Overzicht van bijzondere meldingen, clusters en epidemieën van infectieziekten in binnen- en buitenland tot en met 10 december 2020. 

Infectieziekten Bulletin: december 2020

Auteurs: S. Keijser, B. Schimmer
Infectieziekten Bulletin, jaargang 31, nummer 3, december 2020

Epidemiologische situatie COVID-19 in Nederland en wereldwijd

In week 49 zijn er ruim een kwart (27%) meer nieuwe meldingen van COVID-19 gerapporteerd dan in week 48. In de week van 2 tot en met 8 december zijn er 43.103 nieuwe mensen met een positieve SARS severe acute respiratory syndrome-CoV coronavirus-uitslag gemeld: een stijging van ruim 9.000 vergeleken met week 48 toen 33.949 mensen met COVID-19 werden gemeld . In iedere veiligheidsregio is sprake van een stijging van het aantal positieve testuitslagen per 100.000 inwoners. Het percentage mensen met een positieve testuitslag steeg naar 11,6%, in vergelijking met 11,1% in week 48. Het reproductiegetal van 20 november was 1,00 (95% CI Canadian Intense 0,97-1,03). Het aantal besmettelijke personen was per die datum 87.000 (95% BI 61.895-114.478).

Ziekenhuis- en IC intensive care opnames

Er zijn 1.229 patiënten met COVID-19 opgenomen in het ziekenhuis (vergeleken met 1.007 opnames in week 48). Het aantal patiënten op de intensive-care-afdelingen (IC) was 179 in week 49 (vergeleken met 183 in week 48). Van 30 november tot en met 6 december werden in de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst-teststraten 339.054 testen afgenomen (figuur 1). Er zijn in die week 66.780 testen meer afgenomen dan de week ervoor toen 272.274 mensen werden getest. Van 320.205 testen was de testuitslag bekend. Van deze groep testte 11,6% positief. Het percentage positief nam gedurende de week toe, zowel bij personen met als zonder klachten (figuur 1). Er zijn in de week van 1 tot en met 7 december 18.700 mensen getest zonder klachten (6,7% van het totaal aantal afgenomen testen), waarvan 10,3% positief testte.

Vanaf 1 december 2020 kunnen huisgenoten en mensen die in het bron- en contactonderzoek van de GGD’en als overig nauw contact naar voren zijn gekomen, zich 5 dagen na de laatste blootstelling laten testen met een PCR polymerase chain reaction-test; ook als zij geen klachten hebben. Bij een negatieve uitslag mag men uit quarantaine. Dit geldt ook voor mensen die een melding van de CoronaMelder-app hebben gekregen. De huidige capaciteit in de teststraten is ruim voldoende om de extra stroom van (asymptomatische) contactenpersonen aan te kunnen. In het algemeen ontvangt iemand die telefonisch via 0800-1202 of online een testafspraak in de GGD-teststraten heeft gemaakt, de  testuitslag binnen 34 uur.

Het aantal COVID-19 meldingen per 100.000 inwoners is in week 49 in alle leeftijdsgroepen gestegen, vergeleken met week 48, met de grootste stijging in de leeftijdsgroepen 13-17 jaar en 18-24 jaar (figuur 2).  Het aantal nieuwe verpleeghuislocaties en woonzorgcentra met tenminste 1 vastgestelde COVID-19 besmetting is ook gestegen, van 77 locaties in de week van 25 november tot en met 1 december naar 100 locaties in de week van 2 tot en met 8 december (figuur 3).Voor een uitgebreider en het meest recente overzicht verwijzen we u naar het wekelijkse rapport over de Epidemiologische situatie van COVID-19 in Nederland. Epidemiologische curves van meldingen, ziekenhuisopnames en overlijdens zijn hier te vinden. Dagelijks wordt de open data van COVID-19 bijgewerkt. (Bronnen: RIVM, Osiris, GGD GHOR Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio, Stichting NICE)

Het aantal afgenomen SARS-CoV-2 testen en percentage positieve testen van mensen met klachten en van mensen zonder klachten. Sinds 1 december kunnen mensen zonder klachten zich laten testen na 5 dagen quarantaine, indien ze huisgenoten zijn of vanuit BCO of de CoronaMelder-app als overig nauw contact van iemand met COVID-19 naar voren komen.

Figuur 1. Het aantal afgenomen SARS-CoV-2 testen en percentage positieve testen van mensen met klachten en van mensen zonder klachten. Sinds 1 december kunnen mensen zonder klachten zich laten testen na 5 dagen quarantaine, indien ze huisgenoten zijn of vanuit BCO bron- en contactonderzoek of de CoronaMelder-app als overig nauw contact van iemand met COVID-19 naar voren komen. (Bron: RIVM)

Aantal meldingen van COVID-19 per 100.000 mensen, per leeftijdscategorie, per week, Nederland, week 44-49, 2020

Figuur 2. Aantal meldingen van COVID-19 per 100.000 mensen, per leeftijdscategorie, per week, Nederland, week 44-49, 2020. (Bron: RIVM)

Aantal nieuwe verpleeghuis- en woonzorgcentrumlocaties met tenminste 1 laboratorium bevestigde COVID-19 patiënt vanaf 31 augustus tot en met 7 december 2020. Een verpleeghuis of woonzorgcentrum wordt meegeteld als ‘nieuwe locatie’ wanneer er tenminste 28 dagen vóór de positieve test geen nieuwe patiënten zijn gemeld. (Bron: RIVM)

Figuur 3. Aantal nieuwe verpleeghuis- en woonzorgcentrumlocaties met tenminste 1 laboratorium bevestigde COVID-19 patiënt vanaf 31 augustus tot en met 7 december 2020. Een verpleeghuis of woonzorgcentrum wordt meegeteld als ‘nieuwe locatie’ wanneer er tenminste 28 dagen vóór de positieve test geen nieuwe patiënten zijn gemeld. (Bron: RIVM)

Binnenlandse signalen

Echtpaar met cholera opgelopen in Togo

In november is een gezond echtpaar kort na terugkomst van familiebezoek in Togo in het ziekenhuis opgenomen met ernstige dehydratie door braken en hevige, ‘rijstewater-diarree'. Dit leidde tot een vrijwel anure nierinsufficiëntie. De indexpatiënt kreeg tijdens de terugreis naar Nederland de eerste klachten; de partner kreeg een week daarna soortgelijke klachten. De vermoedelijke bron is consumptie van voedsel van een straatverkoper in Togo. Deze casus illustreert dat import van cholera via reizigers sporadisch voorkomt in Nederland. Ondanks de COVID-19- epidemie gaan er nog steeds mensen op reis, met name om vrienden en familie in het buitenland te bezoeken. Cholera is endemisch in onder andere West-Afrika. Het blijft dus belangrijk om alert te zijn op cholera bij reizigers naar endemische gebieden. (Bronnen: GGD Amsterdam, AUMC, Promed, WHO, LCR Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, Osiris)

Verwachte seizoensstijging RSV Respiratoir Syncytieel Virus-infecties blijft vooralsnog uit

Het aantal laboratoriumdetecties respiratoir syncytieel virus (RSV) in de virologische weekstaten blijft vooralsnog erg laag. Normaliter begint het aantal detecties rond kalenderweek 44-46 te stijgen (figuur 4), maar dat is in 2020 tot en met week 47 nog niet het geval. In de afgelopen 3weken werden respectievelijk 3 (week 47), 2 (week 46) en 1 (week 45) detecties gemeld, in de voorgaande 9 seizoenen werden tussen de 10 en 103 detecties gemeld in week 47. Nog niet alle laboratoria hebben hun gegevens voor week 47 gemeld. In de ziekenhuizen zijn op dit moment ook nog maar weinig opnames voor RSV. In de meeste jaren begint het aantal RSV-opnames op de kinderafdelingen eind november toe te nemen en ligt de piek in december. Of het gaat om een late start van het RSV-seizoen, of van een verminderde circulatie (waarschijnlijk samenhangend met social-distancing-maatregelen vanwege de COVID-19-pandemie) moet de komende tijd blijken. Door genoemde maatregelen is het aannemelijk en bekend dat ook andere respiratoire pathogenen minder circuleren. De detecties  van RSV in de virologische weekstaten en ziekenhuisopnames hebben echter over het algemeen betrekking op jonge kinderen, op wie de COVID-19-maatregelen minder van toepassing zijn. In New South Wales (Australië) heeft na het meer loslaten van social-distancing-maatregelen een flinke stijging ingezet van het aantal kinderen met RSV-infectie en bronchiolitis, ver na het reguliere RSV-seizoen aldaar. De conclusie is dat er sprake is van een opvallende afwezigheid van RSV-infecties in Nederland, waarbij rekening wordt gehouden met een uitgestelde epidemie. (Bronnen: Virologische weekstaten, WKZ Wilhelmina Children's Hospital, Overheid New South Wales)

Aantal RSV-meldingen per week, week 35 2011- week 47 2020. (Bron: Virologische weekstaten)

Figuur 4. Aantal RSV-meldingen per week, week 35 2011- week 47 2020. (Bron: Virologische weekstaten)

Rapport ontwikkelingen Rijksvaccinatieprogramma

De landelijke vaccinatiegraad is voor het eerst in 5 jaar, voor vrijwel alle vaccinaties, gestegen. Bij kinderen die geboren zijn in 2017 is de vaccinatiegraad tegen bof, mazelen en rodehond met 0,7% gestegen tot 93,6%. Ook de HPV humaan papillomavirus-vaccinatiegraad  voor meisjes geboren in 2005, steeg naar 53%. In 2019 kwamen er weinig meldingen binnen van mensen die een ziekte kregen waartegen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP Rijksvaccinatie programma) wordt ingeënt. Van maart tot en met juni 2020 zijn er minder patiënten met kinkhoest, invasieve pneumokokkenziekte, meningokokkenziekte en bof gemeld. In deze periode waren coronamaatregelen, zoals social distancing en de sluiting van scholen, van kracht. Eind 2019 werd de maternale kinkhoestvaccinatie voor zwangere vrouwen, ook wel de 22 wekenprik genoemd, onderdeel van het RVP. Kinkhoestvaccinatie tijdens de zwangerschap is een effectieve manier om het pasgeboren kind in de eerste levensmaanden tegen ernstige kinkhoest te beschermen. Dit gebeurt met name door overdracht van kinkhoest-specifieke antistoffen van moeder naar kind. In april en mei 2020 is de vaccinatiegraad van deze 22 wekenprik geschat op ongeveer 70%. In 2020 zou de pneumokokkenvaccinatie worden aangeboden aan ouderen van 60, 65, 70 en 75 jaar. Vanwege de COVID-19 epidemie heeft de staatssecretaris van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ), op advies van de Gezondheidsraad, besloten de vaccinatie eerst aan te bieden aan de oudste leeftijdsgroepen (73 tot en met 79-jarigen). In het rapport staan surveillancedata en wetenschappelijke ontwikkelingen van de 12 infectieziekten waartegen binnen RVP wordt ingeënt. Ook staat er informatie in over infectieziekten die (nog) niet in het RVP zitten, maar waarvoor wel een vaccin beschikbaar is, zoals waterpokken en gordelroos. Het rapport verschijnt elk najaar. (Bron: RIVM)

 

Buitenlandse signalen

COVID-19 in Caribisch Nederland

Op Curaçao blijft het aantal nieuwe meldingen van COVID-19 verder stijgen (figuur 5). In totaal zijn er tot en met 9 december 3.325 meldingen geregistreerd. De incidentie in week 49 was 431 per 100.000 inwoners,  vergeleken met 343 per 100.000 in week 48. Op 9 december waren 18 patiënten opgenomen in het ziekenhuis, waarvan 3 op de IC. De maatregelen die 1 december op Curaçao zijn ingegaan blijven 3 weken van kracht. Per 8 december geldt voor Curaçao het aangepaste reisadvies code oranje: alleen noodzakelijke reizen. Op Aruba daalt sinds 4 december het dagelijks aantal nieuwe besmettingen. Op 9 december waren er 9 patiënten opgenomen in het ziekenhuis, echter niet op de IC. De incidentie in week 49 was 104 nieuwe besmettingen per 100.000 personen vergeleken  88 per 100.000 in week 48. 

  • Op Sint Maarten stijgt het aantal nieuwe besmettingen. In totaal zijn er 1.185 bevestigde patiënten met COVID-19 op het eiland. Op 9 december waren er 112 actieve besmettingen waarvan 6 patiënten opgenomen in het ziekenhuis.  In week 49 was de incidentie 127 per 100.000 personen vergeleken met 100 per 100.000 personen in week 48. 
  • Op Bonaire worden sporadisch nieuwe patiënten met COVID-19 gemeld, en zijn er slechts 5 patiënten met een actieve COVID-19 infectie.
  • Op Sint Eustatius zijn er sinds 9 oktober weer 2 nieuwe COVID-19 patiënten gemeld met een importinfectie die al in quarantaine verbleven.
  • Op Saba zijn er al sinds een aantal maanden geen nieuwe meldingen. De laatste patiënt met COVID-19 werd gemeld op 1 augustus.
 Aantal COVID-19 meldingen naar eerste ziektedag en eiland, Caribisch Nederland, 1 juli – 9 december 2020.Deze figuur is gebaseerd op datum eerste ziektedag. Als deze ontbrak of de persoon was asymptomatisch is de datum van testen gebruikt. Van de meest recente casussen is vaak de meldingsdatum gebruikt vanwege het ontbreken van aanvullende informatie. (Bronnen: RIVM (IHR-casusregister Dutch Caribbean), media)

Figuur 5. Aantal COVID-19 meldingen naar eerste ziektedag en eiland, Caribisch Nederland, 1 juli – 9 december 2020.Deze figuur is gebaseerd op datum eerste ziektedag. Als deze ontbrak of de persoon was asymptomatisch is de datum van testen gebruikt. Van de meest recente casussen is vaak de meldingsdatum gebruikt vanwege het ontbreken van aanvullende informatie. (Bronnen: RIVM (IHR International Health Regulations-casusregister Dutch Caribbean), media)

Risicobeoordeling COVID-19 in Europa in december 2020

Het aantal meldingen van COVID-19 per 100.000 inwoners, en daaraan gerelateerde sterfgevallen is nog steeds hoog in de landen van de Europese Unie (EU European Union ), Liechtenstein, Noorwegen en IJsland (EER Expected ecological risk - Europese Economische Ruimte) en het Verenigd Koninkrijk (VK). Gedurende de 2 weken voor 29 november 2020 werden 473 mensen met COVID-19 gemeld per 100.000 inwoners (range tussen landen: 57,7–1186). Figuur 6 toont het aantal meldingen in de afgelopen 14 dagen in de EU/EEA en het VK per 100.000 mensen per landregio. De 14-daagse incidentie in Nederland van 433 meldingen per 100.000 inwoners plaatst Nederland in de grote groep van landen waar de situatie nog zeer zorgelijk is. In Europa is alleen in IJsland een stabiel lage situatie van de COVID-19-pandemie.Het European Centre for Disease prevention and Control (ECDC European Centre for Disease Prevention and Control) beoordeelt het risico dat de COVID-19-pandemie vormt voor de algemene bevolking in de EU/EER en het VK, als hoog, en voor kwetsbare mensen als zeer hoog. Gezien de huidige epidemiologische situatie en vooruitlopend op de feestdagen in december en de verminderde acceptatie van maatregelen door de bevolking, waarschuwt het ECDC voor het te vroeg of abrupt opheffen of versoepelen van maatregelen en benadrukt het belang van goede communicatie vanuit de overheden. (Bron: ECDC)

Aantal COVID-19-meldingen in week 47 en 48 in de EU/EEA en het VK per 100.000 inwoners per landregio’s. (Bron: ECDC)

Figuur 6. Aantal COVID-19-meldingen in week 47 en 48 in de EU/EEA en het VK per 100.000 inwoners per landregio’s. (Bron: ECDC)

World Malaria Report uitgebracht

Recent bracht de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) het World Malaria Report uit over 2019. Hierin staan de ontwikkelingen op het gebied van ziektelast, sterfte en controlemaatregelen met betrekking tot malaria in landen uit alle WHO-regio’s. Tussen 2000 en 2019 nam wereldwijd de incidentie van malaria en de daaraan gerelateerde sterfte af in totale aantallen en meldingen per 1.000 risicopopulatie. Daarbij werd in het eerste decennium de meeste vooruitgang geboekt, echter de laatste jaren is er juist weer sprake van stagnatie. Ondanks een afname in de incidentie in de Afrikaanse WHO-regio, kwamen hier door sterke populatiegroei in totale aantallen juist méér patiënten voor in 2019 dan in 2000 (tabel 1). In de meeste andere WHO-regio’s neemt de incidentie zowel in absolute aantallen als per 1.000 populatie af (figuur 7). Wereldwijd daalde het patiënten jonger dan 5 jaar van 84% in 2000 tot 67% in 2019.

Tabel 1. Wereldwijde malaria-incidentie per jaar in absolute aantallen en per 1.000 risicopopulatie, in het jaar 2000, 2015 en 2019. * 94% van de malariameldingen wereldwijd komt uit Afrika. (Bron: WHO)

  Wereldwijd     Afrika*  
Jaar 2000 2015 2019 2000 2019
Totaal aantal (xM) 238 218 229 204 215
Incidentie per 1.000 risicopopulatie 80 58 57 336 225
Sterfte totaal 736.000 453.000 409.000 680.000 384.000
Sterfte per 1.000 risicopopulatie 25 12 10 121 40
Voortgang van malaria-endemische landen richting de Global Technical Strategy for Malaria doelstelling (minimaal 40% reductie in malaria-incidentie in 2020 ten opzichte van 2015). (Bron: WHO)

Figuur 7. Voortgang van malaria-endemische landen richting de Global Technical Strategy for Malaria doelstelling (minimaal 40% reductie in malaria-incidentie in 2020 ten opzichte van 2015). (Bron: WHO)

Plasmodium falciparum is mondiaal de meest voorkomende malariaparasiet en veroorzaakt verreweg het grootste deel van zowel alle ziektegevallen en sterfte door malaria. Het aandeel van de tweede meest belangrijke species, P. vivax, daalde tussen 2000 en 2019 van 7% tot 3% van alle ziektegevallen en slechts een fractie van alle sterfgevallen. De WHO waarschuwt voor onder andere het toenemend voorkomen van P. falciparum-isolaten met deleties in pfhrp2- en pfhrp3-genen. Deze gedeleteerde isolaten zijn niet meer detecteerbaar met de meest gebruikte sneltesten, omdat die gebaseerd zijn op het histidine-rijk eiwit 2 (HRP2). 32 van de 39 landen die hierover rapporteerden meldden er parasietisolaten met deleties in pfhrp2-genen zijn vonden, maar de algehele omvang van dit probleem moet beter in kaart gebracht worden.Door de COVID-19-pandemie zijn in 2020 in een aantal landen anti-malariacontroleprogramma’s (o.a. het uitdelen van met insecticide geïmpregneerde klamboes) gedeeltelijk of geheel onderbroken en is toegang tot adequate diagnostiek en behandeling (verder) onder druk komen te staan. Het effect hiervan op de malaria-incidentie moet nog blijken. (Bronnen: WHO, Radboudumc Radboud University Medical Centre)


Auteurs
S. Keijser, B. Schimmer, Centrum Infectieziektebestrijding, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Correspondentie
Sylvia Keijser, Barbara Schimmer

Reactie toevoegen