In de leefomgeving kunnen voor betrokkenen in principe alle bronnen bijdragen aan geluidbelasting. In deze bijlage worden de geluidbronnen verkeer en industriële activiteiten besproken.

Wegverkeer

In de Wet geluidhinder is geregeld hoe geluid van het wegverkeer moet worden betrokken bij ruimtelijke plannen. De feitelijke rekenregels staan in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 (RMG2012, I&W Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat), 2012). Wettelijk (Wet geluidhinder) worden met wegverkeer in de regel auto’s, bussen en vrachtauto’s bedoeld, oftewel: motorvoertuigen met drie of meer wielen. Geluid afkomstig van scooters, brommers en motoren wordt – als het gaat om toetsing aan wettelijke normen – meestal niet meegerekend. Als het geluid van brommers of motoren een relevante bijdrage levert is in het RMG2012 wel een formule voor de geluidemissie opgenomen. Het geluid van bijvoorbeeld scooters kan wel een belangrijke bijdrage leveren aan de hinderbeleving (Franssen et al., 2004; Poll et al., 2018). Wegverkeer is, landelijk gezien, in omvang de grootste bron van geluidhinder.

Het RMG2012 moet worden gehanteerd bij de berekening van het wegverkeer. Het rekenmodel houdt rekening met bijv. snelheid, type wegdek, aantal voertuigen per categorie, afscherming. Er is een standaardrekenmethode I (SRM1) voor eenvoudige situatie en een SRM2 voor de meer complexe gevallen.

Om snel een indruk te krijgen van de geluidbelasting is op de site van Infomil een rekentool te vinden conform SRM1.

Railverkeer

Railverkeer omvat wettelijk (Wet geluidhinder) al het materieel dat zich over rails voortbeweegt. Dit is het reguliere personenvervoer van bijvoorbeeld de NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) en het goederenvervoer. Ook het materiaal van de sneltram, lightrail en metro wordt als railverkeer beschouwd. Een uitzondering wordt gemaakt als een spoorweg onderdeel is van een weg. In dit geval moet het geluid van deze spoorweg meegenomen worden in de berekening van het geluid van het verkeer op deze weg. De geluidbelasting wordt dan getoetst aan de normen voor wegverkeerslawaai. Die normen zijn strenger dan de normen voor spoorverkeer.

Spoorwegemplacementen worden niet gezien als een onderdeel van het reguliere railverkeer, maar als een ‘inrichting’. Een spoorwegemplacement als geluidbron wordt behandeld als industrielawaai.

Vliegverkeer

Elk transportmiddel dat zich in de lucht kan verplaatsen valt wettelijk (Wet luchtvaart) onder de noemer vliegverkeer. Denk hierbij naast vliegtuigen bijvoorbeeld aan een helikopter, luchtballon en zweeftoestel. In de wet- en regelgeving wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën. Er is sprake van kleine en grote luchtvaart. Kleine luchtvaart omvat de luchtvaartuigen die geen vracht of grote passagiersaantallen vervoeren (bijvoorbeeld een reclamevliegtuigje of luchtballon). De grote passagiersvliegtuigen en vrachtvliegtuigen behoren tot de grote luchtvaart. Daarnaast bestaat het onderscheid tussen burgerluchtvaart en militaire luchtvaart.

Industrie en bedrijven

Volgens de Wet geluidhinder wordt onderscheid gemaakt tussen een industrieterrein en een bedrijventerrein. Een industrieterrein is een aangewezen gebied (in het bestemmingsplan) waarop (grote) lawaaimakers gevestigd kunnen worden en waarbij specifieke regels zijn als het gaat om de geluidproductie. Er is dan sprake van een gezoneerd industrieterrein. Rond een industrieterrein ligt een gedefinieerde zone, waarop de bijdrage van alle bedrijven tezamen niet hoger mag zijn dan 50 dB decibel (decibel)(A). Wonen op een gezoneerd terrein is in principe niet toegestaan. Voor wel aanwezige woningen gelden geen of nauwelijks geluidnormen.

Een bedrijventerrein is bedoeld voor lichte bedrijfsactiviteiten, waarbij de geluidproductie beperkt is. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is voor woningen op een (niet-gezoneerd) bedrijventerrein een 5 dB ruimere grenswaarde voor geluid opgenomen, zowel voor het Lar;LT als voor het LAmax en voor alle perioden.

Lichte bedrijfsactiviteiten vinden niet alleen plaats op een bedrijventerrein. Er kan ook sprake zijn een geïsoleerd bedrijf, bijvoorbeeld een autogarage in een woonwijk. Daarvoor gelden de standaard geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Nevenactiviteiten van verkeer, zoals een spoorwegemplacement, maar ook activiteiten op een (lucht)haven, zoals laden en lossen, vallen eveneens onder de noemer industriegeluid.

Hoe industrielawaai moet worden berekend staat in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, VROM Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu) 1999 (HMRI 1999).

Bij de beoordeling van een geluidsniveau op een gevel kan sprake zijn van een toeslag voor hinderlijkheid. Deze toeslag is 5 dB als het geluid een tonaal of impulskarakter heeft en 10 dB als het geluid ter plaatse van de woning herkenbaar is als muziek. Dit ter beoordeling van de toezichthouder.

Als op voorhand duidelijk is dat sprake is van een toeslag, dan dient dit ook al in het akoestisch rapport te zijn verwerkt.

  • Franssen E., van Dongen J., Ruysbroek A., Vos H., Stellato R. (2004). Hinder door milieufactoren van de leefomgeving in Nederland. Inventarisatie verstoringen 2003. Bilthoven: RIVM. Rapportnummer 815120001.
  • Poll R. van, Breugelmans O., Houthuijs D., van Kamp I. (2018). Beleving Woonomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2016. Bilthoven: RIVM Rapport 2018-0084.
  • HRMI (1999) Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai.
  • Standaard Rekenmethode I RMG 2012
  • I&M Ministerie van Infrastructuur & Milieu (Ministerie van Infrastructuur & Milieu) (2012). Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Den Haag