Infectieziekten Bulletin, januari 2026

Al dertig jaar bundelt de Landelijke Coördinatie Infectieziekten (LCI) samen met professionals in de infectieziektebestrijding de krachten om infectieziekten in Nederland te bestrijden. Dat doen we allen met grote bevlogenheid en toewijding. Samen beschermen we de publieke gezondheid, met heldere richtlijnen en gecoördineerde preventie. Zo benutten we elkaars expertise optimaal en versterken we elkaar. 
 
Dit jaar viert de LCI Landelijke coördinatie infectieziektebestrijding (Landelijke coördinatie infectieziektebestrijding) haar jubileum: drie decennia waarin de inzet, kennis en betrokkenheid van infectieziektebestrijders onmisbaar zijn geweest. Daar zijn we ontzettend trots op. Ter gelegenheid van dit jubileum zullen dit jaar in het Infectieziekten Bulletin meerdere artikelen verschijnen, waarin wordt ingegaan op de achtergrond, geschiedenis en toekomst van verschillende facetten van de LCI. 
 
We trappen af met een mooi interview met Jim van Steenbergen.

30 jaar Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), veel veranderingen verder. De wereld van de infectieziektebestrijding is continu in beweging en nooit saai. Dat geldt ook voor de LCI Landelijke coördinatie infectieziektebestrijding (Landelijke coördinatie infectieziektebestrijding). In deze decennia stonden er drie centrumhoofden aan het roer: Jim van Steenbergen (1995-2011), Aura Timen (2011-2022) en Tjalling Leenstra (2022-nu). In drie interviews blikken zij terug op hun tijd bij de LCI. Van Steenbergen trapt het drieluik af. Wat bewoog hem en hoe droeg hij bij aan een betere bestrijding en coördinatie?

‘Vader van de LCI’, zou je Van Steenbergen wel kunnen noemen. Na de polio-uitbraak in 1992 besloot toenmalig minister van Volksgezondheid Els Borst dat er meer coördinatie nodig was voor infectieziektebestrijding, met als doel een betere samenwerking en bestrijding op landelijk niveau. Van Steenbergen kreeg als eerste de opdracht om dat te gaan regelen.  

Hoe was je start bij de LCI?

“Tijdens die polio-uitbraak in 1992 stond ik, toen opleidingscoördinator, aan de zijlijn. Ik zag wel van alles misgaan bij de bestrijding. Er waren geen landelijke richtlijnen en de onderlinge afstemming was gebrekkig. Er ontstond onrust over revaccinatie en in landelijke media verschenen foto's van lange rijen mensen achter dranghekken, die door politie te paard in bedwang moesten worden gehouden. Daar sprak ik toen met meerdere mensen over en we maakten een plan voor een betere coördinatie. Uit een onafhankelijke externe evaluatie door Bureau Huurman kwam daarna ook die conclusie; dat er landelijk uniform bestrijdingsbeleid nodig was, en daarvoor een landelijke coördinatie. Om die reden werd er een landelijke coördinatiestructuur opgericht en daarvoor werd de vacature ‘bureau-coördinator’ uitgeschreven. Ik solliciteerde en dat was best spannend, want sommige mensen uit de sollicitatiecommissie waren betrokken geweest bij de polio-aanpak waar ik openlijk kritisch over was geweest. Maar ik kwam erdoor en ik startte, bijna als een eenmanszaak, het bureau Landelijke Coördinatiestructuur. Dat was op 13 juni 1995.  

Afbeelding 1: Krantenartikel uit het NRC Nationaal Referentie Centrum (Nationaal Referentie Centrum) Handelsblad van 28 mei 1993 over de evaluatie van Bureau Huurman naar de aanpak van de polio-epidemie, met daarin het advies om ‘een nieuw draaiboek polio te maken, verantwoordelijkheden voor crisismanagement in de volksgezondheidszorg duidelijk te definiëren en de landelijke coördinatie van de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst)’s te versterken’. Naar aanleiding van deze evaluatie is de LCI opgericht. 

Op een kamer bij de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ) in Rijswijk begon het bureau van de LCI. De IGZ Inspectie voor de Gezondheidszorg (Inspectie voor de Gezondheidszorg) voegde ook nog de zeer ervaren Anita Warres drie dagen in de week aan het bureau toe. Best een gespreid bedje: er bestond al een dikke ordner met losbladige richtlijnen van meldingsplichtige ziekten. Die was onder regie van de Inspectie in samenwerking met GGD’en gemaakt. Wij zouden die overnemen en gaan onderhouden en we zouden vragen uit de praktijk proberen te beantwoorden. We waren blij met elk telefoontje van een GGD en zochten graag advies bij de meest deskundigen van het land; bij het RIVM, universiteiten, laboratoria. Opmerkelijk was dat iedereen altijd bereid was tijd te maken en kennis te delen voor het oplossen van problemen uit de praktijk.”


We waren blij met elk telefoontje van een GGD


 

Welke kennis bracht je mee?

“Na een periode als arts in Zambia was me duidelijk geworden dat het fijn is mensen beter te maken, maar dat het nog veel beter is als mensen niet ziek wórden. Eenmaal terug in Nederland wist ik wat ik wilde: de infectieziektebestrijding in.  

Ik ging werken bij de GGD en deed ook een opleiding via het werk, een zogenaamde ‘vrije studierichting binnen de sociale geneeskunde’. Het opleidingsinstituut (Stichting Sociale Gezondheidszorg) constateerde dat ik al de vierde was die zich daarin richtte op infectieziekten. Zij deden een marktonderzoek waaruit bleek dat er (naast alle specialisaties in sociale geneeskunde) ook vraag was naar een specialistische deelopleiding infectieziektebestrijding. Ze hebben mij daarna gevraagd zo’n deelopleiding vorm te geven (later werd de SSG, via NSPH de huidige NSPOH Netherlands School of Public & Occupational Health (Netherlands School of Public & Occupational Health), red.). Daarvoor heb ik veel contacten in het land moeten leggen, wat me later bij de LCI ook weer van pas kwam. Én ik volgde al het onderwijs ook zelf en stak er steeds meer van op. Eigenlijk heb ik op alle vlakken heel veel geluk gehad. Er is me veel komen aanwaaien.

Want net als veel andere studenten geneeskunde had ik niet altijd erg goed opgelet bij de lessen over preventie en maatschappelijke onderwerpen. Andere onderwerpen vonden we interessanter. Toen ik solliciteerde dacht ik al veel te weten van infectieziekten. Maar dat vond de sollicitatiecommissie niet. Eén dag per week werkte ik daarom bij de GGD Amsterdam als een soort bijscholing, naast de LCI.”

Hoe ontwikkelde de LCI zich?

“Daar kan ik wel wat leuke anekdotes over vertellen. Er was ooit gedoe met veel vragen over dengue, maar geen meldingsplicht en dus ook geen richtlijn. In een dag tijd verzamelde ik informatie en goot die in een richtlijnvorm. Meelezen en vaststellen gebeurde in die tijd nog niet. Later werd het vaststellen gelukkig structureel bij het Landelijk Overleg Infectieziekten (LOI) gelegd.  

Over kinkhoest kwam eens een vraag van een instelling met meerdere gevallen. Ik wist daar echt helemaal niks vanaf. Dus heb ik van alles uitgezocht en rondgebeld. Een paar dagen later was er weer een soortgelijke vraag en een paar dagen later alweer. Was er iets aan de hand? We hadden toen nog niet allerlei signaleringssystemen. Mijn epidemiologische achtergrond kwam hierbij wel van pas. Na overleg met de arts-microbioloog van het RIVM (Joop Schellekens) heb ik de tabellen achterin alle Infectieziekte Bulletins nageplozen met de aantallen ziektegevallen en toen bleek er inderdaad een verheffing te zijn.

Ook een mooie ontwikkeling door de jaren heen: we gingen van losbladige richtlijnen (naar analogie van het voortreffelijke Amerikaanse ‘Control of Communicable Diseases Manual’) naar een boekje en later een website. Aanvankelijk was die website een subsite van het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering (LCR). Die ontwikkeling van de website was te danken aan een voortvarende secretaresse die dit regelde. En precies zo, naar analogie van het Amerikaanse ProMED-mail, ontwikkelden we ook Inf@ct, de spoedberichtenservice.”

Kun je wat vertellen over de destijds nieuwe OMT Outbreak Management Team (Outbreak Management Team)-structuur?

“De OMT-overlegstructuur werd opgericht bij de start van de LCI. De leden evalueerden in eerste instantie alle GGD-overstijgende zaken. De voorzitter had veel verantwoordelijkheden, maar weinig beslissingsbevoegdheid. Interessant vind ik hoe de verschuiving ging van een strikt advies van het OMT en hoe dat door het bestuurlijk afstemmingsoverleg (BAO) soms overdreven werd gevonden naar jaren later precies andersom. De maatschappij, en daarmee het BAO, leek daarin geleidelijk banger te worden voor infectieziekten, waarvan men vanaf de jaren zestig geleidelijk dacht die met x en y steeds beter onder controle te hebben. De gigantische hiv humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus)-pandemie in de jaren tachtig werd ervaren als iets voor specifieke groepen. Met H5N1 in Hong Kong (1997) en vooral na SARS severe acute respiratory syndrome (severe acute respiratory syndrome) (2002) draaiden de publieke gevoelens (en die van het BAO) bij infectieziekten om naar serieuze vrees: dan gaf het OMT aan dat het aantal gevallen nog binnen te verwachten grenzen was (bijvoorbeeld bij MenC meningokokken C (meningokokken C), waartegen nog niet universeel werd gevaccineerd), maar wilde het BAO juist maatregelen.”

Wat waren uitdagingen?

“Sinds COVID-19 kent bijna iedereen wel het RIVM, waar de LCI in 2005 naartoe verhuisde. Dat was destijds niet. Dus was ook de positie van de LCI anders. We maakten richtlijnen, bijvoorbeeld over antrax, waarin we ook taken beschreven die de politie verricht bij een bioterroristische dreiging, zonder dit af te stemmen met de politie zelf. Je kon geen harde werkafspraken maken met andere partijen, omdat we niet in die positie zaten. We waren buiten de wereld van de infectieziektebestrijding met alle respect toch een soort lulletje rozenwater.  


Toen er brieven met antrax in de VS Verenigde Staten (Verenigde Staten) waren, hadden wij al een richtlijn op de site staan


Nog een mooi voorbeeld, ook over antrax: Jan van Wijngaarden, toen inspecteur infectieziektebestrijding, was een aantal jaren vóór 9/11 op congres naar de VS geweest. Toen hij terugkwam, vond hij dat we ‘echt wat moesten doen met antrax’. Ik heb toen Aura Timen gevraagd als stagiaire dit uit te zoeken en een richtlijn te maken. Toen er later echt brieven met antrax in de VS waren, hadden wij al een richtlijn op de site staan. Dat maakte wel indruk.

Ook altijd een aandachtspunt, zéker sinds de LCI bij het RIVM zat: de dubbelfunctie van landelijke taken en dagelijks uitvoerende regionale ondersteuning. Voor die tweede moet je extra oog houden als je bij een landelijk instituut zit, omdat er al snel een idee van een landelijke ‘ivoren toren’ gevoeld wordt. Bij de overgang van de LCI van GGD-Nederland naar het CIb/RIVM Centrum Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Centrum Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) is speciaal daarom ook bedacht RAC Regionale Arts Consulenten (Regionale Arts Consulenten)’ers in het leven te roepen. Een gouden greep.”  

Waar liep je tegenaan?

“De politieke gevoeligheden had ik niet altijd even scherp. Bij een mazelenuitbraak in 1999 dacht ik: ‘Het is belangrijk dat minister Borst weet dat alles onder controle is’. Dus stuurde ik haar een fax met dit bericht, waarop ik een bedankje van haar kreeg. Een jaar later hoorde ik dat ambtenaren van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) het bizar brutaal hadden gevonden dat ik haar rechtstreeks benaderde. Gelukkig kon zij het zelf wel waarderen.”  

Waar heeft de LCI van geleerd?

“De Q-koorts-uitbraak tussen 2007-2009 toonde aan dat samenwerking in de bestrijding, in dit geval met de veterinaire sector, nog niet altijd goed geregeld was. Er speelden verschillende belangen en het was een complexe periode. Zo was er toen een OMT met daarin ook steeds meer veterinaire deskundigheid en belangen. Het was heel moeilijk met verschillende inzichten bestrijdingsbeleid te maken. De bestrijdingsstructuur was er ook nog niet op ingericht. Mooi vind ik dat er daarna meer samenwerking kwam. Er is een zoönosestructuur voor opschaling gecreëerd, en er staan inmiddels ook veterinaire onderdelen in de richtlijnen. Met infectieziektebestrijding zit je midden in de maatschappij, er zijn veel partijen en dus moet je veel samenwerken.”  

Had je ooit kunnen bedenken dat er een pandemie kwam?

“Natuurlijk probeerden wij destijds ook Nederland voor te bereiden op een infectieziektecrisis. Ooit zat ik bij verzekeraars, banken en de politie voor een praatje over ‘wat als er een pandemie uitbreekt en een derde van het personeel daardoor uitvalt?’ Bij de politie was dat niet zo’n groot probleem, constateerden we grappend, als een derde van de boeven ook maar werd geveld!  


Voetbalwedstrijden helemaal stoppen, óndenkbaar


Ik ben in het begin van de 21e eeuw zijdelings betrokken geweest bij het opstellen van de landelijke draaiboeken voor grootschalige uitbraken (onder leiding van GGD Nederland), vanuit het oogpunt de druk op de zorg behapbaar te houden, bijvoorbeeld bij een aanslag met pokken of een influenzapandemie. In die tijd bediscussieerden we dat je dan ook bijvoorbeeld voetbalwedstrijden zou moeten stoppen, vanwege social distancing. Werkelijk óndenkbaar vonden we dat. Toch bleek dit de realiteit tijdens de coronapandemie. Dat kon ik me dus van tevoren niet voorstellen. Dat is wellicht menselijk maar ook pijnlijk. Je kunt draaiboeken hebben klaarliggen, maar pas als het zich aandient weet je hoe het écht is. Als de situatie zich werkelijk voordoet en de noodzaak er echt is, dan krijg je meer medewerking.  

Natuurlijk heb ik tijdens COVID-19 echt meegeleefd met alle LCI’ers, in het bijzonder met Aura en Jaap. En gedacht hoe zou zo’n OMT zijn: allemaal dezelfde wetenschappelijke informatie tot je beschikking hebben, en toch anders naar de zaken kijken en bediscussiëren. Dat was altijd reuze-interessant. Maar ook zo bevrijdend dat ik alle uitwerking, verslaglegging, verwerking van commentaren niet hoefde te doen. En met grote bewondering voor hoe het gegaan is.”