De vragen en antwoorden hieronder gaan over het onderzoek naar chroom-6 bij NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen). Informatie over de andere RIVM-onderzoeken naar chroom-6 kunt u vinden op de pagina’s: chroom-6 in het algemeen, de onderzoeken bij Defensie (POMS-locaties en alle locaties) en de gemeente Tilburg (tROM).

Gezondheid

Gezondheid

Als u aan chroom-6 blootgesteld bent geweest kunt u ziek worden, maar dat hoeft niet. 

Of u ziek wordt hangt onder andere af van:

  • de hoeveelheid chroom-6 waaraan u bent blootgesteld (de concentratie)
  • hoe vaak u bent blootgesteld
  • hoe lang u per keer bent blootgesteld
  • hoe lang geleden de laatste blootstelling plaatsvond
  • persoonlijke eigenschappen zoals leefstijl, erfelijke aanleg en algemene gezondheid

Bij de ene functiegroep zijn de medewerkers vaker, langer en intensiever blootgesteld geweest dan bij de andere.

Ja, maar bij correct gebruik is de kans klein.

Het beste om blootstelling te voorkomen is om niet te werken met chroom-6 houdende verven en aan materieel of onderdelen die chroom-6 bevatten. Dit heet aanpak aan de bron. Vervanging van chroom-6 door minder schadelijke stoffen zijn ook manieren om blootstelling te voorkomen. Daarna was in oude verflagen en specifieke roestvaste onderdelen soms nog chroom-6 aanwezig. Men was zich daarvan onvoldoende bewust. 

Technische en organisatorische maatregelen kunnen ook de blootstelling aan chroom-6 verlagen. Voorbeelden hiervan zijn een goed functionerende bronafzuiging en een kortere blootstellingsduur. 

Persoonlijke beschermingsmiddelen ( PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen)’s) mogen pas worden ingezet als de technische en organisatorische maatregelen onvoldoende bescherming bieden omdat PBM’s belastend zijn voor de medewerkers.

Ga altijd naar uw huisarts of bedrijfsarts als u ziek bent of symptomen heeft. Als u denkt dat het door chroom-6 komt, neem dan de speciale brochure voor huisartsen mee naar de afspraak met uw arts.

Hoe is NS omgegaan met chroom-6?

Hoe is NS omgegaan met chroom-6?

Ja, de schadelijkheid van chroom-6 en mogelijke blootstelling aan chroom-6 waren sinds de jaren ’70 bekend bij NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen). Deze kennis was echter niet breed aanwezig binnen de organisatie en werd niet of nauwelijks gedeeld. Bredere bekendheid met chroom 6 en de gezondheidsrisico’s daarvan binnen NS kwam pas in 2015, toen de chroom -6-problemen bij Defensie en later bij de gemeente Tilburg in de openbaarheid kwamen.

De onderzoekers hebben één rapport uit 1979 gevonden over medisch onderzoek bij NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) naar gezondheidseffecten na blootstelling aan chroom-6. In dat jaar heeft een externe bedrijfsarts in het kader van een stage een bedrijfsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd bij de verfspuiters (ref R1215). Ongeveer 20 medewerkers verrichtten spuitwerk met gele verf, die loodchromaat bevatte. Hier lijkt geen vervolg op te zijn gekomen.

Er zijn voor het grootste deel van de onderzochte periode geen aanwijzingen gevonden dat er bij NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) blootstellingsmetingen naar chroom-6 zijn gedaan. Vanaf 2014 zijn metingen geïntroduceerd specifiek naar chroom-6. Directe aanleiding was het aantreffen van chroom -6 in genomen verfmonsters van materieel.

Vanaf de jaren ’80 moesten bij de aanschaf van nieuw materieel kankerverwekkende stoffen zoals chroom-6 worden vermeden. Eind jaren '80 zocht NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) naar een alternatief voor chroom-6 omdat dit schadelijk was voor mens en milieu. 

Nee. Er was geen kennis specifiek over de normen, het beleid en de regelgeving omtrent het werken met chroom-6. Dit had te maken met de onwetendheid  over de mogelijkheid van blootstelling aan deze stof. Daarnaast ontbrak periodieke voorlichting over arbeidsrisico’s, waardoor medewerkers niet op de hoogte waren van mogelijke blootstelling aan chroom-6 en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s.

Gedurende de looptijd van het onderzoek bij NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) was nog steeds materieel in omloop dat chroom-6 bevatte. NS heeft maatregelen genomen om blootstelling aan chroom-6 te voorkomen. Zo wordt er - volgens NS - nu gewerkt alsof alle treinen chroom-6 bevatten. Daarnaast zijn sommige risicovolle werkzaamheden stilgelegd. NS kan hier meer informatie over geven.

Arbeidsomstandigheden en chroom-6

Arbeidsomstandigheden en chroom-6

In theorie waren de arbobeleidvoornemens bij NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) goed: men was op de hoogte van aankomende wettelijke regelingen en anticipeerde daarop. Dit werd vastgelegd in nota’s, handboeken en richtlijnen. In de praktijk (jaren '70 en '80) lieten de uitvoering en de naleving van het arbobeleid te wensen over. 

Er was onvoldoende kennis over gevaarlijke stoffen, wettelijk verplichte registraties als het Register Gevaarlijke Stoffen en de Registratie kankerverwekkende stoffen waren niet op orde, medewerkers werden onvoldoende voorgelicht, en toezicht op veilig werken en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen was onvoldoende. Tijdens de verzelfstandiging van NS van 1995 tot 2002 werd aandacht voor kwaliteits- en veiligheidsprocessen verwaarloosd. Vanaf 2005 is er weer in geïnvesteerd om de processen goed op orde te brengen.

Medewerkers, leidinggevenden, de directie, veiligheidskundigen, de Veiligheid-, Gezondheid- & Milieucoördinator, Arbo- en Milieucoördinator, bedrijfsarts/arbodienst, leveranciers van verf en de Arbeidsinspectie hebben elk hun eigen rol, die wordt beschreven in het onderzoeksrapport over de manier van werken en de omgang met voorschriften.

PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen)’s (kleding, handschoenen, adembescherming) waren op de meeste werkplekken beschikbaar gedurende de gehele onderzoeksperiode. Het gebruik daarvan en het toezicht daarop was echter wisselend. Daarnaast waren de PBM’s niet specifiek gericht op het voorkómen van blootstelling aan chroom-6. Na de verzelfstandiging van NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) in 1995 was de beschikbaarheid van PBM’s tijdelijk minder; de PBM’s werden toen met minder budget door de afdelingen zelf ingekocht en niet meer centraal door deskundigen. Na 2000 werd het gebruik van PBM’s weer steeds algemener. Na 2010 kwamen PBM’s voor iedereen beschikbaar en vonden er meer toezicht en instructie plaats.

In de loop van de tijd zijn maatregelen ingevoerd om blootstelling aan stof te beperken, zoals afgescheiden ruimtes voor stralen, schuren en verven, en schuurcabines met afzuiging. Vooral na 2010 werden beheersmaatregelen, zoals ruimteventilatie en bronafzuiging, meer structureel toegepast en is gezocht naar innovatieve maatregelen, zoals afzuigramen.

Er was vrijwel altijd en overal de mogelijkheid om na de werkzaamheden te douchen. Eten en drinken vond doorgaans op de werkplek plaats, maar vanaf ongeveer 2000 werd dat gaandeweg steeds minder.

In het verleden was weinig aandacht voor ‘indirecte blootstelling’. Hierbij werden (oud-)medewerkers zonder PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen)’s blootgesteld aan chroom-6 door de werkzaamheden van een collega in de nabijheid. Met het scheiden van werkprocessen en ruimten werd deze indirecte blootstelling beter beheerst.
 

NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) was als werkgever verplicht om maatregelen te nemen die blootstelling aan chroom-6 moesten voorkomen. Volgens de Arbeidsomstandighedenwet moest en moet een werkgever beleid hebben en uitvoeren op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn. De zorgplicht van NS als werkgever gold en geldt voor alle medewerkers en degenen die anders dan via een arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor NS verrichten.

De veiligheidscultuur bij NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) varieerde in de tijd en per locatie. Er was toezicht op veiligheidsregels, maar het toezicht was in het verleden minder streng en strikt geregeld dan tegenwoordig. Hoe het eraan toe ging was vaak afhankelijk van de werklocatie en de personen die er werkten, vooral in de periode vóór 2005.

Tot 2000 was het gebruik van beschermende voorzieningen, en dan vooral mondkapjes, vaak naar eigen inzicht. Op de werkvloer heerste de mentaliteit dat het werk zo goed en zo snel mogelijk af moest. Dit kon ten koste gaan van veilig werken volgens de op dat moment geldende arboregels. 

Lange tijd nuttigden medewerkers hun eten en drinken in de werkplaats en werden zij hier niet op aangesproken. Er waren op sommige locaties wel afgezonderde pauzegelegenheden. Voor persoonlijke hygiëne was er voldoende douchegelegenheid en beschikten de medewerkers over voldoende werkkleding, waaronder overalls en veiligheidsschoenen.
 

Over het onderzoek naar chroom-6 bij NS

Over het onderzoek naar chroom-6 bij NS

Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in samenwerking met de Universiteit Utrecht, TNO, de Universiteit Maastricht en andere deskundigen. Het onderzoek ging over de periode 1970 t/m 2020. Hiervoor zijn de documenten bestudeerd die NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) beschikbaar heeft gesteld over de periode 1970 t/m 2017, is een aantal nog bestaande werkplaatsen van NS bezocht en zijn er groepsgesprekken gehouden en interviews met (oud-)medewerkers over de periode 1970 t/m 2020. Over de periode 2014 t/m 2020 waren er ook meetgegevens beschikbaar die zijn geanalyseerd. Op basis van alle gegevens heeft er een risicobeoordeling plaatsgevonden. De risicobeoordeling geeft aan of medewerkers ziek kunnen worden of zijn geworden van chroom-6 tijdens hun werk.

In totaal zijn er 17 locaties onderzocht. Dit zijn alle revisie- en onderhoudsbedrijven en een selectie van de servicebedrijven. Bij de servicebedrijven leken de functies en de werkzaamheden erg op elkaar en daarom hoefden ze niet allemaal apart beoordeeld te worden.

Het RIVM heeft geen metingen gedaan bij NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen). NS zelf heeft wel chroom-6-metingen laten verrichten vanaf 2014.

(Oud-)medewerkers van NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen), uitzendkrachten en extern ingehuurde schoonmakers zijn gevraagd om deel te nemen aan de groepsgesprekken en interviews. De medewerkers konden zich hier zelf voor aanmelden. Uit deze aanmeldingen hebben de onderzoekers een selectie gemaakt op basis van locatie, functie en arbeidsperiode. Hierbij ging de voorkeur uit naar medewerkers met een lange arbeidshistorie om (eventuele veranderingen in de loop van) de onderzoeksperiode zo goed mogelijk in beeld te krijgen.

Er zijn 144 functiegroepen meegenomen in het onderzoek. Van alle functies is in kaart gebracht welke taken uitgevoerd werden, hoe vaak en hoe lang ze werden uitgevoerd, hoeveel stof daarbij zou hebben kunnen vrijkomen, en in welke mate aan chroom-6-houdend materieel is gewerkt.

Het is niet duidelijk aan welke materieelserie wanneer en waar precies werd gewerkt. Daarnaast is er over de goederenwagens nauwelijks informatie voorhanden. Dit betekent dat in ieder geval voor de locaties Amersfoort en Zwolle slechts een beperkt beeld is verkregen van welk materieel chroom-6-houdend was. 

Nee, dit is niet voor al het materieel duidelijk omdat niet bekend is hoeveel chroom-6 er in oude verflagen zat.

Van de periode vóór 2014 zijn er van de blootstelling geen meetgegevens beschikbaar. Samen met het feit dat niet bekend is hoeveel chroom-6 het materieel bevatte en niet kon worden achterhaald wat precies aan welke materieelserie waar en wanneer werd uitgevoerd, maakt dat er niet met zekerheid kan worden aangegeven of er blootstelling is geweest en hoe hoog die blootstelling is geweest.

Wel kon de waarschijnlijkheid worden geschat van blootstelling aan chroom-6 per locatie, functie en periode van 5 jaar op basis van alle verzamelde informatie, de uitgevoerde taken op de verschillende locaties en de onderhouden en gereviseerde materieelseries.
 

NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) heeft het RIVM niet gevraagd om individuele medewerkers te onderzoeken. Hiervoor konden en kunnen zij terecht bij IKA-NED. Door de informatie te combineren die door meer (oud-)medewerkers is verstrekt in de groepsgesprekken, konden er betrouwbaardere conclusies getrokken worden. Wel levert het onderzoek informatie op over de waarschijnlijkheid van blootstelling voor functiegroepen, die gebruikt kan worden bij het beoordelen van persoonlijke situaties.

De helft van de door de onderzoekers uitgenodigde (oud-) NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen)-medewerkers heeft zichzelf aangemeld voor de groepsgesprekken en interviews. Voor alle relevante locaties zijn medewerkers gesproken, hierdoor hebben de onderzoekers een vrijwel compleet overzicht gekregen. Binnen de locaties is het niet uit te sluiten dat van bepaalde functies niemand zich heeft aangemeld of dat van sommige functies niemand is geselecteerd.

Het RIVM is een onafhankelijk kennisinstituut. Dit is bepaald in de Wet op het RIVM. Daarnaast heeft een onafhankelijke, inhoudelijke klankbordgroep het onderzoek begeleid en getoetst. NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) heeft geen inspraak gehad in hoe het onderzoek is uitgevoerd en daarmee ook niet in de resultaten, conclusies en in de gesprekken met (oud-)medewerkers.

Het doel van het onderzoek is om te kijken naar de situatie in het verleden. NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) brengt zelf de actuele situatie in kaart. Het onderzoek zou ook veel langer hebben geduurd als de periode tot nu was meegenomen.

Uitkering

Uitkering

Het RIVM is niet betrokken bij de uitkeringsregeling. Meer informatie over de uitkeringsregeling kunt u vinden op de website van NS.

Wilt u meer informatie over de uitkeringsregeling of wilt u een uitkering aanvragen, kijkt u dan op de website van NS.