De hygiënerichtlijn voor GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst'en is voor het laatst volledig herzien in 2019. Tussentijdse wijzigingen sinds de laatste herziening staan aangegeven in de Verantwoording.

De reinigingsschema’s bij deze richtlijn kunt u hier downloaden als Word-document. Voor het maken van een checklist of rapport kunt u gebruik maken van de normenlijst.

 

1 Inleiding

In deze inleiding staat voor wie de richtlijn voor de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst’en is geschreven en wat het doel van de hygiëne-eisen is. Ook wordt uitgelegd waarom hygiëne belangrijk is. Daarnaast vindt u een leeswijzer als ondersteuning bij het vinden van specifieke informatie.

Voor wie is deze hygiënerichtlijn?

De richtlijn is geschreven voor alle GGD-medewerkers die contact hebben met cliënten(materiaal). Hoofdverantwoordelijkheid voor de implementatie en uitvoering van de richtlijn ligt bij het management, omdat zij direct verantwoordelijk zijn voor een goede hygiëne binnen hun organisatie. Als ondersteuning voor managers zijn kant-en-klare instructies opgenomen voor uitvoerend medewerkers. Voor de afdeling JGZJeugdgezondheidszorg is er een aparte richtlijn.

Wat is het doel van deze richtlijn?

Deze richtlijn geeft een overzicht van de minimale hygiëne-eisen waar de GGD’en aan moeten voldoen. U vindt in dit document zowel richtlijnen over bouw, inrichting en reiniging als richtlijnen die direct te maken hebben met de hygiënische uitvoering van handelingen zoals medische handelingen, dierplaagbeheersing en afvalverwerking.

GGD’en zijn op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) verplicht om het infectierisico zo klein mogelijk te maken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJInspectie Gezondheidszorg en Jeugd) controleert of uw instelling hieraan voldoet. Daarnaast zijn werkgevers volgens de Arbowet en -regelgeving verplicht om hun medewerkers te beschermen tegen risico’s. 

Hygiëne en micro-organismen

Een goede hygiëne voorkomt de verspreiding van micro-organismen en is een belangrijk onderdeel van infectiepreventie. Voorbeelden van micro-organismen zijn bacteriën, virussen en schimmels. Micro-organismen zijn onzichtbaar voor het blote oog en komen overal voor: op de huid, in lichaamsvloeistoffen zoals bloed, urine, ontlasting en speeksel, op meubels en gebruiksvoorwerpen, in de lucht, in water, op en in voedsel. De meeste zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar sommige kunnen ziekten veroorzaken.  

Door contact tussen mensen kunnen deze micro-organismen zich van de ene mens naar de andere verspreiden. Als ze zich vervolgens in het lichaam vermenigvuldigen, kan iemand ziek worden. Zulke ziektes noemen we infectieziekten.

Of een besmetting uitgroeit tot een infectie, heeft met verschillende factoren te maken: 

  • de hoeveelheid micro-organismen waarmee iemand besmet is;
  • hoe gemakkelijk de micro-organismen mensen ziek maken; 
  • de mate van immuniteit van de persoon.

Hoe verspreiden micro-organismen zich?

Micro-organismen verspreiden zich op de volgende manieren: 

  • via de handen;
  • door de lucht (via druppels door hoesten, huidschilfers of stof);
  • via voedsel en water;
  • via voorwerpen (o.a. deurklinken, kranen, toetsenborden);
  • via lichaamsvloeistoffen (o.a. bloed, ontlasting, braaksel, speeksel, urine); 
  • via dieren (huisdieren en insecten).

Hygiëne voorkomt ziekte

Als GGD-medewerker kunt u infectieziekten tijdens het werk oplopen en ook verspreiden. Infectierisico’s beperkt u in de eerste plaats door een goede hygiëne. Alle regels in deze richtlijn hebben hiermee te maken.

Leeswijzer

Elk hoofdstuk en elke paragraaf begint met een korte inleidende tekst. Hierin leest u waarom het onderwerp belangrijk is. Daarna volgt een opsomming van de hygiënenormen.

Hygiënenormen

  • De hygiënenormen staan in een geel kader. Dit zijn de minimale eisen aan een goed hygiënebeleid. U mag hier alleen van afwijken als u een vergelijkbaar of beter alternatief toepast. Beargumenteer deze afwijking dan in uw hygiënebeleid. 

Tips

  • Tips herkent u aan de schuingedrukte tekst in een grijs kader. Deze punten zijn vrijblijvend. Maar als u de tips opvolgt, werkt u hygiënischer. 

In de bijlagen vindt u printklare reinigingsschema’s, instructies handhygiëne en overige instructies voor uitvoerend medewerkers. In de bijlagen vindt u tevens een begrippenlijst en een bronnenlijst.

Tot slot: deze richtlijn beperkt zich tot algemene werkzaamheden. Het is dus mogelijk dat er situaties voorkomen waar deze richtlijn geen kant-en-klaar antwoord op heeft. Bespreek deze situaties met interne deskundigen of neem contact op het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (LCHVLandelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid).

2 Hygiënisch handelen

Dit hoofdstuk gaat over hygiënisch handelen. Specifieke informatie over reinigen en desinfecteren staat in hoofdstuk 3.

Voor een optimale hygiëne is het niet alleen belangrijk dat medewerkers weten hoe ze moeten werken, maar ook waarom ze dat moeten doen. De volgende situaties verhogen het risico op besmetting:

  • contact met cliëntenmateriaal, zoals bloed en lichaamsvloeistoffen;
  • contact met de niet-intacte huid of slijmvliezen;
  • contact met gebruikt verpleeg- en behandelmateriaal;
  • contact met ziekteverwekkers in de lucht. 

2.1 Algemene hygiënemaatregelen medewerker

Medewerkers en cliënten hebben veel contact met elkaar. Hierbij kunnen micro-organismen zich gemakkelijk verspreiden via de handen, kleding en gedeelde materialen. Kennis over infectieziekten en de overdracht van micro-organismen is nodig om de noodzaak van hygiënemaatregelen te begrijpen.

Hygiënenormen

  • Zorg dat medewerkers goed weten hoe infectieziekten worden overgebracht én wat ze hier tegen kunnen doen.

Tips

  • Geef scholing met betrekking tot infectiepreventie als onderdeel van het inwerkprogramma.

Persoonlijke hygiënemaatregelen 

Persoonlijke hygiëne van medewerkers houdt in dat zij naast schone kleding, ook verzorgde haren hebben, wondjes goed afdekken en een goede hoesthygiëne hanteren. Micro-organismen kunnen ook gemakkelijk overgebracht worden via onverzorgde handen en nagels. Kunstnagels, lange nagels en nagellak belemmeren een goede handhygiëne. Een intacte, soepele en verzorgde huid beschermt tegen ziekmakende micro-organismen. Geef uw medewerkers de volgende instructies:

Hygiënenormen

  • Steek lang haar op of draag het bijeengebonden zodanig dat het haar niet in contact kan komen met (de omgeving van) de cliënt.
  • Houd baarden en snorren schoon en kort.
  • Draag geen hand- en polssieraden. Ook gladde (trouw)ringen, horloges, braces en lange kettingen zijn niet toegestaan.
  • Houd nagels kort. Gebruik geen nagellak en draag geen kunst-, gel- of acrylnagels.
  • Dek wondjes aan de handen af met een waterafstotende pleister.
  • Hoest/nies met een afgewend gezicht, gebruik een papieren zakdoek/tissue voor de mond. Bij gebrek aan een papieren zakdoek/tissue gebruik de binnenkant van de ellenboog. Gebruik zakdoeken eenmalig en gooi deze na gebruik meteen weg. Pas hierna direct handhygiëne toe.
  • Trek dagelijks schone (dienst)kleding aan. Trek ook schone kleding aan als de kleding zichtbaar vervuild is met lichaamsvloeistoffen. 
  • Draag bovenkleding met korte mouwen of rol de mouwen op wanneer uw handen of kleding in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen.

Tips

  • Zorg dat er een reservesetje (privé- of dienst)kleding aanwezig is.

Handhygiëne

Een van de meest voorkomende manieren waarop micro-organismen worden verspreid, is via de handen. Er zijn twee manieren waarop u handhygiëne kunt toepassen. Door de handen te wassen met water en vloeibare zeep, of door de handen te desinfecteren met een handdesinfecterend middel. Na het wassen of desinfecteren kunnen uw handen droog aanvoelen. U kunt dan een handcrème gebruiken.

Hygiënenormen

  • Was uw handen met water en vloeibare zeep als ze zichtbaar vuil zijn.
    Gebruik dan geen handdesinfecterend middel; door zichtbaar vuil vermindert de werking.
  • Zijn uw handen niet zichtbaar vuil? Dan mag u kiezen of u uw handen wast of desinfecteert.
    Voor goede handhygiëne is het voldoende als u alleen wast of desinfecteert. Doe het dus niet beide, direct na elkaar; uw huid droogt dan meer uit en beschadigt sneller.
  • Was of desinfecteer uw handen volgens de instructies in bijlage 1.
  • Was de handen met water en vloeibare zeep:
    • als ze zichtbaar vuil zijn;
    • wanneer ze plakkerig aanvoelen;
    • na een toiletbezoek;
    • na hoesten, niezen of het snuiten van de neus.
  • Pas handhygiëne toe:
    • voor en na het (bereiden van) eten;
    • voor en na medische (en verpleegkundige) handelingen;
    • na schoonmaakwerkzaamheden;
    • na het uittrekken van handschoenen.
  • Gebruik alleen handdesinfecterende middelen die zijn toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Zie bijlage 4.  
  • Na het wassen of desinfecteren kunnen uw handen droog aanvoelen. Gebruikt u hiervoor handcrème? Gebruik dan handcrème uit een tube of dispenser. 

2.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen

Om het infectierisico te verkleinen, moeten medewerkers in sommige gevallen persoonlijke beschermingsmiddelen dragen. Zoals bij mogelijk contact met lichaamsvloeistoffen en bij bepaalde infectieziekten. Zorg ervoor dat er voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen in de originele verpakking in de directe omgeving van medische zorghandelingen en/of onderzoek aanwezig zijn. Geef medewerkers instructies over het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en zorg voor periodieke training in de juiste omgang.

Handschoenen 

In bepaalde gevallen zijn handschoenen verplicht om het infectierisico te verkleinen. Dit is onder normale omstandigheden niet nodig bij vaccinatie of bloedafname met een gesloten afnamesysteem (zoals een vacuümsysteem).

Het dragen van handschoenen is wél vereist in situaties met een verhoogde kans op besmetting. Ook hier moeten medewerkers goed op hun eigen persoonlijke hygiëne letten. Geef de volgende instructies: 

Hygiënenormen

  • Draag handschoenen wanneer uw handen in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen of de niet-intacte huid. Dit is bijvoorbeeld bij:
    • het sorteren van de vuile was;
    • wondverzorging;
    • het reinigen of desinfecteren van voorwerpen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen op zitten.
  • Gebruik in bovenstaande gevallen alleen handschoenen:
    • die gemaakt zijn van poedervrije latex of nitril;
    • die voldoen aan de NENNederlandse norm over informatiebeveiliging in de zorg: EN 420, EN 455 én EN 374 (deze normen moeten op de verpakking zichtbaar zijn);
    • uit een verpakking voorzien van een CEConformité Européenne-markering (zie afbeelding);
      logo CE-markering
    • uit een verpakking waarop de naam en het adres van de producent staat; als dit geen adres binnen de EUEuropean Union is, moet ook de naam en het adres van de EU-vertegenwoordiger vermeld zijn. 
  • Heeft u of uw cliënt (mogelijk) een latexallergie type I, gebruik dan nitril. Raadpleeg bij twijfel een arts. 
  • Raak geen contactpunten zoals deurknoppen, toetsenborden, telefoons en andere apparaten en materialen aan wanneer u handschoenen draagt. 
  • Gebruik per cliënt, per handeling en bij beschadiging van de handschoen(en) nieuwe handschoenen. 
  • Trek handschoenen na gebruik uit en gooi ze weg. 
  • Pas direct na het uittrekken van de handschoenen handhygiëne toe. 

Beschermende kleding en mondneusmaskers 

Om te voorkomen dat medewerkers besmet raken met ziekteverwekkers, moeten zij in sommige gevallen waarbij (dienst)kleding en/ of gelaat in contact kan komen met lichaamsvloeistoffen  een schort en/ of mondneusmasker dragen. Hierbij rekening houdend met het soort micro-organisme en besmettingsrisico.

Hygiënenormen

  • Zorg ervoor dat de persoonlijke beschermingsmiddelen in de originele verpakking in de directe omgeving van medische zorghandelingen en/of onderzoek aanwezig zijn.
  • Draag handschoenen wanneer uw handen in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen.
  • Zorg dat besmetting voorkomen wordt door beschermende kleding gesloten te dragen over de (dienst)kleding. Gebruik bij voorkeur wegwerpkleding, trek deze na gebruik direct uit.
  • Draag een chirurgisch (NEN-EN 14683 type IIR) mondneusmasker met gelaatsbescherming (of spatbril- of scherm NEN-EN 166) bij iedere handeling waarbij kans bestaat op spatten in het gezicht. Gooi het masker direct na gebruik weg.
  • Draag bij contact met een cliënt met mogelijk tuberculose een FFP2-masker (NEN-EN 149+A1). Zorg daarbij voor een goede aansluiting van masker en gezicht. Volg de instructies van de fabrikant van de maskers.
  • Zorg ervoor dat er periodiek geoefend wordt met persoonlijke beschermingsmaterialen.
  • Draag, bij een kans op een besmetting van een specifieke infectieziekte, de persoonlijke beschermingsmiddelen zoals aangegeven in de LCI-richtlijn van deze infectieziekte. 

2.3 Hygiënisch werken

Hygiënisch werken is van belang om besmetting met (ziekmakende) micro-organismen te voorkomen. 

Eten en drinken

Bij het bereiden van eten en drinken is het mogelijk dat er micro-organismen in of op het eten of drinken terechtkomen. 

Hygiënenormen

  • Voer geen cliëntgebonden werkzaamheden uit in een ruimte waar (gelijktijdig) voedsel of dranken worden bereid of genuttigd.

(Communicatie)apparatuur

Gebruik bij voorkeur géén apparatuur zoals telefoons, tablets en toetsenborden tijdens cliëntgebonden werkzaamheden. Deze kunnen besmet zijn met micro-organismen. Hierdoor is het mogelijk dat er micro-organismen via de handen worden overgedragen.

Hygiënenormen

  • Reinig (communicatie)apparatuur dagelijks. Zie paragraaf 3.1 voor informatie over reinigen. 
  • Pas vooraf én achteraf handhygiëne toe bij het gebruik van (communicatie)apparatuur tijdens cliëntgebonden werkzaamheden.

(Scherp) afval

Bij het verlenen van medische zorg of het injecteren kunnen scherpe materialen zoals naalden of mesjes worden gebruikt. Omdat deze materialen tijdens het gebruik besmet kunnen raken met micro-organismen van de cliënt, mogen ze niet worden weggegooid bij het huishoudelijk afval. In 2013 is nieuwe Europese wetgeving van kracht geworden die werkgevers verplicht om hun medewerkers te beschermen tegen prikaccidenten. Veilige naaldsystemen moeten aanwezig zijn en terugplaatsen van de dop op injectienaalden is verboden. In Nederland is dat vertaald in het Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel 4.97. Daarin staat dat veilige naaldsystemen beschikbaar moeten zijn met ingebouwd veiligheids- en beschermingsmechanisme en recappen verboden is.

Naast het gebruik van de juiste naalden zoals veiligheidsnaalden, wordt het risico op prikaccidenten verder verlaagd door een juiste omgang met gebruikte naalden en naaldcontainers. Daarom gelden de volgende regels voor de omgang met scherp afval:

Hygiënenormen

  • Gebruik, conform het Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel 4.97, veilige naaldsystemen met een ingebouwde beveiliging.
  • Zet hoesjes nooit terug over de naald.
  • Zorg dat de naaldcontainer tijdens het prikken binnen handbereik staat.
  • Gooi naalden en andere scherpe wegwerpinstrumenten die de huid of slijmvlies doorboren, direct na gebruik in een naaldcontainer met het UNUnited Nations-keurmerk. Gooi het scherpe afval nooit in een gewone afvalemmer.
    logo UN-keurmerk
  • Gooi verpleeg- en onderzoeksmateriaal dat gebruikt is bij cliënten met een (mogelijk) infectie in een container met UN-keurmerk (zie afbeelding)voor specifiek ziekenhuisafval (SZA).
  • Vervoer scherpe instrumenten die u hergebruikt, zoals pincetten en scharen, in een bekken naar de spoelkeuken of verstuur deze naar de sterilisatieafdeling van een ziekenhuis. Naalden mag u niet hergebruiken!
  • Vervang naaldcontainers wanneer ze tot de maximale vullijn vol zitten. Sluit het deksel zo dat deze definitief vergrendeld is, bewaar de containers altijd in een gesloten ruimte en lever de volle naaldcontainer in volgens het protocol van uw instelling. Zet direct een nieuwe naaldcontainer neer.

Specifiek afval zoals naaldcontainers en ‘ziekenhuisafval’ moet als volgt worden verpakt:

  • lucht- en lekdicht;
  • schokbestendig;
  • afgesloten;
  • herkenbare kleur.

Volle naaldcontainers vallen in de categorie ‘ziekenhuisafval’. Aan de afvoer van ziekenhuisafval zijn bij wet eisen gesteld (zie hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer). Zo mag u uw containers alleen inleveren bij inzamelaars die een zogeheten VIHB-nummer hebben. Op www.niwo.nl kunt u een lijst met goedgekeurde inzamelaars vinden; zoek hiervoor op ‘VIHB-lijst’ en vervolgens op ‘Raadplegen VIHB-lijst (bedrijfsafval en gevaarlijk afval)’.

Tips

  • Stel één medewerker aan die verantwoordelijk is voor het verzamelen en verpakken van dit specifieke afval.

Wasgoed

Vuile was kan besmet zijn met ziekteverwekkende micro-organismen. Het wasgoed dient bij voorkeur gewassen te worden door een extern bedrijf of de organisatie zelf. Het wassen van dienstkleding door de medewerker zelf geniet niet de voorkeur, het wasproces is hierbij niet geborgd.

Hygiënenormen

  • Houd schone was gescheiden van vuile was. 
  • Draag handschoenen bij het sorteren van de vuile was en verzamel en verplaats vuile was in een gesloten wasmand of zak. Gebruik alleen schone, vochtwerende en afsluitbare waszakken die gemaakt zijn van een stevig (wegwerp)materiaal. 
  • Regelt de organisatie de vuile was zelf? Let dan op de volgende regels:
    • Was vuil wasgoed dagelijks.
    • Was volgens wasvoorschrift. Gebruik geen verkorte wasprogramma’s.
    • Was met bloed bevuild linnengoed op 60 °C (of minimaal 40 ºC en droog het wasgoed in een droogtrommel).
  • Doet een extern bedrijf de was? Maak dan duidelijke afspraken over het wasprogramma en het af- en aanleveren van wasgoed.
  • Zijn de medewerkers zelf verantwoordelijk voor het wassen van de dienstkleding? Geef de medewerkers dan instructies over het wassen van de dienstkleding:
    • Was (werk)kleding op een minimale temperatuur van 40°C tot 60°C en droog de (werk)kleding in een droogtrommel (minimale stand kast droog) en/of strijk de (werk)kleding (warm=wol/polyester/zijde) of was werkkleding op 60°C. 

2.4 Hygiëne op externe locaties

De werkzaamheden van de medewerker vinden soms plaats op andere locaties dan de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst. Bezoeken aan de thuissituatie, seksbedrijven, justitiële inrichtingen, scholen, etc. vragen om extra hygiënemaatregelen. In deze paragraaf is hierover meer informatie opgenomen. 

Bezoeken thuis

Medewerkers die bij de cliënten thuis komen moeten persoonlijke beschermingsmiddelen en materialen zelf meenemen, omdat deze niet bij de cliënten thuis aanwezig zijn.

Hygiënenormen

  • Neem afhankelijk van de werkzaamheden de volgende materialen mee:
    • handdesinfecterend middel;
    • persoonlijke beschermingsmiddelen zoals, beschermende kleding, mondneusmaskers en handschoenen;
    • reinigings- en desinfectiemiddel voor instrumentarium.
  • Neem de volgende materialen mee indien er gevaccineerd wordt:

Bezoeken op locatie en groepsvaccinaties

Medewerkers die op een externe locatie komen, moeten persoonlijke beschermingsmiddelen zelf meenemen, omdat deze niet aanwezig kunnen zijn. Creëer indien mogelijk voor kinderen met prikangst een ruimte waar zij apart geholpen kunnen worden. 

Hygiënenormen

  • Zorg dat op de locatie een handenwasgelegenheid met stromend water, vloeibare handzeep, wegwerphanddoekjes en een afvalemmer aanwezig is. 
  • Zorg voor een vloer die schoon, goed te reinigen, splintervrij en stroef is. 
  • Zorg voor werkbladen van een glad, niet-absorberend materiaal dat goed te reinigen is, zoals roestvrij staal of kunststof. 
  • Zorg dat het meubilair van een niet-absorberend materiaal is en goed te reinigen. 
  • Neem afhankelijk van de werkzaamheden de volgende materialen mee, denk bijvoorbeeld aan:
    • de benodigde protocollen zoals de richtlijn prikaccidenten en de richtlijn uitvoering RVP of de richtlijn vaccinbeheer;
    • koelbox met koelelementen (voor het vervoeren van vaccins, volgens de RVPRijksvaccinatie programma-richtlijn vaccinbeheer);
    • handdesinfecterend middel met pomp;
    • persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals beschermende kleding, handschoenen, mondneusmaskers;
    • veilige naalden en naaldcontainer met medische transportdozen; 
    • reinigings- en desinfectiemiddel;
    • benodigdheden zoals een EHBOeerste hulp bij ongelukken-koffer, matten (om eventueel liggend vaccinatie aan te bieden), bekkentjes, watten, pleisters, vuilniszakken.

3 Reinigen en desinfecteren

In vuil en stof kunnen ziekteverwekkende micro-organismen zitten. Door te reinigen worden veel micro-organismen verwijderd. De kans op ziekte is dan kleiner. 

Er is een verschil tussen reinigen en desinfecteren. Reinigen is stof en vuil verwijderen, bijvoorbeeld door te stofzuigen of te dweilen. De meeste micro-organismen in het stof of vuil verdwijnen zo. Maar om bijvoorbeeld micro-organismen in bloedvlekken weg te krijgen, is na het reinigen óók desinfecteren nodig. Desinfecteren doodt de overgebleven micro-organismen. 

Bepaal of er een externe partij moet worden ingeschakeld voor het reinigen en desinfecteren, of dat medewerkers dit kunnen doen. Zorg dat de betreffende medewerkers instructies krijgen over de uitvoer van reiniging en desinfectie en over de omgang met de verschillende materialen en middelen. Maak op voorhand afspraken wat de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-medewerker reinigt en desinfecteert en wat het externe bedrijf.

Printklare reinigingsschema’s en instructies voor het wassen en desinfecteren van de handen zijn te vinden te vinden in de bijlagen.

3.1 Reinigen

Er komt veel kijken bij een goede reiniging. Als er verkeerd wordt gereinigd, bevordert dit mogelijk de groei en verspreiding van micro-organismen.

Hygiënenormen

  • Maak duidelijke afspraken over wie verantwoordelijk is voor welke schoonmaaktaken. Gebruik een reinigingsschema. Zie bijlage 2 voor voorbeelden van reinigingsschema's.
  • Geef iedereen reinigingsinstructies over de manier van reinigen en de middelen.
  • Gebruik microvezeldoekjes volgens de instructies in bijlage 3.
  • Gebruik de reinigingsmiddelen volgens de instructies en indicaties op de verpakking.
  • Reinig eerst ‘droog’ (afstoffen, stofzuigen) en daarna ‘nat’ (vochtig doekje, stomen, dweilen).
  • Reinig van ‘schoon’ naar ‘vuil’ en van ‘hoog’ naar ‘laag’.
  • Draag handschoenen bij het reinigen van voorwerpen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen op (kunnen) zitten. Kan uw kleding bij het reinigen in contact komen met lichaamsvloeistoffen? Draag dan ook een wegwerpschort. Gooi de handschoenen en het schort weg na het reinigen en was de handen.

Tips

  • Gebruik een logboek. Dit is een prima communicatiemiddel.

Omgaan met reinigingsmaterialen en -middelen

Reinigingsmaterialen moeten goed gereinigd, gedroogd en opgeruimd worden. In bijlage 2 vindt u een specifiek reinigingsschema voor de reinigingsmaterialen.

Hygiënenormen

  • Werk volgens een reinigingsschema. Beschrijf hierin hoe vaak elk onderdeel schoongemaakt moet worden en op welke manier, stem dit eventueel ook af met het externe bedrijf. De reinigingsschema’s in bijlage 2 kunt u als basis gebruiken.
  • Gebruik schone reinigingsmaterialen.
  • Vervang reinigingsmaterialen en sopwater als deze zichtbaar vuil zijn.
  • Was reinigingsmaterialen zoals moppen en doeken na gebruik op 60° C. Laat ze daarna drogen, aan de lucht of in een wasdroger. Of gebruik wegwerpmaterialen en gooi deze direct na gebruik weg.
  • Maak reinigingsmaterialen die niet in de wasmachine kunnen en niet weggegooid worden, zoals emmers en trekkers, na gebruik schoon en spoel ze af met water. Maak de materialen daarna handmatig droog. Hang reinigingsmaterialen zoals trekkers en bezems te drogen in het ophangsysteem. Laat andere reinigingsmaterialen drogen op een schone ondergrond.
    Laat natte reinigingsmaterialen na gebruik nooit in emmers achter, om te voorkomen dat micro-organismen uitgroeien.
  • Zijn de reinigingsmaterialen die handmatig worden gereinigd, gebruikt bij het opruimen van bloed of andere lichaamsvloeistoffen met zichtbare bloedsporen? Dan moeten ze nadat ze zijn schoongemaakt ook worden gedesinfecteerd (zie paragraaf 3.2).
  • Vervang het filter van de stofzuiger zo vaak als de fabrikant voorschrijft.
  • Berg reinigingsmaterialen en -middelen schoon op in een schone opslagruimte.

3.2 Desinfecteren

In sommige gevallen is het reinigen van voorwerpen en oppervlakken onvoldoende en moet er na het reinigen ook worden gedesinfecteerd. Desinfectie is nodig wanneer een oppervlak of voorwerp vervuild is met bloed of andere lichaamsvloeistoffen, en bij sommige infectieziekten. Hierbij gelden de volgende algemene regels: 

Hygiënenormen

  • Let op: desinfecteer alleen als er éérst is gereinigd. Desinfecterende middelen werken onvoldoende als iets nog nat, vuil of stoffig is.
  • Desinfecteer alleen met middelen die zijn toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides. Zie de paragraaf ‘Goedgekeurde desinfecterende middelen’ hieronder voor meer informatie. Gebruik de middelen volgens de instructies en indicaties op de verpakking.
  • Draag bij het desinfecteren altijd wegwerphandschoenen en pas daarna handhygiëne toe. Draag ook een beschermend schort als uw kleding vervuild kan raken met het bloed of andere lichaamsvloeistoffen.
  • Desinfecteer een oppervlak of voorwerp als er bloed of een andere lichaamsvloeistof met zichtbare bloedsporen op zit. Dit geldt ook als het bloed er al lang op zit; ook in oud bloed kunnen micro-organismen overleven. Daarnaast is desinfecteren nodig bij bepaalde infectieziekten.
  • Desinfecteer schoonmaakmaterialen als ze zijn gebruikt voor het reinigen van oppervlakken of voorwerpen met bloed of andere met bloed verontreinigde lichaamsvloeistoffen. 

Toegelaten desinfecterende middelen

Een actuele lijst met toegelaten desinfectiemiddelen (biocides) kan worden opgezocht in de toelatingendatabank van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb): https://toelatingen.ctgb.nl/ 

Op het etiket van het toegelaten desinfectiemiddel staat:

  • dat het een desinfectiemiddel is en niet (alleen) een reinigings- of schoonmaakmiddel;
  • waarvoor het middel gebruikt mag worden; 
  • een nummer en daarachter de letter ‘N’. Ook Europees toegelaten middelen met een 11 cijferig NL- of EUEuropean Union -nummer zijn toegestaan. De meeste desinfectiemiddelen in Nederland hebben echter een N-nummer.

Voorbeelden van nummers op de verpakking: 

  • een N-nummer:  12345 N; 
  • een NL-nummer: NL-1234567-0000;
  • een EU-nummer: EU-1234567-0000;

Er zijn een aantal toegelaten middelen die in één handeling zowel schoonmaken als desinfecteren. Dit staat dan in het gebruiksvoorschrift. Gebruikt u zo’n middel? Dan is schoonmaken voordat u dit middel gebruikt uiteraard niet nodig, tenzij er sprake is van ernstige vervuiling, hierbij is reiniging vooraf wel nodig.

Middelen die zijn toegelaten, staan op de website van het Ctgb. Zie bijlage 4 voor een uitleg over hoe je desinfecterende middelen kunt vinden op de website van het Ctgb. 

Hygiënenormen

  • Gebruik alleen een desinfecterend middel dat opgenomen is in de Ctgb-database.
  • Controleer in het actueel gebruiksvoorschrift dat het middel:
    • geschikt is voor het ‘materiaal’ (bijvoorbeeld handen of harde oppervlakken); en
    • effectief is tegen de micro-organismen die u wilt doden (bijvoorbeeld bij verontreiniging met bloed een middel dat effectief is tegen virussen).
  • Gebruik een desinfecterend middel altijd volgens de gebruiksaanwijzing.

4 Opslag medische materialen

Vaccins moeten op de juiste manier worden bewaard om hun werkzaamheid te garanderen. In dit hoofdstuk is informatie opgenomen over het bewaren van vaccins, diagnostisch materiaal, steriele en niet-steriele medische materialen.

4.1 Vaccins

Omdat vaccins gevoeliger voor omgevingsfactoren zijn dan de meeste gewone geneesmiddelen, zijn er strenge eisen verbonden aan het omgaan met vaccins. Vaccins kunnen hun werking verliezen als ze te lang of bij een verkeerde temperatuur worden bewaard. De fabrikant vermeldt instructies over de bewaartemperatuur op de verpakking. Vaak zijn koelkasten voor de opslag van vaccins aangesloten op een (centraal) alarmsysteem dat bijvoorbeeld afgaat bij plotselinge temperatuurverschillen of stroomuitval.

Hygiënenormen

  • Houdt u bij het bewaren en vervoeren van vaccins aan de RVP-richtlijn vaccinbeheer.
  • Bewaar vaccins in een voor vaccins voorbehouden koelkast.
  • Stel een verantwoordelijke aan voor het beheren van de vaccins, waaronder het controleren van de Cold Chain (koude keten).
  • Bewaar vaccins op de voorgeschreven temperatuur; voorkom bevriezing door vaccins niet tegen koelende delen in de koelkast te leggen. 
  • Voorzie de koelkasten van een temperatuurloggingsysteem. De temperatuurlogger moet ten minste twee keer per jaar gekalibreerd worden. Bij koelkasten zonder een automatische temperatuurregistratie: Controleer dagelijks en registreer minimaal wekelijks de temperatuur van de koelkast.
  • Sla vaccins netjes en geordend op volgens het ‘first expired, first out’ (fefo)-principe.
    Dit betekent dat vaccins die het kortst houdbaar zijn, vooraan staan en het eerst gebruikt worden. 
  • Noteer de datum waarop een vaccin is geopend of aangebroken, als het na openen beperkt houdbaar is. 
  • Controleer de houdbaarheidsdatum van de vaccins maandelijks en vóór gebruik.

4.2 Diagnostisch en (niet-)steriel materiaal

Diagnostisch materiaal

Ga zorgvuldig met diagnostische monsters om. Let op de aanvullende eisen:

Hygiënenormen

  • Gebruik alleen materialen die specifiek bedoeld zijn voor diagnostiek en het verzenden van diagnostisch materiaal.
  • Indien diagnostisch materiaal koel bewaard moet worden, bewaar het in een aparte koelkast.
  • Hanteer voor het diagnostisch materiaal het fefo-principe (first expired, first out).
  • Volg bij afname van diagnostische monsters het protocol van het laboratorium. 

Steriele materialen

Steriel verpakte materialen en instrumenten blijven alleen steriel als de verpakking droog en onbeschadigd is. Let op de volgende regels wanneer steriele materialen worden gebruikt:

Hygiënenormen

  • Gebruik zoveel mogelijk wegwerpmaterialen zodat het steriliseren van materialen en instrumenten niet nodig is.
  • Is steriliseren nodig? Besteed het dan uit aan een externe organisatie, zoals een ziekenhuis. Gebruik deze gesteriliseerde materialen en instrumenten niet langer dan de aangegeven uiterste gebruiksdatum. 
  • Controleer de houdbaarheidsdatum van steriele materialen en instrumenten maandelijks en vóór gebruik. Gebruik ze niet na deze datum. 
  • Sla steriele materialen en instrumenten apart van niet-steriele materialen en instrumenten, stofvrij, droog en vrij van de grond op. Sla deze overzichtelijk op, zodat de houdbaarheidsdatum gemakkelijk gecontroleerd kan worden.
  • Berg steriel verpakte materialen en instrumenten voorzichtig en schoon op. Zorg dat de verpakking niet beschadigt.
    • Hanteer het fefo-principe (first expired, first out).
    • Bewaar ze niet op plaatsen waar ze nat of vuil kunnen worden, zoals het aanrecht of op de vloer.
    • Prop zee niet en maak geen bundels van de steriele verpakkingen; gebruik ook geen nietjes, paperclips of elastiekjes. 
    • Schrijf of stempel niet op de verpakking. 
    • Transporteer de verpakkingen in een goed afsluitbare schone kunststof box.
  • Gebruik de instrumenten of materialen niet als de verpakking:
    • beschadigd of gescheurd is;
    • (deels) geopend is;
    • vochtig is of vochtkringen vertoont;
    • vuil is geworden.

Niet-steriele materialen

Berg niet-steriele materialen, zoals materialen voor lichamelijk onderzoek, vrij van de grond, schoon en overzichtelijk op.

Hygiënenormen

  • Controleer indien van toepassing de houdbaarheidsdatum van de niet-steriele materialen maandelijks en vóór gebruik. Gebruik de materialen niet na deze datum. 
  • Sla de materialen hygiënisch en overzichtelijk op, zodat de producten schoon blijven en de houdbaarheidsdatum gemakkelijk gecontroleerd kan worden. Hanteer het fefo-principe (first expired, first out).

5 Bouw en inrichting

In dit hoofdstuk vindt u de eisen aan de bouw en inrichting die nodig zijn om een goede persoonlijke hygiëne, reiniging, hygiënische omgang met materialen, producten en afval mogelijk te maken. Voor elk type ruimte in uw instelling vindt u hieronder een paragraaf met de hygiëne-eisen.

Daarnaast zijn er aanvullende bouwvoorschriften vastgelegd in het Bouwbesluit. Bijvoorbeeld eisen aan het benodigde aantal toiletten. De specifieke eisen verschillen per type bouw (bestaande bouw of nieuwbouw); deze details vallen buiten de reikwijdte van deze richtlijn. 

5.1 Algemene eisen

Zorg er voor dat alle ruimtes binnen de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst veilig en goed te reinigen zijn. Houdt u aan de algemene eisen tijdens de bouw en inrichting van de te gebruiken ruimte. Onder normale omstandigheden is er in deze ruimtes niet een verhoogd risico op infecties. 

Hygiënenormen

  • Zorg dat al het meubilair, de vloeren en alle materialen, ook speelgoed, goed te reinigen en zo nodig te desinfecteren zijn. Zorg voor vloeren met een slijtvaste bovenlaag in ruimtes die vaker dan gemiddeld gebruikt worden.
  •  Zorg voor een afvalemmer in elke kamer.
  • Zorg voor goede verlichting om bij te reinigen.
  • Richt ruimtes zo in dat schoonmakers overal bij kunnen. Voorkom moeilijk bereikbare hoeken en oppervlakken. 

5.2 Binnenmilieu

Het binnenmilieu wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Bijvoorbeeld de temperatuur, de luchtvochtigheid en de mate van ventilatie. Een gezond binnenmilieu vermindert onder andere de kans op hoofdpijn, concentratieproblemen, slaperigheid, allergieën, infecties en andere lichamelijke klachten. Bovendien groeien huisstofmijten en schimmels minder snel in een droge omgeving. 

In deze paragraaf zijn maatregelen opgenomen die bijdragen aan een gezond binnenmilieu in de instelling.

Tips

  • Bij twijfel over de kwaliteit van het binnenmilieu omdat er bijvoorbeeld schimmelvorming zichtbaar is of mensen klachten hebben die veroorzaakt kunnen zijn door een ongezond binnenmilieu, kan de afdeling Medische milieukunde of milieu & gezondheid van de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst advies geven.

Luchten en ventileren

Door goed te luchten en ventileren wordt de lucht schoner en worden vervuilingen zoals ziekteverwekkers afgevoerd naar buiten. 

Door ventileren gaat vervuilde lucht naar buiten en komt frisse lucht voortdurend naar binnen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door ventilatieroosters schoon en open te houden. Of misschien heeft het pand mechanische ventilatie. Hierbij wordt actief lucht afgezogen uit het pand, waardoor verse buitenlucht via ventilatieroosters naar binnen stroomt. Een mechanisch ventilatiesysteem werkt alleen goed als de roosters, ventielen en filters worden gereinigd (of in het geval van filters van grotere systemen: worden vervangen) en de motor van het ventilatiesysteem jaarlijks en de kanalen vijfjaarlijks worden onderhouden (zie het reinigingsschema ‘Algemeen’ in de bijlagen).

Luchten is het korte tijd (ongeveer tien minuten) openzetten van alle ramen en deuren in de ruimte. Hierdoor worden vervuilingen en vocht in de lucht snel afgevoerd naar buiten. Luchten is vooral belangrijk bijvoorbeeld tijdens en na een ongewoon groot aantal mensen in uw voorziening. 

Luchten is geen vervanging voor ventilatie, beide zijn belangrijk.

Hygiënenormen

  • Zorg voor een goed werkend ventilatiesysteem. Ventileer alle ruimtes 24 uur per dag.
  • Lucht minstens één keer per dag alle ruimtes. Doe dit ook als er een ongewoon groot aantal mensen in het pand is.
  • Voer bij een mechanisch ventilatiesysteem het onderhoud uit volgens de aanwijzingen in het reinigingsschema ‘Algemeen’ in bijlage 2

Tips

  • In het Bouwbesluit vindt u de eisen aan ventilatievoorschriften. Maar omdat deze eisen een minimum zijn, is het aan te raden om meer te ventileren dan dit minimumniveau.

Temperatuur- en vochtbalans

Naast luchten en ventileren is de temperatuur in uw pand van invloed op de kwaliteit van het binnenmilieu. Een temperatuur van 15 °C of lager bevordert condensvorming, waardoor schimmels en huisstofmijten makkelijker groeien. Bij te hoge temperaturen in het pand kunnen mensen uitdrogingsverschijnselen krijgen zoals droge mond of ogen.

Hygiënenormen

  • Stel de temperatuur overdag in op ongeveer 20 °C.
  • Voorkom dat de temperatuur lager dan 15 °C wordt. 

5.3 Toiletten

Iedereen die van het toilet gebruikmaakt, moet de handen kunnen wassen. Daarnaast moet de toiletruimte goed te reinigen zijn. Dat gaat alleen als muren en vloeren glad zijn en er geen vocht in kan doordringen. Vocht is namelijk een voorwaarde voor de groei van micro-organismen. 

Hygiënenormen

  • Zorg dat de vloer en de wanden tot een hoogte waar urine tegenaan kan spatten, geen vocht kunnen opnemen en gemakkelijk te reinigen zijn. 
  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en wegwerphanddoekjes.
  • Plaats sanitaire afvalemmers met voetbediening in de (dames)toiletten. 

Tips

  • Heeft u toiletten met blauw uvultraviolet-licht tegen drugsgebruik? Installeer ook wit licht, en zorg dat schoonmakers dit vanuit een andere ruimte inschakelen. Zo kunnen zij de schoonmaakresultaten beter controleren.

5.4 (Medische) behandelruimtes

Binnen de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst’en zijn verschillende behandel-, onderzoeks- en spreekkamers. Zorg dat er in al deze ruimtes veilig en hygiënisch gewerkt kan worden. 

Onderstaande eisen gelden voor alle medische behandelruimtes:

Hygiënenormen

  • Zorg voor een vloer die goed te reinigen en stroef is.
  • Maak werkbladen van een glad, niet-absorberend materiaal dat goed te reinigen is, zoals roestvrij staal of kunststof.
  • Zorg dat de behandeltafel of -stoel van een niet-absorberend materiaal is gemaakt dat goed te reinigen is. Zorg ook voor een papierrol zodat iedere cliënt op schoon papier zit of ligt.
  • Zorg voor een handenwasgelegenheid met:
    • een wastafel met stromend water en een no-touch kraan;
    • een zeepdispenser en een houder met papieren wegwerpdoekjes;
    • een handalcoholdispenser.
  • Plaats een afgesloten afvalemmer met voetbediening.
  • Plaats een naaldcontainer met een UNUnited Nations-keurmerk in de ruimte.
  • Zorg dat er volgende materialen aanwezig zijn:
    • persoonlijke beschermingsmiddelen (zie paragraaf 2.2);
    • reinigingsmiddelen en desinfecterende middelen (zie hoofdstuk 3).

Sputuminductiekamer

In deze ruimte is een verhoogd besmettingsrisico voor tuberculose. Houd na de sputuminductie de kamer gesloten en zorg voor goede ventilatie met een uvultraviolet-lamp. Zie voor meer informatie instructie ‘ventilatievoud en uv-straling’ in bijlage 5.

Hygiënenormen

  • Plaats een uv-lamp in de sputuminductiekamer. Laat de uv-lamp minimaal één keer per jaar onderhouden door een erkend bedrijf. 
  • Hang instructies op waarin staat aangegeven wanneer de ruimte opnieuw gebruikt mag worden nadat een (mogelijk) besmettelijke cliënt in de sputuminductiekamer is geweest (zie bijlage 5).

5.5 Mobiele units

Naast uw behandelkamers op locatie, kunnen er ook mobiele units worden ingezet. De juiste toepassing van handhygiëne hierbij is afhankelijk van de werkzaamheden.

Hygiënenormen

  • Zorg dat al het meubilair en alle materialen van een niet-absorberend, goed te reinigen materiaal zijn gemaakt.
  • Zorg voor een wastafel, een zeepdispenser, een handalcoholdispenser en wegwerphanddoekjes. Gebruik bij voorkeur wegwerphanddoekjes.
  • Plaats een afsluitbare afvalemmer met voetbediening in de ruimte.
  • Zorg voor voldoende ventilatiemogelijkheden in de mobiele unit.
  • Zorg dat de volgende materialen aanwezig zijn:
    • persoonlijke beschermingsmiddelen (zie paragraaf 2.2);
    • reinigingsmiddelen en desinfecterende middelen (zie hoofdstuk 3).
  • Zorg dat instructies voor het gebruik van beschermende middelen tijdens het legen van septische putten (septic tanks) aanwezig zijn.
  • Zorg dat instructies aanwezig zijn waarin staat aangegeven wanneer de ruimte opnieuw gebruikt mag worden nadat een (mogelijk) besmettelijke cliënt in de unit is geweest.

5.6 Opslag schoonmaakmiddelen en -materialen

Zorg voor een aparte opslagruimte waar het schoonmaakmateriaal opgeborgen kan worden. Zo worden vuile en gevaarlijke stoffen of giftige materialen gescheiden van voedingsmiddelen. 

Hygiënenormen

  • Maak een ophangsysteem zodat bezems, raamtrekkers en andere materialen niet op de grond staan. Op deze manier kunnen ze beter drogen.
  • Plaats een uitstortgootsteen waar vuil water wordt ververst en materialen gemakkelijk kunnen worden gereinigd.
  • Plaats schoonmaakmiddelen in lekbakken. Zorg dat cliënten er niet bij kunnen.

5.7 Afvalverwerking

Afval in en rond het gebouw kan een bron van ziektekiemen zijn. Bovendien trekt afval ongewenste dieren aan. Daarom moet de opslag en afvoer van afval aan bepaalde eisen voldoen. Deze paragraaf gaat over huishoudelijk afval. Hoe u met scherp afval zoals naalden moet omgaan, staat in paragraaf 2.3. Zie het beleid van uw instelling voor de eisen aan overig afval, zoals klein chemisch afval. 

Huishoudelijk afval is het afval dat dagelijks wordt geproduceerd. Denk bijvoorbeeld aan gebruikt verband, pleisters, watjes. Verzamel zo mogelijk in gescheiden containers.

Hygiënenormen

  • Leeg afvalemmers minstens één keer per dag. Sluit de zakken goed en bewaar ze in gesloten rolcontainers. Stal deze containers niet in een ruimte waar ook schone materialen staan opgeslagen.
  • Houd de opslagplaats schoon, zodat er geen ratten of andere ongewenste dieren op afkomen. Plaats geen afval naast afvalcontainers. Houd containers gesloten en zorg dat het afval minimaal één keer per week en vóórdat een container vol is, wordt opgehaald. Zorg dat er afspraken zijn over de frequentie van ophalen.

Afvalverwerking van afval wat direct afkomstig is van cliëntenzorg valt onder het Beleidskader van het Landelijk Afvalbeheerplan 3 (LAP3). In sectorplan 19 staan de specifieke regels opgenomen waaronder wat als infectieus afval moet worden beschouwd. 

5.8 Dierplaagbeheersing

Ratten, muizen, insecten, duiven en kakkerlakken zijn voorbeelden van dieren die niet alleen overlast en schade geven, maar ook infectieziekten kunnen overdragen. Om de medewerkers en cliënten hiertegen te beschermen, is een goede dierplaagbeheersing nodig. Als sprake is van overlast van dierplagen, dient een deskundige dierplaagbeheerser ingeschakeld te worden. 

Hygiënenormen

  • Schakel bij overlast een deskundige dierplaagbeheerser in. Gebruik zelf geen bestrijdingsmiddelen.

6 Preventie en vaccinatiebeleid bij medewerkers

De aard van het werk kan het risico op beroepsmatige besmetting met zich meebrengen. De werkgever draagt, volgens de Arbowet,  de wettelijke verantwoordelijkheid tot veilige en gezonde werkomstandigheden, waaronder de kans op blootstelling (en vervolgens transmissie) aan ziekteverwekkers. Dit werkgerelateerde infectierisico vraagt om voorlichting en adequate voorzorgsmaatregelen; de werkgever draagt zorg voor een adequaat  infectiepreventie- en vaccinatiebeleid.

Hij ziet toe op  het consequent en juist naleven van de hygiënemaatregelen en  verstrekt de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals handschoenen, brillen en beschermende kleding (zie paragraaf 2.1 en paragraaf 2.2).

Ook hebben medewerkers zélf een verantwoordelijkheid in de zorg voor de gezondheid en veiligheid van zichzelf, collega’s en cliënten/patiënten door het consequent naleven van de instructies en door de aangeboden persoonlijke beschermingsmiddelen op de juiste wijze te gebruiken. De preventiemedewerker en arbodeskundigen, zoals de bedrijfsarts/arbeidshygiënist, kunnen hierin ondersteunen en adviseren. Zij dienen bij vragen, gezondheidsklachten en verzuim laagdrempelig voor medewerkers beschikbaar te zijn. In geval van infectierisico’s is het van belang oog te hebben voor extra kwetsbare medewerkers zoals zwangeren, chronisch zieken en oudere werknemers; zij lopen in geval van onbeschermde blootstelling een extra gezondheidsrisico.

6.1 Vaccinaties

Tegen een aantal infectieziekten is vaccinatie beschikbaar.  Aan iedere werknemer die nog niet immuun is voor een agens waar mogelijk blootstelling aan plaatsvindt (en waarvoor een doeltreffend en veilig vaccin beschikbaar is), wordt door de werkgever kosteloos vaccinatie aangeboden. Vaccinatie volgens het RVPRijksvaccinatie programma vormt hierin de basis. Verder kan bijvoorbeeld  gedacht worden aan hepatitis A en B en aan seizoensinfluenza. De Gezondheidsraad heeft een bruikbaar kader opgesteld om een goede afweging tot (indicatie voor) vaccinatie van werknemers te kunnen maken (www.gezondheidsraad.nl: zoekterm werknemers en infectieziekten - criteria voor vaccinatie). Een actuele risico-inventarisatie vormt in alle gevallen de basis.

Naast vaccinatie blijven het toepassen van de standaardhygiëne en persoonlijke beschermingsmiddelen altijd van belang. Neem voor meer informatie contact op met leidinggevende of de bedrijfsarts.

6.2 Zwangerschap

Een zwangere medewerker of een medewerker met een kinderwens, heeft recht op (waar nodig) aanvullende maatregelen om te voorkomen een infectieziekte op te lopen. Bij het omgaan met (mogelijk) zieke cliënten is extra hygiëne belangrijk. Daarnaast is alertheid op kinderziekten zoals rode hond, mazelen, de vijfde ziekte en waterpokken nodig. 

Zwangere medewerkers of medewerkers met een kinderwens die een mogelijk verhoogde kans hebben op een besmetting met deze infectieziekten, kunnen contact opnemen met hun bedrijfsarts voor advies en eventueel passende maatregelen. Meer informatie is te vinden via de webpagina ‘Zwangerschap en infectieziekten’ van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

6.3 Medewerker met een infectieziekte

Een medewerker met een infectieziekte kan een infectiebron zijn voor de omgeving. Vooral bij aandoeningen van de huid, luchtwegen en darmen, die een risico voor andere medewerkers en cliënten kunnen vormen. Medewerkers moeten dergelijke aandoeningen melden aan de leidinggevende. Deze bepaalt in overleg met de bedrijfsarts welke werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.

De indicaties voor een melding zijn onder meer:

  • exantheem (huiduitslag);
  • conjunctivitis
  • aanhoudende diarree;
  • hepatitis A;
  • herpes labialis (koortslip, bij werkzaamheden met baby’s tot vier weken);
  • langer dan drie weken hoesten, in combinatie met andere voor tuberculose verdachte symptomen;
  • kinkhoest.

De leidinggevende en de bedrijfsarts kunnen gebruikmaken van de richtlijnen van de LCILandelijke coördinatie infectieziektebestrijding. In de paragraaf ‘Maatregelen’ van de LCI-richtlijnen, staat meer informatie over maatregelen en wering.

6.4 Werken met (mogelijke) tbc-patiënten

Als een tbctuberculose-patiënt hoest, niest, praat of zingt kunnen er besmette sputumdruppels in de lucht terecht komen. Gezonde mensen kunnen deze druppels inademen en zo besmet raken met tuberculose. Hoe besmettelijk iemand met tuberculose is, hangt af van verschillende factoren, zoals de hoeveelheid bacteriën in de druppels, de ernst van de hoestklachten, maar ook of een patiënt zelf bijvoorbeeld met de hand voor mond niest of na het hoesten de handen wel goed wast. Over het algemeen wordt het begin van de hoestklachten gezien als de besmettelijke periode. Drie weken na de behandeling is een cliënt in principe niet meer besmettelijk voor zijn of haar omgeving. Dit geldt overigens niet voor cliënten die besmet zijn met (multi)resistente tbc-bacteriën.

GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst-medewerkers die (mogelijke) tbc-patiënten behandelen lopen zelf ook het risico op tuberculose. Het is aan te raden om uw medewerkers regelmatig te controleren. Laat uw medewerkers in ieder geval op de volgende momenten controleren om tuberculose in een vroeg stadium te ontdekken:

  • bij indiensttreding;
  • bij (half)jaarlijks tuberculoseonderzoek;
  • drie maanden na uitdiensttreding.

Er zijn drie verschillende tuberculose-testen:

  • Tuberculinehuidtest (THTtuberculinehuidtest of Mantouxtest) voor medewerkers die nog niet eerder op tuberculose zijn getest, of bij wie een eerdere tuberculinehuidtest positief uitkwam.
  • IGRAinterferon-gamma release assay (Interferon-Gamma Release Assay of bloedtest) voor medewerkers die eerder een positieve tuberculinehuidtest hadden, of een resultaat hadden dat groter of gelijk aan 5 mm was. Ook geschikt voor medewerkers die gevaccineerd zijn met BCGBacille Calmette Guérin (Bacillus Calmette-Guérin vaccin tegen tuberculose).
  • Thoraxfoto voor medewerkers die eerder een positieve IGRA hadden.

Zijn er medewerkers met een positieve tuberculinehuidtest of IGRA? Of zijn er afwijkingen op de thoraxfoto gezien? Dan moeten zij verder medisch worden onderzocht. Daarnaast zult u moeten controleren of de transmissiepreventie wel goed werkt binnen uw GGD.

6.5 Accidenteel bloedcontact

Binnen de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst’en kunnen accidentele bloedcontacten (bijt-, krab- , prik-, snij- en spataccidenten) plaatsvinden. Hier spreekt men van als het bloed of de slijmvliezen van een medewerker of cliënt in contact komt met bloed, wondvocht of de slijmvliezen van een ander. Bij zo’n accident kunnen micro-organismen worden overgedragen, zoals het hepatitis B of C virus en hivhumaan immunodeficientievirus. Bij een bijt- of krabaccident lopen zowel de bijter/krabber als de degene die gebeten of gekrabd is het risico om besmet te worden door de ander.

Door een protocol op te stellen voor accidenteel bloedcontact dat bekend is bij de medewerkers, verkleint u de kans dat medewerkers of cliënten bij zo’n accident een infectieziekte oplopen.

Hygiënenormen

  • Ontwikkel een protocol voor accidenteel bloedcontact en stel uw medewerkers hiervan op de hoogte. Beschrijf hierin in ieder geval de volgende stappen:
    • Laat een wondje goed doorbloeden.
    • Spoel het wondje of het slijmvlies met water of fysiologisch zout.
    • Ontsmet een wondje (slijmvliezen niet) met een wonddesinfecterend middel voorzien van een RVGRegister Verpakte Geneesmiddelen-nummer.
    • Dek een wondje af.
    • Neem direct hierna contact op met de (huis)arts of instantie die volgens uw lokale protocol het accident moet behandelen. Deze arts maakt vervolgens een inschatting van de risico's en bespreekt het te volgen beleid.
      Neem in het protocol de contactgegevens op van de instantie(s) aan wie het accident gemeld moet worden. Maak zo nodig onderscheid tussen meldingen binnen en buiten kantooruren. 
  • Bij melding wordt een risico-inschatting gemaakt en worden eventuele vervolgstappen bepaald. Noteer hiervoor de volgende gegevens:
    • de personen die bij het accident zijn betrokken;
    • het type verwonding (bijv. prik- of bijtwond);
    • het materiaal waarmee iemand verwond is (het type naald in het geval van een prikaccident). 

Tips

  • Hang het protocol voor accidenteel bloedcontact op in alle ruimtes waar met naalden wordt gewerkt. 
  • Maak op basis van de registraties/ meldingen zonodig een verbeterplan.

Bijlagen

In de bijlagen vindt u schoonmaakschema’s en instructies, bijvoorbeeld voor handen wassen en handen desinfecteren. De schoonmaakschema’s en de instructies handhygiëne kunt u downloaden en uitprinten. U kunt ze dan direct ophangen, bijvoorbeeld bij wastafels of in een schoonmaakkast.

Bijlage 1: Instructies handhygiëne

Bacteriën en virussen zijn overal, op deurknoppen, tafels, telefoons en andere voorwerpen, apparaten en materialen. Sommigen kunnen ziekteverwekkend zijn. Een van de meest voorkomende manieren waarop ziekteverwekkers worden verspreid, is via de handen. Door regelmatig handhygiëne toe te passen wordt de kans dat u of iemand uit uw omgeving ziek wordt klein.

Pas voor een goede handhygiëne onderstaande regels toe:

  • Was uw handen met water en vloeibare zeep als ze zichtbaar vuil zijn. Gebruik dan geen desinfecterend middel (handalcohol); door zichtbaar vuil vermindert namelijk de werking.
  • Zijn uw handen niet zichtbaar vuil? Dan mag u kiezen of u uw handen wast óf desinfecteert. Pas de manieren echter niet allebei toe; de huid droogt dan te veel uit en beschadigt sneller. De handen worden voldoende schoon als u ze alleen wast of alleen desinfecteert.
Instructies handhygiëne

Het schema Instructies handhygiëne kunt u hier downloaden als pdfPortable Document Format.

Bijlage 2: Reinigingsschema’s

In de reinigingsschema’s staat hoe vaak en op welke manier verschillende oppervlakken en materialen moeten worden gereinigd. Het eerste schema is een algemeen schema dat geldt voor het hele pand. De volgende schema’s richten zich op specifieke ruimtes. Ook is er een schema toegevoegd voor de omgang met schoonmaakmaterialen.

U mag natuurlijk vaker reinigen dan in deze schema’s is aangegeven. Minder vaak of op een andere manier reinigen, mag alleen met een goede reden (bijvoorbeeld omdat een ruimte bijna nooit wordt gebruikt). 

U kunt de schema’s hier downloaden als Word-document. De schema’s zijn zoveel mogelijk op losse pagina’s geplaatst, zodat u ze eenvoudig kunt uitprinten en ophangen. Tevens kunt u de schema’s aanpassen aan de eigen situatie. Bespreek binnen uw eigen organisatie de reinigingsschema’s en werk ze in nader detail uit tot een eigen werkinstructie.

Bijlage 3: Microvezeldoekjes

Tegenwoordig wordt er steeds meer gebruik gemaakt van microvezeldoekjes. Doordat de vezels in deze doekjes zijn gesplitst, hebben microvezeldoekjes een veel groter oppervlak dan katoenen schoonmaakdoekjes. Zo kunnen microvezeldoekjes vuil en ziekteverwekkers veel beter opnemen dan gewone schoonmaakdoekjes. Bovendien raspen de vezels het vuil los, waardoor u vlekken gemakkelijker verwijdert. U kunt microvezeldoekjes zowel droog als vochtig gebruiken.

Voor een optimaal resultaat gaat u als volgt te werk:

  • Gebruik de microvezeldoekjes altijd zonder schoonmaakmiddelen. Wijk hier alleen van af als de leverancier dit aangeeft.
  • Wilt u de doekjes vochtig gebruiken? Maak ze dan vlak voor gebruik licht vochtig onder de kraan of met het middel dat de leverancier voorschrijft. Leg de doekjes niet in een emmer water. Hierdoor nemen ze direct hun maximale hoeveelheid aan vocht op en verliezen ze hun reinigende werking.
  • Vouw de doekjes voor gebruik een aantal keer dubbel, zodat er meerdere vlakken ontstaan. Gebruik een nieuw, schoon vlak zodra de werking minder wordt.
  • Stop vuile microvezeldoekjes direct in de was; spoel ze tussentijds niet uit. Microvezeldoekjes trekken vuil zó goed aan dat handmatig uitspoelen geen zin heeft. Alleen in de wasmachine wordt een vuil doekje weer schoon.
  • Was de doekjes volgens de voorschriften van de fabrikant.
  • Droog gewassen microvezeldoekjes volgens de gebruiksinstructie. Let op: niet alle microvezeldoekjes kunnen in de droogtrommel. Berg de doekjes nooit vochtig op; hierdoor kunnen ziekteverwekkers uitgroeien.

Bijlage 4: Ctgb-databank

Hieronder staat hoe u desinfecterende middelen kunt vinden op de website van het Ctgb.

Hebt u al een desinfecterend middel en wilt u weten of u dit mag gebruiken? Gebruik dan optie A. Wilt u een overzicht van toegelaten desinfecterende middelen? Gebruik dan optie B.

A. Zoeken naar een specifiek desinfecterend middel

  • Ga naar www.ctgb.nl en klik op ‘Toelatingendatabank’. Of ga direct naar https://toelatingen.ctgb.nl.
  • Hier kunt u zoeken op de naam van het product.
  • Controleer in het actuele gebruiksvoorschrift altijd of het middel geschikt is voor uw toepassing en welke maatregelen bij gebruik moeten worden genomen.

B. Een overzicht van toegelaten desinfecterende middelen zien

  • Ga naar www.ctgb.nl en klik op ‘Toelatingendatabank’. Of ga direct naar https://toelatingen.ctgb.nl.
  • Klik op de knop ‘Toon uitgebreide filters’.
  • Voer de gewenste selectiecriteria in. Bij Gebruik kunt u professioneel invoeren. Bij Producttype kiest u een optie die hieronder beschreven staat:
    • Middelen die geschikt zijn voor het desinfecteren van handen hebben een PT01-code (‘Biociden voor menselijke hygiëne’).
    • Middelen die geschikt zijn voor materialen en oppervlakken hebben een PT02-code (‘Desinfecterende middelen voor privégebruik en voor de openbare gezondheidszorg, alsmede andere desinfectantia’).
    • Middelen die geschikt zijn voor oppervlakken waarop eet- en drinkwaren kunnen komen, hebben een PT04-code (‘Ontsmettingsmiddelen voor gebruik in de sector voeding en diervoeders’).
  • Controleer in het actuele gebruiksvoorschrift altijd of het middel geschikt is voor uw toepassing en welke maatregelen bij gebruik moeten worden genomen.
  • U kunt via de knop downloaden de selectie exporteren naar een Excel-bestand.

Deze zoekhulp is opgesteld in augustus 2019. Klopt het advies niet meer en heeft u hulp nodig? Neem dan contact op met de Servicedesk van het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides via telefoonnummer 0317 – 471 810 of door het servicedesk-verzoekformulier in te vullen. Het LCHVLandelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid is niet verantwoordelijk voor eventuele wijzigingen aan de website van het Ctgb.

Bijlage 5: Ventilatievoud en ultraviolette straling

Voor het effectief verwijderen van in de lucht aanwezige kleine zwevende deeltjes, zoals bijvoorbeeld ingedroogde druppelkernen met mycobacteriën, is een aantal factoren van invloed. Hieronder volgt een uiteenzetting. Luchten is vanwege wisselende klimatologische omstandigheden niet altijd effectief en wordt daarom voor het verwijderen van mycobacteriën uit een ruimte afgeraden, indien als enige maatregel gebruikt.

Ventilatievoud

Met het ventilatievoud wordt het aantal luchtverversingen per uur in een ruimte aangegeven. Het ventilatievoud of in het Engels Air Changes per Hour (ACHacetoncyaanhydrine) is de meetwaarde van het aantal kubieke meters lucht dat in een ruimte per uur wordt weggezogen gedeeld door het aantal kubieke meters (inhoud) van de ruimte. Het effect van verhoogde ventilatie komt vooral in de eerste drie luchtwisselingen tot uiting en is boven zesvoudige ventilatie nog maar beperkt. Naarmate een ruimte groter en de luchtmenging minder volledig is, worden aanzienlijk lagere reducties bereikt.

Aantal minuten benodigd voor verwijdering van resp. 99% en 99,9% van de micro-organismen in een ruimte waarvan de lucht 1-400 maal per uur wordt gewisseld (in ACH). Bron: Centers for Disease Control and Prevention (CDCCenters for Disease Control and Prevention), Guidelines for Preventing the Transmission of Mycobacterium tuberculosis in Health-Care Settings, 2005.
ACH 99% 99,9%
2 138 207
4 69 104
6 46 69
12 23 35
15 18 28
20 7 14
50 3 6
400 <1 1

Een voorbeeld: Een kamer met een lengte, breedte en hoogte van 2 x 2 x 2,5 meter heeft een inhoud van 10 m3kubieke meter. Door het ventilatiesysteem wordt per uur 60 m3 lucht weggezogen. Gedurende het uur wordt verse buitenlucht, eventueel verwarmd, gekoeld, ontvochtigd of bevochtigd weer ingeblazen via plafondroosters. Het ventilatievoud komt daarmee op 6 (60 gedeeld door 10). Indien in de kamer mycobacteriën in de lucht zweven dan is de kamer bij gesloten deuren na 46 minuten voor 99% gezuiverd en na 69 minuten voor 99,9%.

Ultraviolette straling

Mycobacterium tuberculosis wordt zeer snel gedood door ultraviolette straling (UVultraviolet). Het desinfecterend effect van UV is al in het midden van de 20e eeuw aangetoond.

Dit effect daalt echter snel bij toename van de relatieve luchtvochtigheid boven 60%. Dit is een voor infectiepreventie belangrijke beperking. De toegepaste UV straling heeft een golflengte van 254 nanometer. Deze korte golflengte bevindt zich in het UV-C gebied van het spectrum. UV-C heeft weliswaar een hoge energie, maar een gering penetrerend vermogen. De straling dringt niet door de hoornlaag van de huid heen. Er is hierdoor geen risico voor het ontstaan van tumoren van de huid. Ook is UV-C niet in staat de cornea te passeren zodat geen cataract ontstaat.

Welke concrete hygiënerichtlijnen voor GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst’en uit het bovenstaande voortvloeien, staat beschreven in de richtlijn ‘Naar een afdelings Tuberculose Infectie Preventie Plan’ (RPT 35.400 + erratum) van de Commissie voor Praktische Tuberculosebestrijding (CPTCommissie voor Praktische Tuberculosebestrijding). Deze richtlijn is te vinden op de website van het KNCV Tuberculosefonds.

Begrippenlijst

Binnenklimaat

Het binnenklimaat is het milieu in gebouwen. Het binnenklimaat wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Bijvoorbeeld de temperatuur, de luchtvochtigheid en de hoeveelheid zuurstof in de ruimte.

CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het Ctgb beoordeelt op basis van Europese wet- en regelgeving of desinfecterende middelen toegelaten worden op de Nederlandse markt.

Desinfecteren

Desinfecteren is het doden van micro-organismen met een speciaal daarvoor bestemd desinfecterend middel.

Fefo-systeem

First expired, first out-systeem. Dit betekent dat materialen met de kortst resterende houdbaarheidstermijn het eerst gebruikt worden. Voor dit systeem is het handig om materialen waarvan de houdbaarheidsdatum als eerste verloopt, vooraan te plaatsen in opslag.

Handdesinfecterend middel

Een handdesinfecterend middel is een vloeistof waarmee micro-organismen op de handen kunnen worden gedood. Als handen niet zichtbaar vuil of plakkerig zijn, kan een hand desinfecterend middel worden gebruikt in plaats van water en vloeibare zeep.

Handhygiëne

Handhygiëne is het wassen van de handen met water en vloeibare zeep of het desinfecteren van de handen met handdesinfectiemiddel, wanneer de handen niet zichtbaar vuil zijn.

Huiddesinfecterend middel

Een huiddesinfecterend middel is een vloeistof waarmee micro-organismen op de huid kunnen worden gedood. Een huiddesinfecterend middel wordt voorafgaand aan het openen van de huid gebruikt om de huid te desinfecteren.

Lichaamsvloeistoffen

Lichamelijke vloeistoffen zoals bloed, speeksel, braaksel, urine en ontlasting.

Luchten

Luchten is het korte tijd (ongeveer tien minuten) openzetten van alle ramen en deuren. Hierbij wordt het niet veel kouder, maar is wel alle binnenlucht ververst.

 

Micro-organismen

Bacteriën, virussen, schimmels, gisten en protozoën zijn micro-organismen. Micro-organismen zijn onzichtbaar voor het blote oog en komen overal voor: op de huid, op meubels en gebruiksvoorwerpen, in de lucht, in water, op en in voedsel. De meeste zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar sommige micro-organismen kunnen ziekten veroorzaken.

Microvezeldoekjes

Microvezeldoekjes bestaan uit een weefsel van microscopisch kleine vezels. Samen vormen de vezels een veel groter oppervlak dan de vezels in bijvoorbeeld een katoenen doek. Hierdoor kunnen microvezeldoekjes meer vuil absorberen. De vezels bestaan uit materiaal dat vetten goed vasthoudt.

Naaldcontainer

Een naaldcontainer is een container speciaal ontworpen voor scherp afval zoals naalden en scheermesjes. Bij goed gebruik bieden naaldcontainers bescherming tegen prikken en snijden aan scherp afval.

Reinigen

Reinigen is stof en vuil verwijderen, bijvoorbeeld door te stofzuigen of te dweilen.

Ventileren

Bij ventileren komt voortdurend verse buitenlucht binnen, bijvoorbeeld door een rooster of een open raam.

Wonddesinfecterend middel

Een wonddesinfecterend middel is een middel waarmee micro-organismen in de wond kunnen worden gedood. Een wonddesinfecterend middel wordt gebruikt om de wond te desinfecteren.

Bronnenlijst

Literatuur

Wetten & besluiten

  • Wet publieke gezondheid, Besluit Publieke Gezondheid, Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, Arbeidsomstandighedenbesluit (o.a. artikel 4.97), Bouwbesluit, Wet Milieubeheer, Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, Warenwetbesluit Hygiëne van levensmiddelen. Via www.wetten.overheid.nl.

Losse informatie

Verantwoording

De hygiënerichtlijn voor GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst'en is voor het laatst volledig herzien in 2019. Aan de laatste herziening hebben de volgende organisaties bijgedragen:

  • GGD Fryslân
  • GGD Gelderland-Zuid
  • GGD Hart voor Brabant
  • GGD Kennemerland
  • GGD Regio Utrecht
  • GGD Twente

Wijzigingen sinds laatste herziening:

  • Juli 2019: de richtlijn is omgezet naar webbased tekst; hierbij zijn enkele niet-inhoudelijke aanpassingen gedaan en zijn diverse hyperlinks geüpdatet.
  • Augustus 2019: bijlage 4 (zoekhulp CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides-databank) is geactualiseerd.

 

De hygiënerichtlijn is een uitgave van:
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid
Postbus 1 | 7200 BA Bilthoven
E-mail: lchv@rivm.nl 
Web: www.lchv.nl