De hygiënerichtlijn voor de jeugdgezondheidszorg is is voor het laatst volledig herzien in 2018. Tussentijdse wijzigingen sinds de laatste herziening staan aangegeven in de Verantwoording.

De reinigingsschema’s bij deze richtlijn kunt u hier downloaden als Word-document. Voor het maken van een checklist of rapport kunt u gebruik maken van de normenlijst.

 

1 Inleiding

In deze inleiding staat voor wie de richtlijn voor de jeugdgezondheidszorg (jgzJeugdgezondheidszorg) is geschreven en wat het doel van de hygiëne-eisen is. Ook wordt uitgelegd waarom hygiëne belangrijk is. Daarnaast vindt u een leeswijzer als ondersteuning bij het vinden van specifieke informatie.

Voor wie is deze hygiënerichtlijn?

Deze richtlijn is een hulpmiddel om de hygiëne in de jeugdgezondheidszorg vorm te geven. De richtlijn is geschreven voor alle jgz-medewerkers. Hoofdverantwoordelijkheid voor de implementatie en uitvoering van de richtlijn ligt bij het management, omdat zij direct verantwoordelijk zijn voor een goede hygiëne binnen hun organisatie. Als ondersteuning voor managers zijn kant-en-klare instructies opgenomen voor uitvoerend medewerkers.

Wat is het doel van deze richtlijn?

Deze richtlijn geeft een overzicht van de minimale hygiëne-eisen waar de jeugdgezondheidszorg aan moet voldoen. U vindt in dit document zowel richtlijnen over bouw, inrichting en reiniging als richtlijnen die direct te maken hebben met de hygiënische uitvoering van handelingen zoals dierplaagbeheersing en afvalverwerking.

De jeugdgezondheidszorg is op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) verplicht om het infectierisico zo klein mogelijk te maken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting (IGJInspectie Gezondheidszorg en Jeugd) controleert of uw instelling hieraan voldoet. Daarnaast zijn werkgevers volgens de Arbowet en -regelgeving verplicht om hun medewerkers te beschermen tegen risico’s.

Hygiëne en micro-organismen

Een goede hygiëne voorkomt de verspreiding van micro-organismen en is een belangrijk onderdeel van infectiepreventie. Voorbeelden van micro-organismen zijn bacteriën, virussen en schimmels. Micro-organismen zijn onzichtbaar voor het blote oog en komen overal voor: op de huid, in lichaamsvloeistoffen zoals bloed, urine, ontlasting en speeksel, op meubels en gebruiksvoorwerpen, in de lucht, in water, op en in voedsel. De meeste zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar sommige kunnen ziekten veroorzaken.

Door contact tussen mensen kunnen deze micro-organismen zich van de ene mens naar de andere verspreiden. Als ze zich vervolgens in het lichaam vermenigvuldigen, kan iemand ziek worden. Zulke ziektes noemen we infectieziekten.

Of een besmetting uitgroeit tot een infectie, heeft met verschillende dingen te maken:

  • de hoeveelheid micro-organismen waarmee iemand besmet is;
  • hoe gemakkelijk de micro-organismen mensen ziek maken;
  • iemands lichamelijke conditie: de een wordt ziek, de ander voelt zich niet lekker en een derde heeft nergens last van.

Hoe verspreiden micro-organismen zich?

Micro-organismen verspreiden zich op de volgende manieren:

  • via de handen;
  • door de lucht (via druppels door hoesten, huidschilfers of stof);
  • via voedsel en water;
  • via voorwerpen (o.a. deurklinken, kranen, toetsenborden);
  • via lichaamsvloeistoffen (o.a. bloed, ontlasting, braaksel, speeksel, urine);
  • via dieren (huisdieren en insecten).

Hygiëne voorkomt ziekte

Als jeugdgezondheidsmedewerker kunt u infectieziekten tijdens het werk oplopen en ook verspreiden. Infectierisico’s beperkt u in de eerste plaats door een goede hygiëne. Alle regels in deze richtlijn hebben hiermee te maken.

Leeswijzer

Elk hoofdstuk en elke paragraaf begint met een korte inleidende tekst. Hierin leest u waarom het onderwerp belangrijk is. Daarna volgt een opsomming van de hygiënenormen.

Hygiënenormen

  • De hygiënenormen staan in een geel kader. Dit zijn de minimale eisen aan een goed hygiënebeleid. U mag hier alleen van afwijken als u een vergelijkbaar of beter alternatief toepast. Beargumenteer deze afwijking dan in uw hygiënebeleid.

Tips

  •  Tips herkent u aan de schuingedrukte tekst in een grijs kader. Deze punten zijn vrijblijvend. Maar als u de tips opvolgt, werkt u hygiënischer.

In de bijlagen vindt u printklare reinigingsschema’s en instructies voor medewerkers.

In de richtlijn gebruiken we de term ‘jgz-ruimte’. Hiermee wordt bedoeld: de ruimte waarin de jeugdgezondheidszorg plaatsvindt.

Tot slot: deze richtlijn beperkt zich tot algemene werkzaamheden. Het is dus mogelijk dat er situaties voorkomen waar deze richtlijn geen kant-en-klaar antwoord op heeft. Bespreek deze situaties met interne deskundigen of neem contact op het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (lchv@rivm.nl).

2 Hygiënisch handelen

Dit hoofdstuk gaat over hygiënisch handelen. Specifieke informatie over reinigen en desinfecteren staat in hoofdstuk 3.

Voor een optimale hygiëne is het niet alleen belangrijk dat medewerkers weten hoe ze moeten werken, maar ook waarom ze dat moeten doen. De volgende situaties verhogen het risico op besmetting:

  • Contact met cliëntenmateriaal, zoals bloed en lichaamsvloeistoffen.
  • Contact met de niet-intacte huid of slijmvliezen.
  • Contact met gebruikt verpleeg- en behandelmateriaal.

2.1 Algemene hygiënemaatregelen medewerker

Medewerkers en cliënten hebben veel contact met elkaar. Hierbij kunnen micro-organismen zich gemakkelijk verspreiden via de handen, kleding en gedeelde materialen. Kennis over infectieziekten en de overdracht van micro-organismen is nodig om de noodzaak van hygiënemaatregelen te begrijpen.

Hygiënenormen

  • Zorg dat medewerkers goed weten hoe infectieziekten worden overgebracht én wat ze hier tegen kunnen doen.

Tips

  • Geef scholing als onderdeel van het inwerkprogramma.

Persoonlijke hygiënemaatregelen

Persoonlijke hygiëne van medewerkers houdt in dat zij naast schone kleding, ook verzorgde haren hebben, wondjes goed afdekken en een goede hoesthygiëne hanteren. Micro-organismen kunnen ook gemakkelijk overgebracht worden via onverzorgde handen en nagels. Kunstnagels, lange nagels en (afbladderende) nagellak belemmeren een goede handhygiëne. Een intacte, soepele en verzorgde huid beschermt tegen ziekmakende micro-organismen. Geef uw medewerkers de volgende instructies:

Hygiënenormen

  • Draag lange haren in een paardenstaart, opgestoken of in een schone, strakke hoofddoek.
  • Houd baarden en snorren schoon en kort.
  • Draag geen hand- en polssieraden. Ook gladde (trouw)ringen, horloges, braces en lange kettingen zijn niet toegestaan.
  • Houd nagels kort. Gebruik geen nagellak en draag geen kunst-, gel- of acrylnagels.
  • Dek wondjes aan de handen af met een waterafstotende pleister.
  • Hoest/nies met een afgewend gezicht, gebruik een papieren zakdoek/tissue voor de mond. Bij gebrek aan een papieren zakdoek/tissue gebruik de binnenkant van de ellenboog. Gebruik zakdoeken eenmalig en gooi deze na gebruik meteen weg. Pas hierna direct handhygiëne toe.
  • Trek dagelijks schone (dienst)kleding aan. Trek ook schone kleding aan als de kleding zichtbaar vervuild is met lichaamsvloeistoffen.
    Zorg dat er een reservesetje (privé- of dienst)kleding aanwezig is.
  • Draag bovenkleding met korte mouwen of rol de mouwen op wanneer uw handen of kleding in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen.

Tips

  • Heeft u oorsieraden? Draag knopjes in plaats van grote piercingsieraden. Oorringetjes kunnen tijdens werkzaamheden ergens achter blijven haken of in contact komen met cliënten.

Handhygiëne

Een van de meest voorkomende manieren waarop micro-organismen worden verspreid, is via de handen. Er zijn twee manieren waarop u handhygiëne kunt toepassen. Door de handen te wassen met water en vloeibare zeep, of door de handen te desinfecteren met een handdesinfecterend middel. Na het wassen of desinfecteren kunnen uw handen droog aanvoelen. U kunt dan een handcrème gebruiken.

Hygiënenormen

  • Was uw handen met water en vloeibare zeep als ze zichtbaar vuil zijn. Gebruik dan geen handdesinfecterend middel; door zichtbaar vuil vermindert de werking.
  • Zijn uw handen niet zichtbaar vuil? Dan mag u kiezen of u uw handen wast of desinfecteert.
    Voor goede handhygiëne is het voldoende als u alleen wast of desinfecteert. Doe het dus niet beide, direct na elkaar; uw huid droogt dan meer uit en beschadigt sneller.
  • Was of desinfecteer uw handen volgens de instructies in bijlage 7.1.
  • Was de handen met water en vloeibare zeep:
    • als ze zichtbaar vuil zijn;
    • wanneer ze plakkerig aanvoelen;
    • na een toiletbezoek;
    • na hoesten, niezen of het snuiten van de neus.
  • Pas handhygiëne toe:
    • voor en na het (bereiden van) eten;
    • voor en na medische (en verpleegkundige) handelingen;
    • na schoonmaakwerkzaamheden;
    • na het uittrekken van handschoenen.
  • Gebruik alleen handdesinfecterende middelen die zijn toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides).
    Zie bijlage 7.4.
  • Gebruikt u handcrème? Gebruik dan handcrème uit een tube of dispenser.

2.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen

Om het infectierisico te verkleinen, moeten medewerkers in sommige gevallen beschermingsmiddelen dragen. Zorg ervoor dat er voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen in de originele verpakking in de directe omgeving van medische zorghandelingen en/of onderzoek aanwezig zijn. Geef medewerkers instructies over het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Handschoenen

In bepaalde gevallen zijn handschoenen verplicht om het infectierisico te verkleinen. Dit is onder normale omstandigheden niet nodig bij vaccinatie of bloedafname met een gesloten afnamesysteem (zoals een vacuümsysteem), omdat bloedcontact dan wordt voorkomen.

Het dragen van handschoenen is wél vereist in situaties met een verhoogde kans op besmetting. Ook hier moeten medewerkers goed op hun eigen persoonlijke hygiëne letten. Geef de volgende instructies:

Hygiënenormen

  • Draag handschoenen wanneer uw handen in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen. Dit is bijvoorbeeld bij:
    • het sorteren van de vuile was;
    • wondverzorging;
    • het reinigen of desinfecteren van voorwerpen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen op zitten.
  • Gebruik in bovenstaande gevallen alleen handschoenen:
    • die gemaakt zijn van poedervrije latex of nitril;
    • die voldoen aan de NENNederlandse norm over informatiebeveiliging in de zorg: EN 420, EN 455 én EN 374. Deze normen moeten op de verpakking zichtbaar zijn;
    • uit een verpakking voorzien van een CEConformité Européenne-markering (zie afbeelding); 
      logo CE-markering
    • uit een verpakking waarop de naam en het adres van de producent staat. Als dit geen adres binnen de EUEuropean Union is, moet ook de naam en het adres van de EU-vertegenwoordiger vermeld zijn.
  • Heeft u of uw cliënt (mogelijk) een latexallergie type I, gebruik dan nitril. Raadpleeg bij twijfel een arts.
  • Raak geen contactpunten zoals deurknoppen, toetsenborden, telefoons en andere apparaten en materialen aan wanneer u handschoenen draagt. Dit om verspreiding via de handschoenen te voorkomen.
  • Gebruik per cliënt, per handeling en bij beschadiging van de handschoen(en) nieuwe handschoenen.
  • Trek handschoenen na gebruik uit en gooi ze weg.
  • Pas direct na het uittrekken van de handschoenen handhygiëne toe.

Beschermende kleding en mondneusmaskers

Om te voorkomen dat medewerkers besmet raken met ziekteverwekkers, moeten zij in sommige gevallen persoonlijke beschermingsmiddelen dragen zoals handschoenen, schorten en mondneusmaskers.

Hygiënenormen

  • Zorg ervoor dat de persoonlijke beschermingsmiddelen in de originele verpakking in de directe omgeving van medische zorghandelingen en/of onderzoek aanwezig zijn.
  • Draag handschoenen wanneer uw handen in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen.
    Zie hierboven onder ‘Handschoenen’ voor meer informatie over het gebruiken van handschoenen.
  • Bij het opruimen van lichaamsvloeistoffen:
    • Draag beschermende kleding, zoals een (plastic) schort.
    • Draag deze gesloten over de dienstkleding.
    • Trek de beschermende kleding na gebruik direct uit. Gooi weg (plastic schorten) of was op 60 °C (stoffen jasschorten).
    • Draag, bij een kans op een besmetting van een specifieke infectieziekte, de persoonlijke beschermingsmiddelen zoals aangegeven in de LCI-richtlijn van deze infectieziekte.

2.3 Hygiënisch werken

In vuil en stof kunnen ziekteverwekkende micro-organismen zitten. Hygiënisch werken is van belang om besmetting met deze micro-organismen te voorkomen. Zorg dat wat schoon is, schoon blijft.

Eten en drinken

Bij het bereiden van eten en drinken is het mogelijk dat er micro-organismen in of op het eten of drinken terechtkomen.

Hygiënenormen

  • Voer geen cliëntgebonden werkzaamheden uit in een ruimte waar (gelijktijdig) voedsel of dranken worden bereid of genuttigd.

(Communicatie)apparatuur

Gebruik bij voorkeur géén apparatuur zoals telefoons, tablets en toetsenborden tijdens cliëntgebonden werkzaamheden. Deze kunnen besmet zijn met micro-organismen. Hierdoor is het mogelijk dat er micro-organismen via de handen worden overgedragen.

Hygiënenormen

  • Reinig (communicatie)apparatuur dagelijks.
    Zie paragraaf 3.2 voor informatie over reinigen.
  • Pas vooraf én achteraf handhygiëne toe bij het gebruik van (communicatie)apparatuur tijdens cliëntgebonden werkzaamheden.

Huisdieren

Huisdieren kunnen ziek zijn en een aantal ziektes zijn ook overdraagbaar van (huis)dier op mens.

Hygiënenormen

  • Laat huisdieren niet toe, met uitzondering van hulp- of blindengeleidehonden.

Omkleden en verschonen van cliënten

In lichaamsvloeistoffen kunnen micro-organismen zitten. Tijdens het verschonen van een kind, kan urine of ontlasting op het aankleedkussen, de weegschaal of meetbak komen. Daarom is het nodig om hygiënisch te werken en de materialen goed schoon te houden.

Hygiënenormen

  • Instrueer ouders zelf een handdoek mee te nemen voor op het aankleedkussen. Zorg dat er altijd een paar reservehanddoeken beschikbaar zijn.
  • Zorg voor een verschoonplaats in de buurt van een kraan met vloeibare zeep en papieren doekjes.
  • Zorg dat het aankleedkussen van glad en afwasbaar materiaal is, dat gereinigd kan worden met water en allesreiniger.
    Billendoekjes e.d. zijn niet geschikt om het verschoonkussen schoon te maken.
  • Vervang het aankleedkussen direct als het beschadigd is.
  • Zorg dat het aankleedkussen direct wordt gereinigd en gedesinfecteerd als er lichaamsvloeistoffen op zijn gekomen.
  • Zorg voor een luieremmer of een afgesloten afvalemmer met voetbediening.

Scherp afval

Bij het injecteren van vaccins worden naalden gebruikt. Hierbij is er een kans op een prikaccident. Omdat 85% van de prikaccidenten voorkomen in de zorgsector, is er een Europese richtlijn (richtlijn 2010/32/EUEuropean Union ) opgesteld die werkgevers van alle EU-lidstaten verplicht om hun medewerkers tegen deze accidenten te beschermen. In Nederland is dit vertaald in het Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel 4.97. In dit besluit staat dat er veilige naaldsystemen beschikbaar moeten zijn met ingebouwde beveiliging, zodat de zorgmedewerker na gebruik zichzelf of anderen er niet mee kan besmetten. Ook is in het besluit opgenomen dat het verboden is om het hoesje na gebruik terug op de naald te zetten (‘recappen’ genoemd). 

Naast het gebruik van de juiste naalden, wordt het risico op prikaccidenten verder verlaagd door een juiste omgang met gebruikte naalden en naaldcontainers. Daarom gelden de volgende regels voor de omgang met scherp afval:

Hygiënenormen

  • Gebruik veilige naaldsystemen met een ingebouwde beveiliging.
  • Zet hoesjes nooit terug over de naald.
  • Zorg dat de naaldcontainer tijdens het prikken binnen handbereik staat.
  • Gooi naalden en andere scherpe wegwerpinstrumenten die de huid of slijmvlies doorboren, direct na gebruik in een naaldcontainer met het UNUnited Nations-keurmerk (zie afbeelding). Gooi het scherpe afval nooit in een gewone afvalemmer.
    logo UN-keurmerk
  • Vervang naaldcontainers wanneer ze tot de maximale vullijn vol zitten. Sluit het deksel, bewaar de containers altijd in een gesloten ruimte en lever de volle naaldcontainer in volgens het protocol van uw instelling. Zet direct een nieuwe naaldcontainer neer.

Volle naaldcontainers vallen in de categorie ‘ziekenhuisafval’. Aan de afvoer van ziekenhuisafval zijn bij wet eisen gesteld (zie hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer). Zo mag u uw containers alleen inleveren bij inzamelaars die een zogeheten VIHB-nummer hebben. Op www.niwo.nl kunt u een lijst met goedgekeurde inzamelaars vinden (zoek hiervoor op ‘VIHB-lijst’ en vervolgens op ‘Raadplegen VIHB-lijst (bedrijfsafval en gevaarlijk afval)’).

Tips

  • Stel één medewerker aan die verantwoordelijk is voor het verzamelen en verpakken van dit specifieke afval.

Wasgoed

Vuile was kan besmet zijn met ziekteverwekkende micro-organismen. Het wasgoed kan gewassen worden door een extern bedrijf of de organisatie zelf.

Hygiënenormen

  • Houd schone was gescheiden van vuile was en bescherm schone was tegen vocht, vuil en ongedierte.
  • Draag handschoenen bij het sorteren van de vuile was en verzamel en verplaats vuile was in een gesloten wasmand of zak. Gebruik alleen schone, vochtwerende en afsluitbare waszakken die gemaakt zijn van een stevig (wegwerp)materiaal.
  • Regelt de organisatie de vuile was zelf? Let dan op de volgende regels:
    • Was vuil wasgoed dagelijks.
    • Was volgens wasvoorschrift. Gebruik geen verkorte wasprogramma’s.
    • Was met bloed bevuild linnengoed op 60 °C (of minimaal 40 ºC en droog het wasgoed in een droogtrommel).
  • Doet een extern bedrijf de was?
    • Maak duidelijke afspraken over het wasprogramma, het af- en aanleveren van wasgoed.
  • Zijn de medewerkers zelf verantwoordelijk voor het wassen van de dienstkleding? Geef de medewerkers dan instructies over het wassen van de dienstkleding:
    • Was werkkleding op minimale temperatuur van 40 °C tot 60 °C en droog de kleding in een droogtrommel (minimale stand kast droog) en/of strijk de kleding of was werkkleding op 60 °C.

2.4 Hygiëne op externe locaties

De werkzaamheden van de medewerker vinden soms plaats op andere locaties dan de jgzJeugdgezondheidszorg-ruimte. Bezoeken aan de thuissituatie, op scholen, in sportcentra of bijvoorbeeld in een buurthuis vraagt om extra hygiënemaatregelen. In deze paragraaf is hierover meer informatie opgenomen.

Bezoeken thuis

Medewerkers die bij de cliënten thuis komen moeten persoonlijke beschermingsmiddelen en materialen zelf meenemen, omdat deze niet bij de cliënten thuis aanwezig zijn.

Hygiënenormen

  • Neem afhankelijk van de werkzaamheden de volgende materialen mee:
    • handdesinfecterend middel;
    • persoonlijke beschermingsmiddelen zoals, beschermende kleding, mondneusmaskers en handschoenen;
    • reinigings- en desinfectiemiddel voor instrumentarium.
  • Neem de volgende materialen mee indien er gevaccineerd wordt:
    • handzame naaldcontainer;
    • koelbox met koelelementen
    • protocol prikaccidenten.

Bezoeken op locatie en groepsvaccinaties

Medewerkers die op een externe locatie komen, moeten persoonlijke beschermingsmiddelen zelf meenemen, omdat deze niet aanwezig kunnen zijn. Creëer indien mogelijk voor kinderen met prikangst een ruimte waar zij apart geholpen kunnen worden.

Hygiënenormen

  • Zorg dat op de locatie een handenwasgelegenheid met stromend water, vloeibare handzeep, wegwerphanddoekjes en een afvalemmer aanwezig is.
  • Zorg voor een vloer die schoon, goed te reinigen, splintervrij en stroef is.
  • Zorg voor werkbladen van een glad, niet-absorberend materiaal dat goed te reinigen is, zoals roestvrij staal of kunststof.
  • Zorg dat het meubilair van een niet-absorberend materiaal is en goed te reinigen.
  • Neem afhankelijk van de werkzaamheden de volgende materialen mee:
    • de benodigde richtlijnen zoals landelijke richtlijn Prikaccidenten ,de RVP-richtlijn Uitvoering en de RVP-richtlijn Vaccinbeheer;
    • koelbox met koelelementen (voor het vervoeren van vaccins, volgens RVP-richtlijn Vaccinbeheer);
    • handdesinfecterend middel met pomp;
    • persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals beschermende kleding, handschoenen, mondneusmaskers;
    • ontsmettingsdoekjes voor huiddesinfectie;
    • medische materialen zoals (oor)thermometer, bloeddrukmeter, stethoscoop;
    • veilige naalden en naaldcontainer met medische transportdozen;
    • reinigings- en desinfectiemiddel voor instrumentarium;
    • benodigdheden zoals een EHBOeerste hulp bij ongelukken-koffer, matten (om eventueel liggend vaccinatie aan te bieden, tafelpapier, bekkentjes, watten, pleisters, vuilniszakken.

3 Reinigen en desinfecteren

In vuil en stof kunnen ziekteverwekkende micro-organismen zitten. Door te reinigen worden veel micro-organismen verwijderd. De kans op ziekte is dan kleiner.

Er is een verschil tussen reinigen en desinfecteren. Reinigen is stof en vuil verwijderen, bijvoorbeeld door te stofzuigen of te dweilen. De meeste micro-organismen in het stof of vuil verdwijnen zo. Maar om bijvoorbeeld micro-organismen in bloedvlekken weg te krijgen, is na het reinigen óók desinfecteren nodig. Desinfecteren doodt de overgebleven micro-organismen.

Bepaal of er een externe partij moet worden ingeschakeld voor het reinigen en desinfecteren, of dat medewerkers dit kunnen doen. Zorg dat de betreffende medewerkers instructies krijgen over de uitvoering van reiniging en desinfectie en over de omgang met de verschillende materialen en middelen.

3.1 Omgaan met reinigingsmaterialen en -middelen

Reinigingsmaterialen moeten goed gereinigd, gedroogd en opgeruimd worden. In bijlage 7.3 vindt u een specifiek reinigingsschema voor de reinigingsmaterialen.

Hygiënenormen

  • Werk volgens een reinigingsschema. Beschrijf hierin hoe vaak elk onderdeel schoongemaakt moet worden en op welke manier. De reinigingsschema’s in bijlage 7.3 kunt u als basis gebruiken.
  • Gebruik schone reinigingsmaterialen.
  • Vervang reinigingsmaterialen en sopwater als deze zichtbaar vuil zijn.
  • Was reinigingsmaterialen zoals moppen en doeken na gebruik op 60° C. Laat ze daarna drogen, aan de lucht of in een wasdroger. Of gebruik wegwerpmaterialen en gooi deze direct na gebruik weg.
  • Maak reinigingsmaterialen die niet in de wasmachine kunnen en niet weggegooid worden, zoals emmers en trekkers, na gebruik schoon en spoel ze af met water. Maak de materialen daarna handmatig droog. Hang schoonmaakmaterialen zoals trekkers en bezems te drogen in het ophangsysteem. Laat andere schoonmaakmaterialen drogen op een schone ondergrond.
    Laat natte reinigingsmaterialen na gebruik nooit in emmers achter, om te voorkomen dat micro-organismen uitgroeien.
  • Zijn de reinigingsmaterialen die handmatig worden gereinigd, gebruikt bij het opruimen van bloed of andere lichaamsvloeistoffen met zichtbare bloedsporen? Dan moeten ze nadat ze zijn schoongemaakt ook worden gedesinfecteerd (zie paragraaf 3.3).
  • Vervang het filter van de stofzuiger zo vaak als de fabrikant voorschrijft.
  • Berg reinigingsmaterialen en -middelen op in een schone opslagruimte.

3.2 Reinigen

Er komt veel kijken bij een goede reiniging. Als er verkeerd wordt gereinigd, kunnen er micro-organismen achterblijven of zelfs verspreid worden.

Hygiënenormen

  • Maak duidelijke afspraken over wie verantwoordelijk is voor welke schoonmaaktaken. Gebruik een reinigingsschema. Zie bijlage 7.3 voor een voorbeeldreinigingsschema.
  • Geef iedereen reinigingsinstructies over de manier van reinigen en de middelen. Gebruik microvezeldoekjes volgens de instructie in bijlage 7.2.
  • Gebruik de reinigingsmiddelen volgens de instructies en indicaties op de verpakking.
  • Reinig eerst ‘droog’ (afstoffen, stofzuigen) en daarna ‘nat’ (vochtig doekje, stomen, dweilen).
  • Reinig van ‘schoon’ naar ‘vuil’ en van ‘hoog’ naar ‘laag’.
  • Draag handschoenen bij het reinigen van voorwerpen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen op (kunnen) zitten. Kan uw kleding bij het reinigen in contact komen met lichaamsvloeistoffen? Draag dan ook een wegwerpschort. Gooi de handschoenen en het schort weg na het reinigen en was de handen.

Tips

  • Gebruik een logboek. Dit is een prima communicatiemiddel.

3.3 Desinfecteren

In sommige gevallen is het reinigen van voorwerpen en oppervlakken onvoldoende en moet er na het reinigen ook worden gedesinfecteerd. Desinfectie is nodig wanneer een oppervlak of voorwerp vervuild is met bloed of andere lichaamsvloeistoffen, en bij sommige infectieziekten. Hierbij gelden de volgende algemene regels:

Hygiënenormen

  • Let op: desinfecteer alleen als er éérst is gereinigd. Desinfecterende middelen werken onvoldoende als iets nog nat, vuil of stoffig is.
  • Desinfecteer alleen met middelen die zijn toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides. Zie de paragraaf ‘Goedgekeurde desinfecterende middelen’ hieronder voor meer informatie. Gebruik de middelen volgens de instructies en indicaties op de verpakking.
  • Draag bij het desinfecteren altijd wegwerphandschoenen en pas handhygiëne toe. Draag ook een beschermend schort als uw kleding vervuild kan raken met het bloed of andere lichaamsvloeistoffen.
  • Desinfecteer een oppervlak of voorwerp als er bloed of een andere lichaamsvloeistof met zichtbare bloedsporen op zit. Dit geldt ook als het bloed er al lang op zit; ook in oud bloed kunnen micro-organismen overleven. Daarnaast is desinfecteren nodig bij bepaalde infectieziekten. Dit zal dan worden aangegeven door een arts of deskundige infectiepreventie.
  • Desinfecteer schoonmaakmaterialen als ze zijn gebruikt voor het reinigen van oppervlakken of voorwerpen met bloed of andere lichaamsvloeistoffen.

Toegelaten desinfecterende middelen

Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt of een desinfecterend middel in Nederland gebruikt mag worden. Deze middelen worden voorzien van een N-nummer. De European Chemicals Agency (ECHAEuropean Chemicals Agency) bepaalt of het gebruik van een middel in Europa, en dus ook in Nederland, toegestaan is. Deze middelen zijn voorzien van een NL-, EUEuropean Union - of SA-nummer.

Een toegelaten desinfectiemiddel is te herkennen aan één van de volgende nummers op de verpakking:

  • een N-nummer (bijvoorbeeld 12345 N);
  • een NL-nummer (bijvoorbeeld 1234567-0000);
  • een EU-nummer (bijvoorbeeld EU-1234567-0000);
  • een SA-nummer (bijvoorbeeld SA-1234567-0000).

Daarnaast moet de fabrikant op de verpakking melden waarvoor het middel gebruikt mag worden.

Middelen die zijn toegelaten, staan op de website van het Ctgb. Zie voor een verdere uitleg bijlage 7.4. Op de website van het Ctgb is voor elk toegelaten middel het ‘Actueel gebruiksvoorschrift’ opgenomen. In dit gebruiksvoorschrift staat waarvoor het middel gebruikt mag worden en tegen welke micro-organismen het effectief is. Ook staat er hoe u het middel moet gebruiken.

Hygiënenormen

  • Gebruik alleen een desinfecterend middel dat opgenomen is in de Ctgb-database. Controleer in het actueel gebruiksvoorschrift dat het middel:
    • geschikt is voor het ‘materiaal’ (bijv. handen of harde oppervlakken;); en
    • effectief is tegen de micro-organismen die u wilt doden (bijv. bij verontreiniging met bloed een middel dat effectief is tegen virussen). Bespreek dit eventueel met een arts of deskundige infectiepreventie.
  • Gebruik een desinfecterend middel altijd volgens de gebruiksaanwijzing.

3.4 Reinigingsschema's

Reinigingsschema’s zijn te vinden in  bijlage 7.3. De schema’s zijn op losse pagina’s geplaatst, zodat u ze eenvoudig kunt uitprinten. U kunt ze dan direct ophangen, bijvoorbeeld bij wastafels of in een schoonmaakkast.

In de schema’s staat hoe vaak en op welke manier verschillende oppervlakken en materialen moeten worden gereinigd. Het eerste schema is een algemeen schema dat geldt voor het hele pand. De volgende schema’s richten zich op specifieke ruimtes. U mag natuurlijk vaker reinigen dan in deze schema’s is aangegeven. Minder vaak of op een andere manier reinigen, mag alleen met een goede reden (bijvoorbeeld omdat een ruimte bijna nooit wordt gebruikt).

4 Opslag medische materialen

Vaccins moeten op de juiste manier worden bewaard om hun werkzaamheid te garanderen. In dit hoofdstuk is informatie opgenomen over het bewaren van vaccins, steriele en niet-steriele medische materialen. Zie de Richtlijn Uitvoering RVP voor gedetailleerde informatie over de uitvoering en organisatie van het Rijksvaccinatieprogramma.

4.1 Vaccins

Omdat vaccins gevoeliger voor omgevingsfactoren zijn dan de meeste gewone geneesmiddelen, zijn er strenge eisen verbonden aan het omgaan met vaccins. Vaccins kunnen hun werking verliezen als ze te lang of bij een verkeerde temperatuur worden bewaard. De fabrikant vermeldt instructies over de bewaartemperatuur op de verpakking. Vaak zijn koelkasten voor de opslag van vaccins aangesloten op een (centraal) alarmsysteem dat bijvoorbeeld afgaat bij plotselinge temperatuurverschillen of stroomuitval.

Hygiënenormen

  • Houdt u bij het bewaren en vervoeren van vaccins aan de RVP-richtlijn Vaccinbeheer voor de Cold Chain.
  • Stel een verantwoordelijke aan voor het beheren van de vaccins, waaronder het controleren van de Cold Chain (koude keten).
  • Bewaar vaccins op de voorgeschreven temperatuur; voorkom bevriezing door vaccins niet tegen koelende delen in de koelkast te leggen.
  • Bij koelkasten met een geautomatiseerd alarmsysteem moet het meetsysteem jaarlijks gekalibreerd worden. Bij koelkasten zonder een automatisch alarmsysteem: Controleer dagelijks en registreer wekelijks de temperatuur van de koelkast. Leg hiervoor een thermometer in de koelkast.
  • Sla vaccins netjes en geordend op volgens het ‘first in, first out’ (fifo)-principe.
    Dit betekent dat vaccins die het kortst houdbaar zijn, vooraan staan en het eerst gebruikt worden.
  • Noteer de datum waarop een vaccin is geopend of aangebroken, als het na openen beperkt houdbaar is.
  • Controleer de houdbaarheidsdatum van de vaccins maandelijks en vóór gebruik.

4.2 Steriele materialen

Steriel verpakte materialen en instrumenten blijven alleen steriel als de verpakking droog en onbeschadigd is. Let op de volgende regels wanneer steriele materialen worden gebruikt:

Hygiënenormen

  • Gebruik zoveel mogelijk wegwerpmaterialen zodat het steriliseren van materialen en instrumenten niet nodig is.
  • Is steriliseren nodig? Besteed het dan uit aan een externe organisatie, zoals een ziekenhuis. Gebruik deze gesteriliseerde materialen en instrumenten niet langer dan de aangegeven uiterste gebruiksdatum.
  • Controleer de houdbaarheidsdatum van steriele materialen en instrumenten maandelijks en vóór gebruik. Gebruik ze niet na deze datum.
  • Sla steriele materialen en instrumenten apart van niet-steriele materialen en instrumenten, stofvrij en droog op. Sla deze overzichtelijk op, zodat de houdbaarheidsdatum gemakkelijk gecontroleerd kan worden.
  • Berg steriel verpakte materialen en instrumenten voorzichtig en schoon op. Zorg dat de verpakking niet beschadigt.
    • Hanteer het fifo-principe (first in, first out).
    • Bewaar ze niet op plaatsen waar ze nat of vuil kunnen worden, zoals het aanrecht of op de vloer.
    • Prop ze niet in kastjes en laatjes.
    • Maak geen bundels van de steriele verpakkingen; gebruik ook geen nietjes, paperclips of elastiekjes.
    • Schrijf of stempel niet op de verpakking.
    • Transporteer de verpakkingen in een goed afsluitbare schone kunststof box.
  • Gebruik de instrumenten of materialen niet als de verpakking:
    • beschadigd of gescheurd is;
    • (deels) geopend is;
    • vochtig is of vochtkringen vertoont;
    • vuil is geworden.

4.3 Niet-steriele materialen

Berg niet-steriele materialen, zoals speelgoed voor lichamelijk onderzoek, schoon en overzichtelijk op.

Hygiënenormen

  • Controleer indien van toepassing de houdbaarheidsdatum van de niet-steriele materialen maandelijks en vóór gebruik. Gebruik de materialen niet na deze datum.
  • Sla de materialen hygiënisch en overzichtelijk op, zodat de producten schoon blijven en de houdbaarheidsdatum gemakkelijk gecontroleerd kan worden. Hanteer het fifo-principe (first in, first out).

5 Bouw en inrichting

In dit hoofdstuk vindt u de eisen aan de bouw en inrichting die nodig zijn om een goede persoonlijke hygiëne, reiniging, hygiënische omgang met materialen, producten en afval mogelijk te maken. Voor elk type ruimte in uw instelling vindt u hieronder een paragraaf met de hygiëne-eisen.

Daarnaast zijn er aanvullende bouwvoorschriften vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Bijvoorbeeld eisen aan het benodigde aantal toiletten. De specifieke eisen verschillen per type bouw (bestaande bouw of nieuwbouw); deze details vallen buiten de reikwijdte van deze richtlijn.

5.1 Algemene eisen

Zorg er voor dat alle ruimtes binnen de jgzJeugdgezondheidszorg-ruimte veilig en goed te reinigen zijn. Houdt u aan de algemene eisen tijdens de bouw en inrichting van de te gebruiken ruimte. Onder normale omstandigheden is er in deze ruimtes niet een verhoogd risico op infecties.

Hygiënenormen

  • Zorg dat al het meubilair, de vloeren en alle materialen, ook speelgoed, goed te reinigen en zo nodig te desinfecteren zijn. Zorg voor vloeren met een slijtvaste bovenlaag in ruimtes die vaker dan gemiddeld gebruikt worden.
  • Zorg voor een afgesloten afvalemmer met voetbediening in elke kamer (ook toiletten).
  • Zorg voor goede verlichting om bij te reinigen.
  • Richt ruimtes zo in dat schoonmakers overal bij kunnen. Voorkom moeilijk bereikbare hoeken en oppervlakken.

5.2 Binnenklimaat

Het binnenklimaat wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Bijvoorbeeld de temperatuur, de luchtvochtigheid en de hoeveelheid zuurstof in de ruimte. Een gezond binnenklimaat met droge, zuurstofrijke lucht vermindert de kans op hoofdpijn, concentratieproblemen, slaperigheid, allergieën, infecties en andere lichamelijke klachten. Bovendien groeien huisstofmijten en schimmels minder snel in een droge omgeving.

In deze paragraaf zijn maatregelen opgenomen die bijdragen aan een gezond binnenklimaat in de instelling.

Tips

  • Bij twijfel over de kwaliteit van het binnenklimaat omdat er bijvoorbeeld schimmelvorming zichtbaar is of mensen klachten hebben die veroorzaakt kunnen zijn door een ongezond binnenklimaat, kan de afdeling Medische milieukunde of milieu & gezondheid van de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst advies geven (tegen uurtarief).

Luchten en ventileren

De binnenlucht raakt door aanwezigheid van mensen, dieren en bepaalde materialen vervuild met vocht, geurstoffen en andere vervuilingen zoals micro-organismen.

Bij ventileren gaat vervuilde lucht naar buiten en komt frisse lucht voortdurend naar binnen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door ventilatieroosters open te houden. Of misschien heeft het pand mechanische ventilatie. Hierbij wordt actief lucht weggezogen uit het pand, waardoor verse buitenlucht via ventilatieroosters naar binnen stroomt. Een mechanisch ventilatiesysteem werkt alleen goed als de roosters, ventielen en filters regelmatig worden gereinigd (of in het geval van filters van grotere systemen: worden vervangen) en de motor van het ventilatiesysteem jaarlijks en de kanalen vijfjaarlijks worden onderhouden (zie het reinigingsschema ‘Algemeen’ in bijlage 7.3). 

Luchten is het korte tijd (ongeveer tien minuten) openzetten van alle ramen en deuren in de ruimte. Hierdoor worden vervuilingen en vocht in de lucht snel afgevoerd naar buiten. Luchten is vooral belangrijk bijvoorbeeld tijdens en na een ongewoon groot aantal mensen in uw voorziening.

Luchten is geen vervanging voor ventilatie, beide zijn belangrijk.

Hygiënenormen

  • Zorg voor een goed werkend ventilatiesysteem. Ventileer alle ruimtes 24 uur per dag.
  • Lucht minstens één keer per dag alle ruimtes. Doe dit bij voorkeur ook als er een ongewoon groot aantal mensen in het pand is.
  • Voer bij een mechanisch ventilatiesysteem het onderhoud uit volgens de aanwijzingen in het reinigingsschema ‘Algemeen’ in bijlage 7.3.

Tips

  • In het Bouwbesluit 2012 vindt u de eisen aan ventilatievoorschriften. Maar omdat deze eisen een minimum zijn, is het aan te raden om meer te ventileren dan dit minimumniveau.

Temperatuur- en vochtbalans

Naast luchten en ventileren is de temperatuur in uw pand van invloed op de kwaliteit van het binnenklimaat. Een temperatuur van 15 °C of lager bevordert condensvorming, waardoor schimmels en huisstofmijten makkelijker groeien. Bij te hoge temperaturen in het pand kunnen mensen uitdrogingsverschijnselen krijgen.

Hygiënenormen

  • Stel de temperatuur overdag in op ongeveer 20 °C.
  • Voorkom dat de temperatuur lager dan 15 °C wordt.

5.3 Toiletten

Iedereen die van het toilet gebruikmaakt, moet de handen kunnen wassen. Daarnaast moet de toiletruimte goed te reinigen zijn. Dat gaat alleen als muren en vloeren glad zijn en er geen vocht in kan doordringen. Vocht is namelijk een goede voedingsbodem voor micro-organismen.

Hygiënenormen

  • Zorg dat de vloer en de wanden tot een hoogte waar urine tegenaan kan spatten, geen vocht kunnen opnemen en gemakkelijk te reinigen zijn.
  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en handdoekjes. Gebruik bij voorkeur wegwerphanddoekjes. 
  • Plaats speciale afsluitbare afvalemmers met voetbediening in de (dames)toiletten.

5.4 (Medische) behandelruimtes

Binnen de uitvoerende jeugdgezondheidszorg zijn verschillende behandel-, onderzoeks- en spreekkamers. Zorg dat er in al deze ruimtes veilig en hygiënisch gewerkt kan worden.
Onderstaande eisen gelden voor alle medische behandelruimtes:

Hygiënenormen

  • Zorg voor een vloer die goed te reinigen, splintervrij en stroef is.
  • Maak werkbladen van een glad, niet-absorberend materiaal dat goed te reinigen is, zoals roestvrij staal of kunststof.
  • Zorg dat de behandeltafel of -stoel van een niet-absorberend materiaal is gemaakt dat goed te reinigen is. Zorg ook voor een papierrol zodat iedere cliënt op schoon papier zit of ligt.
  • Zorg voor een handenwasgelegenheid met:
    • een wastafel met stromend water, en bij voorkeur een no-touch kraan;
    • een zeepdispenser en een houder met papieren wegwerpdoekjes;
    • een handalcoholdispenser.
  • Plaats een afgesloten afvalemmer met voetbediening.
  • Plaats een naaldcontainer met een UNUnited Nations-keurmerk in de ruimte.
  • Zorg dat er volgende materialen aanwezig zijn:
    • persoonlijke beschermingsmiddelen (zie paragraaf 2.2);
    • reinigingsmiddelen en desinfecterende middelen (zie hoofdstuk 3).

Tips

  • Vraag ouders een eigen handdoek mee te nemen waar hun kind op kan liggen.

5.5 Mobiele units

Naast uw behandelkamers op locatie, kunnen er ook mobiele units worden ingezet.

Hygiënenormen

  • Zorg dat al het meubilair en alle materialen van een niet-absorberend, goed te reinigen materiaal zijn gemaakt.
  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser, een handalcoholdispenser en handdoekjes. Gebruik bij voorkeur wegwerphanddoekjes.
  • Plaats een afgesloten afvalemmer met voetbediening in de ruimte; open de afvalbak niet met de handen.
  • Zorg voor voldoende ventilatiemogelijkheden in de mobiele unit.
  • Zorg dat er volgende materialen aanwezig zijn:
    • persoonlijke beschermingsmiddelen (zie paragraaf 2.2);
    • reinigingsmiddelen en desinfecterende middelen (zie hoofdstuk 3).
  • Zorg dat instructies voor het gebruik van beschermende middelen tijdens het legen van septische putten (septic tanks) aanwezig zijn.
  • Zorg dat instructies waarin staat aangegeven wanneer de ruimte opnieuw gebruikt mag worden nadat een (mogelijk) besmettelijke cliënt in de unit is geweest aanwezig zijn.

5.6 Opslag schoonmaakmiddelen en -materialen

Zorg voor een aparte opslagruimte waar het schoonmaakmateriaal opgeborgen kan worden. Zo worden vuile en gevaarlijke stoffen of giftige materialen gescheiden van voedingsmiddelen.

Hygiënenormen

  • Maak een ophangsysteem zodat bezems, raamtrekkers en andere materialen niet op de grond staan. Op deze manier kunnen ze beter drogen.
  • Plaats een uitstortgootsteen waar vuil water wordt ververst en materialen gemakkelijk kunnen worden gereinigd.
  • Plaats gevaarlijke schoonmaakmiddelen, zoals ammoniak, in lekbakken. Zorg dat cliënten er niet bij kunnen.

5.7 Afvalverwerking

Afval in en rond het gebouw kan een bron van ziektekiemen zijn. Bovendien trekt afval ongewenste dieren aan. Daarom moet de opslag en afvoer van afval aan bepaalde eisen voldoen. Deze paragraaf gaat over huishoudelijk afval. Hoe u met scherp afval zoals naalden moet omgaan, staat in paragraaf 2.3. Zie het beleid van uw instelling voor de eisen aan overig afval, zoals klein chemisch afval.

Huishoudelijk afval is het afval dat dagelijks in een instelling wordt geproduceerd Denk bijvoorbeeld aan luiers, etensresten, oud papier en verpakkingsmaterialen. Verzamel zo mogelijk in gescheiden containers.

Hygiënenormen

  • Leeg afvalemmers minstens één keer per dag. Sluit de zakken goed en bewaar ze in gesloten rolcontainers. Stal deze containers niet in een ruimte waar ook schone materialen staan opgeslagen.
  • Verzamel etensresten direct na het gebruik van maaltijden in afsluitbare afvalbakken.
  • Houd de opslagplaats schoon, zodat er geen ratten of andere ongewenste dieren op afkomen. Plaats geen afval naast afvalcontainers. Houd containers gesloten en zorg dat het afval minimaal één keer per week en vóórdat een container vol is, wordt opgehaald. Zorg dat er afspraken zijn over de frequentie van ophalen.

Afvalverwerking van afval wat direct afkomstig is van cliëntenzorg valt onder het Beleidskader van het Landelijk Afvalbeheerplan 2 (LAP2). In sectorplan 19 staan de specifieke regels opgenomen waaronder wat als infectieus afval moet worden beschouwd (p.9).

5.8 Dierplaagbeheersing

Ratten, muizen, insecten, duiven en kakkerlakken zijn voorbeelden van dieren die niet alleen overlast en schade geven, maar ook infectieziekten kunnen overdragen. Om de medewerkers en cliënten hiertegen te beschermen, is een goede dierplaagbeheersing nodig. Als sprake is van overlast van dierplagen, dient een deskundige dierplaagbeheerser ingeschakeld te worden.

Hygiënenormen

  • Schakel bij overlast een deskundige dierplaagbeheerser in. Gebruik zelf geen bestrijdingsmiddelen.

6 Voorzorgsmaatregelen

Zieke kinderen of medewerkers vragen om voorzorgsmaatregelen. De werkgever draagt zorg voor preventie en vaccinatiebeleid voor medewerkers.

6.1 Bij een ziek kind

Vooropgesteld is het niet de bedoeling dat een ziek kind naar de jgzJeugdgezondheidszorg-ruimte komt. Onderzoek naar de groei en ontwikkeling kan belemmerd worden als een kind ziek is. De Richtlijn Uitvoering RVP geeft aan: ‘Als een kind te ziek is kan een vaccinatie beter uitgesteld worden. Koorts is daarvoor een graadmeter. Bij een temperatuur van 38,5 °C of hoger wordt er niet gevaccineerd.’. Het is aan de arts of jeugdverpleegkundige om te beoordelen of er een nieuwe afspraak gemaakt moet worden. Het weren van een kind is alleen nodig in geval van open TBCtuberculose, buiktyfus of bacillaire dysenterie.

Uitgebreide informatie over een infectieziekte (zoals MRSAMethicillin-resistant Staphylococcus aureus, kinkhoest, waterpokken of mazelen) of dragerschap (zoals BRMObijzonder resistente micro-organismen waaronder MRSA) kunt u terugvinden in de richtlijnen van de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding. In de paragraaf ‘Maatregelen’ van de LCILandelijke coördinatie infectieziektebestrijding-richtlijn vindt u welke maatregelen ten aanzien van patiënten en contacten nodig zijn en meer informatie over wering. In het LCHVLandelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid-bestand ‘Informatie over ziektebeelden voor KDV, PSZ en BSO’ vindt u ook informatie.

Bij vragen kan altijd contact opgenomen worden met de afdeling Infectieziekten van de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst en de bedrijfsarts.

Strikte naleving van de basishygiëne is bij zieke kinderen noodzakelijk. Besteed na een ziek kind extra aandacht aan reiniging en zo nodig desinfectie van onderzoeksmaterialen, speelgoed en instrumentarium.

6.2 Preventie en vaccinatiebeleid bij medewerkers

De werkgever draagt zorg voor het geven van voorlichting en instructie aan de medewerkers (zie paragraaf 2.1), organiseert en ziet toe op het naleven van de hygiënemaatregelen. Ook faciliteert de werkgever de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals handschoenen, brillen en beschermende kleding en houdt toezicht op het juist gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (zie paragraaf 2.2).

Ook de medewerkers hebben een verantwoordelijkheid in de zorg voor de gezondheid en veiligheid van zichzelf, collega’s en cliënten/patiënten door het naleven van de instructies en door de aangeboden preventieve middelen op de juiste wijze te gebruiken. De preventiemedewerker en arboArbeidsomstandigheden-deskundigen, zoals de bedrijfsarts/arbeidshygiënist, kunnen hierin ondersteunen en adviseren.

Vaccinaties

Medewerkers kunnen zich tegen een aantal infectieziekten laten vaccineren. Neem voor meer informatie contact op met de bedrijfsarts.

Hygiënenormen

  • Controleer de vaccinatiestatus van medewerkers en bied zo nodig een vaccinatie aan.

Zwangerschap

Een zwangere medewerker of een medewerker met een kinderwens, heeft recht op (waar nodig) aanvullende maatregelen om te voorkomen een infectieziekte op te lopen. Bij het omgaan met kleine kinderen is extra hygiëne belangrijk. Daarnaast is alertheid op kinderziekten zoals rode hond, mazelen, de vijfde ziekte en waterpokken nodig.

Zwangere medewerkers of medewerkers met een kinderwens die een mogelijk verhoogde kans hebben op een besmetting met deze infectieziekten, kunnen contact opnemen met hun bedrijfsarts voor advies en eventueel passende maatregelen. Meer informatie is te vinden op de themasite ‘Zwangerschap en infectieziekten’ van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Medewerker met een infectieziekte

Een medewerker met een infectieziekte kan een infectiebron zijn voor de omgeving. Vooral bij aandoeningen van de huid, luchtwegen en darmen, die een risico voor andere medewerkers en cliënten kunnen vormen. Medewerkers moeten dergelijke aandoeningen melden aan de leidinggevende. Deze bepaalt in overleg met de bedrijfsarts welke werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.

De indicaties voor een melding zijn onder meer:

  • exantheem (huiduitslag);
  • aanhoudende diarree;
  • hepatitis A;
  • herpes labialis (koortslip, bij werkzaamheden met baby’s tot vier weken);
  • langer dan drie weken hoesten, in combinatie met andere voor tuberculose verdachte symptomen;
  • kinkhoest.

De leidinggevende en de bedrijfsarts kunnen gebruikmaken van de richtlijnen van de LCILandelijke coördinatie infectieziektebestrijding. In de paragraaf ‘Maatregelen’ van de LCI-richtlijnen, staat meer informatie over maatregelen en wering.

Accidenteel bloedcontact

Binnen de uitvoerende jeugdgezondheidszorg kunnen accidentele bloedcontacten (bijt-, krab- , prik-, snij- en spataccidenten) plaatsvinden. Hier spreekt men van als het bloed of de slijmvliezen van een medewerker of cliënt in contact komt met bloed, wondvocht of de slijmvliezen van een ander. Bij zo’n accident kunnen micro-organismen worden overgedragen, zoals het hepatitis B of C virus en hivhumaan immunodeficientievirus. Bij een bijt- of krabaccident lopen zowel de bijter/krabber als de degene die gebeten of gekrabd is het risico om besmet te worden door de ander.

Door een protocol op te stellen voor accidenteel bloedcontact dat bekend is bij de medewerkers, verkleint u de kans dat medewerkers of cliënten bij zo’n accident een infectieziekte oplopen.

Hygiënenormen

  • Ontwikkel een protocol voor accidenteel bloedcontact en stel uw medewerkers hiervan op de hoogte. Beschrijf hierin in ieder geval de volgende stappen:
    • Laat een wondje goed doorbloeden.
    • Spoel het wondje of het slijmvlies met water of fysiologisch zout.
    • Ontsmet een wondje (slijmvliezen niet) met een wonddesinfecterend middel voorzien van een RVGRegister Verpakte Geneesmiddelen-nummer.
    • Dek een wondje af.
    • Neem direct hierna contact op met de (huis)arts of instantie die volgens uw lokale protocol het accident moet behandelen. Deze arts maakt vervolgens een inschatting van de risico's en bespreekt het te volgen beleid.
      Neem in het protocol de contactgegevens op van de instantie(s) aan wie het accident gemeld moet worden. Maak zo nodig onderscheid tussen meldingen binnen en buiten kantooruren.
  • Bij melding wordt een risico-inschatting gemaakt en worden eventuele vervolgstappen bepaald. Noteer hiervoor de volgende gegevens:
    • de personen die bij het accident zijn betrokken;
    • het type verwonding (bijv. prik- of bijtwond);
    • het materiaal waarmee iemand verwond is (het type naald in het geval van een prikaccident).

Tips

  • Hang het protocol voor accidenteel bloedcontact op in alle ruimtes waar met naalden wordt gewerkt.

7 Bijlagen

7.1 Instructies handhygiëne

Bacteriën en virussen zijn overal, op deurknoppen, tafels, telefoons en andere voorwerpen, apparaten en materialen. Sommigen kunnen ziekteverwekkend zijn. Een van de meest voorkomende manieren waarop ziekteverwekkers worden verspreid, is via de handen. Door regelmatig handhygiëne toe te passen wordt de kans dat u of iemand uit uw omgeving ziek wordt klein.

Pas voor een goede handhygiëne onderstaande regels toe:

  • Was uw handen met water en vloeibare zeep als ze zichtbaar vuil zijn. Gebruik dan geen desinfecterend middel (handalcohol); door zichtbaar vuil vermindert namelijk de werking.
  • Zijn uw handen niet zichtbaar vuil? Dan mag u kiezen of u uw handen wast óf desinfecteert. Pas de manieren echter niet allebei toe; de huid droogt dan te veel uit en beschadigt sneller. De handen worden voldoende schoon als u ze alleen wast of alleen desinfecteert.
Instructies handhygiëne

Het schema Instructies handhygiëne kunt u hier downloaden als pdfPortable Document Format.

7.2 Microvezeldoekjes

Tegenwoordig wordt er steeds meer gebruik gemaakt van microvezeldoekjes. Doordat de vezels in deze doekjes zijn gesplitst, hebben microvezeldoekjes een veel groter oppervlak dan katoenen schoonmaakdoekjes. Zo kunnen microvezeldoekjes vuil en ziekteverwekkers veel beter opnemen dan gewone schoonmaakdoekjes. Bovendien raspen de vezels het vuil los, waardoor u vlekken gemakkelijker verwijdert. U kunt microvezeldoekjes zowel droog als vochtig gebruiken.

Voor een optimaal resultaat gaat u als volgt te werk:

  • Gebruik de microvezeldoekjes altijd zonder schoonmaakmiddelen. Wijk hier alleen van af als de leverancier dit aangeeft.
  • Wilt u de doekjes vochtig gebruiken? Maak ze dan vlak voor gebruik licht vochtig onder de kraan of met het middel dat de leverancier voorschrijft. Leg de doekjes niet in een emmer water. Hierdoor nemen ze direct hun maximale hoeveelheid aan vocht op en verliezen ze hun reinigende werking.
  • Vouw de doekjes voor gebruik een aantal keer dubbel, zodat er meerdere vlakken ontstaan. Gebruik een nieuw, schoon vlak zodra de werking minder wordt.
  • Stop vuile microvezeldoekjes direct in de was; spoel ze tussentijds niet uit. Microvezeldoekjes trekken vuil zó goed aan dat handmatig uitspoelen geen zin heeft. Alleen in de wasmachine wordt een vuil doekje weer schoon.
  • Was de doekjes volgens de voorschriften van de fabrikant.
  • Droog gewassen microvezeldoekjes volgens de gebruiksinstructie. Let op: niet alle microvezeldoekjes kunnen in de droogtrommel. Berg de doekjes nooit vochtig op; hierdoor kunnen ziekteverwekkers uitgroeien.

7.3 Reinigingsschema’s

In de reinigingsschema’s staat hoe vaak en op welke manier gereinigd moet worden. 

U mag natuurlijk vaker schoonmaken dan in deze schema’s is aangegeven. Minder vaak of op een andere manier schoonmaken, mag alleen met een goede reden (bijvoorbeeld omdat een ruimte bijna nooit wordt gebruikt).

U kunt de reinigingsschema’s hier downloaden als Word-document. De schema’s zijn zoveel mogelijk op losse pagina’s geplaatst, zodat u ze eenvoudig kunt uitprinten en ophangen. Tevens kunt u de schema’s aanpassen aan de eigen situatie. Bespreek binnen uw eigen organisatie de reinigingsschema’s en werk ze in nader detail uit tot een eigen werkinstructie.

7.4 Ctgb-databank

Hieronder staat hoe u desinfecterende middelen kunt vinden op de website van het Ctgb.

Hebt u al een desinfecterend middel en wilt u weten of u dit mag gebruiken? Gebruik dan optie A. Wilt u een overzicht van toegelaten desinfecterende middelen? Gebruik dan optie B.

A. Zoeken naar een specifiek desinfecterend middel

B. Een overzicht van toegelaten desinfecterende middelen zien

  • Ga naar www.ctgb.nl en klik op ‘Toelatingendatabank’. Of ga direct naar https://toelatingen.ctgb.nl.
  • Klik op de knop ‘Toon uitgebreide filters’.
  • Voer de gewenste selectiecriteria in. Bij Gebruik kunt u professioneel invoeren. Bij Producttype kiest u een optie die hieronder beschreven staat:
    • Middelen die geschikt zijn voor het desinfecteren van handen hebben een PT01-code (‘Biociden voor menselijke hygiëne’).
    • Middelen die geschikt zijn voor materialen en oppervlakken hebben een PT02-code (‘Desinfecterende middelen voor privégebruik en voor de openbare gezondheidszorg, alsmede andere desinfectantia’).
  • Vervolgens kunt u via de knop downloaden de selectie exporteren naar een Excel-bestand.

Deze zoekhulp is opgesteld in augustus 2019. Klopt het advies niet meer en heeft u hulp nodig? Neem dan contact op met de Servicedesk van het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides via telefoonnummer 0317 – 417 810 of door het servicedesk-verzoekformulier in te vullen. Het LCHVLandelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid is niet verantwoordelijk voor eventuele wijzigingen aan de website van het Ctgb.

8 Extra informatie

8.1 Begrippenlijst

Binnenklimaat

Het binnenklimaat is het milieu in gebouwen. Het binnenklimaat wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Bijvoorbeeld de temperatuur, de luchtvochtigheid en de hoeveelheid zuurstof in de ruimte.

Biofilm

Een laag micro-organismen omgeven door zelfgeproduceerd slijm. Biofilm is vastgehecht aan een oppervlak of drijft op een wateroppervlak. Legionellabacteriën vermeerderen zich in bepaalde eencellige organismen, protozoa genaamd, die in de biofilm leven.

CBGCollege ter Beoordeling van Geneesmiddelen

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) beoordeelt en bewaakt de werkzaamheid, risico's en kwaliteit van geneesmiddelen voor de mens. Middelen zijn te herkennen aan een RVGRegister Verpakte Geneesmiddelen-nummer.

CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het Ctgb beoordeelt op basis van Europese wet- en regelgeving of desinfecterende middelen toegelaten worden op de Nederlandse markt.

Desinfecteren

Desinfecteren is het doden van micro-organismen met een speciaal daarvoor bestemd desinfecterend middel.

Fifo-systeem

First in, first out-systeem. Dit betekent dat materialen die het eerst geleverd zijn, ook het eerst gebruikt worden. Hiervoor moet de nieuwe voorraad achteraan geplaatst worden en de oude voorraad naar voren geschoven.

Handdesinfecterend middel

Een handdesinfecterend middel is een vloeistof waarmee micro-organismen op de handen kunnen worden gedood. Als handen niet zichtbaar vuil of plakkerig zijn, kan een hand desinfecterend middel worden gebruikt in plaats van water en vloeibare zeep.

Handhygiëne

Handhygiëne is het wassen van de handen met water en vloeibare zeep of het desinfecteren van de handen met handdesinfectiemiddel, wanneer de handen niet zichtbaar vuil zijn.

Huiddesinfecterend middel

Een huiddesinfecterend middel is een vloeistof waarmee micro-organismen op de huid kunnen worden gedood. Een huiddesinfecterend middel wordt voorafgaand aan het openen van de huid gebruikt om de huid te desinfecteren.

IPM

Integrated Pest Management. IPM is een methode die zich in de eerste plaats richt op het voorkómen van dierplagen door wering, en pas in de tweede plaats op bestrijding.

Lichaamsvloeistoffen

Lichamelijke vloeistoffen zoals bloed, speeksel, braaksel, urine en ontlasting.

Luchten

Luchten is het korte tijd (ongeveer tien minuten) openzetten van alle ramen en deuren. Hierbij wordt het niet veel kouder, maar is wel alle binnenlucht ververst.

Micro-organismen

Bacteriën, virussen, schimmels, gisten en protozoën zijn micro-organismen. Micro-organismen zijn onzichtbaar voor het blote oog en komen overal voor: op de huid, op meubels en gebruiksvoorwerpen, in de lucht, in water, op en in voedsel. De meeste zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar sommige micro-organismen kunnen ziekten veroorzaken.

Microvezeldoekjes

Microvezeldoekjes bestaan uit een weefsel van microscopisch kleine vezels. Samen vormen de vezels een veel groter oppervlak dan de vezels in bijvoorbeeld een katoenen doek. Hierdoor kunnen microvezeldoekjes meer vuil absorberen. De vezels bestaan uit materiaal dat vetten goed vasthoudt.

Naaldcontainer

Een naaldcontainer is een container speciaal ontworpen voor scherp afval zoals naalden en scheermesjes. Bij goed gebruik bieden naaldcontainers bescherming tegen prikken en snijden aan scherp afval.

Reinigen

Reinigen is stof en vuil verwijderen, bijvoorbeeld door te stofzuigen of te dweilen.

Ventileren

Bij ventileren komt voortdurend verse buitenlucht binnen, bijvoorbeeld door een rooster of een open raam.

Wonddesinfecterend middel

Een wonddesinfecterend middel is een middel waarmee micro-organismen in de wond kunnen worden gedood. Een wonddesinfecterend middel wordt gebruikt om de wond te desinfecteren.

8.2 Bronnenlijst

Literatuur

  • Richtlijn Cold Chain (2015), RIVM.
  • Informatie over ziektebeelden voor basisscholen – maart 2016, LCHVLandelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid.
  • Informatie over ziektebeelden KDVkinderdagverblijf, PSZ en BSO – maart 2016, LCHV.   

Wetten & besluiten

  • Wet publieke gezondheid, Besluit Publieke Gezondheid, Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, Arbeidsomstandighedenbesluit (o.a. artikel 4.97), Bouwbesluit 2012, Wet Milieubeheer, Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, Warenwetbesluit Hygiëne van levensmiddelen. Via https://wetten.overheid.nl/zoeken

Losse informatie

  • Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie. www.niwo.nl

Verantwoording

De hygiënerichtlijn voor de jeugdgezondheidszorg is in 2017-2018 opgesteld. Aan de ontwikkeling van de richtlijn hebben de volgende organisaties bijgedragen: 

  • GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Fryslân
  • GGD Gelderland-Zuid
  • GGD Hart van Brabant
  • GGD Kennemerland
  • GGD Noord-Limburg
  • GGD Twente
  • GGD regio Utrecht
  • Rivas
  • RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Wijzigingen sinds vaststelling in maart 2018:

  • Augustus 2018: hyperlinks zijn aangepast.
  • Juli 2019: de richtlijn is omgezet naar webbased tekst; hierbij zijn enkele niet-inhoudelijke aanpassingen gedaan en zijn diverse hyperlinks geüpdatet.
  • Augustus 2019: bijlage 7.4 (zoekhulp CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides-databank) is aangepast.

 

De hygiënerichtlijn is een uitgave van:
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid
Postbus 1 | 7200 BA Bilthoven
E-mail: lchv@rivm.nl 
Web: www.lchv.nl