Lees hier hoe het PIENTER-Corona-onderzoek inzicht geeft in de opbouw, afname en werking van immuniteit tegen corona na besmetting en vaccinatie in de Nederlandse samenleving tijdens de pandemie

Antistofrespons en afname na coronavaccinatie en besmetting

Duur van aanwezigheid van antistoffen na besmetting

Uit het PIENTER-Corona-onderzoek bleek dat 90% van de mensen die antistoffen tegen het coronavirus in het bloed hadden door besmetting met het virus, bijna anderhalf jaar later nog steeds antistoffen van het type IgG in het bloed hadden. IgG zorgt voor bescherming op de lange termijn.

Onder verschillende leeftijden is gekeken hoeveel antistoffen aanwezig blijven na een besmetting. Vlak na een besmetting daalt de hoeveelheid antistoffen, maar deze daling wordt na verloop van tijd minder. Daardoor blijven bij veel mensen de antistoffen lang aanwezig. Ook bleek dat de antistoffen over de tijd sterker worden. Ze binden zich beter aan het virus. Daardoor zijn er minder antistoffen nodig om hetzelfde werk te doen.

Publicaties:

Antistoffen na vaccinatie met verschillende vaccins

In januari 2021 is Nederland begonnen met vaccineren tegen het coronavirus. In het PIENTER-Corona-onderzoek is de hoeveelheid antistoffen na volledige vaccinatie vergeleken tussen de vier vaccins die in Nederland werden gegeven:

  • Pfizer/BioNTech (Comirnaty)
  • Moderna (Spikevax)
  • AstraZeneca/Oxford (Vaxzevria)
  • Janssen (Jcovden)

Bijna alle volwassenen van 18 tot 64 jaar hadden antistoffen in het bloed na basisvaccinatie. Voor Pfizer, Moderna en AstraZeneca was dat bij 99-100% van de deelnemers het geval. De enkelen die geen antistoffen hadden aangemaakt, waren kwetsbaren met een onderliggende aandoening. Voor Janssen had 14 dagen na vaccinatie 95% van de deelnemers antistoffen in het bloed. Na 28 dagen was dit 98%. 

Bij de groep die vóór vaccinatie al besmet was geweest, was een sterke toename in antistoffen zichtbaar kort na slechts één vaccinatie. Dit was het geval voor alle vier de vaccins, maar de hoeveelheid antistoffen verschilde wel wat tussen de vaccins. Na de tweede vaccinatie van Pfizer, Moderna of AstraZeneca steeg de hoeveelheid antistoffen in deze groep niet substantieel verder. 

Voor de vaccins van Pfizer, Moderna en AstraZeneca is vervolgens gekeken naar de hoeveelheid antistoffen tot driehonderd dagen na de tweede vaccinatie. Hoewel het overgrote deel van de deelnemers nog antistoffen had, was er in alle leeftijden een daling te zien. Voor het Pfizervaccin viel op dat jongere mensen meer antistoffen hadden dan oudere mensen. Antistoffen in mensen die voorafgaand aan hun vaccinaties een besmetting hadden gehad, bleken minder snel te dalen. In vervolganalyses is ook gekeken naar het effect van infecties na vaccinatie (doorbraakinfecties).

Publicaties:

Modellering van de impact van COVID-19-vaccinatie en optimale allocatie

Voor de bestrijding van COVID-19 zijn vaccinatieprogramma’s van groot belang voor de lange termijn. In het begin waren er nog niet veel vaccins beschikbaar. Daarom was het belangrijk om een ​​optimale verdeling over de bevolking te bepalen: de allocatiestrategie. 

Onderzoekers van het RIVM hebben modelstudies uitgevoerd om optimale schema’s te vinden bij verschillende type vaccins en interventiedoelstellingen, zoals het zo klein mogelijk maken van het aantal infecties, ziekenhuisopnames of sterfgevallen. Dit hebben ze allereest voor volwassenen bepaald, en op een later moment ook voor kinderen. Voor deze simulaties hebben ze de PIENTER-Corona-gegevens over opgebouwde immuniteit gebruikt en andere epidemiologische data uit Nederland over aantallen infecties. 

De meest optimale strategie uit de modellering kwam overeen met de Nederlandse strategie: vaccinaties aanbieden van oud (en risicogroepen) naar jong. Daarnaast bleek dat het aanbieden van vaccinaties aan kinderen van 5-17 jaar in het najaar van 2021 verder kon bijdragen aan een afname van infecties en ernstige ziekte in de bevolking. Dit soort modelstudies zijn kortom onmisbaar voor beleidsmakers bij het maken van optimale keuzes.

Publicaties:

Mucosale antistoffen en de kans op een corona-infectie

SARS-CoV-2 komt binnen via de bovenste luchtwegen, waaronder de neus. Antistoffen in het bloed beschermen tegen (ernstige) COVID-19, maar minder goed tegen besmetting in de luchtwegen waar het virus binnenkomt. Antistoffen in de luchtwegen helpen wel in de bescherming tegen besmetting. Dit worden mucosale antistoffen genoemd. 

Een deel van de deelnemers van het PIENTER-Corona-onderzoek is gevraagd om ook een monster uit de neus te nemen in ronde 8 t/m 10 (zomer 2022, eind 2022 en voorjaar 2023), vergelijkbaar aan het afnemen van een zelftest. Deze monsters zijn onderzocht op mucosale SARS-CoV-2-antistoffen.

IgG Immunoglobulin G (Immunoglobulin G)- en IgA Immunoglobuline A (Immunoglobuline A)-antistoffen

Het lichaam maakt verschillende soorten antistoffen tegen het coronavirus aan. Het type IgG komt veel voor in het bloed en in mindere mate in de neus. Het type IgA is belangrijk in de slijmvliezen, zoals de neus. Ongeveer 93% van alle onderzochte deelnemers en ongeveer 98% van de deelnemers van 12 jaar en ouder had antistoffen van het type IgG in de neus. Mensen die alleen gevaccineerd waren hadden even vaak IgG-antistoffen in de neus als mensen die gevaccineerd waren én besmet waren geweest.

Vooral IgA-antistoffen in de neus na besmetting

Van alle deelnemers had ongeveer 44% antistoffen van het type IgA. Dat percentage was ongeveer 59% als mensen besmet waren geweest. Jonge kinderen hadden minder vaak antistoffen in de neus dan kinderen van 12 jaar en ouder.

Na vaccinatie maakt het lichaam IgG-antistoffen aan die in de neus te vinden zijn, maar meestal zijn er na vaccinatie geen IgA-antistoffen vindbaar in de neus. Na besmetting met SARS-CoV-2 waren er zowel IgG- als IgA-antistoffen vindbaar in de neus bij ongeveer 59% van de mensen. Zowel de hoeveelheid IgG-antistoffen als IgA-antistoffen in de neus was hoger bij mensen die eerder een besmetting hadden gehad. 

Daarnaast raakten mensen met meer antistoffen in de neus minder vaak besmet met het virus in de volgende ronde (na 6 maanden). Antistoffen in de neus zorgen ervoor dat het virus minder goed aan menselijke cellen kan binden en helpen bij het opruimen van het virus.

Aantal deelnemers met IgA-antistoffen in de neus gegroeid

Het percentage deelnemers met IgA-antistoffen in de neus was toegenomen na ronde 8. Bijna alle volwassenen en kinderen van 12 jaar en ouder die besmet waren geweest, hadden IgA-antistoffen in ronde 10. Het percentage deelnemers zonder bewijs van eerdere infectie en positief voor neus IgA was ook toegenomen in ronde 10: 44% had dit voor de Wuhan-variant en 67% voor de omikron BA.1-variant.

Publicatie:

Andere ziekteverwekkers tijdens de pandemie

Tijdens de pandemie zijn er verschillende maatregelen ingevoerd om het aantal coronabesmettingen terug te dringen. Denk aan adviezen als 1,5 meter afstand houden, thuiswerken en het sluiten van scholen. Naast een afname van het aantal coronabesmettingen had dit ook invloed op het rondgaan van andere ziekteverwekkers, zoals het RS-virus Respiratoir Syncytieel-virus (Respiratoir Syncytieel-virus)(Respiratoir Syncytieel-virus) en de kinkhoestbacterie. Tussen april 2020 en juni 2023 zijn er veel minder kinkhoestmeldingen geweest dan gemiddeld. Vanaf de zomer 2023 werd er echter een sterke toename gezien met een piek in het voorjaar van 2024.

Om meer inzicht te krijgen in het rondgaan van het RS-virus en de kinkhoestbacterie tijdens de coronapandemie, heeft het RIVM onder de deelnemers van PIENTER-Corona-onderzoek gedaan naar de bescherming door antistoffen tegen het RS-virus en kinkhoest. Ook keken de onderzoekers naar de verspreiding ervan na het opheffen van de coronamaatregelen. 

Antistoffen tegen het RS-virus

Tijdens de lockdowns namen de hoeveelheden antistoffen tegen het RS-virus af. Dit effect was het sterkste in de jongste leeftijdsgroepen. In het najaar van 2021, dus al snel na het opheffen van de coronamaatregelen, was er vooral in kinderen onder de tien jaar weer een toename van antistoffen, wat wees op infectie. 

Kinkhoest

Vergeleken met het RS-virus duurde het langer voordat besmettingen met de kinkhoestbacterie gezien werden. Vooral kinderen tussen de 8 en 14 jaar raakten na het opheffen van de coronamaatregelen besmet met de kinkhoestbacterie. Dit komt waarschijnlijk doordat ze de jaren daarvoor beschermd waren tegen besmetting door vaccinatie. Hoewel er landelijk een aantal sterfgevallen door kinkhoest werden gemeld, hadden de deelnemers aan het PIENTER-Corona-onderzoek relatief weinig klachten na besmetting.

Publicaties: