De hygiënerichtlijn voor kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang is voor het laatst volledig herzien in 2016. Tussentijdse wijzigingen sinds de laatste herziening staan aangegeven in de Verantwoording.

De schoonmaakschema’s bij deze richtlijn kunt u hier downloaden als Word-document. Voor het maken van een checklist of rapport kunt u gebruik maken van de normenlijst.

Onder Downloads vindt u tevens 2 documenten met aanvullende informatie over ziektebeelden voor kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en bso en over binnen- en buitenmilieu voor kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en bso. 

 

1 Inleiding

Deze hygiënerichtlijn is geschreven voor alle medewerkers en beroepskrachten die werkzaam zijn in kinderdagverblijf, peuterspeelzalen of buitenschoolse opvang. De belangrijkste hygiëne-normen zijn in deze richtlijn op een rij gezet.

Doel van de richtlijn

Elke medewerker moet hygiënisch kunnen werken. U vindt in dit document zowel richtlijnen en normen over hygiëne, schoonmaak, ziektebeelden en randvoorwaarden die direct te maken hebben met de uitvoering van het werk.

Als u zich houdt aan de normen uit deze richtlijn, beperkt u het risico op het verspreiden van infectieziekten onder de kinderen en medewerkers.

De onderwerpen over binnen- en buitenmilieu en zonnebrand zijn verwijderd uit deze richtlijn. Informatie over binnen- en buitenmilieu kunt u vinden in een apart document te vinden onder Downloads. Informatie over zonveiligheid en zonnebrand vindt u op de website van het KWF.

Leeswijzer

In deze richtlijn heten de kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang samen een “kindercentrum”. Iedereen die op een kindercentrum werkt heet in de tekst “beroepskrachten” en de houders of managers heten “leidinggevende”.

Elk hoofdstuk en elke paragraaf begint met een korte inleidende tekst. Hierin leest u waarom het onderwerp belangrijk is. Daarna volgt een opsomming van de hygiënenormen eventueel gevolgd met tips of adviezen.

Hygiënenormen

  • De hygiënenormen staan in een geel kader. Dit zijn de minimale normen voor een goed hygiënebeleid. Hier moet u aan voldoen.

Tips

  • Tips herkent u aan de schuingedrukte tekst in een grijs kader. Deze punten zijn vrijblijvend. Maar als u de tips opvolgt, werkt u professioneler.

2 Infectieziekten

Wat zijn infectieziekten?

Infectieziekten zijn ziekten die veroorzaakt worden door verschillende soorten bacteriën, virussen, parasieten of schimmels, we noemen deze samen “ziekteverwekkers”. Sommige zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar de meeste kunnen ziekte veroorzaken. Infectieziekten verspreiden zich op de volgende manieren:

  • via de handen;
  • via lichaamsvloeistoffen (bloed, urine, speeksel, braaksel, ontlasting, enzovoorts);
  • via de lucht (via druppels door hoesten, huidschilfers of stof);
  • via voorwerpen (speelgoed of spenen);
  • via voedsel en water;
  • via dieren (huisdieren en insecten).

Of een besmetting leidt tot infectie, heeft te maken met:

  • de hoeveelheid ziekteverwekkers waarmee iemand besmet is;
  • hoe gemakkelijk de ziekteverwekker mensen ziek maakt;
  • iemands lichamelijke conditie; de een wordt ziek, de ander voelt zich niet lekker en een derde heeft nergens last van.

Verspreiding van ziekteverwekkers beperkt u door een goede hygiëne. Kinderen hebben nog een lage weerstand en kunnen erg ziek worden door ziekteverwekkers. Daarom zijn kinderen extra kwetsbaar. Zij hebben een grotere kans op het oplopen van een infectieziekte via andere kinderen en het gebruik van gezamenlijke spullen en toiletten. Een hygiënische omgeving is belangrijk voor de gezondheid van het kind. Hiervoor gelden de basisregels:

  • Breng wat vuil is niet in contact met wat schoon is, en andersom.
  • Maak schoon wat vuil is of gooi het weg.
  • Je kunt niet altijd aan de buitenkant beoordelen of iets vuil of schoon is.
  • Alles begint en eindigt met handhygiëne.

Door aandacht te besteden aan hygiëne verkleint u de risico’s op ziektes, denk aan:

  • een schone leefomgeving;
  • goede persoonlijke hygiëne;
  • bewust hygiënisch gedrag.

Weerstand en immuniteit

Weerstand

Een goede weerstand betekent dat het lichaam zich voldoende kan beschermen tegen ziekteverwekkers. Het lichaam probeert de ziekteverwekkers zo snel mogelijk weg te werken. Soms lukt dat niet of gebeurt het niet snel genoeg en wordt u ziek. Dit is bij kleine kinderen eerder het geval. Kinderen hebben nog een lage weerstand omdat zij deze nog moeten opbouwen.

Immuniteit

Immuniteit wordt opgebouwd door het oplopen van een infectie, het krijgen van borstvoeding en door vaccinatie. Het lichaam heeft hierdoor antistoffen kunnen aanmaken tegen bepaalde ziekteverwekkers. Hierdoor hoeft iemand niet per se ziek te worden als deze nog een keer de
infectie oploopt. Tegen sommige ziekteverwekkers kun je geen immuniteit opbouwen. Door opnieuw met deze ziekteverwekker in aanraking te komen kan iemand steeds weer ziek worden.

Belang van hygiëne

Hygiëne is het schoonmaken en desinfecteren van voorwerpen en oppervlakken, maar ook het wassen van de handen of het wassen van het lichaam. Een goede manier van hoesten en niezen toepassen is ook hygiëne. Door goede hygiëne houdt u vuil waarvan de ziekteverwekkers leven en de ziekteverwekkers zelf weg. Zo verlaagt u het risico op het verspreiden van infectieziekten en verbetert de gezondheid.

3 Persoonlijke hygiëne

In dit hoofdstuk vindt u de normen en adviezen voor de persoonlijke hygiëne van beroepskrachten en kinderen. Bij persoonlijke hygiëne kunt u denken aan schone handen, tanden poetsen, hygiëne bij hoesten en niezen, tijdens het verschonen en het toiletgebruik.

3.1 Handhygiëne

Via de handen worden de meeste ziekten verspreid en overgebracht. Het is daarom belangrijk voor de beroepskrachten én de kinderen om de handen goed schoon te houden door deze te wassen met water en zeep en goed af te drogen om ziekteverspreiding te beperken. De instructies voor het handen wassen staan beschreven in bijlage 1.

Voor het handen wassen gelden de volgende normen:

Hygiënenormen

  • Was handen vóór:
    • het bereiden of aanraken van het eten en flesvoeding;
    • het eten of helpen bij het eten;
    • het verzorgen van een wond;
    • het aanbrengen van crème of zalf.
  • Was handen na:
    • het bezoek aan het toilet;
    • het verschonen van een luier;
    • het afvegen van de billen van een kind;
    • het contact met lichaamsvocht zoals speeksel, braaksel, ontlasting, wondvocht of bloed;
    • het verzorgen van een wond;
    • bij zichtbaar of voelbaar vuile handen;
    • het hoesten, niezen of het snuiten van de neus (ook bij gebruik van een zakdoek);
    • het buitenspelen;
    • het contact met vuil textiel, afval of de afvalbak;
    • het schoonmaken;
    • het uittrekken van handschoenen.

Tips

  • Van het wassen kunnen de handen droog worden, smeer daarom de handen zo vaak in met crème of olie als u nodig vindt en laat goed intrekken.
  • Indien de handen niet zichtbaar vuil zijn, dan kunnen de handen van beroepskrachten ook ingewreven worden met een handdesinfecterend middel toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides. Let op: een handdesinfecterend middel kan alleen gebruikt worden bij zichtbaar schone handen.

Horloges, armbanden, ringen en andere sieraden kunnen ziekteverwekkers vast houden en belemmeren een goede handhygiëne. Hiervoor gelden de volgende normen:

Hygiënenormen

  • Draag geen sieraden bij risicovolle handelingen zoals het verschonen van een luier, wondverzorging, eten bereiden etc.

Tips:

  • Het wordt aangeraden om helemaal geen horloges, armbanden of ringen te dragen. Doet u dit wel, let u er met het handenwassen extra goed op om deze ook schoon te maken en goed af te drogen. Zeker wanneer er een infectieziekte heerst op de groep!

Voor schone handen geldt ook dat de nagels schoon zijn. Hiervoor gelden de volgende normen:

Hygiënenormen

  • Houd de nagels kort en schoon.
  • Draag geen nagellak (schilfers) en/of kunstnagels.

Tips

  • Maak uw nagels schoon met een borstel om het extra vuil tussen de vinger en de nagels te verwijderen.

    3.2 Hoesten en niezen

    Door hoesten en niezen, kunnen ziekteverwekkers zich verspreiden via de lucht. Als een kind deze lucht vervolgens inademt kan hij ziek worden. Door te hoesten of te niezen in de handen, kunt u of het kind de ziekteverwekkers verder verspreiden via de handen, bijvoorbeeld bij handen schudden of het aanraken van voorwerpen. Stoffen zakdoeken of tissues hergebruiken maakt dat u de infectieziekten verder verspreidt of de kans geeft om deze te laten groeien in de zakdoeken. Een goede hoest- en nieshygiëne vermindert de verspreiding van de ziekteverwekkers.

    Houdt u zich tijdens het hoesten of niezen aan de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Hoest of nies in een papieren zakdoek, of aan de binnenkant van de elleboog, of anders in de mouwen.
    • Gooi papieren zakdoeken na gebruik meteen weg. Pas een goede handhygiëne toe.
      Zie bijlage 1 voor instructies handhygiëne.

    3.3 Tanden poetsen

    Een kindercentrum kan er voor kiezen om tijdens het verblijf de tanden van de kinderen te poetsen. Om verspreiding van ziekteverwekkers te voorkomen via de tandenborstels gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Geef ieder kind zijn eigen borstel waarop de naam van het kind staat.
    • Plaats de tandenborstels in een schone beker of houder en berg ze los van elkaar op.

    Tips

    • Een tandenborstel poetst na een paar maanden niet meer even goed als een nieuwe, vervang daarom elke drie maanden de tandenborstels.

    3.4 Hygiëne tijdens het verschonen

    Tijdens het verschonen van de luiers kunt u urine of ontlasting op uw handen krijgen, ook al kunt u dit niet (altijd) zien. In urine en ontlasting kunnen ziekteverwekkers zitten. Tijdens het verschonen van een kind, kan er urine of ontlasting op het verschoonkussen komen. Daarom is het nodig om hygiënisch te werken en het verschoonkussen goed schoon te houden.

    Voor het hygiënisch werken tijdens en na het verschonen gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Plaats de verschoonplaats in de buurt van een kraan met zeep en papieren doekjes, maar gescheiden van de voedselbereidingsplek.
    • Verschoon kinderen op een verschoonkussen van glad en afwasbaar materiaal dat met water en allesreiniger schoon te maken is.
      Billendoekjes e.d. zijn niet geschikt om het verschoonkussen schoon te maken.
    • Vervang het verschoonkussen direct als het beschadigd is.
    • Gebruik handdoeken als bescherming en vervang deze na elk kind en maak het kussen schoon bij zichtbare vervuiling of gebruik geen handdoek, maar maak schoon na elke verschoning.
    • Gooi de gebruikte luier na het verschonen direct in een luieremmer of in een afgesloten afvalemmer (met voetpedaal).

    3.5 Toiletgebruik

    Ook op handen en sanitair kan urine en ontlasting komen na een toiletbezoek. Vuile handen kunnen ziekteverwekkers op verschillende oppervlakten verspreiden. Denk hierbij aan de spoelknop, de kraan, de handdoekhouder, de lichtschakelaar of de deurkruk.

    Hygiënenormen

    • Houdt u zich aan de instructies voor het handen wassen; zie bijlage 1.
    • Als u op uw kindercentrum ervoor kiest om potjes te gebruiken, dan gelden de volgende normen:
      • Reinig meteen na gebruik het potje met water en allesreiniger. Berg het potje droog op.
      • Gebruik een aparte borstel voor het reinigen van de potjes.

    4 Schoonmaken en desinfecteren

    In dit hoofdstuk vindt u de normen voor schoonmaken, schoonmaaktechnieken en desinfecteren. In bijlage 5 vindt u voorbeelden van schoonmaakschema’s.

    In vuil en stof kunnen ook ziekteverwekkers zitten. Door regelmatig schoon te maken, haalt u veel van deze ziekteverwekkers weg. Hierdoor verkleint u de kans om ziek te worden.
    Er is een verschil tussen schoonmaken en desinfecteren. Schoonmaken is stof en vuil verwijderen en hierdoor ook de meeste ziekteverwekkers, bijvoorbeeld door te stofzuigen of te dweilen. Desinfecteren is het verwijderen van ziekteverwekkers, tot een zo laag niveau dat deze niet meer ziekmakend zijn. Dit doet u pas ná het schoonmaken en in bepaalde situaties zoals bij een uitbraak van een ziekte.

    4.1 Schoonmaken

    Goed schoonmaken kost tijd. Als er onvoldoende schoongemaakt is, kunnen er ziekteverwekkers achterblijven of zelfs verspreid worden. Voor het goed schoonmaken in een kindercentrum gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Maak schoon van ‘schoon’ naar ‘vuil’ en van ‘hoog’ naar ‘laag’.
    • Meubels en voorwerpen maakt u schoon met een allesreiniger van een huishoudelijk schoonmaakmiddel, of gebruik microvezeldoekjes.
    • Gebruik schoonmaakmiddelen volgens de instructie op de verpakking.
    • Ververs zichtbaar vies sop direct.
    • Maak schoonmaakmaterialen na gebruik schoon.
    • Maak de vloer schoon met een schone dweil of een mop.
    • Gebruik altijd schone doeken, wissers, en wegwerpsponzen.
    • Was doeken op 60°C en laat ze aan de lucht drogen.
    • Meng water met allesreiniger in een fles of plantenspuit voor het schoonmaken van een verschoonkussen. Zorg dat de plantenspuit niet op vernevelstand staat en maak deze iedere dag leeg en schoon.
    • Vervang het filter van de stofzuiger volgens de fabrieksvoorschriften.

    Tips

    • Let tijdens het schoonmaken vooral op plekjes en voorwerpen die mensen veel aanraken, zoals kranen, lichtschakelaars, deurklinken, telefoons, tafelranden en onderkanten stoelleuningen, hier kunnen veel ziekteverwekkers op zitten.
    • Let er op om dweilen en moppen droog op te bergen en niet laten staan in oud water, dit zorgt voor een broedplaats voor de ziekteverwekkers.

    Droog schoonmaken

    Droog schoonmaken kan op verschillende manieren gedaan worden: door afstoffen, stofwissen of stofzuigen.

    Afstoffen is het schoonmaken van oppervlakken met een droge of vochtige doek. Zo komt het stof niet meer in de lucht.

    Stofwissen is het schoonmaken van een gladde vloer met een stofwisapparaat en een droge (wegwerp)doek. Zo verwijdert u stof en vuil dat los op de vloer ligt.

    Stofzuigen is ideaal voor het schoonmaken van een tapijt. Het nadeel bij het stofzuigen is dat de stofzuiger zeer fijne stofdeeltjes terugblaast en in de lucht verspreidt. Voor het stofzuigen gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Zuig de ruimtes als er geen kinderen zijn.
    • Zet de ramen open tijdens het stofzuigen.
    • Gebruik als er geen stofzuiger is geen bezem maar een stofwisser. Een bezem maakt dat het stof zich juist verspreidt.

    Tips

    • Een gladde vloer is gemakkelijk schoon te maken met een vochtige wisser. Wilt u toch vloerbedekking laten leggen, kies dan voor een variant die u vrij kunt maken van stof. Reinig vloerbedekking met een vloerbedekking reiniger.

    4.2 Microvezeldoekjes

    Als u microvezeldoekjes op de juiste manier gebruikt, nemen ze beter vuil en ziekteverwekkers op dan gewone schoonmaakdoekjes. U kunt microvezeldoekjes zowel droog als vochtig gebruiken zonder schoonmaakmiddel. Hiervoor geldt de volgende norm.

    Hygiënenormen

    • Volg de instructie voor het juiste gebruik van microvezeldoekjes in bijlage 3.

    4.3 Desinfecteren

    In sommige gevallen, bijvoorbeeld als er een bepaalde ziekte heerst of wanneer een oppervlakte besmet raakt met bloed of bloedbijmenging, is het alleen schoonmaken van voorwerpen en oppervlakken onvoldoende. Er moet dan na het schoonmaken ook worden gedesinfecteerd. Bij het desinfecteren worden ziekteverwekkers op het voorwerp of oppervlakte gedood.

    Desinfectiemiddelen

    Alleen wettelijk toegelaten desinfectiemiddelen (zie bijlage 4) mogen worden gebruikt. Sommige middelen zijn niet toegestaan voor desinfectie van oppervlakken. Sommige producten zijn bijvoorbeeld bedoeld voor desinfectie van de huid en zijn niet geschikt om oppervlakken te desinfecteren.

    Er zijn verschillende soorten desinfectiemiddelen. Afhankelijk van de reden waarom u gaat desinfecteren, bepaalt u (samen met een deskundige van de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst) welk desinfectiemiddel er gebruikt kan worden. Niet alle desinfectiemiddelen hebben namelijk hetzelfde resultaat. Als u gaat desinfecteren houdt u zich dan aan de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Desinfecteer alleen met middelen die zijn toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides; deze zijn opgenomen in de lijst ‘toegelaten middelen’ van het Ctgb.
    • Gebruik desinfectiemiddelen alleen na overleg met de GGD als er een ziekte heerst. De GGD legt u uit welk middel u het beste kunt gebruiken en met welke concentratie bij het soort ziekteverwekker. Ook geeft de GGD u advies over beschermende maatregelen zoals handschoenen en wegwerpschorten.

    Tips

    • Huishoudchloor (bleekwater) mag niet worden gebruikt om te desinfecteren. Het product is instabiel en niet toegestaan als desinfectiemiddel.
    • Zie bijlage 4 voor meer informatie.

    Desinfectiemethode

    Hygiënenormen
    • Let op: desinfecteer alleen als er éérst is schoongemaakt. Desinfecterende middelen werken onvoldoende als iets nog vuil is.
    • Desinfecteer een oppervlakte, zoals een verschoonkussen of voorwerpen, met een middel toegelaten door het Ctgb als er bloed of een andere lichaamsvloeistof met zichtbare bloedsporen op zit.
    • Volg de juiste gebruiksaanwijzing van het desinfectiemiddel op.
    • Laat wat gedesinfecteerd is goed drogen aan de lucht.
    • Draag bij het desinfecteren altijd handschoenen van nitril of latex die voldoen aan de NENNederlandse norm over informatiebeveiliging in de zorg-normen en was de handen na afloop met water en zeep.
      Zie bijlage 2.

    Tips

    • Let u goed op om daarna goed de handen te wassen. Zo verlaagt u de kans op infectieziekten verspreiding via de handen.
    • Draag beschermende kleding als uw kleding vervuild kan raken met bloed.

    4.4 Afvalverwerking

    Afval kan een bron van ziektekiemen zijn. Bovendien trekt afval ongewenste dieren aan. Daarom moet de opslag en afvoer van afval aan bepaalde eisen voldoen. Deze paragraaf gaat over huishoudelijk afval.

    Huishoudelijk afval is het afval dat dagelijks in een instelling wordt geproduceerd, met uitzondering van grofvuil, bouw- en sloopafval en klein gevaarlijk afval. Denk bijvoorbeeld aan etensresten, oud papier en verpakkingsmaterialen.

    Hygiënenormen

    • Leeg afvalemmers minstens één keer per dag. Sluit de zakken goed en bewaar ze in gesloten rolcontainers. Stal deze containers niet in een ruimte waar ook schone materialen staan opgeslagen.
    • Verzamel etensresten direct na het gebruik van maaltijden in afsluitbare afvalbakken.
    • Houd de opslagplaats schoon, zodat er geen ratten of andere ongewenste dieren op afkomen. Plaats geen afval naast afvalcontainers. Houd containers gesloten en zorg dat het afval minimaal één keer per week en vóórdat een container vol is wordt opgehaald.

    Tips

    • Leeg afvalemmers minstens één keer per dag. Sluit de zakken goed en bewaar ze in gesloten rolcontainers.
    • Verschoon damesverbandcontainers in de meisjestoiletten dagelijks.
    • Houd de opslagplaats van afval schoon, zodat er geen ratten of andere ongewenste dieren op afkomen. Plaats geen afval naast afvalcontainers. Zorg dat het afval wordt opgehaald voordat een container vol is.

    5 Bouw en inrichting

    In dit hoofdstuk vindt u de eisen aan de bouw en inrichting die nodig zijn om een goede persoonlijke hygiëne, schoonmaak en hygiënische omgang met materialen, producten en afval mogelijk te maken. Voor elk soort ruimte in uw instelling vindt u hieronder een paragraaf met de hygiëne-eisen.

    Daarnaast zijn er aanvullende bouwvoorschriften vastgelegd in het Bouwbesluit. Bijvoorbeeld eisen aan de toiletten. De specifieke eisen verschillen per type bouw (bestaande bouw of nieuwbouw); deze details vallen buiten de reikwijdte van deze richtlijn. Het Bouwbesluit vindt u op wetten.overheid.nl.

    5.1 Algemene eisen

    Alle ruimtes in een kindercentrum moeten veilig en goed schoon te maken en te houden zijn. Hiervoor gelden de volgende normen.

    Hygiënenormen

    • Maak wanden en vloeren van een glad materiaal dat goed te reinigen is.
    • Zorg voor goede verlichting om bij schoon te maken.
    • Richt ruimtes zo in dat schoonmakers overal bij kunnen. Voorkom moeilijk bereikbare hoeken en oppervlakken.
    • Zorg dat er, indien nodig, op iedere plek waar handelingen met injectienaalden (zoals insulinepen) of andere scherpe voorwerpen worden verricht, naaldcontainers met een UNUnited Nations-keurmerk zijn.
      logo UN-keurmerk

    5.2 Toiletten

    Iedereen die van het toilet gebruikmaakt, moet de handen kunnen wassen. Daarnaast moet de toiletruimte goed schoon te maken zijn. Dat gaat alleen als muren en vloeren glad zijn en er geen vocht in kan doordringen. Vocht is namelijk een goede voedingsbodem voor ziekteverwekkers. Hiervoor gelden de volgende normen.

    Hygiënenormen

    • Zorg dat de vloeren en de wanden tot minimaal 1,50 meter hoogte geen vocht kunnen opnemen en gemakkelijk schoon te maken zijn. Het materiaal op de rest van de wanden en het plafond moet goed bestand zijn tegen water en waterdamp.
    • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en bij voorkeur papieren handdoeken of anders een stoffen handdoek en vervang deze minimaal ieder dagdeel.
    • Plaats toiletten en wasbakken op kind hoogte of plaats een opstapmogelijkheid zoals een trapje en een wc-brilverkleiner.
    • Zorg dat de deuren goed schoon te maken zijn.
    • Plaats speciale containers voor maandverband en tampons in de toiletten voor de beroepskrachten.
    • Vervang beschadigde toiletten direct.

    Tips

    • Kinderen plassen wel eens naast het toilet waardoor deze vaker moeten worden schoongemaakt. Plaats hangende toiletten. Plaats een vloer zonder voegen.

    5.3 Douche- en badruimtes

    Omdat het in bad- en doucheruimtes vochtig is, groeien schimmels en andere ziekteverwekkers er gemakkelijker. Houd u bij de bouw en inrichting daarom aan de volgende normen.

    Hygiënenormen

    • Zorg dat de vloer en de wanden van douches tot minimaal 1,70 meter hoogte geen vocht kunnen opnemen en gemakkelijk schoon te maken zijn. Het materiaal op de rest van de wanden en het plafond moet goed bestand zijn tegen water en waterdamp.
    • Plaats een afneembaar rooster met een stankafsluiter op het afvoerputje.
    • Zorg dat deuren goed schoon te maken zijn.
    • Plaats een zeepdispenser in de ruimte.

    5.4 Opslag schoonmaakmaterialen

    Zorg voor een aparte opslagruimte waar het schoonmaakmaterialen en -middelen opgeborgen kunnen worden. Zo blijven vuile en gevaarlijke stoffen of giftige materialen gescheiden van voedingsmiddelen en buiten bereik van kinderen.

    Hygiënenormen

    • Maak een ophangsysteem zodat bezems, trekkers en andere materialen niet op de grond staan. Op deze manier kunnen ze beter drogen.
    • Plaats een uitstortgootsteen waar vuil water wordt ververst en materialen gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt.
    • Plaats gevaarlijke schoonmaakmiddelen, zoals ammoniak, in lekbakken. Zorg dat kinderen er niet bij kunnen.
    • Verwijder etiketten niet van de schoonmaakproducten.
      Bij vergiftiging is het noodzakelijk dat hulpverleners weten om welk middel het gaat.

    6 Voedselveiligheid

    Kinderen kunnen ziek worden van eten dat besmet is met ziekteverwekkers. In de 'Warenwet Hygiëne van Levensmiddelen' (voor een overzicht van relevante regelgeving, zie: nvwa.nl)  staat dat iedereen die eten verstrekt aan ‘derden’; maatregelen moet nemen om de kans te verkleinen dat iemand ziek wordt van het eten. Deze maatregelen noemen we ook wel een voedselveiligheidssysteem of Hygiënecode.

    6.1 Basisprincipes van voedselveiligheid

    Voedselveiligheidsmaatregelen zijn gebaseerd op drie basisprincipes: beheersing van de temperatuur, netheid (hygiëne) en controle van de houdbaarheid.

    Beheersing van de temperatuur

    De temperatuur van gekoelde of diepvriesproducten beïnvloedt de voedselveiligheid. Hoe kouder deze producten worden bewaard, hoe minder kans ziekteverwekkers hebben om uit te groeien. Bij hoge temperaturen worden veel ziekteverwekkers juist gedood. Daarom gaan veel regels in de Hygiënecode over de temperatuurnormen. Zo mag de temperatuur in een koelkast niet hoger zijn dan 7 °C en moet rauw vlees tot minstens 75 °C worden verhit.

    Hygiëne

    Via vuile handen en vuile materialen (zoals keukenspullen, de koelkast of andere etenswaren) kan voedsel besmet raken met ziekteverwekkers. Daarom staan er in de Hygiënecode zowel normen die gesteld worden aan de persoonlijke hygiëne van mensen die werken met voedsel als regels gericht op de schoonmaak van materialen en werkruimten.

    Houdbaarheid

    Al het voedsel kan bederven. Daarom is het controleren en garanderen van de houdbaarheid van producten een belangrijk aspect van voedselveiligheid.

    6.2 Hygiënecode

    Hygiënecodes zijn een praktische uitwerking van de basisprincipes van voedselveiligheid, ook wel HACCP (Hazard Analysis Critical Control Points; een systeem om de voedselveiligheid te beheersen) genoemd. In de Hygiënecode staan maatregelen die je moet nemen wanneer je bezig bent met eten. Van het kopen of het ontvangen van eten tot aan het bewaren van voedsel en van het bereiden van het eten tot aan het serveren van eten en drinken. Door te werken volgens een Hygiënecode, voldoet u aan de wettelijke voorschriften van voedselveiligheid.

    Hygiënenormen

    • Werk volgens de ‘Hygiënecode voor kleine instellingen of gebruik een andere goed gekeurde Hygiënecode. De code moet alle werkzaamheden beschrijven.
      De Hygiënecode voor kleine instellingen is te verkrijgen bij de brancheorganisatie kinderopvang.  Een overzicht van alle goedgekeurde Hygiënecodes vindt u op de website van de toezichthouder, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
    • Zorg dat iedereen die betrokken is bij voedselprocessen volgens de Hygiënecode werkt.

    6.3 Zuigelingenvoeding

    Aangemaakte flesvoeding

    Aangemaakte flesvoeding is poeder dat al met water is aangemaakt en in een fles zit. Poedervormige zuigelingenvoeding is een kwetsbaar product en daarom moet aangemaakte flesvoeding altijd gekoeld bewaard worden.

    Het kindercentrum mag geen aangemaakte zuigelingenvoeding vanuit huis toestaan, omdat het te lang buiten de koeling kan zijn geweest. Voor de hygiëne en veiligheid van de flesvoeding gelden de volgende normen.

    Hygiënenormen

    • Accepteer alleen flesvoeding die in poedervorm wordt aangeleverd, in afgepaste hoeveelheden.
    • Bewaar aangemaakte flesvoeding bij 4ºC. Als aan het einde van de dag nog voeding over is deze weggooien.
    • Bewaar de fles niet in de koelkastdeur omdat de temperatuur in de deur niet altijd hetzelfde is. 
    • Aangemaakte flesvoeding mag maximaal 1 uur buiten de koelkast blijven.
    • Bewaar de poedervormige zuigelingenvoeding in blik op een droge en koele plek.

    Moedermelk

    Ook moedermelk moet gekoeld bewaard en vervoerd worden. Het is daarom belangrijk dat de ouders informatie meekrijgen over hoe ze de moedermelk moeten afleveren. Hiervoor gelden de volgende normen. Op de website van het Voedingscentrum kunt u de normen vinden over de manier van het opwarmen van moedermelk (klik op het tabblad ‘mijn kind en ik’, klik op ‘borstvoeding en flesvoeding’ en download het pdfPortable Document Format bestand met de instructies voor het bewaren, bereiden en verwarmen van moedermelk).

    Hygiënenormen

    • Geef ouders instructie over de behandeling van afgekolfde moedermelk. De moedermelk moet van huis naar het kindercentrum gekoeld overgebracht worden in bijvoorbeeld een koeltas of koelbox.
    • Bewaar moedermelk in de koelkast op 4°C en gebruik deze op dag van aanleveren of vries deze in (maximaal 48 uur na afkolven). Moedermelk kan twee weken in de gewone vriezer goed blijven en drie maanden bij -18°C.
    • Ontdooi bevroren moedermelk altijd in de koelkast. Vries moedermelk nooit twee keer in.
    • Schrijf de datum en tijdstip van ontdooien op de fles (wanneer de fles uit de vriezer wordt gehaald). Gebruik ontdooide moedermelk binnen 24 uur.

    Bereiding van zuigelingenvoeding

    Flesvoeding en moedermelk mogen opgewarmd worden in de magnetron, flessenwarmer of een pannetje. Het mag niet koken, anders gaan de voedingsstoffen verloren. Voor het hygiënisch bereiden van zuigelingenvoeding gelden de volgende normen.

    Hygiënenormen

    • Maak zuigelingenvoeding klaar op een plek die strikt gescheiden is van de verschoonplek. Uit een kraan die gebruikt wordt voor handen wassen en het verschonen van kinderen mag géén water getapt worden voor zuigelingenvoeding.
    • Gebruik flessen die u goed kunt schoonmaken: met een wijde opening en glad van binnen. 
    •  Gebruik flessen met duidelijke maatverdeling.
    • De flessen en spenen zijn kind gebonden.
    • Schud de fles goed na het opwarmen en controleer de temperatuur op de pols.

    Reinigen van de flessen en (fop)spenen

    In babyvoeding kunnen ziekteverwekkers goed groeien. Daarom moeten de flessen en spenen zeer goed worden schoongemaakt. Voor de hygiëne van spenen en flessen gelden de volgende normen.

    Hygiënenormen

    • Gebruik flessen en spenen die door middel van koken in water op het vuur (thermisch) schoon gemaakt kunnen worden.
    • Spoel flessen en spenen direct na gebruik eerst om met koud water om bacteriegroei te stoppen.
    • Maak fopspenen schoon, in bijvoorbeeld de vaatwasser, als deze vervuild zijn.
    • Kook fopspenen minstens één keer per week uit.
    • Haal de spenen van een fles los van de ring en stop deze met de flessen in de vaatwasser op normaal programma of maak de flessen en spenen schoon met afwasmiddel, heet water en een speciale afwasborstel, als er geen vaatwasser is.
    • Spoel altijd goed om na het wassen en laat spenen en flessen omgekeerd drogen.
    • Bewaar schone flessen en spenen op een schone en droge doek of flessenrek.

    7 Geneesmiddelenverstrekking en medisch handelen

    In dit hoofdstuk vindt u de hygiëne- en veiligheidsnormen en adviezen voor het toedienen van medicijnen, medisch handelen, huid- en wondverzorging en het omgaan met bloed en bijtaccidenten. De normen en adviezen kunt u opnemen voor het opstellen van uw beleidsplan om een eenduidige werkwijze te creëren.

    Veel kinderen op een kindercentrum hebben soms medische zorg nodig tijdens het verblijf. Daarom is het voor de beroepskrachten belangrijk om te weten hoe zij hygiënisch en veilig kunnen handelen.

    Wet BIG

    In speciale gevallen kunnen ouders aan de beroepskrachten vragen om bepaalde medische handelingen uit te voeren, bijvoorbeeld het toedienen van sondevoeding. De Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIGWet Beroepen Individuele Gezondheidszorg) regelt wie wat mag doen in de gezondheidszorg. De Wet BIG is bedoeld voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en geldt zodanig niet voor beroepskrachten in een kindercentrum. Deze beroepskrachten zijn niet opgeleid om medische handelingen toe te passen zoals artsen en verpleegkundigen, daarom hoeven zij ook niet BIGWet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerd te zijn.

    Risicovolle handelingen

    De risicovolle handelingen zijn ‘niet-voorbehouden’ handelingen, die een beroepskracht wel zou mogen en kunnen verrichten, als deze goede instructie heeft gekregen (bijv. een vingerprik om de bloedsuiker te bepalen bij een kind met diabetes).

    Ouders, specialisten, artsen of verpleegkundigen kunnen samen met de beroepskrachten en leidinggevende afspraken maken over hoe medicijnen en risicovolle handelingen worden toegepast. Ook kan er afgesproken worden welke beroepskracht uitleg kan krijgen voor bepaalde handelingen. Een beroepskracht die uitleg heeft gekregen is bevoegd om handelingen uit te voeren maar nog niet bekwaam. Een beroepskracht is pas bekwaam wanneer zij/hij een handeling meerdere malen heeft uitgevoerd of heeft geoefend. Een beroepskracht kan dan zonder problemen medicijnen geven aan een kind.

    Voorbehouden handelingen

    Bepaalde medische handelingen, de ‘voorbehouden handelingen’ mogen alleen worden uitgevoerd als een ouder hierom vraagt. De handeling mag alleen uitgevoerd worden door personen die zowel bevoegd als bekwaam zijn (bijv. injecteren) en mag niet zomaar door iemand uitgevoerd worden. De Wet BIG bepaalt dat deze handeling bevoegdheid en bekwaamheid vereist. Ook als de ouder/verzorger deze handeling in de thuissituatie zelf verricht kunnen zij de handeling niet overdragen aan beroepskrachten van kindercentrum.

    Ouders kunnen mogelijk afspraken maken om op locatie te komen injecteren. De ouder/verzorger kan er voor zorgen dat een beroepskracht bevoegd en bekwaam kan worden. Een arts of verpleegkundig specialist moet dan, na instructie een bekwaamheidsverklaring invullen op naam van de beroepskracht.

    7.1 Geneesmiddelenverstrekking op verzoek

    Kinderen krijgen soms medicijnen mee die overdag gebruikt worden. Denk aan ‘pufjes’ tegen astma, antibiotica of zetpillen. De beroepskrachten vragen de ouders om duidelijke informatie over de toediening en de verantwoordelijkheden. Houd goed overleg met de ouders als er iets verandert in het medicijngebruik en leg alle afspraken schriftelijk vast.

    Hygiënenormen

    • Stel een ‘overeenkomst gebruik geneesmiddelen’ schriftelijk vast waarin met de ouder(s) het volgende is afgesproken:
      • om welk medicijn het gaat;
      • het gebruik en dosering van het medicijn;
      • wanneer en hoe vaak het toegediend moet worden;
      • hoe lang het medicijn bewaard kan worden en hoe (volgens verpakking).
    • Neem alleen medicijnen aan in de originele verpakking.  
    • Laat de ouders een nieuw medicijn altijd eerst thuis gebruiken.
    • Lees goed de bijsluiter zodat u weet wat de bijwerkingen kunnen zijn.
    • Noteer hoe en hoe vaak het medicijn moet worden gegeven.
    • Houd een aftekenlijst bij wanneer het kind het medicijn heeft gehad.
    • Controleer de houdbaarheidsdatum altijd van te voren.
    • Bewaar het medicijn zoals beschreven op de verpakking.
    • Stel een calamiteitenplan op voor ongevallen met gezondheid en medicijnen.

    7.2 Thermometer

    Ziektes kunnen verspreid worden via het gezamenlijk gebruik van een thermometer. Voor een hygiënisch en goed gebruik van de thermometer gelden de volgende adviezen:

    Hygiënenormen

    • Gebruik thermometerhoesjes.
    • Maak de thermometer na elk gebruik schoon met water en zeep.
    • Desinfecteer de thermometer, na het schoonmaken, met een middel toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides.

    7.3 Huid- en wondverzorging

    Wanneer een kind een klein, open (schaaf)wondje heeft, mag er geen infectie ontstaan. Om dit te voorkomen gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Was de handen voor en na de wond- of huidverzorging.
    • Gebruik een spatel als u crème uit een pot schept.
    • Spoel het wondje schoon met water.
    • Dep pus of wondvocht met bijvoorbeeld een steriel gaasje.
    • Dek het wondje af met een pleister of verband.
    • Verwissel de pleister of verband om het wondje of huid schoon te houden.

    7.4 Risico van bloed

    In bloed of wondvocht kunnen virussen aanwezig zijn zoals het hepatitis B- of C-virus of Hivhumaan immunodeficientievirus. Zorg er daarom voor dat u hygiënisch werkt. Om besmetting met bloed te voorkomen gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Deel geen tandenborstels, nagelschaartjes of vijlen.
    • Draag wegwerphandschoenen van latex of nitril die voldoen aan de NENNederlandse norm over informatiebeveiliging in de zorg-normen en voorzien zijn van het CEConformité Européenne-logo bij het aanraken of opruimen van bloed.
      Zie bijlage 2
    • Gooi de wegwerphandschoenen direct na gebruik weg en was de handen met water en zeep.
      Bij het uittrekken van de handschoenen kunnen uw handen besmetten door de vuile buitenzijde van de handschoenen.
    • Was textiel met bloed op 60°C, of op een temperatuur van 40°C tot 60°C én droog in de droogtrommel (minimale stand kastdroog) of strijk (minimale stand medium=2 stippen) het textiel.
    • Verwijder bloed met papier, schoon water en allesreiniger. Droog daarna het oppervlak en desinfecteer met een middel toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides. Laat drogen aan de lucht.

    7.5 Risico van bijten

    Als een kind wordt gebeten door een ander kind, en er ontstaat een wond met zichtbaar bloed, gelden de volgende behandelnormen.

    Hygiënenormen

    • Laat het wondje goed door bloeden.
    • Spoel de wond met water of fysiologisch zout.
    • Desinfecteer de wond met goedgekeurd wond-desinfectiemiddel met een RVGRegister Verpakte Geneesmiddelen-nummer.
    • Dek het wondje af met een pleister.
    • Was de handen met water en zeep.
    • Bel direct daarna een huisarts of de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst voor meer informatie over het risico.
      Vraag aan de leidinggevende hoe het contact verloopt met de GGD of artsen.

    8 Hygiëne in speel- en zwemgelegenheden

    In dit hoofdstuk vindt u de hygiëne, veiligheidsnormen en adviezen voor zandbakken en zwembadjes.

    8.1 Zandbakken en zandwatertafels

    Zandbakken

    In de zandbakken kan vuil liggen van etensresten, bladeren, bouwafval, glas of straatvuil. Etensresten kunnen dieren aantrekken die de zandbak vervuilen met ontlasting, waarmee de kinderen in aanraking kunnen komen. Wanneer het zand vervuild is met uitwerpselen van honden en katten kunnen deze uitwerpselen spoelwormen bevatten. De eitjes van deze wormen kunnen via de ontlasting in het zand terechtkomen. Als er ontlasting wordt gevonden in de zandbak, is het verversen van al het zand niet altijd noodzakelijk. Alleen als de uitwerpselen er mogelijk langer dan drie weken in hebben gelegen (na een vakantieperiode bijvoorbeeld), moet het zand ververst worden omdat de ontwikkeling van de spoelwormeitjes die in de ontlasting aanwezig kunnen zijn drie tot vier weken duurt.

    Voor de hygiëne van het kind tijdens het spelen in een zandbak gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Bedek de zandbak met een vochtdoorlatende dekking.
    • Controleer het zand op vuil voor het spelen en maak zo nodig schoon.
    • Schep uitwerpselen van honden en katten met ruim zand eromheen uit.
    • Verschoon het zand wanneer er uitwerpselen van honden of katten in liggen, die er mogelijk langer dan drie weken in hebben gelegen.
    • Laat kinderen niet eten of drinken in de zandbak.
    • Veeg het zand goed af van de kleding.
    • Was de handen van de kinderen na het spelen in de zandbak.

    Tips

    • Plaats rubberen matten voor de deur tegen het zand.
    • Plaats de zandbak waar goed daglicht schijnt.

    Zandwatertafels

    Zandwatertafels kunnen zowel binnen als buiten geplaatst worden. Bij het gebruik van een zandwatertafel wordt er rekening gehouden met het volgende:

    Hygiënenormen

    • Vernieuw het zand minimaal vier keer per jaar.
    • Houd de omgeving van de zandwatertafel schoon.
    • Laat de kinderen niet eten of drinken bij de zandwatertafel.
    • Was de handen van de kinderen na het spelen.

    8.2 Buitenzwembadje

    Met warm weer wordt er mogelijk een zwembadje buiten gezet voor een korte periode. Ook voor zwembadjes is de veiligheid en de hygiëne van het kind enorm belangrijk. Het water in het zwembadje kan vervuild raken door de urine, ontlasting of speeksel van kinderen. Het water kan besmet worden met ziekteverwekkers en een kind kan dit binnen krijgen door het water in te slikken.

    Voor het beperken van de infectieverspreiding en hygiëne in een zwembadje gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Controleer of het bad schoon is voordat u dit vult met water.
    • Vul het bad elke dag met drinkwater.
    • Ververs het water direct zodra het zichtbaar vervuild is.
    • Gebruik alleen speelgoed wat tegen water kan zoals kunststof of roestvrijstaal.
    • Maak bad speelgoed schoon na gebruik.
    • Zorg ervoor dat er geen dieren in het water kunnen komen.
    • Maak het zwembadje schoon na ieder gebruik.
    • Meld het zwembad volgens de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (WhvbzWet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden) als deze het hele jaar door op het centrum staat.

    9 (Huis)dieren, ongewenste dieren en agrarisch verblijf

    In dit hoofdstuk vindt u de hygiënenormen en adviezen betreft dieren, ongewenste dieren en de omgang hiermee. Dieren en insecten, zoals wespen en teken, kunnen mensen besmetten met infectieziekten en daardoor kunnen klachten ontstaan.

    Houdt u dieren binnen uw kindercentrum dan kunt u de ‘Hygiënecode voor kinderboerderijen in Nederland’ volgen, deze beschrijft de werkwijze om de hygiëne te verbeteren. Deze code kan een kindercentrum overnemen en gebruiken. Biedt u een agrarische opvang, dan kunt u zich aansluiten bij ‘Vereniging Agrarische Kinderopvang’ (VAK) en kunt u een GDGezondheidsdienst voor Dieren-keurmerk aanvragen. Meer informatie over agrarische opvang vindt u op: www.ggdhvb.nl/professionals/kinderopvang/starten-kinderopvang/agrarische-kinderopvang-gezond-en-veilig.

    9.1 Dierplaagbeheersing

    Ratten, muizen en duiven zijn voorbeelden van dieren die niet alleen overlast en schade geven, maar ook infectieziekten kunnen overdragen. Om de medewerkers en kinderen hiertegen te beschermen, is een goede dierplaagbeheersing nodig. Hierbij moet de beheersing zich in de eerste plaats richten op het voorkómen van ongewenste dieren door wering, en pas in de tweede plaats op bestrijding. Deze benadering van dierplaagbeheersing wordt ook wel Integrated Pest Management (IPM) genoemd.

    Maatregelen om ongewenste dieren te weren richten zich op het voorkomen of beperken van:

    • plekken waar ongewenste dieren kunnen binnenkomen, schuilen of nestelen;
    • de aanwezigheid van water en voedsel(resten).

    Deze maatregelen zijn onder te verdelen in technisch-bouwkundige, hygiënische en bedrijfsmatige maatregelen. Technisch-bouwkundige maatregelen zijn bijvoorbeeld horren plaatsen, kieren en gaten dichten en wild struikgewas (waar dieren in kunnen schuilen) rondom het gebouw verwijderen. Een goede schoonmaak en het bewaren van eten in afsluitbare bakken of potten zijn voorbeelden van hygiënische maatregelen. Onder bedrijfsmatige maatregelen valt onder andere het controleren van binnenkomende producten op (sporen van) ongewenste dieren.

    Hygiënenormen

    • Beheers ongewenste dieren op uw locatie volgens de IPM-benadering. Schakel zo nodig hulp in van een dierplaagbeheerser die volgens deze methode werkt.
    • Stel een dierplaagbeheersplan op.
    • Evalueer minimaal jaarlijks of de maatregelen uit uw dierplaagbeheersplan nog worden uitgevoerd en effectief zijn.
    • Houd de getroffen maatregelen bij in een logboek.
    • Gebruik zelf geen bestrijdingsmiddelen, maar schakel bij overlast een deskundige dierplaagbeheerser in.

    9.2 Wespen en bijen

    Wespen en bijen veroorzaken nare steken. Ze worden aangetrokken door zoete geuren. Waarschuw een arts of bel de ambulance als er een heftige reactie ontstaat na een steek, zoals: bewusteloosheid, allergie, of benauwdheid. Ga direct naar de eerste hulp of bel een arts als een kind in de mond of hals wordt gestoken. Om dit te voorkomen of om snel te handelen gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Laat kinderen buiten geen voedsel eten of drinken wat wespen en/of bijen aantrekt.
    • Maak plakkerige handen en monden schoon voor het naar buiten gaan.
    • Neem altijd een pincet en speciaal spuitje mee tegen steken. Als het kind wordt gestoken verwijder de angel direct en zuig het gif weg met het speciale spuitje.

    Tips

    • Koel de steekplek met ijsklontjes ingewikkeld in een theedoek of washandje.

    9.3 Teken

    Teken kunnen besmet zijn met bacteriën die de ziekte van Lyme veroorzaken.
    Teken leven in bossen, struiken en in hoog gras. Zij leven van menselijk en dierlijk bloed en bijten zich vast aan de huid. Bij het opzuigen van het bloed kunnen bacteriën worden overgebracht. Voor meer informatie kunt u terecht op de website van het RIVM. Om tekenbeten te voorkomen gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Draag in het bos of natuur altijd kleding met lange mouwen en broekspijpen (de broekspijpen in de sokken).
      Teken kunnen achterblijven in kleding.
    • Controleer kinderen op tekenbeten na een uitstapje.
    • Verwijder met het tekenpincet de teek zo snel mogelijk en desinfecteer het wondje na de beet. Noteer de datum en de plek van de beet.

    Tips

    • Neem altijd een tekenverwijderaar mee naar het bos en lees de bijsluiter goed voor gebruik.
    • Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft de app 'Tekenbeet' ontwikkeld. Deze app is gratis te downloaden. Met deze app kunnen mensen (ook buiten, zonder internetverbinding!) opzoeken hoe teken eruit zien en wat je moet doen om teken correct en snel te verwijderen.

    9.4 Agrarische kinderopvang

    Agrarische kinderopvang is een opvanglocatie met dieren waardoor kinderen vaker in contact met dieren komen en dus een groter risico lopen op infectieziekten of lichamelijke klachten. Het oplopen van een infectieziekte via de dieren kan op de volgende manieren:

    • Direct contact: door te knuffelen, te aaien of het verzorgen van de dieren.
    • Indirect contact: via de mest of stallingsplaatsen (ook de hekken erom heen) van de dieren.
    • Indirect via voedselresten van de dieren.

    Hygiënisch werken

    Om de verspreiding van ziekteverwekkers zo klein mogelijk te houden, moet er hygiënisch gewerkt worden op de dierenverblijfplaatsen. Hiervoor gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Ruim de dierenmest dagelijks op.
    • Laat kinderen niet in de buurt komen van de mest.
    • Houd de mestopslagplaats ver van de speelruimtes.
    • Gebruik aparte kruiwagens voor de mest.
    • Ruim altijd de mest op waar kinderen komen.
    • Houd de dieren buiten de speeltuinen.
    • Ververs en reinig de drinkbakken van de dieren elke dag.
    • Plaats een fonteintje met zeep en papieren handdoeken in de buurt van dierenverblijven, zodat iedereen zijn handen kan wassen.
      Zie ook bijlage 1.

    Tips

    • Denk bij nieuwe of te verbouwen locaties aan het plaatsen van een luchtwasser in het dierverblijf. Hiermee gaat u uitstoot van (gevaarlijke) stoffen en fijn stof tegen.

    Persoonlijke hygiëne kinderen en beroepskrachten

    Kinderen en beroepskrachten kunnen zichzelf goed beschermen tegen ziekteverwekkers en tegen het verspreiden van het vuil van dieren. Om uzelf en de kinderen te beschermen gelden hiervoor gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Geef elk kind een eigen overall met naam.
    • Trek de overalls buiten de groepsruimte uit en hang ze apart op.
    • Was de overalls elke week (of bij zichtbaar vuil) op 60 °C, of op een temperatuur van 40°C tot 60°C én droog in de droogtrommel (minimale stand kastdroog) of strijk (minimale stand medium =2 stippen) het textiel.
    • Trek rubberlaarzen aan bij een bezoek aan dierenverblijven.
    • Trek de laarzen buiten de groepsruimte uit, bij voorkeur in een apart halletje.
    • Poets laarzen schoon met een borstel of spuit ze schoon boven een putje.
    • Bewaar laarzen niet samen met schoenen.
    • Eet en drink niet bij dieren.
    • Drink geen rauwe melk.
    • Houd kinderen weg van zieke dieren of dieren die aan het bevallen zijn.
    • Neem geen speelgoed, knuffels, flessen of spenen mee naar het dierenverblijf.

    Omgang met dieren

    Kinderen kunnen via direct contact besmet raken met ziekteverwekkers. Of gezondheidsklachten krijgen door allergenen die van de dieren afkomen zoals huidschilfers. Voor een veilige en hygiënische omgang met dieren gelden de volgende normen:

    Hygiënenormen

    • Alle dieren moeten ingeënt zijn tegen ziekten.
    • Leer de kinderen hoe zij moeten omgaan met dieren, om aanvallen, bijten of krabben te voorkomen.
    • Laat kinderen nooit alleen met dieren.
    • Laat kinderen dieren niet kussen.
    • Houd kinderen weg bij dierenvoer.
    • Houd kinderen weg bij kattenbakken.
    • Zwangere vrouwen mogen kattenbakken niet verschonen.
    • Was na dierencontact de handen goed met water en zeep.

    Bijlagen

    Bijlage 1: Instructies handhygiëne

    Bacteriën en virussen zijn overal, op deurknoppen, tafels, telefoons en andere voorwerpen, apparaten en materialen. Sommigen kunnen ziekteverwekkend zijn. Een van de meest voorkomende manieren waarop ziekteverwekkers worden verspreid, is via de handen. Door regelmatig handhygiëne toe te passen wordt de kans dat u of iemand uit uw omgeving ziek wordt klein.

    Pas voor een goede handhygiëne onderstaande regels toe:

    • Was uw handen met water en vloeibare zeep als ze zichtbaar vuil zijn. Gebruik dan geen desinfecterend middel (handalcohol); door zichtbaar vuil vermindert namelijk de werking.
    • Zijn uw handen niet zichtbaar vuil? Dan mag u kiezen of u uw handen wast óf desinfecteert. Pas de manieren echter niet allebei toe; de huid droogt dan te veel uit en beschadigt sneller. De handen worden voldoende schoon als u ze alleen wast of alleen desinfecteert.
    Instructies handhygiëne

    Het schema Instructies handhygiëne kunt u hier downloaden als pdfPortable Document Format.

    Bijlage 2: Handschoenen

    Handschoenen moeten van latex of nitril zijn, en aan een aantal NENNederlandse norm over informatiebeveiliging in de zorg-normen voldoen. Zie hieronder de eisen die worden gesteld aan de handschoenen: 

    Hygiënemaatregelen

    • Draag handschoenen wanneer uw handen in aanraking kunnen komen met bijvoorbeeld bloed, ontlasting, urine en braaksel.
    • Gebruik in bovenstaande gevallen alleen handschoenen:
      • die gemaakt zijn van poedervrije latex of nitril;
      • die voldoen aan de NEN-normen EN 420, EN 455 en EN 374; deze normen moeten op de verpakking zichtbaar zijn;
      • uit een verpakking waarop een CEConformité Européenne-markering staat (zie afbeelding);
        logo CE-markering
      • uit een verpakking waarop de naam en het adres van de producent staat. Als dit geen adres binnen de EUEuropean Union is, moet ook de naam en het adres van de EU-vertegenwoordiger vermeld zijn. 
    • Heeft u een latexallergie type I of vermoedt u dat u allergisch bent? Gebruik dan nitril. Raadpleeg bij twijfel uw arts.
    • Vermijd contact met deurklinken, telefoons en andere apparaten en materialen wanneer u handschoenen draagt.
      Dit om besmetting van de handschoenen of van de omgeving te voorkomen.
    • Gebruik handschoenen eenmalig. Trek handschoenen na gebruik direct binnenstebuiten uit, zonder hierbij uw polsen aan te raken, en gooi ze weg. Pas daarna handhygiëne toe.

    Bijlage 3: Microvezeldoekjes

    Tegenwoordig wordt er steeds meer gebruik gemaakt van microvezeldoekjes. Doordat de vezels in deze doekjes zijn gesplitst, hebben microvezeldoekjes een veel groter oppervlak dan katoenen schoonmaakdoekjes. Zo kunnen microvezeldoekjes vuil en ziekteverwekkers veel beter opnemen dan gewone schoonmaakdoekjes. Bovendien raspen de vezels het vuil los, waardoor u vlekken gemakkelijker verwijdert. U kunt microvezeldoekjes zowel droog als vochtig gebruiken.

    Voor een optimaal resultaat gaat u als volgt te werk:

    • Gebruik de microvezeldoekjes altijd zonder schoonmaakmiddelen. Wijk hier alleen van af als de leverancier dit aangeeft.
    • Wilt u de doekjes vochtig gebruiken? Maak ze dan vlak voor gebruik licht vochtig onder de kraan of met het middel dat de leverancier voorschrijft. Leg de doekjes niet in een emmer water. Hierdoor nemen ze direct hun maximale hoeveelheid aan vocht op en verliezen ze hun reinigende werking.
    • Vouw de doekjes voor gebruik een aantal keer dubbel, zodat er meerdere vlakken ontstaan. Gebruik een nieuw, schoon vlak zodra de werking minder wordt.
    • Stop vuile microvezeldoekjes direct in de was; spoel ze tussentijds niet uit. Microvezeldoekjes trekken vuil zó goed aan dat handmatig uitspoelen geen zin heeft. Alleen in de wasmachine wordt een vuil doekje weer schoon.
    • Was de doekjes volgens de voorschriften van de fabrikant.
    • Droog gewassen microvezeldoekjes volgens de gebruiksinstructie. Let op: niet alle microvezeldoekjes kunnen in de droogtrommel. Berg de doekjes nooit vochtig op; hierdoor kunnen ziekteverwekkers uitgroeien.

    Bijlage 4: Toegelaten desinfecterende middelen

    Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides) beoordeelt of een desinfecterend middel goed werkt en veilig is. Ook stelt het Ctgb vast waarvoor het gebruikt mag worden. Een middel kan bijvoorbeeld alleen geschikt zijn voor het desinfecteren van de handen, maar niet voor het desinfecteren van oppervlakken. Daarnaast zijn sommige middelen alleen effectief tegen sommige bacteriën, terwijl andere middelen ook virussen kunnen doden.

    Middelen die door het Ctgb zijn toegestaan, zijn te herkennen aan een code op de verpakking. Dit kunnen de volgende codes zijn:

    • een N-code (4 tot 5 cijfers gevolgd door ‘-N’, bijvoorbeeld: 12345 N);
    • een NL-code (NL- gevolgd door 7 of 11 cijfers).

    Daarnaast moet de fabrikant op de verpakking melden waarvoor het middel gebruikt mag worden.

    Middelen die zijn toegelaten, staan ook op de website van het Ctgb: www.ctgb.nl/toelatingen

    Op de website van het Ctgb is voor elk toegelaten middel het ‘Actueel gebruiksvoorschrift’ opgenomen. In dit gebruiksvoorschrift staat waarvoor het middel gebruikt mag worden en tegen welke infectieziekten het effectief is. Ook staat er hoe u het middel moet gebruiken.

    • Gebruik alleen een desinfecterend middel dat door het Ctgb is toegestaan. Controleer in het actueel gebruiksvoorschrift of het middel:
      • geschikt is voor het ‘materiaal’ (bijv. handen, harde oppervlakken) dat u wilt desinfecteren; en
      • effectief is tegen de infectieziekten die u wilt doden.
        Wilt u een oppervlak desinfecteren dat is verontreinigd met bloed? Zorg dan dat uw middel effectief is tegen virussen. Desinfecteert u vanwege een (uitbraak van een) infectieziekte? Bespreek dan met de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst of uw desinfectiemiddel geschikt is tegen de (mogelijke) ziekteverwekker.
    • Gebruik een desinfecterend middel altijd volgens de gebruiksaanwijzing.

    Er zijn een aantal middelen die zowel schoonmaken als desinfecteren. Dit staat dan in het gebruiksvoorschrift. Het is dan niet meer nodig om eerst schoon te maken.

    Let op: u mag een desinfecterend middel alleen gebruiken voor de toepassingen die in het gebruiksvoorschrift staan beschreven! Zie de onderstaande voorbeelden:

    Voorbeeld 1: 
    U heeft een desinfecterend middel waarmee u uw handen wilt desinfecteren. In het gebruiksvoorschrift staat alleen beschreven dat het middel geschikt is voor de desinfectie van harde oppervlakken. U mag dit middel dan niet voor uw handen gebruiken.

    Voorbeeld 2: 
    U heeft een desinfecterend middel waarmee u een oppervlak wilt desinfecteren dat bevuild was met bloed. In het gebruiksvoorschrift staat dat het middel effectief is tegen bacteriën, gisten en schimmels. U mag dit middel dan niet gebruiken voor de desinfectie van het oppervlak; bij een verontreiniging met bloed heeft u namelijk een middel nodig dat effectief is tegen virussen.

    Bijlage 5: Schoonmaakschema’s

    In de schoonmaakschema’s staat hoe vaak en op welke manier gereinigd moet worden. 

    U mag natuurlijk vaker schoonmaken dan in deze schema’s is aangegeven. Minder vaak of op een andere manier schoonmaken, mag alleen met een goede reden (bijvoorbeeld omdat een ruimte bijna nooit wordt gebruikt).

    U kunt de schoonmaakschema’s hier downloaden als Word-document. De schema’s zijn zoveel mogelijk op losse pagina’s geplaatst, zodat u ze eenvoudig kunt uitprinten en ophangen. Tevens kunt u de schema’s aanpassen aan de eigen situatie. Bespreek binnen uw eigen organisatie de schoonmaakschema’s en werk ze in nader detail uit tot een eigen werkinstructie.

    Verantwoording

    De hygiënerichtlijn voor de kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang  is voor het laatst volledig herzien in 2016. Aan de laatste herziening hebben de volgende organisaties bijgedragen: 

    • Brancheorganisatie Kinderopvang
    •  GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Amsterdam
    • GGD Flevoland 
    • GGD Gelderland-zuid
    • GGD Hollands Noorden
    • GGD Kennemerland 
    • GGD Amsterdam, team Milieu en Gezondheid
    • RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, centrum Gezondheid en Milieu
    • Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCILandelijke coördinatie infectieziektebestrijding)

    Wijzigingen sinds laatste herziening:

    • Juli 2019: de richtlijn is omgezet naar webbased tekst; hierbij zijn enkele niet-inhoudelijke aanpassingen gedaan en zijn diverse hyperlinks geüpdatet. De bijlage 'Voorbeeld overeenkomst gebruik geneesmiddelen is verwijderd omdat dit geen onderdeel is van een hygiënerichtlijn. De branche kan hiervoor zelf een voorbeeldovereenkomst opstellen.

    Meer informatie

    Gezondekinderopvang.nl: werken aan hygiëne in de dagopvang of bso volgens de aanpak Gezonde Kinderopvang

     

    De hygiënerichtlijn is een uitgave van:
    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
    Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid
    Postbus 1 | 7200 BA Bilthoven
    E-mail: lchv@rivm.nl 
    Web: www.lchv.nl