Via sociale media en e-mail hebben wij vragen gekregen van mensen die graag iets meer wilden weten over de bosbranden bij Tsjernobyl, en hoe het precies zit met cesium-137 en straling. Wij hebben dit artikel geschreven om de mensen die dieper op dit onderwerp willen ingaan, wat meer informatie te geven.

Op 4 april 2020 ontstaan er bosbranden in OekraÏne, rond Polissye, Tarasy en Volodymyrivka, in de buurt van Tsjernobyl. Het is veengebied, waar stukken met lage begroeiing afgewisseld worden met stukken bos. Veenbranden zijn lastig te blussen en kunnen nog lang smeulen. Satellietbeelden laten zien dat de rook tot wel 800 kmkilometer ver waait, natuurlijk steeds sterker verdund naarmate de rook verder komt. In Kiev is een tijdlang overlast geweest van de rook, de luchtkwaliteit was er een aantal dagen zeer slecht. Pas op 30 april 2020 was de brand zodanig onder controle dat de hulpdiensten zich vooral met het opruimen van smeulende resten konden bezighouden, in plaats van met nieuw oplaaiende branden.

Hoe komt cesium in luchtstof?

Dit plaatje laat zien dat bij kernsplijting van uranium-235 of plutonium-239 het oorspronkelijke atoom uiteenvalt in twee of meer brokken, die nieuwe atomen vormen. Het meest waarschijnlijk is dat er een brokstuk rond de 90 massa-eenheden (strontium-90 of molybdeen-99 bv.) en een brokstuk rond de 140 massa-eenheden (jodium-131 of cesium-137 bv.) wordt gevormd. Een stof als cesium-137 wordt dus in grote hoeveelheden gevormd bij kernsplijting (ca. 7% van alle splijtingen levert cesium-137 op) en wordt dus in relatief grote hoeveelheden vrijgezet bij een explosie van een kernbom of een ongeval met een kernreactor.
 

Door de 2000 bovengrondse kernwapentesten, incidenten met radioactieve bronnen en de ongevallen met de reactoren in Tsjernobyl en Fukushima-Daiichi zijn er radioactieve stoffen door de lucht verspreid en (met name door regenval) op de grond terecht gekomen. Na tientallen jaren is er vooral nog cesium-137 aan te tonen.
 

Het element cesium heeft chemische eigenschappen die sterk op die van natrium en kalium lijken. Het vormt bv. gemakkelijk zouten, net zoals natrium samen met chloor keukenzout maakt. Net zoals natrium en kalium zich op een bepaalde manier door het milieu en het menselijk lichaam bewegen, doet cesium dat ook.
 

Cesium-137 is door de grote brand in de reactor van Tsjernobyl hoog in de lucht gekomen en daarom over zeer grote afstanden verspreid. Het is nog niet vervallen tot niet-radioactieve stoffen (iedere dertig jaar vervalt de helft ervan). Deze kaart van Europa laat zien waar er meer of minder cesium-137 op de bodem terecht is gekomen als gevolg van het reactorongeval in Tsjernobyl in 1986.
 


Het cesium hecht zich in de bovenste tientallen centimeters van de grond, en dus ook door planten en bomen. Als die planten, bomen of de bladeren op de grond verbrand worden, dan komt het cesium weer vrij en bindt het zich aan stof- en roetdeeltjes in de rookgassen die ontstaan. Vooral bij een grote brand stijgen die stofdeeltjes dan naar grote hoogte en worden over grote afstanden verspreid. Echter: hoe groter de afstand die de deeltjes afleggen, hoe sterker zij verdund raken.
 

Het is vast wel eens opgevallen dat vooral na langere periodes van droogte, of als landbouwers het land net hebben bewerkt, de akkers gaan “stuiven”, er waait dan veel stof op. Het cesium dat in de bovenste laag van de bodem aanwezig is “reist mee” met het opwaaiende zand en stof, en wordt door de wind verder verspreid. Dit zijn vaak vrij lokale fenomenen, dat cesium zal normaal niet over zeer grote afstanden verspreid worden. Maar er zijn uitzonderingen mogelijk, denk aan zandstormen in de Sahara, die af en toe in ons land een klein laagje rood stof deponeren, goed zichtbaar op onze auto’s.

Altijd waakzaam: reageren op incidenten en ongevallen

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is voorbereid op incidenten en ongevallen die zich kunnen voordoen met straling en radioactiviteit. Het hele jaar door zijn er dag en nacht medewerkers beschikbaar die op verzoek van de ANVSAutoriteit voor Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming  in actie komen als er een incident is.
 

Dat “in actie komen” kan vele vormen aannemen, afhankelijk van het soort incident. Het kan zijn dat iemand van het RIVM op locatie metingen uitvoert, of een modelberekening doet om te helpen de ernst van een situatie te schatten. Ook beschik het RIVM over een hoogwaardig laboratorium waar complexe radioactiviteitsmetingen uitgevoerd kunnen worden om te achterhalen welke radioactieve stoffen met welke concentratie ergens inzitten.
 

Bij een kernongeval in of dichtbij Nederland worden alle kennispartners van RIVM ingeschakeld: de kennisinstituten die veel weten van het weer, (drink)water, landbouw en voedsel, schadelijke stoffen en gezondheid, etc. En wordt meer materieel ingezet: zoals de meetnetten voor radioactiviteit en de meetwagens. Zo kunnen we samen met de hulpdiensten (voornamelijk de brandweer en de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-en) en de kennispartners snel een inschatting maken van de situatie. Deze pagina geeft daar alle informatie over: https://www.rivm.nl/straling-en-radioactiviteit/stralingsincidenten-en-kernongevallen.
 

Bij een incident ver weg is er tijd om de juiste maatregelen te nemen: het duurt immers dagen voordat de wind eventueel radioactieve deeltjes naar ons land toe transporteert. Onderweg raken deze deeltjes ook nog eens sterk verdund, zodat de gevaarzetting veel minder is dan op de plaats van het incident. Bij dat soort situaties is het genoeg als een vier á zes personen van het RIVM een analyse maken en die delen met de kennispartners in Nederland en het buitenland, om een goed beeld te kunnen vormen van de situatie. De mensen die modelberekeningen uitvoeren en buitenlandse (meet)data analyseren hebben een belangrijke taak bij dit soort incidenten.

Luchtstof en modellering van verspreiding

Bij een incident op grote afstand zijn er 3 belangrijke vragen: (1) hoe erg is de situatie daar ter plekke, (2) kunnen wij schatten hoe het incident zich gaat ontwikkelen, (3) heeft dit gevolgen voor Nederland?

Om een goede voorspelling te kunnen doen, zijn er een paar belangrijke zaken die duidelijk moeten worden:

  • Hoeveel radioactiviteit komt er in de lucht?
  • Hoe groot/zwaar zijn die deeltjes?
  • Hoe hoog komen die radioactieve stofdeeltjes?
  • Wat doet het weer?

De cesium-137 kaart van Europa gaf een idee hoe veel cesium-137 er aanwezig zou kunnen zijn in het brandende gebied. Maar het is geen exacte wetenschap. Het cesium is niet gelijkmatig op de bodem terechtgekomen, de exacte hoeveelheid verschilt van plek tot plek. Er zijn wel schattingen te maken over gemiddelde hoeveelheid cesium op een bepaalde plek waardoor er toch een goed beeld van een gebied gemaakt kan worden.
 

In de wetenschappelijke literatuur is er wel het een en ander te vinden over de grootte/zwaarte van de stofdeeltjes waaraan het cesium-137 zich heeft gehecht. En ook kan je (richt)waarden vinden voor hoe warm de brand in bepaalde omstandigheden wordt. Dat bepaalt hoe hoog de deeltjes in de lucht komen. Denk maar aan een luchtballon: de lucht in de ballon wordt warm gemaakt, en daarom stijgt de ballon. Hoe warmer de lucht, hoe sneller de lucht stijgt en hoe hoger hij komt.
 

Dat soort gegevens worden ingevoerd in de modelberekening, die ook de weerkaarten en de weersverwachting geleverd door het KNMIKoninklijk Meteorologisch Instituut inlaadt, en zo kan je uitrekenen waar de lucht naartoe waait, of er radioactiviteit naar Nederland kan komen, en zo ja hoe veel.
 

Op een later tijdstip, als er al wat metingen gedaan zijn in verschillende landen, kan die informatie gebruikt worden om te kijken of de berekeningen voor de hoeveelheid radioactiviteit die in de lucht is gekomen klopt. De meetresultaten helpen dan om de schatting voor de hoeveelheid radioactiviteit nauwkeuriger te maken.
 

Het filmpje  geeft weer hoe volgens de modellen de radioactiviteit vanuit de branden bij Tsjernobyl zich over West-Europa hebben verspreid.
Meer weten over modelberekeningen bij stralingsongevallen? Kijk op: https://www.rivm.nl/straling-en-radioactiviteit/stralingsincidenten-en-kernongevallen/middelen-en-expertise/rekenen-en-modelleren.

Informatie verzamelen

Bij het maken van een schatting van de verspreiding van radioactiviteit bij een incident zijn goede informatie en meetresultaten ontzettend belangrijk. Daarbij het internationaal atoomagentschap in Wenen (IAEAInternational Atomic Energy Agency) een belangrijke bron van informatie. De overheden van alle lidstaten van het IAEA kunnen daar informatie en (meet)gegevens met elkaar delen.
 

Ook zijn alle Europese laboratoria die stralingsmetingen doen aan het milieu, nauw met elkaar verbonden. Zodra er kunstmatige radioactiviteit in het luchtstof wordt gevonden, gaan deze laboratoria met elkaar overleggen en gaan de buitenlandse collega’s na of zij ook diezelfde stof in hun luchtstof monsters aantreffen. Zo ontstaat er binnen korte tijd een beeld van de verspreiding van de kunstmatige radioactieve stof over Europa.
 

Sociale media zijn in deze tijd sneller met het doorgeven van nieuws dan de pers. Maar aan de andere kant kan iedereen iets beweren op Facebook, Twitter of een ander medium. Het checken van gegevens is dan heel belangrijk. Op 4 april meldde Yegor Firsov op zijn Facebookpagina Dat er brand was in de “verboden zone” bij Tsjenobyl. Op 5 april liet hij een filmpje van een stralingsmeter zien, die vlak bij de brand een dosistempo van 2,6 microsievert per uur liet zien. Het natuurlijke dosistempo is ongeveer 0,1-0,15 microsievert per uur. In een vliegtuig op 10 kmkilometer hoogte is het natuurlijke dosistempo trouwens hoger, ongeveer 3 tot 4 microsievert per uur. Dit is straling die uit de kosmos komt. Deze straling is er altijd, de atmosfeer rond de aarde houdt een hoop van deze straling tegen, maar hoe hoger je vliegt des te dunner de atmosfeer, en dus meer straling.
 

Yegor Firsov is het hoofd van de Ukraine state ecological inspection service, wat hem een betrouwbare bron van informatie maakte in de eerste dagen van het incident.
 

Ook was de State emergency service of Ukraine (https://www.dsns.gov.ua/en/Dovidka-za-dobu/) een goede bron van informatie, waardoor wij het verloop van de bluswerkzaamheden konden volgen. Dat we mensen in ons team hebben die redelijk Russisch kunnen lezen was daarbij een grote hulp.
 

Voor het volgen van de stralingsniveaus gebruikt het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu het eigen meetnetwerk, maar ook de netwerken van andere landen, gebundeld in het EURDEPEUropean Radiological Data Exchange Platform-programma van de Europese Unie (zie https://remap.jrc.ec.europa.eu/Simple.aspx). Het CTBTO (een VNVerenigde Naties-organisatie in Wenen, https://www.ctbto.org/) beschikt over meetposten over de hele wereld. Hun gegevens zijn beschikbaar voor de autoriteiten van de lidstaten, ook voor Nederland.

Hoe meten wij dosistempo (straling) in Nederland?

Het stralingsniveau (dosistempo) in Nederland wordt continu bewaakt door een systeem van ruim 160 meetposten verspreid over ons land, het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMRNationaal Meetnet Radioactiviteit). Bij een verhoogd dosistempo wordt automatisch de veiligheidsregio waar de meetpost staat en het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu gewaarschuwd. Het gemiddelde meetresultaat van het afgelopen uur van elke meetpost wordt op de website van het RIVM getoond: https://www.rivm.nl/nationaal-meetnet-radioactiviteit/resultaten.

Het dosistempo vanuit de bodem wordt vooral door de natuurlijke radioactieve stoffen (uranium en thorium) daarin bepaald, en varieert in ons land tussen de 35 en 75 nanosievert per uur, afhankelijk van de bodemsoort, zoals het kaartje laat zien. In kleigrond zit van nature meer radioactiviteit dan in zandgrond. Wereldwijd is het natuurlijke dosistempo ongeveer 100 nanosievert per uur. Het NMR kan kleine variaties van ca. 10 nanosievert per uur met gemak zichtbaar maken.

Meer informatie over het NMR is hier te vinden: https://www.rivm.nl/nationaal-meetnet-radioactiviteit.

Hoe werken de allergevoeligste metingen aan radioactiviteit in luchtstof?

Daarnaast worden er nóg nauwkeuriger metingen gedaan in de meeste Europese landen, zo ook bij het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Het plaatje toont het “Snow White” apparaat, dat op het dak van ons gebouw staat. In de rechthoekige kast staat een pomp met elektronica, het bolvormige stuk zuigt lucht aan (800 kubieke meter per uur) en leidt die lucht over een filter, dat het stof in de lucht opvangt. Een week lang wordt er lucht over het filter aangezogen, en daarna verwisseld met een schoon filter.
 


Het filter met luchtstof erop wordt opgevouwen en nagemeten op radioactiviteit, en daarna in een oven verast. De as wordt nog een keer gemeten om een nog veel nauwkeuriger meetresultaat te krijgen. Het duurt een kleine week voordat het meetresultaat van het opgevouwen filter bekend is, en daarna nog eens een week voordat de meting aan het veraste filter is gedaan. Omdat we een heel hoge gevoeligheid willen halen, moeten we een lange meettijd aanhouden.

Voor meer over milieumonitoring op het gebied van straling zie https://www.rivm.nl/straling-en-radioactiviteit/industrie-en-monitoring/milieumonitoring. Op https://www.rivm.nl/straling-en-radioactiviteit/rn-lab worden de metingen die op het radionucliden laboratorium van het RIVM worden uitgevoerd verder uitgelegd.

Straling in de natuur

Het is belangrijk om te weten dat er bij de metingen die het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu aan het luchtstof doet ALTIJD radioactiviteit wordt gemeten. Er wordt zowel alfa-, bèta als gammastraling gevonden. Deze radioactiviteit is van natuurlijke oorsprong en komt over de hele wereld voor. De stralingsdosis die mensen door het inademen van dat luchtstof ontvangen is zeer klein vergeleken bij andere stralingsbronnen in de natuur.
 

Zo komt er straling uit de bodem, zoals wij op het stralingskaartje van Nederland hierboven al zagen. En ook uit de lucht worden wij bestraald door deeltjes die op ons afkomen vanuit de zon en verder weg in de kosmos. Onze huizen bevatten materialen met natuurlijke radioactiviteit, en ook ons voedsel bevat natuurlijke radioactieve stoffen.
 

Op https://www.rivm.nl/straling-en-radioactiviteit/straling-van-natuurlijke-oorsprong is meer uitleg te vinden over straling in de natuur. Hoeveel stralingsdosis de gemiddelde Nederlander in een jaar ontvangt, en welke bronnen die dosis veroorzaken, staat hier: https://www.rivm.nl/straling-en-radioactiviteit/straling-van-natuurlijke-oorsprong/natuurlijke-straling-in-cijfers.

Meetresultaten in Nederland, 1990-2020

Het meetnet radioactiviteit (NMRNationaal Meetnet Radioactiviteit) (zie hierboven) meet continu de natuurlijke achtergrondstraling. Die is niet constant, maar varieert een klein beetje. Grote hoeveelheden radioactieve stoffen in de lucht, zoals bij een kernongeval in een van onze buurlanden, zullen meteen gesignaleerd worden door dit meetnet. Het NMR heeft sinds de start van de branden bij Tsjernobyl geen bijzonderheden laten zien.
 

Maar zeer verdunde radioactiviteit geeft zo weinig straling af dat het geen verhoogd signaal geeft op het stralingsmeetnet; het kan alleen met de meest gevoelige technieken (zoals de luchtstofmonitor “Snow White” hierboven) aangetoond kunnen worden. De gevonden meetwaarden worden niet uitgedrukt in een stralingstempo (nanosievert per uur), maar in een hoeveelheid radioactiviteit per hoeveelheid lucht (microbecquerel per kubieke meter). Met deze eenheid geef je dus aan hoeveel radioactieve deeltjes in de lucht zitten en straling uitzenden.
 

Stel je een kubus van 100 bij 100 bij 100 meter lucht voor (dus een miljoen kubieke meter), waarin radioactieve atomen gebonden aan luchtstof rondzweven. Als er in dat stuk lucht iedere seconde maar 1 atoom straling uitzendt, dat noemt men dan “een activiteit van 1 becquerel (Bq)”. Die activiteit zit in die kubus met een volume van een miljoen kubieke meter, dus je kunt ook spreken van “één becquerel per miljoen kubieke meter (Bq/1.000.000 m3kubieke meter)”, of “één micro (miljoenste) becquerel per kubieke meter (μBq/m3)”. En dat is precies de eenheid waarin we de resultaten van de luchtstofmetingen beschrijven. Als je zo weinig straling kunt opvangen (en dat kan met deze techniek), dan ben je dus letterlijk atomen aan het tellen.
 

Jaarlijks rapporteert het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu namens de Nederlandse overheid aan de EUEuropean Union over radioactiviteit in het milieu, waarin de metingen die alle relevante partijen in Nederland hebben gedaan in een kalenderjaar zijn samengevat. Ten tijde van het schrijven van dit artikel was het rapport over 2018 het nieuwste: https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2019-0216.pdf.
 

In dat rapport valt te lezen dat er ieder moment in Nederland ongeveer 4000 microbecquerel radioactiviteit in een kubieke meter lucht. Bijna al die radioactiviteit is van natuurlijke oorsprong. Van die 4000 bestaat gemiddeld 0,3 microbecquerel uit (niet natuurlijk) cesium-137. En elk jaar zijn er 1 tot 3 weken waarin de waarde voor cesium-137 iets hoger is, tussen de 1 en 2 microBq/m3.
 

Zie hieronder voor de grafiek uit het bovengenoemde rapport waarin wij de metingen aan cesium-137 in het luchtstof in de afgelopen 30 jaar laten zien. Daaruit leren wij dat er al 30 jaar elke week een klein beetje cesium-137 wordt gevonden, soms (een paar keer per jaar) een kleine verhoging, en heel soms wat meer.
 

Zo weten wij zeker dat de piek van 15 microBq/m3 in 1992 is veroorzaakt door hevige branden die woedden rondom Tsjernobyl. De piek van rond 7 microBq/m3 in 1998 is veroorzaakt door een incident in Algeciras, Spanje, waar een sterke cesium-137 bron is meegesmolten in een hoogoven.
Ook heel herkenbaar is de piek van 54 microBq/m3 uit 2011, het cesium dat enkele weken na het ongeval met de reactoren van Fukushima, sterk verdund, over Nederland trok.
 

Van 2000 tot 2009 heeft het RIVM luchtstof gemeten met apparatuur die minder gevoelig was. Het gevolg daarvan was dat men in die periode geen verschil tussen “zeer weinig” of “een beetje” kon meten. Het was óf nul, óf “een beetje”, zoals de twee piekjes in 2000 en 2006 laten zien. Vanaf 2009 meet RIVM weer met de meest gevoelige apparatuur, zodat dat onderscheid wel weer gemaakt kan worden. Ook kan men duidelijk zien dat er in de periode 1991-2000 wat meer cesium in het luchtstof zat, en dat het van week tot week wat meer varieerde, dan in de periode 2009-2018.

Meetresultaten in Nederland, april-mei 2020

De volgende tabel toont de RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu-meetresultaten in de periode dat de bosbranden bij Tsjernobyl nog niet onder controle waren:

Start lucht aanzuigen Einde lucht aanzuigen Cesium-137 concentratie (microBq/m3)
26-3-2020 2-4-2020 0,40 ± 0,04
2-4-2020 9-4-2020 0,23 ± 0,03
9-4-2020 16-4-2020 0,33 ± 0,04
16-4-2020 23-4-2020 1,43 ± 0,30
23-4-2020 30-4-2020 0,41 ± 0,04

 

Een resultaat als 0,40 ± 0,04 geeft de meetwaarde samen met de meetonzekerheid aan. Het betekent dat het “echte” getal met 66% waarschijnlijkheid tussen 0,36 (0,40-0,04) en 0,44 (0,40+0,04) zit. Je kan ook met het dubbele van de onzekerheid werken: de waarschijnlijkheid dat het “echte” getal tussen 0,32 (0,40-0,08) en 0,48 (0,40+0,08) zit is 95%.
 

Als we naar deze metingen kijken, dan passen die goed in het plaatje dat we de laatste jaren al zien: er wordt elke week wel een beetje cesium-137 in het luchtstof aangetroffen. En in de week van 16 tot 23 april 2020 is er iets meer gevonden, in lijn met de metingen van afgelopen jaren, dat er een- of tweemaal per jaar wel een week is waarin een waarde tussen de 1 en 2 microBq/m3kubieke meter cesium-137 wordt gevonden.
 

Hiermee is overigens niet aangetoond dat die licht verhoogde waarde veroorzaakt is door de bosbranden bij Tsjernobyl. Zoals in het begin van dit artikel is uitgelegd, kan het cesium in de lucht gekomen zijn door de branden, en naar ons land gewaaid zijn en in Bilthoven in ons meetapparaat terechtgekomen zijn. Door de grote afstand is het cesium wel enorm verdund geraakt. Die verdunningsfactor kunnen we uitrekenen met luchtverspreidingsmodellen. Onafhankelijk daarvan hebben we schattingen gemaakt van de hoeveelheid cesium-137 die maximaal in de lucht kan zijn vrijgekomen door de branden. Passen we daar die verdunningsfactor op toe, dan komen we op een veel lager getal uit dan we nu in Nederland hebben gemeten.
 

Het is ook mogelijk dat de in Bilthoven gemeten waarde afkomstig is van cesium dat lokaal, in Nederland is “opgewaaid”, samen met het “normale” stof, dat in vrij hoge concentratie in de lucht zat in april. Natuurlijk is in Nederland minder cesium aanwezig op een vierkante meter dan in de bossen bij Tsjernobyl, maar de onderweg naar Bilthoven wordt het stof veel minder verdund.
 

Het wetenschappelijk debat over wat we kunnen concluderen uit deze metingen is nog altijd gaande, de meest waarschijnlijke uitkomst is dat de gemeten hoeveelheid cesium een combinatie van deze twee geweest zijn. 

Wat betekenen de metingen voor de gezondheid in Nederland?

Stralingsdosis wordt uitgedrukt in een aantal millisievert. De gemiddelde Nederlander ontvangt jaarlijks 2,6 millisievert aan straling, waarvan 1,6 uit natuurlijke bronnen, en 1,0 vanwege medische diagnostiek. Daarover is hier meer te vinden: https://www.rivm.nl/straling-en-radioactiviteit/blootstelling-en-gezondheidsrisico.
 

Nog wat voorbeelden: een vliegreis naar Azië geeft ongeveer 0,05 millisievert, omdat op 10 kmkilometer hoogte (in een vliegtuig) het stralingstempo 30-40 keer hoger is dan op zeeniveau, vanwege de kosmische straling.
 

Een week in je huis zitten geeft een dosis (vanuit natuurlijke bronnen) van ongeveer 0,02 millisievert, en het verschil tussen een jaar in Zuid-Limburg of een jaar in Drenthe zijn (omdat de bodem in Drenthe wat minder hard straalt) is ongeveer 0,26 millisievert.
 

In de wetenschappelijke literatuur is te vinden wat er gebeurt als cesium-137 in luchtstof aanwezig is, en via inademing ons lichaam binnenkomt. Via de longen gaat het naar het bloed, en van daaruit verdeelt het zich gelijkmatig over heel ons lichaam. 10% van wat in het lichaam is gekomen verlaat al heel snel het lichaam (via urine en ontlasting) en de rest verlaat het lichaam in een langzamer tempo: na 4 maanden (110 dagen) is daarvan nog de helft in het lichaam aanwezig.
 

Met dit soort gegevens is het mogelijk om uit te rekenen wat de stralingsdosis zal zijn als men een bepaalde hoeveelheid radioactief cesium inademt. Die berekening loopt van het moment van inname tot wel 50 jaar verder en wordt daarom door stralingsdeskundigen de effectieve volgdosis genoemd. Door die berekening kan je uitrekenen wat je stralingsdosis zal zijn als je een bepaalde hoeveelheid cesium-137 inademt. (Voor de liefhebbers: die stralingsdosis is gelijk aan 4,8 nanosievert, ofwel 0,0000048 millisievert, per ingeademde becquerel).
 

In de week van 16 tot 23 april zat er gemiddeld 1,7 μBq/m3kubieke meter cesium-137 in de lucht boven Bilthoven, en de mensen daar hebben dus 7 maal 24 is 168 uur die lucht ingeademd. Een volwassene met die rustige ademhaalt ademt 1,2 kubieke meter lucht per uur in, we ademen dus (afgerond) 200 kubieke meter lucht in, per week. In die week hebben we dus 200 maal 1,7 = 340 microbecquerel aan cesium-137 ingeademd. Om een idee te geven hoe weinig dat is: 0,0000000000000001 gram.
 

Is dat nu risicovol, het inademen van 340 microbecquerel aan cesium-137? Om dat te berekenen kan je dat aantal becquerel vermenigvuldigen met de hierboven genoemde 4,8 nanosievert per ingeademde becquerel. De ontvangen stralingsdosis is 340 miljoenste maal 4,8 = 0,0016 nanosievert. Dat is minder dan de dosis die je iedere 0,1 seconde uit de natuur ontvangt, of je nu thuis zit, of buiten bent.
 

Deze verhoging valt ook in het niet bij de verschillen in natuurlijke achtergrondstraling die er zijn in Nederland, bijvoorbeeld het verschil tussen de zanderige Drentse gronden en de zwaardere gronden in het rivierengebied of in Zuid-Limburg.
 

De conclusie van deze berekening is dat de dosisbijdrage van zo’n kleine verhoging van de radioactiviteit in het luchtstof totaal in het niet valt bij de natuurlijke achtergrondstraling waar wij altijd en overal aan blootgesteld worden.