te maken is.

6.5 Snoezelruimte

In een snoezelruimte kunnen cliënten ontspannen. Dit is een speciale plek waar de zintuigen van cliënten geprikkeld worden via geluid, licht en andere materialen.

Tips

  • Zorg dat alle materialen in deze ruimte onbeschadigd en goed schoon te maken zijn.

6.6 Kleine zwembaden

Bij warm weer kunnen er in de zomer tijdelijk kleine zwembaden worden opgezet. Hiermee worden kleine badjes bedoeld die kort blijven staan.

Heeft u een bad dat langer dan een maand blijft staan, dieper is dan 0,5 meter en groter dan 2 m²? Dan valt uw bad onder de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (WhvbzWet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden) en moet u dit melden bij uw Provincie. De regels die dan gelden, vallen buiten de reikwijdte van deze richtlijn.

Let bij tijdelijke, kleine zwembaden op de volgende hygiëne-eisen:

Hygiënenormen

Bouwtechnish

  • Zorg dat de wanden en bodem van dit zwembadje van glad materiaal zijn gemaakt, zodat het goed schoon te maken is.

Inrichting

  • Vul het bad met drinkwater en ververs dit minimaal dagelijks.
  • Zorg dat badmaterialen (zoals trapjes en speelgoed) van een materiaal zijn gemaakt dat goed schoon te maken is.
  • Zorg dat er geen (huis)dieren in het badje komen.

Tips

  • Vult u het zwembadje met water uit de tuinslang? Laat het eerste water dat uit de tuinslang stroomt dan eerst even weglopen; dit kan vervuild zijn.
  • Zorg dat er geen bladeren, gras en vuil in het badje kunnen komen. Gebeurt dit toch? Verwijder ze dan, bijvoorbeeld met een zeef.

6.7 Binnenmilieu

Het binnenmilieu wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Bijvoorbeeld de temperatuur, de luchtvochtigheid en de hoeveelheid zuurstof in de ruimte. Een gezond binnenmilieu met droge, zuurstofrijke lucht vermindert de kans op hoofdpijn, concentratieproblemen, slaperigheid, allergieën, infecties en andere lichamelijke klachten. Bovendien groeien huisstofmijten en schimmels minder snel in een droge omgeving.

In deze paragraaf vindt u maatregelen die bijdragen aan een gezond binnenmilieu in uw instelling.

Tips

  • Twijfelt u over de kwaliteit van het binnenmilieu omdat er bijvoorbeeld schimmelvorming zichtbaar is, of hebben mensen klachten die veroorzaakt kunnen worden door een ongezond binnenmilieu? Dan kan de afdeling medische milieukunde of milieu & gezondheid van uw GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst u advies geven (tegen uurtarief).

Luchten en ventileren

De binnenlucht raakt door aanwezigheid van mensen, dieren en bepaalde materialen vervuild met vocht, geurstoffen en andere vervuilingen zoals ziekteverwekkers.

Bij ventileren gaat vervuilde lucht naar buiten en komt frisse lucht voortdurend naar binnen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door ventilatieroosters open te houden. Of misschien heeft uw instelling mechanische ventilatie. Hierbij wordt actief lucht weggezogen uit het pand, waardoor verse buitenlucht via ventilatieroosters naar binnen stroomt. Een mechanisch ventilatiesysteem werkt alleen goed als de roosters, ventielen en filters regelmatig worden schoongemaakt (of in het geval van filters van grotere systemen: worden vervangen) en de motor van het ventilatiesysteem jaarlijks en de kanalen vijfjaarlijks worden onderhouden (zie het schoonmaakschema in paragraaf 7.1).

Luchten is het korte tijd (ongeveer tien minuten) openzetten van alle ramen en deuren in de ruimte. Hierdoor worden vervuilingen en vocht in de lucht snel afgevoerd naar buiten. Luchten is vooral belangrijk tijdens en na:

  • drogen van de was;
  • koken;
  • douchen;
  • een ongewoon groot aantal mensen in uw instelling;
  • klussen in het pand (bijvoorbeeld zagen en verven);
  • roken in het pand.

Luchten is geen vervanging voor ventilatie, beide zijn belangrijk.

Hygiënenormen

  • Zorg voor een goed werkend ventilatiesysteem. Ventileer alle ruimtes 24 uur per dag.
  • Lucht minstens één keer per dag alle ruimtes. Doe dit bij voorkeur ook tijdens het drogen van de was, koken, douchen, klussen of als er een ongewoon groot aantal mensen in het pand is.
  • Heeft u een mechanisch ventilatiesysteem? Voer dan onderhoud uit volgens de aanwijzingen in het schoonmaakschema ‘Algemeen’ in paragraaf 7.1.

Tips

  • In het Bouwbesluit 2012 vindt u de eisen aan ventilatievoorschriften. Maar omdat deze eisen een minimum zijn, is het aan te raden om meer te ventileren dan dit minimumniveau.

Temperatuur- en vochtbalans

Naast luchten en ventileren is de temperatuur in uw pand van invloed op de kwaliteit van het binnenmilieu. Een temperatuur van 15 °C of lager bevordert condensvorming, waardoor schimmels en huisstofmijten makkelijker groeien.

Hygiënenormen

  • Stel de temperatuur overdag in algemene ruimtes op ongeveer 20 °C, en in slaapkamers op 17 °C.
  • Zorg dat de temperatuur niet lager dan 15 °C wordt.

6.8 Legionellapreventie

In waterinstallaties kan de legionellabacterie groeien. Deze bacterie is alleen gevaarlijk bij inademing. Dit risico ontstaat als water wordt verneveld, bijvoorbeeld bij een douche, sierfontein of whirlpool. In de kleine waterdruppeltjes (aerosolen) die hierbij vrijkomen, kan de legionellabacterie zitten. Bij inademing kan deze bacterie legionella-longontsteking veroorzaken. Maar dit komt niet vaak voor en meestal alleen bij mensen met een verminderde weerstand.

Alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen legionellabacteriën zich vermeerderen. Risicofactoren hiervoor zijn:

  • een watertemperatuur tussen de 20 en 50 °C. Bij deze temperatuur kunnen de bacteriën zich vermenigvuldigen;
  • de aanwezigheid van biofilm op bijvoorbeeld de binnenwand van leidingen en baden. Een biofilm is een slijmlaagje dat onder andere bestaat uit protozoa (eencellige organismen). Legionellabacteriën vermeerderen zich in deze protozoa;
  • plekken waar water (tijdelijk) stil kan staan of waar hetzelfde water meerdere malen langs komt. Op deze plaatsen vormt biofilm zich sneller.

Legionellapreventie richt zich op het beheersen of verwijderen van bovenstaande risicofactoren. Factoren die hierbij helpen zijn:

  • watertemperaturen onder de 20 °C, of tussen 20 en 25 °C als het water goed kan doorstromen en niet langer dan een week stilstaat;
  • watertemperaturen boven de 50 °C;
  • een goede doorstroming en een korte verblijftijd van het water.

Wetgeving

  • Er bestaat verschillende regelgeving op het gebied van legionellapreventie. Voor instellingen binnen de gezondheidzorg zijn eisen aan legionellapreventie vastgelegd in:
    • Hoofdstuk 4 van het Drinkwaterbesluit en de bijbehorende ‘Regeling legionellapreventie in drinkwater en warm tapwater’. Deze regelgeving is alleen van toepassing op drinkwaterinstallaties van prioritaire locaties. Dit zijn bijvoorbeeld ziekenhuizen, zwembaden, hotels en zorginstellingen met overnachting waar water verneveld wordt, zoals verpleeghuizen, herstellingsoorden en verzorgingstehuizen. Legionellapreventie is alleen verplicht voor centra voor dagopvang (zoals medische kinderdagverblijven) die hun drinkwaterinstallatie delen met een prioritaire drinkwaterinstallatie. Voor woningen die eigendom zijn van een zorginstelling (zogenaamde zorgwoningen) en een eigen watermeter met een eenvoudige drinkwaterinstallatie hebben, is legionellapreventie niet verplicht. Zie het Drinkwaterbesluit, hoofdstuk 4, artikel 35 en de bijbehorende regeling in artikel 2 voor een overzicht van alle locaties waar legionellapreventie verplicht is.
    • Het Besluit Hygiëne en Veiligheid van Badinrichtingen en Zwemgelegenheden (BhvbzBesluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden), art. 2a-2d. Dit besluit is van toepassing als uw inrichting valt onder het Bhvbz (badinrichting) en er vernevelende (zwem)baden zijn met een wateroppervlak van minimaal 2 m² en dieper dan 50 cm.
    • Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim, ook wel ‘Activiteitenbesluit’ genoemd), art. 3.16a en 3.16b, en de Activiteitenregeling, art. 3.16a. Deze artikelen zijn van toepassing op natte koeltorens.
    • De Arbowet, art. 5, en het Arbobesluit, art. 4.85, 4.87a en 4.87b. Hieruit volgt dat medewerkers zo min mogelijk blootgesteld mogen worden aan waterinstallaties waarmee legionellabacteriën kunnen worden verspreid. Deze Arbowetgeving valt buiten het bereik van deze richtlijn, en wordt hier niet verder toegelicht.

Legionellapreventie volgens Drinkwaterbesluit, Bhvbz en Activiteitenbesluit

Het Drinkwaterbesluit, het Bhvbz en het Activiteitenbesluit hebben als doel de groei van legionellabacteriën en verspreiding via aerosolen te voorkomen. Alhoewel specifieke regelgeving per besluit verschilt, zijn er ook belangrijke overeenkomsten:

Hygiënenormen

  • Laat voor uw waterinstallatie(s) een legionellarisicoanalyse uitvoeren wanneer u onder een van deze besluiten valt.
    Met deze analyse wordt bepaald waar verneveling optreedt in de waterinstallatie, en of er factoren zijn waardoor legionellabacteriën kunnen groeien. Als legionellagroei mogelijk is, moet worden vermeld welke risicofactoren kunnen worden weggenomen door aanpassingen aan uw installatie (‘correctieve maatregelen’ genoemd) en welke factoren moeten worden beheerst.
  • Stel op basis van de risicoanalyse een beheersplan op. Hierin staan de maatregelen die u moet nemen om de groei van de bacteriën te beheersen, en welke controles u moet uitvoeren.
  • Laat de risicoanalyse en het beheersplan voor uw drinkwaterinstallatie opstellen door een BRLbeoordelingsrichtlijn 6010-gecertificeerd bedrijf. Voor de overige installaties is dit niet verplicht, maar wel aanbevolen.
  • Voer de maatregelen en controles uit het beheersplan uit.
  • Houd een logboek bij van alle maatregelen en controles.
  • Bovenstaande eisen zijn een samenvatting van de overeenkomsten in regelgeving. Ga in de betreffende regelgeving na aan welke aanvullende eisen u moet voldoen.

7 Schoonmaakschema’s en overige instructies

In dit hoofdstuk vindt u schoonmaakschema’s en instructies, bijvoorbeeld voor handen wassen en handen desinfecteren. De schoonmaakschema’s en de instructies handhygiëne kunt u downloaden en uitprinten. U kunt ze dan direct ophangen, bijvoorbeeld bij wastafels of in een schoonmaakkast.

7.1 Schoonmaakschema's

In de schoonmaakschema’s staat hoe vaak en op welke manier verschillende oppervlakken en materialen moeten worden schoongemaakt. Het eerste schema is een algemeen schema dat geldt voor alle ruimtes. De volgende schema’s richten zich op specifieke ruimtes. Ook is er een schema toegevoegd voor de omgang met schoonmaakmaterialen.

U mag natuurlijk vaker schoonmaken dan in deze schema’s is aangegeven. Daarnaast moet u extra schoonmaken wanneer een oppervlak of materiaal zichtbaar vervuild is. Minder vaak of op een andere manier schoonmaken, mag alleen met een goede reden (bijvoorbeeld omdat een ruimte bijna nooit wordt gebruikt).

U kunt de schoonmaakschema’s hier downloaden als Word-document. De schema’s zijn zoveel mogelijk op losse pagina’s geplaatst, zodat u ze eenvoudig kunt uitprinten en ophangen. Tevens kunt u de schema’s aanpassen aan de eigen situatie. Bespreek binnen uw eigen organisatie de schoonmaakschema’s en werk ze in nader detail uit tot een eigen werkinstructie.

7.2 Instructies handhygiëne

Bacteriën en virussen zijn overal, op deurknoppen, tafels, telefoons en andere voorwerpen, apparaten en materialen. Sommigen kunnen ziekteverwekkend zijn. Een van de meest voorkomende manieren waarop ziekteverwekkers worden verspreid, is via de handen. Door regelmatig handhygiëne toe te passen wordt de kans dat u of iemand uit uw omgeving ziek wordt klein.

Pas voor een goede handhygiëne onderstaande regels toe:

  • Was uw handen met water en vloeibare zeep als ze zichtbaar vuil zijn. Gebruik dan geen desinfecterend middel (handalcohol); door zichtbaar vuil vermindert namelijk de werking.
  • Zijn uw handen niet zichtbaar vuil? Dan mag u kiezen of u uw handen wast óf desinfecteert. Pas de manieren echter niet allebei toe; de huid droogt dan te veel uit en beschadigt sneller. De handen worden voldoende schoon als u ze alleen wast of alleen desinfecteert.
Instructies handhygiëne

Het schema Instructies handhygiëne kunt u hier downloaden als pdfPortable Document Format.

7.3 Microvezeldoekjes

Tegenwoordig wordt er steeds meer gebruik gemaakt van microvezeldoekjes. Doordat de vezels in deze doekjes zijn gesplitst, hebben microvezeldoekjes een veel groter oppervlak dan katoenen schoonmaakdoekjes. Zo kunnen microvezeldoekjes vuil en ziekteverwekkers veel beter opnemen dan gewone schoonmaakdoekjes. Bovendien raspen de vezels het vuil los, waardoor u vlekken gemakkelijker verwijdert. U kunt microvezeldoekjes zowel droog als vochtig gebruiken.

Voor een optimaal resultaat gaat u als volgt te werk:

  • Gebruik de microvezeldoekjes altijd zonder schoonmaakmiddelen. Wijk hier alleen van af als de leverancier dit aangeeft.
  • Wilt u de doekjes vochtig gebruiken? Maak ze dan vlak voor gebruik licht vochtig onder de kraan of met het middel dat de leverancier voorschrijft. Leg de doekjes niet in een emmer water. Hierdoor nemen ze direct hun maximale hoeveelheid aan vocht op en verliezen ze hun reinigende werking.
  • Vouw de doekjes voor gebruik een aantal keer dubbel, zodat er meerdere vlakken ontstaan. Gebruik een nieuw, schoon vlak zodra de werking minder wordt.
  • Stop vuile microvezeldoekjes direct in de was; spoel ze tussentijds niet uit. Microvezeldoekjes trekken vuil zó goed aan dat handmatig uitspoelen geen zin heeft. Alleen in de wasmachine wordt een vuil doekje weer schoon.
  • Was de doekjes volgens de voorschriften van de fabrikant.
  • Droog gewassen microvezeldoekjes volgens de gebruiksinstructie. Let op: niet alle microvezeldoekjes kunnen in de droogtrommel. Berg de doekjes nooit vochtig op; hierdoor kunnen ziekteverwekkers uitgroeien.

8 Extra informatie

8.1 Begrippenlijst

Binnenmilieu

Het binnenmilieu is het milieu in gebouwen. Het binnenmilieu wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Bijvoorbeeld de temperatuur, de luchtvochtigheid en de hoeveelheid zuurstof in de ruimte.

Biofilm

Een laag micro-organismen omgeven door zelfgeproduceerd slijm. Biofilm is vastgehecht aan een oppervlak of drijft op een wateroppervlak. Legionellabacteriën vermeerderen zich in bepaalde eencellige organismen, protozoa genaamd, die in de biofilm leven.

CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het Ctgb beoordeelt op basis van Europese wet- en regelgeving of desinfecterende middelen toegelaten worden op de Nederlandse markt.

Desinfecteren

Desinfecteren is het doden van ziekteverwekkers met een speciaal daarvoor bestemd desinfecterend middel.

Fifo-systeem

First in, first out-systeem. Dit betekent dat materialen die het eerst geleverd zijn, ook het eerst gebruikt worden. Hiervoor moet de nieuwe voorraad achteraan geplaatst worden en de oude voorraad naar voren geschoven.

HACCP

Hazard Analysis Critical Control Points. HACCP is een systematische aanpak met als doel het identificeren, evalueren en controleren van de gevaren rondom voedselveiligheid gevaren.

Handdesinfecterend middel

Dit middel is bedoeld voor het schoonmaken van handen en bevat een vloeistof die ziekteverwekkers doodt. Als handen niet zichtbaar vuil of plakkerig zijn, kan een handdesinfecterend middel worden gebruikt in plaats van water en zeep.

Legionellabeheersplan

In een legionellabeheersplan staan de maatregelen en controles die nodig zijn om de groei van legionellabacteriën te beheersen.

Legionellarisicoanalyse

Een legionellarisicoanalyse laat zien of legionellabacteriën kunnen groeien en vernevelen in de waterinstallatie.

Lichaamsvloeistoffen

Vloeistoffen zoals ontlasting, urine, bloed, wondvocht, speeksel, braaksel of sperma.

Luchten

Luchten is het korte tijd (ongeveer tien minuten) openzetten van alle ramen en deuren. Hierbij wordt het niet veel kouder, maar is wel alle binnenlucht ververst.

 

Micro-organismen

Bacteriën, virussen, schimmels, gisten en protozoa zijn micro-organismen. Micro-organismen zijn onzichtbaar voor het blote oog en komen overal voor: op de huid, op meubels en gebruiksvoorwerpen, in de lucht, in water, op en in voedsel. De meeste zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar sommige micro-organismen kunnen ziekten veroorzaken.

Microvezeldoekjes

Microvezeldoekjes bestaan uit een weefsel van microscopisch kleine vezels. Samen vormen de vezels een veel groter oppervlak dan de vezels in bijvoorbeeld een katoenen doek. Hierdoor kunnen microvezeldoekjes meer vuil absorberen. De vezels bestaan uit materiaal dat vetten goed vasthoudt.

Naaldcontainer

Een naaldcontainer is een container speciaal ontworpen voor scherp afval zoals naalden en scheermesjes. Bij goed gebruik bieden naaldcontainers bescherming tegen prikken en snijden aan scherp afval.

Schoonmaken

Schoonmaken is stof en vuil verwijderen, bijvoorbeeld door te stofzuigen of te dweilen.

Ventileren

Bij ventileren komt voortdurend verse buitenlucht binnen, bijvoorbeeld door een rooster of een open raam.

8.2 Ctgb-databank

Hieronder staat hoe u desinfecterende middelen kunt vinden op de website van het Ctgb.

Hebt u al een desinfecterend middel en wilt u weten of u dit mag gebruiken? Gebruik dan optie A. Wilt u een overzicht van toegelaten desinfecterende middelen? Gebruik dan optie B.

A. Zoeken naar een specifiek desinfecterend middel

  • Ga naar www.ctgb.nl en klik op ‘Toelatingendatabank’. Of ga direct naar https://toelatingen.ctgb.nl.
  • Hier kunt u zoeken op de naam van het product.
  • Controleer in het actuele gebruiksvoorschrift altijd of het middel geschikt is voor uw toepassing en welke maatregelen bij gebruik moeten worden genomen.

B. Een overzicht van toegelaten desinfecterende middelen zien

  • Ga naar www.ctgb.nl en klik op ‘Toelatingendatabank’. Of ga direct naar https://toelatingen.ctgb.nl.
  • Klik op de knop ‘Toon uitgebreide filters’.
  • Voer de gewenste selectiecriteria in. Bij Gebruik kunt u professioneel invoeren. Bij Producttype kiest u een optie die hieronder beschreven staat:
    • Middelen die geschikt zijn voor het desinfecteren van handen hebben een PT01-code (‘Biociden voor menselijke hygiëne’).
    • Middelen die geschikt zijn voor materialen en oppervlakken hebben een PT02-code (‘Desinfecterende middelen voor privégebruik en voor de openbare gezondheidszorg, alsmede andere desinfectantia’).
    • Middelen die geschikt zijn voor oppervlakken waarop eet- en drinkwaren kunnen komen, hebben een PT04-code (‘Ontsmettingsmiddelen voor gebruik in de sector voeding en diervoeders’).
  • Controleer in het actuele gebruiksvoorschrift altijd of het middel geschikt is voor uw toepassing en welke maatregelen bij gebruik moeten worden genomen.
  • U kunt via de knop downloaden de selectie exporteren naar een Excel-bestand.

Deze zoekhulp is opgesteld in augustus 2019. Klopt het advies niet meer en heeft u hulp nodig? Neem dan contact op met de Servicedesk van het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides via telefoonnummer 0317 – 471 810 of door het servicedesk-verzoekformulier in te vullen. Het LCHVLandelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid is niet verantwoordelijk voor eventuele wijzigingen aan de website van het Ctgb.

Bronnenlijst

Literatuur

  • Code voor hygiëne op kinderboerderijen in Nederland (2004). Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ) en Ministerie van Landbouw, Natuur en Milieu.
  • Hygiënecode voor de voedselverzorging in woonvormen (2014). Den Haag: Voedingscentrum.
  • Hygiënecode voor de voedselverzorging in zorginstellingen en Defensie (2014). Den Haag: Voedingscentrum.
  • Hygiënerichtlijnen voor verpleeghuizen en woonzorgcentra (2012). Amsterdam: Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid. 
  • Informatieblad ‘Ratten en muizen in uw bedrijf?’. Den Haag: Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
  • LCILandelijke coördinatie infectieziektebestrijding-draaiboek Wet publieke gezondheid, Artikel 26 meldingen instellingen. December 2008, incl. aanpassing 16-3-2012. Bilthoven: LCI-RIVM
  • LCI-richtlijn BRMObijzonder resistente micro-organismen (2014). Bilthoven: LCI-RIVM.
  • LCI-richtlijn Staphylococcus aureus-infecties (2011). Bilthoven: LCI-RIVM.
  • Legionellapreventie in waterinstallaties: regels en toezicht (2012). Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Milieu. 
  • Richtlijnen Werkgroep Inspectiepreventie (WIPWerkgroep Infectiepreventie). Bilthoven: RIVM.

Wetten & regelingen

Losse informatie

Verantwoording

De hygiënerichtlijn voor instellingen voor kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking is voor het laatst volledig herzien in 2015. Aan de laatste herziening hebben de volgende organisaties bijgedragen: 

  • GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Amsterdam
  • GGD Fryslân
  • GGD Hollands Noorden
  • GGD Noord- en Oost-Gelderland
  • Ons Tweede Thuis
  • ’s Heeren Loo Zorggroep

Wijzigingen sinds laatste herziening:

  • November 2018: 
    • De hygiënenormen in paragraaf 2.4 Dieren zijn nader uitgewerkt.
    • Paragraaf 4.1 Verpleegkundige handelingen is uitgebreid met specifieke informatie over verblijfskatheter, traceacanule, sondes, po's en urinalen, en urine- en stomaopvangzakken.
    • Pargaraaf 4.5 Een infectieziekte in uw instelling is uitgebreid met specifieke informatie over MRSAMethicillin-resistant Staphylococcus aureus en norovirus.
  • Juli 2019: de richtlijn is omgezet naar webbased tekst; hierbij zijn enkele niet-inhoudelijke aanpassingen gedaan en zijn diverse hyperlinks geüpdatet.
  • Augustus 2019: paragraaf 8.2 (zoekhulp CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides-databank) is geactualiseerd.

 

De hygiënerichtlijn is een uitgave van:
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid
Postbus 1 | 7200 BA Bilthoven
E-mail: lchv@rivm.nl 
Web: www.lchv.nl