In 2018 bleek uit RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu-onderzoek op de vijf POMS-locaties al dat (oud-)defensiemedewerkers daar in contact konden komen met chroom-6. Het RIVM heeft ook onderzocht of dat op de andere Defensielocaties mogelijk was. Het doel van het onderzoek is helderheid geven over de vraag of mensen door hun werk met chroom-6 bij Defensie ziek kunnen zijn geworden.

Onderzoeksopzet

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft alle locaties van Defensie, die in bedrijf waren tussen 1970 en 2015, betrokken in het onderzoek. Ook locaties van Defensie die al gesloten waren of locaties in het buitenland. (Oud-)medewerkers van meer dan 200 locaties deden mee. Bij de opzet van het onderzoek golden twee belangrijke uitgangspunten. Allereerst, het belang van (oud-)medewerkers stond voorop. Velen van hen leven al jaren met de vraag of zij misschien ziek zijn geworden of nog kunnen worden doordat zij in contact zijn gekomen met chroom-6 tijdens hun werk. De Paritaire Commissie wilde hen snel meer duidelijkheid geven. Een tweede uitgangspunt was dat de Paritaire Commissie zoveel mogelijk medewerkers van zoveel mogelijk locaties mee wilde laten doen aan het onderzoek. Meer dan 1.500 (oud-)medewerkers deden mee aan het onderzoek. Om zoveel mogelijk informatie te kunnen verzamelen, is besloten om online vragenlijsten te gebruiken. In de vragenlijsten zijn dezelfde vragen gesteld als tijdens de groepsgesprekken die gehouden zijn voor het onderzoek op de POMSPrepositioned Organizational Materiel Storage-locaties. Door vragenlijsten te gebruiken, kon iedere (oud-)medewerker met het onderzoek meedoen. Beide manieren van onderzoek doen zijn uiteraard goed en zorgvuldig.

Resultaten

Er zijn drie hoofdconclusies van het onderzoek:

  1. Medewerkers op vrijwel alle locaties en bij alle Defensieonderdelen, kunnen in de aangegeven periode in contact zijn gekomen met chroom-6. Het gaat bij blootstelling vooral om onderhoudsmedewerkers. Maar ook medewerkers die géén onderhoud uitvoerden, maar wel vaak in de buurt van deze werkzaamheden waren, konden dus chroom-6 binnen krijgen.
  2. De bescherming tegen contact met chroom-6 was vaak onvoldoende. Met name in de jaren ‘70 was dat het geval. In de loop van de tijd kwam er meer aandacht voor veilig werken met chroom-6 en vond er verbetering plaats. Vanaf de jaren ’90 verbeterden de beschermende maatregelen bij alle Defensieonderdelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om afscheiding van werkruimtes, afzuiginstallaties of persoonlijke beschermingsmiddelen.
  3. De werkzaamheden die een (oud-)medewerker deed, zijn de basis om in te schatten of iemand ziek kan zijn geworden door chroom-6. 
Video onderzoeksrapport chroom-6 op alle defensielocaties

Bekijk video

Werkzaamheden

In dit onderzoek gaat het vooral over de werkzaamheden. De meest voorkomende werkzaamheden waarbij een medewerker direct contact kon hebben met chroom-6 als hij/zij deze zelf uitvoerde, zijn:

  • Verfspuiten met spuitpistool
  • Spotpainten met spuitbus, roller, kwast
  • Stralen van geverfde oppervlakken
  • Vrijkomen of verspreiding verfstof
  • Verwijderen van oude verflagen (slijpen, schuren, frezen, boren)
  • Demontage geverfd materieel (ook openbranden)
  • Bewerking geverfd materieel (ruimen, klinken, schroeven)
  • Wegblazen verfstof
  • Lassen of snijbranden

Onderzoekers hebben in het onderzoek aangenomen dat alle verf die gebruikt werd binnen Defensie chroom-6 bevatte. In werkelijkheid is dat niet overal het geval geweest, zeker in de latere jaren van de onderzoeksperiode niet. Maar met name in oudere verflagen kan dan nog chroom-6 zitten.

Ontwikkelingen

Wereldwijd gaat het wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheidseffecten van chroom-6 door. Het ministerie van Defensie heeft het RIVM daarom gevraagd om te blijven volgen of er nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen zijn over deze en andere ziekten in relatie tot chroom-6. Als er nieuwe inzichten komen over ziekten die door chroom-6 kunnen worden veroorzaakt, dan zal het RIVM de ziektelijst aanpassen. 

Vragen en antwoorden

In het onderzoek is informatie verzameld over alle defensieonderdelen; Luchtmacht, Landmacht, Marechaussee, Defensie Materieel Organisatie en Marine. Ook is er binnen alle onderdelen gekeken naar verschillende werksituaties en werkzaamheden. 

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft alle locaties van Defensie, die in bedrijf waren tussen 1970 en 2015, betrokken in het onderzoek. Dat geldt ook voor buitenlandse en al gesloten locaties. 

Alle huidige en voormalige medewerkers van Defensie konden meedoen aan het onderzoek door het invullen van een vragenlijst. Hierdoor werd informatie verzameld over alle locaties waar zij hadden gewerkt. Daar vallen ook al gesloten locaties onder. Door het analyseren van de informatie is een beeld verkregen van de omstandigheden op alle defensielocaties.

De coronamaatregelen waren niet van invloed op deelname aan het onderzoek doordat is gekozen voor een online vragenlijst. Aan het onderzoek hebben meer dan 1.500 (oud-)medewerkers deelgenomen door het invullen van een onderzoeksvragenlijst. Met behulp van de informatie uit de vragenlijsten hebben de onderzoekers conclusies kunnen trekken over de arbeidsomstandigheden op alle defensielocaties. 

De gesprekken met (oud-)medewerkers waren bedoeld om een eerste beeld te krijgen van de locaties die meegenomen moesten worden in het onderzoek. De conclusie was dat alle locaties van alle defensieonderdelen meegenomen moesten worden. Daardoor is dit onderzoek veel groter dan het onderzoek bij de vijf POMSPrepositioned Organizational Materiel Storage-locaties. In het belang van de betrokken (oud-)medewerkers wilde de Paritaire Commissie niet dat het onderzoek jaren zou duren. Om toch zo veel mogelijk informatie te kunnen verzamelen, kozen de onderzoekers in overleg met de Paritaire Commissie ervoor om gebruik te maken van een online vragenlijst. Hierdoor had iedere (oud-)medewerker van Defensie de gelegenheid om mee te doen met het onderzoek. De vragen in de vragenlijst zijn zoveel mogelijk hetzelfde als bij de eerder gevoerde gesprekken.

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft gekeken of het mogelijk is om voor heel Defensie een epidemiologisch onderzoek te doen. Het doel van dergelijk onderzoek zou zijn om te onderzoeken of er onder (oud-)medewerkers die hebben gewerkt met chroom-6, vaker bepaalde ziekten of gezondheidsklachten voorkomen dan onder medewerkers die daar niet mee hebben gewerkt. De conclusie is dat het niet mogelijk is om een epidemiologisch onderzoek te doen. 

Voor het doen van epidemiologisch onderzoek zijn verschillende typen informatie nodig:

  • De onderzoekers moeten voldoende gedetailleerde gegevens hebben van alle individuele (oud-)medewerkers, zoals functie, ziekten en leefstijl;
  • Er moet informatie zijn over blootstelling aan chroom-6 in het verleden bij veel verschillende functies en locaties.

Het RIVM onderzocht of Defensie over voldoende van deze gegevens beschikt. Dat blijkt niet het geval. Ook is het niet haalbaar om deze gegevens te verzamelen binnen een redelijke termijn, want sommige ziekten ontstaan pas na 30 jaar. Ook worden voor veel ziekten in Nederland geen patiëntgegevens routinematig verzameld. Dergelijke gedetailleerde persoonlijke gegevens van zoveel medewerkers had ook niet via het vragenlijstonderzoek kunnen worden verzameld. 

Het blijkt dat binnen de hele defensieorganisatie medewerkers in contact konden komen met chroom-6. Dus niet alleen de mensen die zelf het onderhoudswerk aan het legermaterieel deden, maar ook mensen die regelmatig in de werkplaatsen kwamen waar dit soort werk werd uitgevoerd. Medewerkers die geen onderhoudswerk deden of niet in de werkplaatsen kwamen, zijn niet in contact gekomen met chroom-6.

In de jaren ’70 en ’80 was er binnen alle onderdelen nauwelijks aandacht voor beheersmaatregelen en persoonlijke bescherming. Vanaf de jaren ’90 kwam hier meer aandacht voor, het snelst binnen de Luchtmacht. Na 2000 groeide bij alle defensieonderdelen het besef dat handhaving van arbeidsomstandigheden belangrijk is om veilig te kunnen werken met gevaarlijke stoffen. Bij de Luchtmacht en Defensie Materieel Organisatie werden meer technische beheersmaatregelen (bijv. afzuiginstallaties) geïmplementeerd. Bij de Landmacht was dit minder gebruikelijk. Hetzelfde gold voor organisatorische beheersmaatregelen (bijv. afscheiding van werkruimtes, taakroulatie) en persoonlijke beschermingsmiddelen (bijv. stofmaskers). 

Het onderzoek is op een andere manier uitgevoerd. Dit komt doordat het aantal locaties en functies en de tijdsperiode in het onderzoek bij alle defensielocaties veel omvangrijker was dan het onderzoek bij de vijf POMSPrepositioned Organizational Materiel Storage-locaties. Als het onderzoek op dezelfde manier was gedaan, dan had het lang geduurd voordat (oud-)medewerkers bij alle defensielocaties antwoorden hadden gekregen. Door te kiezen voor vragenlijstonderzoek, op basis van dezelfde onderzoeksvragen als bij het POMS-onderzoek, was het voor alle (oud-)medewerkers mogelijk om mee te doen aan het onderzoek. Bij het onderzoek op de POMS-locaties is met een selectie van medewerkers gesproken. Beide manieren van onderzoek doen zijn goed. Bij het onderzoek op alle defensielocaties is bovendien gebruik gemaakt van de resultaten van het POMS-onderzoek.

De belangrijkste resultaten van beide onderzoeken komen grotendeels overeen. Zowel bij het onderzoek op alle defensielocaties als op de POMS-locaties bleek dat (oud-)medewerkers van Defensie niet altijd en overal voldoende beschermd waren tegen blootstelling aan chroom-6. Ook bleek uit het onderzoek bij alle defensielocaties dat medewerkers binnen de hele defensieorganisatie in contact konden zijn gekomen met chroom-6. 

De resultaten van beide onderzoeken worden op een andere manier weergegeven. Bij het onderzoek op de POMSPrepositioned Organizational Materiel Storage-locaties was het mogelijk om uit te gaan van eenduidige functies en na gesprekken met de oud-medewerkers de blootstelling per functie voor alle functies in kaart te brengen. Voor het onderzoek bij alle defensielocaties was dit niet mogelijk, omdat het om ongeveer 850.000 (oud-)medewerkers ging die duizenden verschillende functies kunnen hebben vervuld. Het onderzoek had nog jaren geduurd als de onderzoekers het op dezelfde manier hadden gedaan. Dat is ook niet nodig, omdat het onderzoek bij alle defensielocaties duidelijke bevindingen geeft waarmee Defensie en de vakbonden tot een aanpassing en uitbreiding van de Uitkeringsregeling zijn gekomen en daarmee het belang van de (oud-)medewerker centraal stellen. 

De meeste mensen worden niet ziek door blootstelling aan chroom-6. Of je ziek wordt, hangt van verschillende factoren af. De kans om ziek te worden, is groter als je vaker en/of langer bent blootgesteld. Dat geldt vooral voor mensen die bij Defensie zonder bescherming onderhoudswerkzaamheden aan oppervlakken met chroom-6 hebben uitgevoerd. Ook factoren zoals leefstijl, erfelijke aanleg en algemene gezondheid zijn van invloed bij het ontwikkelen van een ziekte. 

Het onderzoek van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is omvangrijk en zorgvuldig uitgevoerd. Dat kost helaas tijd. Daarom is er sinds maart 2015 de ‘Coulanceregeling chroom-6’ door Defensie en de vakbonden ingesteld. Deze regeling biedt alvast een financiële tegemoetkoming aan mensen die ziek kunnen zijn geworden door het werken met chroom-6 bij Defensie. De Coulanceregeling loopt daarmee vooruit op de onderzoeksresultaten van het RIVM en een definitieve uitkeringsregeling van Defensie en de vakbonden. 

De Coulanceregeling is vastgesteld op basis van de informatie die toen bekend was bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). In vervolg op het onderzoek van het NCvB heeft het RIVM onderzoek uitgevoerd naar chroom-6 op de POMSPrepositioned Organizational Materiel Storage-locaties. Dit onderzoek is in juni 2018 afgerond en heeft meer informatie opgeleverd over welke ziekten veroorzaakt kunnen worden door chroom-6 tijdens het werken bij Defensie. Op basis van die nieuwe, wetenschappelijke inzichten is de lijst met ziekten uit de Coulanceregeling daarom aangepast: 

  • (Oud-)defensiemedewerkers met neusbijholtekanker en/of chroom-6 gerelateerde allergische rhinitis hebben nu ook recht op een uitkering op grond van de Coulanceregeling – onder de voorwaarden zoals genoemd in de regeling.
  • (Oud-)defensiemedewerkers die lijden aan één van de ziekten die niet meer in de Coulanceregeling is opgenomen, kunnen voor die aandoening vanaf 1 januari 2020 geen aanspraak meer maken op een tegemoetkoming op grond van deze regeling. 

Als u een tegemoetkoming heeft gehad voor een ziekte die niet meer op de lijst staat, hoeft u dit bedrag niet terug te betalen. 

Chroom-6 is een stof met de eigenschap dat het kankerverwekkend is. Als je met deze stof in contact komt en je niet goed beschermd bent, dan kan je chroom-6 in je lichaam krijgen. Uit het onderzoek van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu blijkt dat sommige (oud-)medewerkers van Defensie tijdens het werken met chroom-6 zodanig met chroom-6 in contact zijn geweest, dat zij ziek kunnen zijn geworden of nog kunnen worden. Daarnaast toont het onderzoek aan dat Defensie haar medewerkers niet voldoende heeft beschermd bij het werken met gevaarlijke stoffen. Het gaat dan niet alleen om chroom-6, maar om gevaarlijke stoffen in het algemeen. De Paritaire Commissie heeft besloten geen onderzoek meer te laten uitvoeren naar andere gevaarlijke stoffen. Defensie had namelijk volgens de wet veilige arbeidsomstandigheden moeten bieden.  

Chroom-6 komt niet in pure vorm voor. Chroom-6 vormt altijd een verbinding met een andere stof, meestal met zuurstof. Deze verbinding heet dan een chromaat. Bij Defensie is chromaathoudende verf gebruikt voor het behandelen van materieel vanwege de roestwerende eigenschappen van die verf. Ook bij het lassen van roestvrijstaal kan chroom-6-houdend stof vrijkomen. In het onderzoek zijn alle vormen van chroom-6-verbindingen meegenomen onder de verzamelnaam ‘chroom-6’.