Infectieziekten Bulletin, januari 2026

Auteurs

  1. J.A.S. Winters, Verpleegkundige Infectieziektebestrijding, GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) Twente
  2. M. Dimmendaal, Arts M&G maatschappij&gezondheid (maatschappij&gezondheid), Infectieziektebestrijding, GGD Twente
  3. L. Horst, Communicatiemedewerker, GGD Twente
  4. B. Pisano, Communicatieadviseur, GGD Twente
  5. A. Leferink op Reinink, Verpleegkundige infectieziektebestrijding, GGD Twente
  6. F. Koedijk, Epidemioloog, GGD Twente 

Een kwantitatief onderzoek naar zoönotische risico’s bij medewerkers in de vrijwillige dierensector en beeldvorming van beïnvloedende factoren die hierbij een rol spelen.

Verschillende organisaties in regio Twente zetten zich in voor dierenwelzijn. Deze organisaties, zoals dierenambulances en dierenopvangcentra, draaien grotendeels op vrijwillige medewerkers. Door het frequente en directe contact met dieren lopen deze vrijwilligers een verhoogd risico op blootstelling aan zoönosen (1) (2). Het is daarom van belang dat zij beschikken over voldoende kennis van zoönotische risico’s en de bijbehorende preventieve maatregelen. Dit is ook belangrijk omdat zoönosen kunnen muteren en zich zodanig kunnen ontwikkelen dat overdracht van mens op mens kan plaatsvinden (3). Een bekend voorbeeld hiervan is COVID-19, maar ook mpox (4) illustreert dit risico duidelijk.

Een voorbeeld van een gebrek aan kennis en maatregelen betreft een medewerkster van de dierenambulance die een zieke duif kwam ophalen. Zij droeg geen handschoenen of andere persoonlijke beschermingsmiddelen. Tijdens de beoordeling van het dier tilde zij de vleugel van de duif op en rook van zeer korte afstand onder de vleugel. Dat roept de vraag op in hoeverre vrijwilligers voldoende zijn voorgelicht over mogelijke zoönotische risico’s zoals blootstelling aan aviaire influenza. Dit soort ervaringen, in combinatie met zorgwekkende nieuwsberichten over de manier van ruiming van vogels (5), vormden de aanleiding voor dit onderzoek.

Dit onderzoek richtte zich op (vrijwillige) medewerkers in de dierenwelzijnssector in Twente die tijdens hun werk contact hebben met (wilde) dieren. De hoofdvragen van het onderzoek waren:  

  • Welke werkzaamheden voeren de medewerkers uit en welke zoönotische risico’s komen hierbij kijken?
  • Hoe is het gesteld met de kennis en kunde van de medewerkers ten aanzien van zoönosen en de preventie daarvan?
  • In welke mate ondersteunt de werkgever de medewerkers hierin?

Het onderzoek keek naar de risico’s die de dierenwelzijnsmedewerkers liepen en wat hierbij beïnvloedende factoren waren. Zo konden we inventariseren of er daadwerkelijk risico’s zijn en waar mogelijk verbeterpunten liggen. Met de uitkomsten kan GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) Twente de dierenwelzijnsorganisaties beter adviseren en bijstaan.  

Methode

Voorafgaand aan het onderzoek is met managers van de geïncludeerde dierenambulances en dierenopvangcentra gesproken om de onderwerpen te bepalen voor een vragenlijst:  

  • Inventarisatie van werkzaamheden
  • Risico-inventarisatie zoönosen
  • Gedrag van medewerkers
  • Aangeboden scholingen
  • Informatie- en materiaalvoorziening
  • Kennispeiling rondom zoönosen
  • Vaccinatie en gezondheidszorg  
  • Kennisbehoefte van medewerkers  

Daarna is er een exploratief kwantitatief onderzoek uitgevoerd.

De vragenlijst werd uitgezet onder 114 medewerkers van de geïncludeerde dierenopvangcentra en dierenambulances.

De uitkomsten zijn geanalyseerd middels Enalyzer. Op basis van de eerdergenoemde onderwerpen werden de resultaten verwerkt en beschrijvende analyses uitgevoerd.  

Resultaten

Van de 114 medewerkers hebben 48 respondenten (43%) de vragenlijst volledig ingevuld. 54 mensen hebben de vragenlijst gedeeltelijk ingevuld. De percentages hierna hebben betrekking op het aantal ingevulde antwoorden en niet op het totaal aantal respondenten dat de vragenlijst volledig heeft ingevuld. Alle respondenten waren medewerkers binnen dierenambulances en dierenopvangcentra.

Werkomstandigheden

24 medewerkers (45%) waren korter dan een jaar in dienst is. Medewerkers gaven aan tijdens hun werkzaamheden regelmatig in aanraking te komen met water (41%, n=22)) of een bosrijke omgeving (59%, n=32) om (verdacht) zieke of dode dieren te verzorgen of te vervoeren. 57% (n=31) van de medewerkers gaf aan wel eens door een dier te zijn gebeten tijdens de werkzaamheden.

Vaccinatiestatus

41 medewerkers (76%) vonden dat een krab of beet van een dier bij de werkzaamheden hoort. Zij maakten zich voor een groot deel (67%, n=32) geen zorgen over zoönosen. Ondanks dat zij vaak met krabben en beten te maken krijgen, droegen 16 medewerkers (33%) niet altijd de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen en bleek de vaccinatiestatus tegen difterie, tetanus en polio (DTP) en rabiës niet volledig. Ter illustratie, 26 medewerkers (48%) kwamen tijdens hun werkzaamheden in aanraking met vleermuizen, terwijl maar 6 (13%) aangaven volledig gevaccineerd te zijn tegen rabiës (zie Tabel 1).

Tabel 1. Vaccinatiestatus rabiës en DTP Difterie, Tetanus en Poliomyelitis (Difterie, Tetanus en Poliomyelitis) onder medewerkers in de dierenwelzijnssector in de regio Twente.
Vaccinatiestatus Rabiës medewerkersn (%)Vaccinatiestatus DTP medewerkersn (%)
Volledig gevaccineerd6 (13%)Gevaccineerd <10 jaar geleden24 (50%)
Onvolledig gevaccineerd2 (4%)Niet gevaccineerd (of >10 jaar geleden)16 (33%)
Niet gevaccineerd26 (54%)Weet niet8 (17%)
Weet niet11 (23%)    
Wil vaccinatiestatus niet delen3 (6%)  

Scholing over zoönosegerelateerde onderwerpen

Medewerkers gaven vaak aan dat hun organisatie geen scholingen aanbood over zoönosegerelateerde onderwerpen. Afhankelijk van het onderwerp ligt dit percentage tussen de 20% en 71%. 40 medewerkers (72%) hadden nog nooit een scholing over dierziekten gevolgd. 28 medewerkers (58%) hadden nog nooit uitleg gehad over het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Beschermingsmiddelen

De organisaties zorgden er wel voor dat medewerkers gebruik kunnen maken van beschermingsmiddelen: 45 respondenten (94%) gaven aan dat er wel voldoende middelen beschikbaar waren om de medewerkers te voorzien van beschermende kleding.  

Richtlijnen

Wat betreft het verzorgen en ruimen van zieke en dode dieren gaven 32 respondenten (66%) aan dat hun organisatie daar richtlijnen over heeft. Er waren wel een aantal factoren die het raadplegen van de richtlijnen verhinderen op het moment dat deze nodig zijn. Zo zeiden 13 medewerkers (27%) de richtlijnen niet te kunnen vinden en 23 medewerkers (48%) dat de richtlijnen tijdens de werkzaamheden niet binnen handbereik zijn. Ook gaven 30 medewerkers (74%) aan dat zij de richtlijn over bijtincidenten niet kunnen vinden.  

Conclusie

De relatief beperkte volledige respons op de vragenlijst van 48 medewerkers (43%) kan van invloed zijn op de representativiteit van de resultaten. Hierdoor dienen de bevindingen met enige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd.

De verkregen resultaten laten zien dat ondanks dat de medewerkers verhoogd risico lopen door 1) de omgeving waarin ze werken en 2) het werken met diverse diersoorten die een potentieel reservoir vormen voor zoönosen, de informatievoorziening en kennisdeling naar de medewerkers nog niet optimaal is. Zo hebben 40 medewerkers (72%) geen scholing gehad over zoönosen en hoe ze zich hiertegen kunnen beschermen. Ook op het gebied van richtlijnen en het gebruik daarvan laat dit onderzoek zien dat er op een aantal punten verbetering mogelijk is, namelijk:

  • Richtlijnen zijn niet aanwezig.
  • Medewerkers zijn niet op de hoogte dat er richtlijnen zijn.
  • Medewerkers kunnen richtlijnen niet vinden.
  • Richtlijnen zijn op gewenste momenten niet binnen handbereik.  

Opvallend is dat medewerkers vaak te maken krijgen met beten en krabben door dieren, maar zich hier weinig zorgen over maken. Een groot deel van de medewerkers heeft de overtuiging dat het bij hun werk hoort.  Ze nemen niet altijd de juiste maatregelen vóór en na een incident. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de medewerkers handelen vanuit onvolledige kennis.  

De medewerkers onderschatten het risico op een beet of krab van een dier, maar ook de risico’s die een beet of krab met zich meebrengt. Daardoor lopen zij een verhoogd risico op ziek worden als gevolg van een zoönose door een beet of krab. Juist bij deze groep is vaccineren tegen bijvoorbeeld difterie, tetanus en rabiës belangrijk om zoönosen te voorkomen. Een groot deel van hen blijkt echter onvolledig gevaccineerd tegen difterie, tetanus en rabiës, waardoor het risico op ziek worden onder hen nog groter is.  

Dit onderzoek heeft zich niet gericht op eventuele redenen waarom mensen volledig of onvolledig gevaccineerd zijn tegen difterie, tetanus en/of rabiës en kan daarom niet verklaren waarom de vaccinatiegraad laag is.  

Aanbevelingen  

Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek zijn er een aantal interventies die de risico’s op zoönosen bij dierenwelzijnsmedewerkers kunnen verkleinen:

  • Organiseer periodieke scholingen voor medewerkers over zoönosen en hoe zij zich hiertegen kunnen beschermen (inclusief trainingen over persoonlijke beschermingsmiddelen).
  • Zorg dat er richtlijnen zijn opgesteld over zoönosen en dat deze vindbaar en toegankelijk zijn voor medewerkers tijdens hun werkzaamheden.
  • Licht medewerkers in over werkgerelateerde vaccinaties en verwijs hen naar een organisatie die dit kan uitvoeren. Zorg voor duidelijke communicatie naar de medewerkers omtrent eventuele tegemoetkoming in de kosten, als dit van toepassing is.  

De resultaten en aanbevelingen uit dit onderzoek zijn teruggekoppeld aan de dierenambulances en dierenopvangcentra die deelnamen aan dit onderzoek. GGD Twente heeft niet actief aangeboden om scholingen te verzorgen, aangezien dit overlapt met ARBO Arbeidsomstandigheden (Arbeidsomstandigheden) en de GGD niet de aangewezen partij is om scholingen te verzorgen omtrent zoönosen. GGD Twente heeft wel aangegeven dat de organisaties bij vragen of verzoek om hulp contact kunnen opnemen met de GGD. GGD Twente beoordeelt de vragen en hulpverzoeken dan individueel.

  1. Rijksoverheid. (2022, 6 juli). Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/07/06/nationaal-actieplan-versterken-zoonosenbeleid 

  2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). (z.j.). Zoönosen - ziekten die van dieren op mensen overgaan. Geraadpleegd op 4 maart 2025, van https://www.nvwa.nl/onderwerpen/dierziekten/zoonosen

  3. International Fund for Animal Welfare (IFAW). (z.j.). Ziekten die van dieren op mensen overspringen (zoönosen). Geraadpleegd op 17 juni 2025, van https://www.ifaw.org/nl/journal/zoonose-ziektes-van-dieren-naar-mensen  

  4. Rijksoverheid. (2023). Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid: preventie, monitoring en samenwerking. Geraadpleegd op 29 mei 2025, van https://diervizier.nl/dossier/dierziekten-dossier 

  5. Gelderlander. (z.j.). Opruimen dode vogels gaat vaak mis en dat is riskant: ‘Op één grote hoop is juist gevaarlijk’. Geraadpleegd op 4 mei 2025, van https://www.gelderlander.nl/home/opruimen-dode-vogels-gaat-vaak-mis-en-dat-is-riskant-op-een-grote-hoop-is-juist-gevaarlijk~a42eca7e/