Hoe verspreidt het coronavirus zich onder de Nederlandse bevolking? Om die vraag te beantwoorden voerde het RIVM van 2020 tot en met 2024 het PIENTER-Corona-onderzoek uit. Op deze pagina leest u meer over het onderzoek en over de resultaten die het heeft opgeleverd.
Het doel van PIENTER-Corona was om na te gaan hoe het coronavirus zich verspreidde onder de Nederlandse bevolking. Het RIVM voerde het onderzoek uit van begin 2020 tot en met eind 2024. In 2020, 2021 en 2022 vond er drie keer per jaar een onderzoeksronde plaats. In 2023 en 2024 was dit twee keer per jaar. In totaal waren er dertien onderzoeksrondes.
Opbouw van antistoffen
Deelnemers aan PIENTER-Corona werden gevraagd zelf een beetje bloed te verzamelen via een vingerprikje en op te sturen naar het RIVM. Hierin keken de onderzoekers naar de opbouw van antistoffen tegen SARS (severe acute respiratory syndrome)-CoV-2, het virus dat COVID-19 veroorzaakt. Een aantal deelnemers hebben op verzoek van de onderzoekers in de zomer van 2022 (ronde 8), eind 2022 (ronde 9) en voorjaar 2023 (ronde 10) ook een monster uit de neus opgestuurd.
De grafiek hieronder geeft het aantal deelnemers dat een bloedmonster opstuurde per onderzoeksronde weer (Figuur 1).
grafiek tijdslijn en totaal aantal bloedmonsters
Sla de grafiek 'Tijdslijn en totaal aantal bloedmonsters (ongeveer) per onderzoeksronde ' over en ga naar de datatabelFiguur 1: Tijdslijn en totaal aantal bloedmonsters (ongeveer) per onderzoeksronde in ronde 1 t/m ronde 13. *In ronde 2 en ronde 6 zijn nieuwe deelnemers uitgenodigd.
Aan PIENTER-Corona deden mensen mee uit heel Nederland tussen de 1 en 92 jaar. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was rond de 50 jaar. Aan de studie deden relatief gezien iets meer vrouwen mee dan mannen, iets meer ouderen dan jongeren, en iets meer mensen met een Nederlandse achtergrond dan mensen met een andere culturele achtergrond. In de analyses is hier rekening mee gehouden.
Antistoffen tegen SARS (severe acute respiratory syndrome)-CoV-2 in Nederland tijdens de coronapandemie
In het PIENTER-Corona-onderzoek zijn antistoffen gemeten tegen SARS(severe acute respiratory syndrome)-CoV-2, het coronavirus dat COVID-19 veroorzaakt. Met de onderzoeksresultaten konden de onderzoekers een schatting maken van het percentage mensen in heel Nederland dat tijdens de coronapandemie afweer had opgebouwd. Dit percentage mensen met antistoffen heet ‘seroprevalentie’.
Vanaf de vierde onderzoeksronde van PIENTER-Corona in februari 2021, toen er net was begonnen met vaccineren tegen het coronavirus, onderzochten de onderzoekers de opbouw van afweer door besmetting en/of vaccinatie. Hiervoor keken ze naar verschillende soorten antistoffen in combinatie met informatie uit de vragenlijst en informatie over besmetting uit voorgaande rondes. Een deel van de mensen werd ook na vaccinatie besmet, vooral sinds de omikronvariant.
Antistoffen in de Nederlandse bevolking
2020: van 3% naar 5%
Tijdens de eerste onderzoeksronde in het voorjaar van 2020 was de seroprevalentie iets minder dan 3%. In de zomer van 2020 (ronde 2) steeg dit naar 4,5% en tijdens de derde onderzoeksronde, in het najaar van 2020, was dit ongeveer 5%.
2021: van 14% naar 85%
In februari 2021 (ronde 4) was de seroprevalentie ruim 14%. Op dat moment was de vaccinatiecampagne net begonnen en had ongeveer 2% van de deelnemers antistoffen door vaccinatie en was ongeveer 12% besmet geweest met het coronavirus.
In de zomer van 2021 (ronde 5) was de vaccinatiecampagne een paar manden onderweg en had bijna 65% van de bevolking antistoffen in het bloed. Ongeveer 20% had destijds bewijs van een doorgemaakte besmetting.
In het najaar van 2021 (ronde 6) had een groot deel van de bevolking vanaf 12 jaar de mogelijkheid gehad om zich te laten vaccineren. Ruim 85% van de bevolking had toen antistoffen. Ruim een kwart had destijds bewijs van een besmetting.
Vanaf 2022: 95% en meer
In het voorjaar van 2022 (ronde 7) had ongeveer 95% van de bevolking antistoffen. Sinds dat moment is dit niveau hoog gebleven. Bij iets meer dan 60% van de bevolking werd toen bewijs van een besmetting gevonden.
In de zomer van 2022 (ronde 8) had bijna driekwart van de bevolking minstens één besmetting doorgemaakt. Eind 2022 (ronde 9) steeg dit verder tot boven de 85%. In 2023 steeg dit verder tot 95% in het voorjaar (ronde 10) en 97% in het najaar (ronde 11).
2024: bijna iedereen besmet geweest
In de laatste twee rondes in het voorjaar (ronde 12) en najaar (ronde 13) van 2024, had vrijwel de hele bevolking bewijs van een besmetting.
| PICO ronde - maand/jaar | Seroprevalentie geïnfecteerd (% (95% BI)) | Seroprevalentie totaal (% (95% BI)) |
|---|---|---|
| Ronde 1 - April 2020 | 2.8 (2.1-3.7) | 2.8 (2.1-3.7) |
| Ronde 2 - Juni 2020 | 4.5 (3.8-5.2 | 4.5 (3.8-5.2) |
| Ronde 3 - September 2020 | 4.9 (4.1-5.6) | 4.9 (4.1-5.6) |
| Ronde 4 - Februari 2021 | 12.2 (11.1-13.4 | 14.3 (13.1-15.5) |
| Ronde 5 - Juni 2021 | 19.8 (18.1-21.6) | 64.5 (62.7-66.3 |
| Ronde 6 - November 2021 | 26.0 (24.1-27.9) | 86.5 (85.4-87.7) |
| Ronde 7 - Maart 2022 | 62.4 (59.3-65.4) | 95.7 (94.8-96.5) |
| Ronde 8 - Juni 2022 | 73.5 (70.3-76.8 | 96.5 (95.6-97.3) |
| Ronde 9 - November 2022 | 86.3 (82.9-89.7) | 97.4 (96.5-98.2) |
| Ronde 10 - April 2023 | 94.5 (91.1-97.9) | 98.5 (97.8-99.1) |
| Ronde 11 - November 2023 | 96.7 (93.3-100 | 98.4 (97.4-99.3) |
| Ronde 12 - April 2024 | 100 (96.6-100) | 99.3 (98.5-100) |
| Ronde 13 - Oktober 2024 | 100 (98.3-100) | 99.4 (98.9-99.9) |
Antistoffen naar leeftijd
2021: ouderen eerst beschermd dankzij vaccinatie
Het percentage mensen met antistoffen tegen het coronavirus steeg van nog geen 3% in het voorjaar van 2020 naar bijna 100% in het najaar van 2024. Deze stijging volgde niet voor elke leeftijdsgroep dezelfde lijn.
Oudere mensen werden in het begin van 2021 als eersten uitgenodigd voor een coronavaccinatie. Daardoor steeg in februari 2021 als eerste de seroprevalentie onder mensen ouder dan 80 jaar. Daarna steeg tot in juni 2021 de seroprevalentie door voor mensen van halverwege de dertig en ouder. Vanaf november 2021 had een groot deel van de bevolking vanaf 12 jaar de mogelijkheid gehad om zich te laten vaccineren en was het percentage mensen van 12 jaar en ouder met antistoffen, door besmetting en/of vaccinatie, al ruim 90%.
Tegelijkertijd was de trend in het percentage mensen met bewijs van besmetting haast omgekeerd: daar werden de hoogste percentages eerst gezien in jongvolwassenen en adolescenten, gevolgd door volwassenen van middelbare leeftijd.
2022: groot deel jongeren besmet
In maart 2022 was er een grote stijging in het percentage besmettingen ten opzichte van de ronde daarvoor. Dit werd veroorzaakt door de delta- en omikronvarianten van het coronavirus. In juni 2022 was over alle leeftijden een toename van 10% tot 15% in besmettingen te zien. Jongeren waren over het geheel genomen de groep met de meeste besmettingen: tot 95% van hen was toen minstens één keer besmet geweest.
In november 2022 was het percentage mensen met bewijs van ten minste één besmetting onder alle volwassenen verder gestegen met ongeveer 15%. Het overgrote deel onder de 50 jaar was toen minstens één keer besmet geweest. In de oudste leeftijdsgroepen was nog steeds relatief het laagste percentage te zien: onder 80-jarigen was ongeveer twee van de drie personen ooit besmet geweest.
2023: nog meer besmettingen
Ook in april 2023 was het percentage besmettingen over alle leeftijden verder toegenomen. Van de 70-jarigen was toen ongeveer 90% ooit een keer besmet geweest, en van de 80-jarigen ongeveer 80%. In november 2023 was het aantal mensen van 50 jaar en ouder die minstens één keer besmet waren geweest weer met een aantal procent gestegen.
2024: bijna de hele bevolking minstens één keer besmet geweest
Ook in 2024 steeg het percentage besmettingen verder. In april 2024 was ruim 95% van de 70-jarigen ooit een keer besmet geweest. Van de 80-jarigen was dit 90%. In oktober 2024 was bijna de hele bevolking ten minste één keer besmet geweest.
SVG's
Figuur 2C en 2D
Figuur 2: Percentage mensen met antistoffen per leeftijd over de tijd (in A & B voor periode 2020-2021 (onderzoeksronde 2-6) en in B & D voor periode 2022-2024 (onderzoeksronde 7 – 13). De gestippelde lijnen laat het percentage mensen zien dat antistoffen heeft door een besmetting (‘infected’, in A en C). De doorgetrokken lijn is de totale seroprevalentie na besmetting en vaccinatie (‘total’, in B en D).
Andere trends in corona-infecties en risicofactoren tijdens de pandemie
Het PIENTER-Corona-onderzoek bood de mogelijkheid om naast trends in infecties naar leeftijd ook naar andere relevante groepen en risicofactoren te kijken. Hieronder leest u daar meer over.
Groepen met meer en minder besmettingen
In het eerste jaar werden relatief gezien de hoogste aantallen besmettingen in specifieke groepen gezien, zoals:
- gezondheidsmedewerkers
- medewerkers in transport en productie
- mensen in bepaalde gebieden met een lage stedelijkheid, vooral in Noord-Brabant, Limburg en de Biblebelt regio
De laagste aantallen besmettingen werden toen gezien in:
- kantoormedewerkers
- mensen die in het middelbaar- en hoger onderwijs werkten
- mensen in het Noorden van het land
Typische coronaklachten
Verder bleek al vroeg in de pandemie uit de data van PIENTER-Corona dat geur- en smaakverlies de meest typische klachten waren voor een besmetting met het coronavirus. Daarnaast werden hogere antistofconcentraties gezien in mensen met systemische klachten, zoals koorts en kortademigheid, dan in mensen die alleen milde/lokale klachten hadden, zoals een loopneus.
Vergelijken met regionale studies
De nationale en regionale schattingen uit PIENTER-Corona zijn vaak vergeleken met data uit regionale studies. Zo ook met data uit een Rotterdams ziekenhuis uit het eerste jaar van de pandemie. In dit ziekenhuis werd een snelle stijging van antistoffen gezien in kinderen die het ziekenhuis bezochten tijdens de tweede coronagolf. Nationale schattingen uit PIENTER-Corona verschilden duidelijk van die uit Rotterdam, maar regionaal verschilden ze niet van elkaar.
Verschillen tussen groepen in aantal besmettingen
In 2021 kwamen er nieuwe varianten van het coronavirus naar Nederland die besmettelijker waren. Het regionale beeld dat werd gezien in het eerste jaar zette zich door in dit tweede coronajaar. Het aantal besmettingen nam in 2021 minder hard toe bij gezondheidsmedewerkers, waarschijnlijk omdat zij als een van de eerste groepen gevaccineerd konden worden. Om dezelfde reden werden waarschijnlijk ook relatief lage aantallen besmettingen gezien in mensen met onderliggend lijden: zij hadden al vroeg een heel hoge vaccinatiegraad.
Bij mensen met contactberoepen anders dan gezondheidsmedewerkers en in het lager onderwijs werden juist wel meer besmettingen gezien. Ook andere specifieke groepen, zoals ouderen die basisschool, middelbare school of een MBO (middelbaar beroepsonderwijs)(middelbaar beroepsonderwijs)-opleiding hebben gevolgd en inwoners met een multiculturele achtergrond, werden relatief vaker besmet. In zijn algemeenheid gold in 2021 dat ongevaccineerde mensen vaker besmet raakten dan gevaccineerde mensen.
Omikronvariant: meer gevaccineerde mensen ook besmet
In 2022 werd de omikronvariant dominant in Nederland. Deze variant kon nog beter de opgebouwde afweer omzeilen dan eerdere varianten. Om die reden werden er vanaf die tijd relatief gezien meer besmettingen in gevaccineerde mensen gezien dan in het jaar ervoor in deze groep. Infectie-schattingen tussen beroepen, tussen regio’s en tussen de meeste socio-demografische groepen kwamen sinds 2022 dichter bij elkaar te liggen. Door de inmiddels opgebouwde afweer en het mogelijke effect van de minder ziekmakende variant namen ziekenhuisopnames vanaf die tijd steeds verder af.
Publicaties:
- SARS-CoV-2–Specific Antibody Detection for Seroepidemiology: A Multiplex Analysis Approach Accounting for Accurate Seroprevalence
Den Hartog G, Schepp RM, Kuijer M, Geurts van Kessel C, van Beek J, Rots N, Koopmans MPG, van der Klis FRM, van Binnendijk RS.
The Journal of Infectious Diseases 2020; 222(9):1452-1461. - Nationwide seroprevalence of SARS-CoV-2 and identification of risk factors in the general population of the Netherlands during the first epidemic wave
Vos ERA, den Hartog G, Schepp RM (risicomanagement), Kaaijk P, van Vliet J, Helm K, Smits G, Wijmenga-Monsuur A, Verberk JDM, van Boven M, van Binnendijk RS (respiratoir syncytieel), de Melker HE, Mollema L, van der Klis FRM.
Journal of Epidemiology & Community Health 2020; 75(6):489–95. - Trends in SARS-CoV-2 seroprevalence amongst urban paediatric patients compared with a nationwide cohort in the Netherlands
Rotee ILM, Ong DSY, Koeleman JGM, Vos ERA, Tramper-Stranders GA.
Journal of Clinical Virology Plus 2021; 1(4):100045. - Associations Between Measures of Social Distancing and Severe Acute Respiratory Syndrome Coronavirus 2 Seropositivity: A Nationwide Population-based Study in the Netherlands
- Vos ERA, van Boven M, den Hartog G, Backer JA, Klinkenberg D, van Hagen CCE, Boshuizen H, van Binnendijk RS, Mollema L, van der Klis FRM, de Melker HE.
Clinical Infectious Diseases 2021; 73(12):2318-2321. - SARS-CoV-2 Seroprevalence Trends in the Netherlands in the Variant of Concern Era: Input for Future Response
Vos ERA, van Hagen CCE (Coordination Centre for Effects), Wong D, Smits G, Kuijer M, Wijmenga-Monsuur AJ, Kaczorowska J, van Binnendijk RS, van der Klis FRM, den Hartog G, de Melker HE.
Influenza and other respiratory viruses 2024; 18(6):e13312