De hygiënerichtlijn voor verpleeghuizen, woonzorgcentra en kleinschalig wonen is voor het laatst herzien in 2017. Tussentijdse wijzigingen sinds de laatste herziening staan aangegeven in de Verantwoording.

De schoonmaakschema’s bij deze richtlijn kunt u hier downloaden als Word-document. Voor het maken van een checklist of rapport kunt u gebruik maken van de normenlijst.

 

1 Inleiding

In deze inleiding staat voor wie de richtlijn voor verpleeghuizen, woonzorgcentra en kleinschalig wonen is geschreven en wat het doel van de hygiëne-eisen is. Ook wordt er uitgelegd waarom hygiëne belangrijk is. Daarnaast vindt u een leeswijzer als ondersteuning bij het vinden van specifieke informatie.

Voor wie is deze hygiënerichtlijn?

Deze richtlijn is een hulpmiddel om de hygiëne vorm te geven in een verpleeghuis, woonzorgcentrum of voorziening voor kleinschalig wonen voor ouderen. Voor de leesbaarheid van de richtlijn zal er in de rest van de tekst worden gesproken over ‘verpleeghuizen en woonzorgcentra’.

De richtlijn is geschreven voor alle medewerkers op de werkvloer. Hoofdverantwoordelijkheid voor de implementatie en uitvoering van de richtlijn ligt bij het management, omdat zij direct verantwoordelijk zijn voor een goede hygiëne binnen hun organisatie.

Wat is het doel van deze richtlijn?

Deze richtlijn geeft een overzicht van de hygiëne-eisen waar verpleeghuizen en woonzorgcentra aan moeten voldoen. De richtlijn is afgestemd met de Werkgroep Infectiepreventie (WIPWerkgroep Infectiepreventie). Indien één van de WIP-richtlijnen met betrekking tot de verpleeghuizen, woonzorgcentra en kleinschalig wonen voor ouderen wordt gewijzigd, dan wordt de LCHVLandelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid-richtlijn tussendoor gewijzigd zodat de richtlijn in overeenstemming blijft met de richtlijnen van de WIP. U vindt in dit document zowel richtlijnen over bouw, inrichting en schoonmaak als richtlijnen die direct te maken hebben met de hygiënische uitvoering van handelingen zoals dierplaagbeheersing, legionellapreventie en afvalverwerking.

Cliënten lopen een groter infectierisico dan de gemiddelde burger. Dit komt doordat cliënten:

  • vaak relatief dicht op elkaar leven;
  • veel gebruikmaken van dezelfde ruimtes en materialen;
  • vaak een verminderde weerstand hebben;
  • soms een slechtere persoonlijke hygiëne hebben;
  • met meerdere (zorg)handelingen door verschillende (zorg)medewerkers te maken hebben.

Het is de taak van de organisatie om het infectierisico zo klein mogelijk te maken. Een goed hygiënebeleid is hiervoor nodig.

Hygiëne en ziekteverwekkers

Een goede hygiëne voorkomt de verspreiding van micro-organismen en virussen. Voorbeelden van micro-organismen zijn bacteriën en schimmels. Micro-organismen en virussen zijn onzichtbaar voor het blote oog en komen overal voor: op de huid, in lichaamsvloeistoffen zoals bloed en urine, op meubelen en gebruiksvoorwerpen, in de lucht, in water, op en in voedsel. De meeste zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar sommige kunnen ziekten veroorzaken.
Door contact tussen mensen kunnen deze ziekteverwekkers zich van de ene mens naar de andere verspreiden. Als ze zich vervolgens in het lichaam vermenigvuldigen, kan iemand ziek worden. Zulke ziektes noemen we infectieziekten.

Of een besmetting uitgroeit tot een infectie, heeft met verschillende dingen te maken:

  • de hoeveelheid ziekteverwekker waarmee iemand besmet is;
  • hoe gemakkelijk de ziekteverwekker mensen ziek maakt;
  • iemands lichamelijke conditie: de een wordt ziek, de ander voelt zich niet lekker en een derde heeft nergens last van.

Hoe verspreiden ziekteverwekkers zich?

Ziekteverwekkers verspreiden zich op de volgende manieren:

  • via de handen;
  • door de lucht (via druppels door hoesten, huidschilfers of stof);
  • via voedsel en water;
  • via voorwerpen (bijvoorbeeld wc’s en deurklinken);
  • via lichaamsvloeistoffen (bloed, ontlasting, braaksel, speeksel enzovoorts);
  • via dieren (huisdieren en insecten).

Hygiëne voorkomt ziekte

Infectierisico’s beperkt u in de eerste plaats door een goede hygiëne. Alle regels in deze richtlijn hebben hiermee te maken.

In de basis is hygiëne niet meer dan het volgende:

  • Breng wat vuil is niet in contact met wat schoon is. En andersom.
  • Maak schoon wat vuil is of gooi het weg. NB: U kunt niet altijd aan de buitenkant beoordelen of iets vuil of schoon is.
  • Alles begint en eindigt met handhygiëne.

Wat is de relatie met de richtlijnen van de Werkgroep Infectie Preventie?

De Werkgroep Infectie Preventie (WIP) maakt in samenwerking met relevante beroepsverenigingen landelijke richtlijnen voor infectiepreventie in zorginstellingen. De WIP-richtlijnen bevatten handvatten voor het maken en verbeteren van infectiepreventiebeleid. Dit beleid richt zich op het voorkómen van infecties die het gevolg zijn van verleende gezondheidszorg. De WIP-richtlijnen worden door professionals in de infectiepreventie en de IGZInspectie voor de Gezondheidszorg gezien als normering / richtlijn voor de zorginstellingen in Nederland.

De hygiënerichtlijnen van het LCHV zijn ook geschreven ter voorkoming van infecties en zijn gebaseerd op de WIP-richtlijnen, maar richten zich op een andere doelgroep. De WIP-richtlijnen zijn namelijk bedoeld voor beleidsmakers, terwijl het LCHV praktische informatie biedt die managers kunnen gebruiken in aansturing van hun medewerkers. De LCHV-richtlijnen kunnen dus gezien worden als een praktische uitwerking van het door de WIP vastgestelde beleid. In geval van mogelijke verschillen tussen deze hygiënerichtlijn en WIP-richtlijnen zijn de WIP-richtlijnen leidend.

Leeswijzer

Elk hoofdstuk en elke paragraaf begint met een korte inleidende tekst. Hierin leest u waarom het onderwerp belangrijk is. Daarna volgt een opsomming van de hygiënenormen. 

Hygiënenormen

  • De hygiënenormen staan in een geel kader. Dit zijn de minimale eisen aan een goed hygiënebeleid. U mag hier alleen van afwijken als u een vergelijkbaar of beter alternatief toepast. Beargumenteer deze afwijking dan in uw hygiënebeleid.

Tips

  • Tips herkent u aan de schuingedrukte tekst in een grijs kader. Deze punten zijn vrijblijvend. Maar als u de tips opvolgt, werkt u hygiënischer.

In hoofdstuk 8 vindt u schoonmaakschema’s en instructies voor medewerkers. 

Tot slot: de inhoud van de zorg die gegeven wordt aan cliënten kan sterk verschillen per instelling. Door deze verschillen in geleverde zorg, zal sommige informatie in deze richtlijn niet van toepassing zijn op uw instelling. Deze informatie kunt u overslaan.

2 Algemene hygiëne

In dit hoofdstuk vindt u algemene informatie over hygiënisch handelen door uw medewerkers. Specifieke informatie over schoonmaken en desinfecteren staat in hoofdstuk 4.

Voor een optimale hygiëne is het niet alleen belangrijk dat uw medewerkers weten hoe ze moeten werken, maar ook waarom ze dat moeten doen.

2.1 Persoonlijke hygiëne van medewerkers

Medewerkers en cliënten hebben veel contact met elkaar. Hierbij kunnen ziekteverwekkers zich gemakkelijk verspreiden via de handen, kleding en gedeelde materialen. Een goede persoonlijke hygiëne verkleint het infectierisico. Hieronder vindt u de eisen aan de persoonlijke hygiëne van medewerkers; de eisen voor cliënten vindt u in hoofdstuk 3. Met ‘medewerkers’ wordt zowel medisch, verplegend en verzorgend personeel als paramedici (pedicure, fysiotherapeuten et cetera) en kappers bedoeld.

Hygiënenormen

  • Zorg dat uw medewerkers goed weten hoe infectieziekten worden overgebracht én wat ze hier tegen kunnen doen.

Persoonlijke verzorging

Ziekteverwekkers kunnen gemakkelijk overgebracht worden via de handen. Daarom moeten de handen goed schoon te maken zijn. Dit kan alleen wanneer medewerkers geen hand- en polssieraden of braces dragen en korte nagels zonder nagellak, gelnagels of kunstnagels hebben. Hand- en polssieraden, lange nagels, kunstnagels en nagellak belemmeren een goede handhygiëne. Daarnaast kunnen ziekteverwekkers zich verspreiden via sieraden en haren. Geef uw medewerkers de volgende instructies om het verspreiden van ziekteverwekkers te voorkomen:

Hygiënenormen

  • Draag geen hand- en polssieraden of accessoires, zoals (trouw)ringen, horloges, armbanden en braces.
  • Knip nagels kort en draag geen nagellak of kunstnagels.
  • Dek open wondjes aan de handen af met een waterafstotende pleister.
  • Draag uw haren kort, opgestoken of in een schone, strakke hoofddoek.
    Zorg dat het haar/de hoofddoek niet in contact kan komen met de cliënt.
  • Voorkom dat piercings, oorbellen of kettingen in contact kunnen komen met cliënten.
    Ook via piercings, oorbellen en kettingen kunnen ziekteverwekkers worden overgedragen. Bovendien kunnen piercings de huid van cliënten beschadigen.
  • Verwijder piercing of oorbel van de ontstoken plek. Dek een ontstoken insteekplaats van een oorbel/piercing af met een niet-vochtdoorlatende pleister.
  • Houd uw baard kort.

Hoesten en niezen

Ziekteverwekkers kunnen zich ook verspreiden in de lucht, bijvoorbeeld bij hoesten. Een medewerker hoeft zich niet ziek te voelen door de ziekteverwekkers, maar deze ziekteverwekkers kunnen de cliënten met een verminderde weerstand wel ziek maken. Geef medewerkers de volgende instructies:

Hygiënenormen

  • Hoest/nies met een afgewend gezicht, gebruik een papieren zakdoek/tissue voor de mond. Bij gebrek aan een papieren zakdoek/tissue gebruik de elleboogplooi.
  • Deponeer de papieren zakdoek direct na gebruik en pas direct handhygiëne toe.

Handhygiëne

Een van de meest voorkomende manieren waarop ziekteverwekkers worden verspreid, is via de handen. De handen krijgt u schoon door ze te wassen met water en zeep. Zijn de handen niet zichtbaar vuil dan kunt u ze inwrijven met een (door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides toegelaten) handdesinfectans. Zie ook paragraaf 8.2.

Hygiënenormen

  • Zijn uw handen niet zichtbaar vuil? Dan mag u kiezen óf u uw handen wast óf desinfecteert. Pas deze manieren niet direct na elkaar toe.
    Voor goede handhygiëne is het voldoende als u alleen wast óf desinfecteert. Door het beide te doen, zal uw huid meer uitdrogen en sneller beschadigen.
  • Zijn uw handen zichtbaar vuil? Was uw handen met water en vloeibare zeep. Gebruik dan geen handdesinfectans.
    Door zichtbaar vuil vermindert de werking van handdesinfectans.
  • Was of desinfecteer uw handen volgens de instructies in paragraaf 8.2.
  • Maak uw handen op de volgende momenten1 schoon bij het uitvoeren van handelingen bij cliënten2:
    • voor contact met de cliënt (dit geldt niet voor sociaal contact als het geven van een hand);
    • voor schone of steriele handelingen, zoals een wondverzorging, ogen druppelen of het toedienen van eten;
    • na onverwachts contact met lichaamsvloeistoffen zoals urine, ontlasting, speeksel, braaksel, wondvocht, sperma of bloed;
    • na contact met de cliënt;
    • na het aanraken van de directe omgeving van de cliënt.
      Dit is de omgeving waar de cliënt direct contact mee heeft. Bijvoorbeeld wanneer de cliënt in bed ligt: het bed en nachtkastje.
  • Pas altijd handhygiëne toe:
    • voor en na direct contact met cliënten;
    • direct als ze zichtbaar vuil zijn;
    • na een toiletbezoek;
    • voor en na het bereiden, serveren of toedienen van eten;
    • na niezen of het snuiten van de neus;
      Dit is ook belangrijk als u een zakdoek hebt gebruikt. Ziekteverwekkers kunnen namelijk via de zakdoek op uw handen komen.
    • na het uittrekken van handschoenen/schort en andere persoonlijke beschermingsmiddelen;
    • na schoonmaakwerkzaamheden;
    • na contact met huisdieren of hun uitwerpselen.
  • Gebruik alleen handdesinfecterende middelen die voldoen aan NENNederlandse norm over informatiebeveiliging in de zorg-EN 1500 en die zijn toegelaten door het Ctgb.
    Zie paragraaf 4.2.
  • Gebruikt u handcrème? Gebruik dan alleen crème uit een persoonsgebonden tube.
    Crème in tubes raakt minder snel besmet met ziekteverwekkers dan crème uit een pot.

1 Deze momenten zijn gebaseerd op het advies ‘My five moments for hand hygiene’ van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), zoals opgenomen in de ‘WHO Guidelines on Hand Hygiëne in Health Care’.
2 Als u uw handen net voor het contact met een cliënt al gewassen of gedesinfecteerd heeft, omdat u bijvoorbeeld net van een andere cliënt afkomt, dan hoeft dat niet opnieuw te gebeuren. Het wassen of desinfecteren van de handen na cliënt 1 en voor cliënt 2 vallen dan samen.

(Werk)kleding

 Met “(werk)kleding” wordt kleding bedoeld die tijdens de werkzaamheden wordt gedragen. Of medewerkers tijdens hun werkzaamheden dienstkleding of privékleding dragen, is afhankelijk van het beleid van uw instelling. Geef medewerkers de volgende instructies:

Hygiënenormen

  • Trek dagelijks schone (werk)kleding aan. Trek ook direct schone (werk)kleding aan als de (werk)kleding zichtbaar vervuild is.
  • Was (werk)kleding op een minimale temperatuur van 40°C tot 60°C en droog de (werk)kleding in een droogtrommel (minimale stand kast droog) en/of strijk de (werk)kleding (warm=wol/polyester/zijde) of was werkkleding op 60°C.
  • Zorg ervoor dat tijdens het verlenen van zorg aan cliënten de onderarmen tot aan de elleboog vrij zijn van (werk)kleding. Draag korte mouwen of rol de mouwen op.
  • Draag geen accessoires zoals shawls, heuptasjes, vesten of andere loshangende kleding over uw (werk)kleding.
    Loshangende kleding en accessoires kunnen in aanraking komen met cliënten, en zo kruisbesmetting van micro-organismen veroorzaken.
  • Draag dienstjasjes gesloten.
  • Draag gladde (werk)kleding die niet pluist.
  • Trek schone (werk)kleding voor het begin van uw dienst aan.

Tips

  • Dienstkleding kan op hoge temperaturen worden gewassen. Bij temperaturen van 60 °C of hoger worden ziekteverwekkers snel gedood.
  • Zorg dat er een reservesetje (privé- of dienst)kleding aanwezig is.
  • Draag werkschoenen die goed te reinigen zijn.
  • Zorg voor afgesloten werkschoenen ter bescherming.

Er zijn geen aanbevelingen voor werkschoenen op basis van onderzoek. Afspraken over werkschoenen zijn afhankelijk van het beleid van uw instelling.

Mobiele communicatiemiddelen

Mobiele communicatiemiddelen kunnen besmet zijn met ziekteverwekkers. Hierdoor is het mogelijk dat er micro-organismen via de handen worden overgedragen.

Hygiënenormen

  • Pas vooraf én achteraf handhygiëne toe bij het gebruik van mobiele communicatiemiddelen tijdens cliëntgebonden werkzaamheden.

Tips

  • Gebruik bij voorkeur géén mobiele communicatiemiddelen tijdens cliëntgebonden werkzaamheden.
  • Bespreek in uw organisatie de juiste omgang met smartphones en tablets. Maak afspraken over de momenten waar smartphone- of tabletgebruik samen gaat met een handeling die risico op besmetting met zich meebrengt (bijvoorbeeld ADLalgemene dagelijkse levensverrichtingen-ondersteuning, bed opmaken, wondzorg).

2.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen

Om te voorkomen dat medewerkers besmet raken met ziekteverwekkers, moeten zij in sommige gevallen persoonlijke beschermingsmiddelen dragen: handschoenen, schorten, mondneusmaskers (eventueel voorzien van een spatscherm) en een beschermende bril. Zie het schema in paragraaf 9.2.

Zorg ervoor dat de persoonlijke beschermingsmiddelen in de originele verpakking in de directe omgeving van medische zorghandelingen en/of onderzoek aanwezig zijn.

In deze paragraaf beschrijven we wanneer deze middelen gedragen moeten worden, en welke eisen er aan de middelen worden gesteld. Zo moeten handschoenen van latex of nitril zijn, en aan een aantal NENNederlandse norm over informatiebeveiliging in de zorg normen voldoen. Het type schort dat gedragen moet worden is afhankelijk van de situatie; soms is er een schort nodig dat alleen de romp en bovenbenen bedekt (een halterschort), in andere gevallen is een schort met lange mouwen verplicht. Het type mondneusmasker dat gedragen moet worden, hangt af van het type micro-organisme en de manier waarop de ziekteverwekker zich verspreid (bijvoorbeeld in druppels of los zwevend door de lucht).

Handschoenen

Hygiënenormen

  • Draag handschoenen wanneer uw handen in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen. Dit is bijvoorbeeld bij:
    • het helpen van cliënten op het toilet;
    • het sorteren van de vuile was;
    • het schoonmaken of desinfecteren van voorwerpen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen op zitten;
    • het verlenen van medische zorg. Wanneer u bij bloedafname gebruik maakt van een gesloten afnamesysteem (bijvoorbeeld een vacuümsysteem), hoeven er dus geen handschoenen gedragen te worden. 
  • Gebruik in bovenstaande gevallen alleen handschoenen die direct uit een verpakking komen waarop een CEConformité Européenne-markering staat (zie afbeelding) en gebruik ze eenmalig en cliëntgebonden.
    logo CE-markering
  • Gebruik alleen handschoenen die:
    • poedervrij zijn en bij voorkeur gemaakt zijn van hypoallergeen materiaal;
    • voldoen aan de NEN normen EN 420 + A1, EN 455-1, 2, 3, 4 en EN 374-1, 2; deze normen moeten op de verpakking zichtbaar zijn;
    • uit een verpakking komen waarop de naam en het adres van de producent staat; als dit geen adres binnen de EUEuropean Union is, moet ook de naam en het adres van de EU-vertegenwoordiger vermeld zijn. 
  • Raak zo min mogelijk contactpunten (zoals deurknoppen, telefoons en andere apparaten en materialen) aan wanneer u handschoenen draagt.
    Dit om besmetting van de handschoenen en/of de omgeving te voorkomen.
  • Neem geen handschoenen mee in uw (broek)zak. De handschoenen worden dan vies of ze kunnen beschadigd worden. Zorg ervoor dat de handschoenen op strategische plaatsen beschikbaar zijn.
  • Gebruik handschoenen eenmalig en verwissel ze per cliënt.
  • Verwissel de handschoenen na het uitvoeren van een vuile handeling voorafgaand aan het uitvoeren van een schone handeling.
  • Vervang de handschoenen direct als ze kapot zijn.
  • Trek de handschoenen na gebruik direct uit en gooi ze weg.
  • Pas direct na het uittrekken van de handschoenen handhygiëne toe.

Tips

  • Indien u een latexallergie type I heeft of als u vermoedt dat u allergisch bent, gebruik dan nitril. Raadpleeg bij twijfel uw arts.

Beschermende kleding

Hygiënenormen

  • Draag een (wegwerp)schort bij cliëntgebonden handelingen waarbij uw (werk)kleding vervuild kan raken met lichaamsvloeistoffen of nat kan worden.
    Een halterschort is in normale situaties voldoende. In bepaalde situaties, bijvoorbeeld bij bepaalde infectieziekten, is een schort met lange mouwen noodzakelijk; raadpleeg hiervoor hoofdstuk 7. van deze richtlijn en de betreffende protocollen van uw instelling, of neem contact op met uw regionale GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst.
  • Draag de beschermende kleding gesloten, zodat uw (werk)kleding wordt beschermd.
  • Trek de beschermende kleding direct na de handeling uit. Gooi wegwerpschorten weg; doe stoffen kleding in de was.

Mondneusmaskers, eventueel met beschermende bril of spatscherm

Er bestaan chirurgische mondneusmaskers en ademhalingsbeschermingsmaskers. Een chirurgisch mondneusmasker biedt de drager bescherming tegen spatten en spuiten van lichaamsvloeistoffen. Ademhalingsbeschermingsmaskers bieden bescherming tegen infectieziekten die zich via de lucht verspreiden. Afhankelijk van de ziekteverwekker, is een FFP1- of FFP2-ademhalingsbeschermings-masker nodig. Wanneer er alleen besmetting is via grote druppels en huidschilfers, die over een relatief kleine afstand (12 meter) worden verspreid en relatief kort in de lucht zweven, is een FFP1-masker voldoende. Verspreidt de ziekteverwekker zich via kleine druppels of druppelkernen, bijvoorbeeld bij tuberculose, dan is een FFP2-masker nodig. FFP2-maskers filteren de lucht beter dan FFP1-maskers.

Bij het gebruik van mondneusmaskers gelden de volgende regels:

Hygiënenormen

  • Draag een chirurgisch mondneusmasker met neusklem en een beschermende bril, of een chirurgisch mondneusmasker met spatscherm, bij handelingen waarbij er een kans bestaat dat lichaamsvloeistoffen in het gezicht spatten, zoals bij een bronchiaal toilet. Gebruik een beschermende bril met boven- en zijbescherming.
  • Draag bij een cliënt met een lucht overdraagbare infectieziekte een FFP1- of FFP2-masker. Ga in het protocol van uw instelling na welk masker nodig is.
  • Zorg dat het masker goed op uw gezicht aansluit. Druk de neusklem stevig vast rondom uw neus.
  • Gooi mondneusmaskers direct na gebruik bij de cliënt weg. Gooi het ook weg als u de kamer tussentijds verlaat.
  • Vervang maskers als deze vochtig of vuil zijn geworden.
  • Raak bij het verwijderen van het mondneusmasker de voorkant van het masker niet aan.
  • Gebruik bij voorkeur een disposable bril en gooi bril en spatscherm direct na gebruik weg.
  • Indien geen disposable bril gebruikt is: maak de beschermende bril na gebruik schoon en desinfecteer deze vervolgens met een desinfecterend middel dat is toegestaan door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides.
    Zie paragraaf 4.2.

2.3 Eten en drinken

Bij het bereiden en eten van voedsel is het mogelijk dat er micro-organismen van cliënten op het eten en/of in het drinken terechtkomen.

Hygiënenormen

  • Voer geen risicovolle cliëntgebonden werkzaamheden uit (zoals een wond verzorgen) in gezamenlijke ruimten waar ook voedsel of dranken worden bereid of genuttigd.
  • Voer geen risicovolle cliëntgebonden werkzaamheden uit in een ruimte waar gelijktijdig voedsel of dranken worden bereid of genuttigd.

Voedselveiligheid

Cliënten kunnen ziek worden van eten dat besmet is met ziekteverwekkers. In de “Warenwet Hygiëne van Levensmiddelen ” staat dat iedereen die eten verstrekt aan ‘derden’, maatregelen moet nemen om de kans te verkleinen dat iemand ziek wordt van het eten. Deze maatregelen noemen we ook wel een voedselveiligheidssysteem of Hygiënecode.

Voedselveiligheidsmaatregelen zijn gebaseerd op drie basisprincipes: beheersing van de temperatuur, hygiëne en controle van de houdbaarheid. Hygiënecodes zijn een praktische uitwerking van de basisprincipes van voedselveiligheid, ook wel HACCP (Hazard Analysis Critical Control Points; een systeem om de voedselveiligheid te beheersen) genoemd.

Beheersing van de temperatuur

De temperatuur van gekoelde of diepvriesproducten beïnvloedt de voedselveiligheid. Hoe kouder deze producten worden bewaard, hoe minder kans ziekteverwekkers hebben om uit te groeien. Bij hoge temperaturen worden veel ziekteverwekkers juist gedood. Daarom gaan veel regels in de Hygiënecode over de temperatuurnormen. Zo mag de temperatuur in een koelkast niet hoger zijn dan 7 °C en moet rauw vlees tot minstens 75 °C worden verhit.

Hygiëne

Via vuile handen en vuile materialen (zoals keukenspullen, de koelkast of andere etenswaren) kan voedsel besmet raken met ziekteverwekkers. Daarom staan er in de Hygiënecode zowel normen die gesteld worden aan de persoonlijke hygiëne van mensen die werken met voedsel als regels gericht op de schoonmaak van materialen en werkruimten.

Houdbaarheid

Al het voedsel is bederfelijk. Daarom is het controleren en garanderen van de houdbaarheid van producten een belangrijk aspect van voedselveiligheid.

Hygiënecodes

In de Hygiënecode staan maatregelen die u moet nemen wanneer u bezig bent met eten. Van het kopen of het ontvangen van eten tot aan het bewaren van voedsel en van het bereiden van het eten tot aan het serveren van eten en drinken. Door te werken volgens een Hygiënecode, voldoet u aan de wettelijke voorschriften van voedselveiligheid.

Hygiënecodes die u kunt gebruiken zijn:

  • de Hygiënecode voor de voedingsverzorging in zorginstellingen en Defensie;
  • de Hygiënecode voor de voedingsverzorging in woonvormen*.

Hygiënenormen

  • Bepaal volgens welke hygiënecode er op uw locatie wordt gewerkt. Zorg dat de gekozen code alle voedselprocessen in uw centrum dekt.
  • Zorg dat iedereen die betrokken is bij voedselprocessen volgens de Hygiënecode werkt.

De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWANederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) controleert steekproefsgewijs of u de regels uit uw code naleeft.

* Het gebruik van de Hygiënecode voor woonvormen is beperkt door een definitie, valt uw locatie niet onder de definitie, dan mag u geen gebruik maken van deze Hygiënecode. Onder een woonvorm wordt verstaan het voeren van een ‘gewoon’ huishouden van een kleine groep bewoners door activiteiten ‘samen’ te doen, zoals boodschappen doen, koken en samen eten, onder begeleiding van een team van medewerkers. De bewoners zijn ingeschreven op het adres van de groep, er is sprake van gezamenlijke ruimten en de woonruimte is herkenbaar als ’huis’, wat betekent dat er een eigen ingang is voor de gehele groep. Er is sprake van een mate van zelfredzaamheid, zoals zelf kunnen aankleden, waardoor de bewoners zelf het dagelijks leven in richten, zo bepalen zij bijvoorbeeld zelf wanneer ze opstaan, eten en naar bed gaan. 

2.4 Wasgoed

Vuile was kan besmet zijn met ziekteverwekkers. U kunt het wasgoed extern door een wasserij laten regelen, of zelf wassen. Let op de volgende eisen:

Hygiënenormen

  • Houd schone was gescheiden van vuile was. Sla het niet in dezelfde ruimte op.
  • Verzamel en verplaats vuile was in een gesloten wasmand of zak.
  • Reinigt uw instelling de vuile was zelf? Let dan op de volgende regels:
    • Was vuil wasgoed dagelijks.
    • Draag handschoenen bij het sorteren van de vuile was.
    • Was volgens wasvoorschrift. Gebruik geen verkorte wasprogramma’s.
  • Doet een extern bedrijf uw was? Maak dan duidelijke afspraken over het af- en aanleveren van wasgoed.
  • Wassen uw medewerkers hun (werk)kleding zelf? Geef ze dan de instructies hoe het wasgoed te wassen.
    U vindt de instructies in paragraaf 2.1.

Tips

  • Sla het vuile wasgoed in gesloten rolcontainers op.

2.5 Afvalverwerking

Afval kan een bron van ziektekiemen zijn. Daarom moet de opslag en afvoer van afval aan bepaalde eisen voldoen.

Hygiënenormen

  • Leeg afvalemmers minstens één keer per dag. Sluit de zakken goed en bewaar ze in gesloten afvalcontainers. Stal deze containers niet in een ruimte waar ook schone materialen staan opgeslagen.
  • Verschoon damesverbandcontainers in de damestoiletten dagelijks. Worden de containers geleegd door een leverancier? Spreek dan met de leverancier een geschikte termijn af.
  • Verzamel etensresten direct na het gebruik van maaltijden in afsluitbare afvalbakken.
  • Houd de opslagplaats schoon, plaats geen afval naast afvalcontainers. Zorg dat het afval wordt opgehaald voordat een container vol is.

Tips

  • Gebruik afvalemmers met een voetpedaal zodat voorkomen wordt dat het deksel wordt aangeraakt door vieze handen.

Afvalverwerking van afval wat direct afkomstig is van cliëntenzorg valt onder het Beleidskader van het Landelijk Afvalbeheer Plan 2 (LAP2). In sectorplan 19 staan de specifieke regels opgenomen waaronder wat als infectieus afval moet worden beschouwd (p.9).

Uitgebreide informatie betreft afvalverwerking vindt u op de website Landelijk Afvalbeheerplan.

2.6 Binnenmilieu

Het binnenmilieu wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Bijvoorbeeld de temperatuur, de luchtvochtigheid en de hoeveelheid zuurstof in de ruimte. Een gezond binnenmilieu met droge, zuurstofrijke lucht vermindert de kans op hoofdpijn, concentratieproblemen, slaperigheid, allergieën, infecties en andere lichamelijke klachten. Bovendien groeien huisstofmijten en schimmels minder snel in een droge omgeving. In deze paragraaf vindt u maatregelen die bijdragen aan een gezond binnenmilieu in uw instelling.

Tips

  • Twijfelt u over de kwaliteit van het binnenmilieu omdat er bijvoorbeeld schimmelvorming zichtbaar is, of hebben mensen klachten die veroorzaakt kunnen worden door een ongezond binnenmilieu? Dan kan de afdeling medische milieukunde of milieu & gezondheid van uw GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst u advies geven (tegen uurtarief).

Luchten en ventileren

De binnenlucht raakt door aanwezigheid van mensen, dieren en bepaalde materialen vervuild met vocht, geurstoffen en andere vervuilingen zoals ziekteverwekkers.

Bij ventileren gaat vervuilde lucht naar buiten en komt frisse lucht voortdurend naar binnen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door ventilatieroosters open te houden of door mechanische ventilatie. Hierbij wordt actief lucht weggezogen uit het pand, waardoor verse buitenlucht via ventilatieroosters naar binnen stroomt. Een mechanisch ventilatiesysteem werkt alleen goed als de roosters, ventielen en filters regelmatig worden schoongemaakt (of in het geval van filters van grotere systemen: worden vervangen) en de motor van het ventilatiesysteem jaarlijks en de kanalen vijfjaarlijks worden onderhouden (zie het schoonmaakschema ‘Algemeen’ in paragraaf 8.1).

Luchten is het korte tijd (ongeveer tien minuten) openzetten van alle ramen en deuren in de ruimte. Hierdoor worden vervuilingen en vocht in de lucht snel afgevoerd naar buiten. Luchten is vooral belangrijk tijdens en na:

  • drogen van de was;
  • koken;
  • douchen;
  • een ongewoon groot aantal mensen in uw voorziening;
  • klussen in het pand (bijvoorbeeld zagen en verven);
  • roken in het pand.

Luchten is geen vervanging voor ventilatie, beide zijn belangrijk.

Hygiënenormen

  • Zorg voor een goed werkend ventilatiesysteem. Ventileer alle ruimtes 24 uur per dag.
  • Lucht (of ventileer extra) tijdens het drogen van de was, koken, douchen, klussen of als er een ongewoon groot aantal mensen in het pand is.
  • Heeft u een mechanisch ventilatiesysteem? Voer dan onderhoud uit volgens de aanwijzingen in het schoonmaakschema ‘Algemeen’ in paragraaf 8.1.

Tips

  • In het Bouwbesluit 2012 vindt u de eisen aan ventilatievoorschriften. Maar omdat deze eisen een minimum zijn, is het aan te raden om meer te ventileren dan dit minimumniveau.

Temperatuur- en vochtbalans

Naast luchten en ventileren is de temperatuur in uw pand van invloed op de kwaliteit van het binnenmilieu. Een temperatuur van 15 °C of lager bevordert condensvorming, waardoor schimmels en huisstofmijten makkelijker groeien. Bij te hoge temperaturen in het pand kunnen mensen uitdrogingsverschijnselen krijgen.

Hygiënenormen

  • Stel de temperatuur overdag in op ongeveer 20 °C.
  • Voorkom dat de temperatuur lager dan 15 °C wordt.

2.7 Legionellapreventie

In waterinstallaties kan de legionellabacterie groeien. Als deze bacterie wordt ingeademd kunnen mensen een longontsteking krijgen (ook wel ‘veteranenziekte’ genoemd), maar de meeste mensen worden niet ziek. De bacterie kan worden ingeademd als water wordt verneveld, bijvoorbeeld bij een douche, sierfontein of whirlpool. In hele kleine waterdruppeltjes (aerosolen) die hierbij vrijkomen, kan de legionellabacterie zitten.

Alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen legionellabacteriën zich vermeerderen. Risicofactoren hiervoor zijn:

  • een watertemperatuur tussen de 20 en 50 °C (bij deze temperatuur kunnen de bacteriën zich sneller vermenigvuldigen);
  • de aanwezigheid van biofilm op bijvoorbeeld de binnenwand van leidingen en baden (een biofilm is een slijmlaagje dat onder andere bestaat uit protozoa (eencellige organismen); legionellabacteriën vermeerderen zich in deze protozoa);
  • plekken waar water (tijdelijk) stil kan staan of waar hetzelfde water meerdere malen langs komt; op deze plaatsen vormt biofilm zich sneller.

Legionellapreventie richt zich op het beheersen of verwijderen van bovenstaande risicofactoren. Factoren voor drinkwater die hierbij helpen zijn:

  • koud watertemperaturen onder de 20 °C, of tussen 20 en 25 °C als het water goed kan doorstromen en niet langer dan een week stilstaat;
  • warm watertemperaturen boven de 55 °C bij het tappunt;
  • een goede doorstroming en een korte verblijftijd van het water.

Er bestaat verschillende regelgeving op het gebied van legionellapreventie. Voor zorginstellingen zijn eisen aan legionellapreventie vastgelegd in:

  • Hoofdstuk 4 van het Drinkwaterbesluit en de bijbehorende ‘Regeling legionellapreventie in drinkwater en warm tapwater’. Deze regelgeving is alleen van toepassing op drinkwaterinstallaties* van prioritaire locaties. Onder prioritaire locaties vallen ook verpleeghuizen en woonzorgcentra.
  • Het Besluit Hygiëne en Veiligheid van Badinrichtingen en Zwemgelegenheden (BBZ), hoofdstuk 2art. 2a2d. Dit besluit is van toepassing als uw inrichting valt onder het BBZ (badinrichting) en er vernevelende (zwem)baden zijn met een wateroppervlak van minimaal 2 m2 en dieper dan 50 cm.
  • Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim, ook wel ‘Activiteitenbesluit’ genoemd), art. 3.16a en 3.16b, en de Activiteitenregeling, art. 3.16a. Deze artikelen zijn alleen van toepassing op natte koeltorens.
  • De Arbowet, art. 5, en het Arbobesluit, art. 4.85, 4.87a en 4.87b. Hieruit volgt dat medewerkers zo min mogelijk blootgesteld mogen worden aan waterinstallaties waarmee legionellabacteriën kunnen worden verspreid. Deze Arbowetgeving valt buiten het bereik van deze richtlijn, en wordt hier niet verder toegelicht.

* Drinkwaterinstallatie: het geheel van leidingen, fittingen, toestellen en tappunten na de watermeter, aangesloten op het leidingnet van een drinkwaterbedrijf of collectieve watervoorziening, of op een collectief leidingnet.

Legionellapreventie volgens het Drinkwaterbesluit, het BBZ en het Activiteitenbesluit

Het Drinkwaterbesluit, het BBZ en het Activiteitenbesluit hebben als doel de groei van legionellabacteriën en verspreiding via aerosolen te voorkomen. Alhoewel specifieke regelgeving per besluit verschilt, zijn er ook belangrijke overeenkomsten:

Hygiënenormen

  • Laat voor uw waterinstallatie(s) een legionellarisicoanalyse uitvoeren wanneer u onder een van deze besluiten valt. Met deze analyse wordt bepaald waar verneveling optreedt in de waterinstallatie, en of er factoren zijn waardoor legionellabacteriën kunnen groeien. Als legionellagroei mogelijk is, moet worden vermeld welke risicofactoren kunnen worden weggenomen door aanpassingen aan uw installatie (‘correctieve maatregelen’ genoemd) en welke factoren moeten worden beheerst.
  • Stel op basis van de risicoanalyse een beheersplan op. Hierin staan de maatregelen die u moet nemen om de groei van de bacteriën te beheersen, en welke controles u moet uitvoeren.
  • Laat de risicoanalyse en het beheersplan voor uw drinkwaterinstallatie opstellen door een BRLbeoordelingsrichtlijn 6010 gecertificeerd bedrijf.
    Voor de overige vernevelende waterinstallaties zoals whirlpools, koeltoren en binnen fonteinen is dit niet verplicht, maar wel aanbevolen.
  • Voer de maatregelen en controles uit het beheersplan uit.
  • Houd een logboek bij van alle maatregelen en controles.
  • Bovenstaande eisen zijn een samenvatting van de overeenkomsten in regelgeving. Ga in de betreffende regelgeving na aan welke aanvullende eisen u moet voldoen.

2.8 Paramedici en kappers

In uw instelling kunnen paramedici (zoals fysiotherapeuten en pedicures) en kappers werken. Uiteraard moeten ook zij letten op een goede persoonlijke hygiëne en gelden de eisen in paragraaf 2.1 ook voor hen. Overige eisen aan de hygiëne staan beschreven in andere richtlijnen, en worden in dit document niet verder uitgewerkt.

Hygiënenormen

  • Zorg dat fysiotherapeuten werken volgens de WIPWerkgroep Infectiepreventie-richtlijn voor de verpleeghuis-, woon- en thuiszorg ‘Veilig werken in de fysiotherapie en ergotherapie’.
  • Zorg dat pedicures en podotherapeuten werken volgens de WIP-richtlijn voor de verpleeghuis-, woon- en thuiszorg ‘Infectiepreventie bij voetzorg in de tweede lijn’.
  • Zorg dat kappers werken volgens de WIP-richtlijn voor de verpleeghuis-, woon- en thuiszorg ‘Veilig werken voor kappers in het verpleeghuis’.

2.9 Dieren en dierplaagbeheersing

Dieren

Net als mensen kunnen dieren een infectieziekte oplopen. Een klein deel van deze infectieziekten kan van dieren worden overgedragen op mensen. Deze ziekten noemen we zoönosen. Het overdragen van ziekteverwekkers kan bijvoorbeeld gebeuren tijdens het aaien of knuffelen van dieren. Zijn (huis)dieren toegestaan binnen uw instelling? Dan is het belangrijk maatregelen te nemen om het risico op zoönosen te verkleinen.

Hygiënenormen

  • Stel een hygiënebeleid op voor de omgang met dieren. Doel van uw beleid moet zijn dat u het risico op verspreiding van ziekteverwekkers tussen dieren onderling en van dieren naar mensen zo klein mogelijk maakt.
  • Leg schriftelijk vast wie er verantwoordelijk is voor het uitlaten van honden en het schoonmaken van de kattenbakken, kooien en dergelijke. Wanneer een cliënt verantwoordelijk is voor het uitlaten of de schoonmaak van zijn of haar huisdier, moet worden vastgelegd wie deze taak overneemt als de cliënt hier zelf niet (meer) toe in staat is.
  • Laat nieuwe huisdieren controleren en vaccineren door een dierenarts. Leg schriftelijk vast welke vaccinaties, controles en behandelingen een huisdier heeft gehad en hoe vaak het dier op controle moet komen. Eventueel kunt u de dierenarts om een schriftelijke verklaring vragen.
  • Zorg dat medewerkers en cliënten hun handen wassen of desinfecteren na het knuffelen of verzorgen van dieren en het schoonmaken van hun hok, kooi of mand.

Tips

  • Laat huisdieren periodiek controleren. Spreek hier met de dierenarts een geschikte termijn voor af. De dierenarts zal konijnen bijvoorbeeld jaarlijks inenten tegen myxomatose en kan bij vogels onderzoeken of ze drager zijn van de papegaaienziekte (chlamydophila psittaci); mensen kunnen deze ziekte ook oplopen.
  • Bescherm honden en katten tegen vlooien.
  • Heeft een cliënt een eigen huisdier in zijn of haar kamer of woning? Stop het dier dan in zijn hok of kooi tijdens de verzorging van de cliënt. Dit is vooral belangrijk wanneer bij de cliënt verpleegkundige handelingen worden uitgevoerd, zoals een wondverzorging, een katheterwisseling of uitzuigen. Bij zulke handelingen geeft een besmetting met ziekteverwekkers een verhoogd risico op infecties.
  • Heeft uw instelling boerderijdieren? Zorg er dan voor dat een goed beleid over verzorging, hygiënemaatregelen en dierenwelzijn is vastgelegd. Advies hierover kunt u krijgen bij uw regionale GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst. Voor meer informatie, zie de website van het LICG en de informatie van het RIVM op.

Dierplaagbeheersing

Ratten, muizen en duiven zijn voorbeelden van dieren die niet alleen overlast en schade geven, maar ook infectieziekten kunnen overdragen. Om de medewerkers en cliënten hiertegen te beschermen, is een goede dierplaagbeheersing nodig. Hierbij moet de beheersing zich in de eerste plaats richten op het voorkómen van ongewenste dieren door wering, en pas in de tweede plaats op bestrijding. Deze benadering van dierplaagbeheersing wordt ook wel Integrated Pest Management (IPM) genoemd.

Maatregelen om ongewenste dieren te weren richten zich op het voorkomen of beperken van:

  • plekken waar ongewenste dieren kunnen binnenkomen, schuilen of nestelen;
  • de aanwezigheid van water en voedsel(resten).

Deze maatregelen zijn onder te verdelen in technisch-bouwkundige, hygiënische en bedrijfsmatige maatregelen. Technisch-bouwkundige maatregelen zijn bijvoorbeeld horren plaatsen, kieren en gaten dichten en wild struikgewas (waar dieren in kunnen schuilen) rondom het gebouw verwijderen. Een goede schoonmaak en het bewaren van eten in afsluitbare bakken of potten zijn voorbeelden van hygiënische maatregelen. Onder bedrijfsmatige maatregelen valt onder andere het controleren van binnenkomende producten op (sporen van) ongewenste dieren.

Hygiënenormen

  • Beheers ongewenste dieren op uw locatie volgens de IPM-benadering. Schakel zo nodig hulp in van een dierplaagbeheerser die volgens deze methode werkt.
  • Stel een dierplaagbeheersplan op.
  • Evalueer minimaal jaarlijks of de maatregelen uit uw dierplaagbeheersplan nog worden uitgevoerd en effectief zijn.
  • Houd de getroffen maatregelen bij in een logboek.
  • Gebruik zelf geen bestrijdingsmiddelen. Schakel bij overlast een deskundige dierplaagbeheerser in.

2.10 Infectie- en hygiënecommissie

Voor een goed hygiënebeleid in uw instelling is een infectie- en hygiënecommissie onmisbaar. Naast de implementatie van deze hygiënerichtlijn, brengt de commissie knelpunten en vragen over infectiepreventie en bestrijding in kaart en draagt oplossingen aan.

Hygiënenormen

  • Zorg dat uw organisatie een infectie- en hygiënecommissie heeft die regelmatig bijeenkomt en die in ieder geval toeziet op de naleving van deze hygiënerichtlijn.
  • Laat in ieder geval de volgende mensen zitting nemen in de commissie:
    • een beleidsmedewerker;
    • een deskundige infectiepreventie (eventueel van een externe partij zoals de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst);
    • een specialist ouderengeneeskunde;
    • medewerkers van de verpleging/verzorging;
    • een medewerker van de facilitaire dienst;
    • een afdelings- of locatiemanager met beslissingsbevoegdheid;
    • een kwaliteitsmedewerker.

Tips

  • Leg vast welke bevoegdheden de commissie heeft.
  • Maak een meerjarenplan.

3 Hygiëne van cliënten

In de voorgaande hoofdstukken zijn maatregelen beschreven die u en uw medewerkers kunnen nemen om infectierisico’s te verkleinen. Maar cliënten kunnen hier zelf ook aan bijdragen. Bijvoorbeeld door zich regelmatig te wassen en geen kleren en spullen met elkaar te delen. Daarom is het belangrijk dat het hygiënisch bewustzijn van de cliënten, zo mogelijk, wordt vergroot. In dit hoofdstuk vindt u maatregelen die hieraan bijdragen.

3.1 Verzorging van cliënten

In deze paragraaf vindt u een aantal eisen om de verzorging van cliënten zo hygiënisch en veilig mogelijk te laten verlopen.

Hygiënenormen

  • Zorg dat elke cliënt over persoonlijke toiletartikelen beschikt.
  • Bewaar persoonlijke toiletartikelen van cliënten gescheiden van die van andere cliënten.
  • Zorg dat tijdens een wasbeurt alle benodigdheden binnen handbereik staan.
  • Maak bij cliënten met een katheter dagelijks tijdens de gewone onderwasbeurt de uitwendige genitaliën en het gebied rondom de katheter schoon met water.
  • Werk bij de mondverzorging van cliënten volgens de richtlijnen ‘Mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ van VerensoVereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde en Sociaal Geriaters.
    Zie www.verenso.nl.
  • Controleer bij de dagelijkse verzorging de handen en voeten van cliënten op aanwezigheid van wondjes, kloven, eeltplekken en likdoorns, ingegroeide nagels en dergelijke. Treft u deze aan, overleg dan over verdere behandeling.
  • Laat de voetverzorging van diabetici over aan een erkende pedicure of podotherapeut(e) met aantekening ‘diabetische voet’ of een medisch pedicure geregistreerd in het KRP (Kwaliteitsregister Pedicures).
  • Laat cliënten met hoortoestellen hun oorstukje minimaal wekelijks schoonmaken volgens voorschrift van de fabrikant.
    Laat een medewerker of familie deze taak overnemen als de cliënt het zelf niet kan.

Gebruik van apparatuur

Bij sommige cliënten wordt speciale apparatuur gebruikt, zoals vernevel- of uitzuigapparatuur. Om besmetting via deze apparatuur te voorkomen, moet met schone materialen worden gewerkt. Houdt u aan onderstaande eisen.

Hygiënenormen

  • Gebruik speciale apparatuur, zoals vernevel-, zuurstof- of uitzuigapparatuur, cliëntgebonden.
  • Maak de apparatuur schoon op de manier die is beschreven in het schoonmaakschema ‘Cliëntgebonden apparatuur' in paragraaf 8.1.
  • Los medicijnen voor inhalatoren op in een steriele fysiologische zoutoplossing. Gebruik bij voorkeur een ampul, om de steriliteit te behouden. Haalt u de vloeistof met een naald en spuit uit de ampul? Deponeer deze dan na gebruik direct in een UNUnited Nations-gekeurde naaldencontainer.
  • Gebruik bij zuurstofapparatuur bij voorkeur kant-en-klare reservoirs die gevuld zijn met een steriele vloeistof. Koppel deze pas aan wanneer de apparatuur gebruikt gaat worden. Ze kunnen aangekoppeld blijven tot het water op is.
  • Gebruikt u zuurstofapparatuur met een herbruikbaar reservoir? Vul deze dan met steriel water.
  • Sla de schoongemaakte, herbruikbare onderdelen van het zuurstofapparaat na gebruik droog op, zonder aangekoppeld reservoir.
  • Gebruik voor het uitzuigen van cliënten steriele uitzuigkatheters. Gebruik ze eenmalig en gooi ze daarna weg.
  • Gebruik bij uitzuigapparatuur een wegwerpslang tussen het zuigsysteem en de opvangzak.
  • Voer gebruikte wegwerpzakken van de uitzuigapparatuur direct af. Voorkom hierbij besmetting van de omgeving.

Tips

  • Zet de naam van de cliënt op diens persoonlijke toiletartikelen als het risico bestaat dat anderen er gebruik van maken, zoals in gedeelde badkamers.
  • Delen meerdere cliënten een badkamer? Was cliënten met open wonden dan als laatste. Dan hoeft u de badkamer pas aan het einde van de wasronde te desinfecteren, in plaats van tussendoor (zie paragraaf 4.2 voor meer informatie over desinfecteren).

Verzorging van overleden cliënten

Wanneer een cliënt overlijdt, moet deze persoon verzorgd worden. In de meeste gevallen voert de uitvaartorganisatie een groot deel van de taken uit, maar het kan ook voorkomen dat een medewerker dit doet. Daarnaast kan de familie een aantal handelingen uitvoeren.

Bij de verzorging van de overledene worden verschillende handelingen uitgevoerd waarbij een infectierisico aanwezig is. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

  • het verwijderen van infusen, katheters, sondes en stomamateriaal;
  • het opvangen van urine en feces;
  • het wassen van het lichaam;
  • het afdekken van verwondingen;
  • het aanbrengen van incontinentiemateriaal.

Zorg dat medewerkers en familieleden de volgende maatregelen nemen om het infectierisico te verkleinen:

Hygiënenormen

  • Zet voordat u begint alle benodigdheden, zoals een afvalbak, een waszak en een UN-gekeurde naaldcontainer voor scherpe voorwerpen, klaar binnen handbereik.
  • Draag handschoenen en een beschermend schort tijdens de verzorging.
  • Gooi direct na de verzorging het afval weg. Trek pas daarna de handschoenen en de beschermende kleding uit en gooi ook deze weg. Desinfecteer of was daarna uw handen.

3.2 Persoonlijke hygiëne cliënten

Binnen verpleeghuizen en woonzorgcentra is er veel contact tussen cliënten onderling en tussen cliënten en medewerkers. Hierbij kunnen ziekteverwekkers, zoals bacteriën, virussen, luizen en schurftmijten zich gemakkelijk verspreiden via de handen, kleding en gedeelde spullen. Een goede persoonlijke hygiëne van cliënten verkleint de kans op de verspreiding van ziekteverwekkers.

Hygiënenormen

  • Informeer uw cliënt over de te nemen hygiënemaatregelen:
    • Pas handhygiëne toe:
      • voor het eten;
      • na het toiletbezoek;
      • na gebruik van po of urinaal.
    • Hoest/nies met een afgewend gezicht, gebruik een papieren zakdoek/tissue voor de mond. Bij gebrek aan een papieren zakdoek/tissue gebruik de elleboogplooi. Deponeer de papieren zakdoek direct na gebruik en pas direct handhygiëne toe.
    • Raak wonden, katheters en/of verbanden zo min mogelijk met de handen aan. Via de handen is het mogelijk dat ziekteverwekkers in de wond komen of via het aansluitstukje van de katheter in de blaas komen.

Ernstig vervuilde (nieuwe) cliënten

Het kan voorkomen dat cliënten vanuit een ernstig vervuilde thuissituatie uw instelling binnenkomen. Zij kunnen last hebben van geïnfecteerde wonden of infectieziekten zoals hoofdluis en scabiës. Om te voorkomen dat een besmettelijke ziekte zich verspreidt naar andere cliënten en medewerkers, moeten er maatregelen worden genomen. Daarnaast is het belangrijk om bij het wassen van sterk vervuilde cliënten voorzichtig te werk te gaan. Wanneer jarenlang vervuilde cliënten te grondig worden gewassen, daalt hun lichaamstemperatuur namelijk sterk, wat kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen.

Naast een goede persoonlijke hygiëne van medewerkers (zie paragraaf 2.1), is daarom ook het volgende van belang:

Hygiënenormen

  • Vermoedt u dat de cliënt een besmettelijke ziekte heeft, pas dan direct de maatregelen toe uit het bijbehorende protocol van uw instelling.
  • Laat vervuilde cliënten pas van hun kamer gaan wanneer ze helemaal zijn schoon gewassen óf wanneer de nog vervuilde lichaamsdelen bedekt zijn.
  • Werk bij het wassen van een vervuilde cliënt volgens het protocol van uw instelling.

4 Schoonmaken en desinfecteren

In vuil en stof kunnen ziekteverwekkers zitten. Door regelmatig schoon te maken, haalt u ook veel ziekteverwekkers weg. Hierdoor verkleint u de kans op ziekte.

Er is een verschil tussen schoonmaken en desinfecteren. Schoonmaken is stof en vuil verwijderen, bijvoorbeeld door te stofzuigen of te dweilen. Zo raakt u ook de meeste ziekteverwekkers in het stof of vuil kwijt. Maar om bijvoorbeeld ziekteverwekkers in bloedvlekken weg te krijgen moet u na het schoonmaken óók desinfecteren. Door te desinfecteren, doodt u de overgebleven ziekteverwekkers tot een aanvaardbaar niveau.

4.1 Schoonmaken

Schoonmaakregels

Er komt veel kijken bij een goede schoonmaak. Als er verkeerd wordt schoongemaakt, kunnen er ziekteverwekkers achterblijven of zelfs verspreid worden.

Hygiënenormen

  • Geef iedereen die schoonmaakt instructie over de juiste manier van schoonmaken en de middelen die ze hiervoor moeten gebruiken.
  • Maak alleen schoon met middelen die ook daadwerkelijk als schoonmaakmiddel worden verkocht, zoals een allesreiniger. Gebruik de middelen volgens de instructies op de verpakking.
  • Bewaar de schoonmaakmiddelen in de originele verpakking en zorg ervoor dat het etiket leesbaar blijft.
  • Gebruik dagelijks schone materialen.
  • Gebruik verschillende materialen voor sanitaire en andere ruimten.
  • Vervang schoonmaakmaterialen en sopwater als ze zichtbaar vuil zijn.
  • Laat natte schoonmaakmaterialen na gebruik nooit in emmers achter, om te voorkomen dat ziekteverwekkers uitgroeien.
  • Was schoonmaakmaterialen zoals moppen en doeken na gebruik op 60°C. Laat ze daarna drogen, aan de lucht of in een wasdroger. Of gebruik wegwerpmaterialen en gooi deze direct na gebruik weg.
  • Vervang het filter van de stofzuiger zo vaak als de fabrikant voorschrijft.
  • Berg schoonmaakmaterialen en middelen op in een speciaal daarvoor bestemde opslagruimte.
  • Draag handschoenen bij het schoonmaken van voorwerpen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen op (kunnen) zitten. Kan uw (werk)kleding bij het schoonmaken in contact komen met lichaamsvloeistoffen? Draag dan ook een wegwerpschort. Gooi de handschoenen en het schort weg na het schoonmaken.

Tips

  • Gebruik kant-en-klare oplossingen. Gebruik deze volgens de instructies van de fabrikant.
  • Laat een professioneel schoonmaakbedrijf schoonmaken.

Schoonmaaktechnieken

In de schoonmaakschema’s in de bijlagen staat per soort ruimte aangegeven hoe vaak en op welke manier verschillende oppervlakken en materialen moeten worden schoongemaakt. De schoonmaakmaterialen moeten ook goed schoongemaakt, gedroogd en opgeruimd worden. Daarnaast gelden de volgende regels:

Hygiënenormen

  • Maak eerst ‘droog’ schoon (afstoffen, stofzuigen) en daarna ‘nat’ (vochtig doekje, stomen, dweilen).
  • Maak schoon van ‘schoon’ naar ‘vuil’ en van ‘hoog’ naar ‘laag’.
  • Maak schoonmaakmaterialen die niet in de wasmachine kunnen en niet weggegooid worden, zoals emmers en trekkers, na gebruik schoon en spoel ze af met water. Maak de materialen daarna handmatig droog of hang ze op om te drogen (trekkers).
  • Zijn de schoonmaakmaterialen die handmatig worden gereinigd, gebruikt bij het opruimen van bloed of andere lichaamsvloeistoffen met zichtbare bloedsporen? Dan moeten ze nadat ze zijn schoongemaakt ook worden gedesinfecteerd.
    Zie paragraaf 4.2.

Tips

  • Let tijdens het schoonmaken vooral op plekken en voorwerpen die mensen veel aanraken, zoals kranen, lichtschakelaars, deurklinken en doorspoelknoppen.
  • Gebruik bij het dweilen verschillende emmers (bijvoorbeeld met aparte kleuren) voor schoon en vuil sopwater. Maak de dweil of mop nat in de emmer met schoon sop, en spoel hem uit in de andere. Zo blijft sopwater langer schoon.
  • Gebruik microvezeldoekjes volgens de werkwijze in paragraaf 8.3.

Schoonmaakschema’s gebruiken

Een schoonmaakschema voorkomt dat onderdelen worden overgeslagen.

Hygiënenormen

  • Werk volgens een schoonmaakschema. Beschrijf hierin hoe vaak elk onderdeel schoongemaakt moet worden en op welke manier.
    De schoonmaakschema’s in paragraaf 8.1 kunt u als basis gebruiken. U mag natuurlijk vaker schoonmaken dan in deze schema’s is aangegeven. Minder vaak of op een andere manier schoonmaken mag alleen met een goede reden (bijvoorbeeld omdat een ruimte bijna nooit wordt gebruikt).

Tips

  • Vink de schoonmaakwerkzaamheden af. Hierdoor ziet u snel wat er nog moet gebeuren. Dit is vooral handig als er door meerdere personen wordt schoongemaakt.
  • Wordt de schoonmaak door meerdere partijen uitgevoerd? Bijvoorbeeld door een extern schoonmaakbedrijf en medewerkers? Stel dan voor elke partij eigen schoonmaakschema’s op. Zo zijn de verantwoordelijkheden voor iedereen duidelijk.

4.2 Desinfecteren

In sommige gevallen is het schoonmaken van voorwerpen en oppervlakken onvoldoende en moet er na het schoonmaken ook worden gedesinfecteerd. Desinfectie is nodig wanneer een oppervlak of voorwerp vervuild is met bloed en andere lichaamsvloeistoffen en bij sommige infectieziekten. Hierbij gelden de volgende algemene regels:

Hygiënenormen

  • Let op: desinfecteer alleen nadat éérst is schoongemaakt. Desinfecterende middelen werken onvoldoende als iets nog vuil of stoffig is.
  • Desinfecteer alleen als het echt nodig is (in verband met mogelijke resistentievorming van bacteriën).
  • Desinfecteer een oppervlak of voorwerp als er bloed of een andere lichaamsvloeistof op zit.
  • Hebben één of meer cliënten een (vermoedelijke) infectieziekte? Desinfecteer dan alleen als dit door een deskundige infectiepreventie of uw GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst wordt aangeraden of als er in het protocol van uw instelling staat dat desinfectie nodig is.
  • Draag bij het desinfecteren altijd wegwerphandschoenen en pas handhygiëne toe na afloop. Draag ook een beschermend schort als uw (werk)kleding vervuild kan raken met het bloed of andere lichaamsvloeistoffen.
  • Moet u een medisch hulpmiddel desinfecteren waarbij de fabrikant een specifiek desinfecterend middel heeft voorgeschreven? Desinfecteer het hulpmiddel dan alleen met dit desinfecterend middel. Het is volgens de Wet op de medische hulpmiddelen niet toegestaan dit middel voor andere toepassingen te gebruiken.
  • Gebruik voor specifieke medisch hulpmiddelen alleen desinfecterende middelen die voorzien zijn van een CEConformité Européenne-markering.
    logo CE-markering
  • Desinfecteer oppervlakken en voorwerpen (anders dan medische hulpmiddelen) alleen met middelen die zijn toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides.
    Zie de paragraaf ‘Toegelaten desinfecterende middelen voor oppervlakken, materialen en handen’ hieronder voor meer informatie.
  • Gebruik desinfecterende middelen altijd volgens de gebruiksaanwijzing.
    Let op de juiste concentratie, inwerktijd, evt. naspoelen e.d.
  • Bewaar desinfectiemiddelen in de originele verpakking en zorg ervoor dat het etiket leesbaar blijft.

Toegelaten desinfecterende middelen voor oppervlakken, materialen en handen

Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt of een desinfecterend middel goed werkt en veilig is. Ook stelt het Ctgb vast waarvoor het gebruikt mag worden. Een middel kan bijvoorbeeld alleen geschikt zijn voor het desinfecteren van de handen, en niet voor het desinfecteren van oppervlakken. Daarnaast zijn sommige middelen alleen effectief tegen bacteriën, terwijl andere middelen ook virussen kunnen doden.

Middelen die door het Ctgb zijn toegestaan, zijn te herkennen aan een code op de verpakking. Dit kunnen de volgende codes zijn:

  • een N-code (4 tot 5 cijfers gevolgd door ‘-N’, bijvoorbeeld: 12345 N);
  • een NL-code (NL- gevolgd door 7 of 11 cijfers).

Daarnaast moet de fabrikant op de verpakking vermelden waarvoor het middel gebruikt mag worden.

Middelen die zijn toegelaten, staan ook op de website van het Ctgb. Hoe u deze middelen op de website kunt vinden, staat beschreven in paragraaf 9.3. Op de website van het Ctgb is voor elk toegelaten middel het ‘Actueel gebruiksvoorschrift’ opgenomen. In dit gebruiksvoorschrift staat waarvoor het middel gebruikt mag worden en tegen welke micro-organismen het effectief is. Ook staat er hoe u het middel moet gebruiken. 

Hygiënenormen

  • Gebruik alleen een desinfecterend middel dat door het Ctgb is toegestaan.
  • Controleer in het actuele gebruiksvoorschrift dat het middel:
    • geschikt is voor het ‘materiaal’ (bijv. handen, harde oppervlakken) dat u wilt desinfecteren; en
    • effectief is tegen de micro-organismen die u wilt doden.
      Wilt u een oppervlak desinfecteren dat is verontreinigd met bloed? Zorg dan dat uw middel effectief is tegen virussen. Desinfecteert u vanwege een (uitbraak van een) infectieziekte? Bespreek dan met een arts of deskundige infectiepreventie of uw desinfectiemiddel geschikt is tegen de (mogelijke) ziekteverwekker.

Let op: u mag een desinfecterend middel alleen gebruiken voor de toepassingen die in het gebruiksvoorschrift staan beschreven! Zie de onderstaande voorbeelden:

  • Voorbeeld 1:
    U heeft een desinfecterend middel waarmee u uw handen wilt desinfecteren. In het gebruiksvoorschrift staat alleen beschreven dat het middel geschikt is voor desinfectie van harde oppervlakken. U mag dit middel dan niet voor uw handen gebruiken.
  • Voorbeeld 2:
    U heeft een desinfecterend middel waarmee u een oppervlak wilt desinfecteren dat bevuild was met bloed. In het gebruiksvoorschrift staat dat het middel effectief is tegen bacteriën, gisten en schimmels. U mag dit middel dan niet gebruiken voor desinfectie van het oppervlak; bij een verontreiniging met bloed heeft u namelijk een middel nodig dat effectief is tegen virussen.

Er is een aantal toegelaten middelen die in één handeling zowel schoonmaken als desinfecteren. Dit staat dan in het gebruiksvoorschrift. Gebruikt u zo’n middel? Dan is schoonmaken voordat u dit middel gebruikt uiteraard niet nodig. 

5. Bouw en inrichting

In dit hoofdstuk vindt u de eisen aan de bouw en inrichting die nodig zijn om een goede persoonlijke hygiëne, schoonmaak en hygiënische omgang met materialen, producten en afval mogelijk te maken. Voor elk type ruimte in uw instelling vindt u hieronder een paragraaf met de hygiënemaatregelen.

Daarnaast zijn er aanvullende bouwvoorschriften vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Bijvoorbeeld eisen aan het benodigde aantal toiletten. De specifieke eisen verschillen per type bouw (bestaande bouw of nieuwbouw); deze details vallen buiten de reikwijdte van deze richtlijn. Het Bouwbesluit vindt u op wetten.overheid.nl.

5.1 Algemene eisen

Alle ruimtes binnen uw instelling moeten goed schoon te maken en te houden zijn. Houdt u aan de algemene eisen tijdens de bouw en inrichting:

Hygiënenormen

  • Maak wanden en vloeren van een glad, niet-absorberend materiaal dat goed schoon te maken is.
  • Plaats in elke kamer een afvalemmer met plastic zak.
  • Zorg voor goede verlichting om bij schoon te maken.
  • Richt ruimtes zo in dat schoonmakers overal bij kunnen. Voorkom moeilijk bereikbare hoeken en oppervlakken.

Tips

  • Plaats afvalemmers met een voetpedaal, zodat voorkomen wordt dat het deksel wordt aangeraakt door vieze handen.

5.2 Huiskamers

Cliënten brengen veel tijd door in huiskamers en eten en drinken er vaak. Dit moet hygiënisch kunnen gebeuren. Let daarom op het volgende:

Hygiënenormen

  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en handdoekjes.
  • Plaats een koelkast. Zo kunnen bederfelijke producten die in de huiskamer gegeten worden, koel worden bewaard.

5.3 Sanitaire ruimten

Toiletten en postoelen

Iedereen die van het toilet of een postoel gebruikmaakt, moet de handen kunnen wassen. Daarnaast moet de toiletruimte goed schoon te maken zijn. Dat gaat alleen als muren en vloeren glad zijn en er geen vocht in kan doordringen. Vocht is namelijk een goede voedingsbodem voor ziekteverwekkers.

Hygiënenormen

  • Zorg dat de vloer en de wanden tot een hoogte waar urine tegenaan kan spatten, geen vocht kunnen opnemen en gemakkelijk schoon te maken zijn.
  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser, wegwerphanddoekjes en een afvalbak.
  • Zorg dat het toilet een deksel heeft.
  • Zorg dat de postoel is gemaakt van glad, niet-absorberend materiaal dat goed schoon te maken is.
  • Zorg dat het toilet of de postoel is gemaakt van materialen die bestand zijn tegen reinigings- en desinfectiemiddelen.
  • Vervang kapotte toiletten of postoelen direct.

Spoelruimte

In de spoelruimte worden volle po’s en urinalen in de pospoeler gezet. Vaak worden in dezelfde ruimte ook de schone po’s en urinalen bewaard. Houdt u aan de volgende eisen om besmetting van de vuile naar de schone po’s en urinalen te voorkomen:

Hygiënenormen

  • Houd schone en vuile po’s en urinalen gescheiden.
  • Plaats een gebruikte po/urinaal/maatbeker zo snel als mogelijk in de desbetreffende houder van de pospoeler, sluit de deur en start direct het programma. Pas aansluitend handhygiëne toe.
  • Leeg po’s/urinalen/maatbekers altijd machinaal in de pospoeler (leeg deze dus niet handmatig, ook niet in het toilet).
  • Plaats de afgesloten po op een daartoe aangewezen plek/opbergrek voor vuile po’s als de pospoeler in gebruik is.
  • Dek een gebruikte po/urinaal af tot aan invoer in de pospoeler.

Tips

Douche- en badruimte

Omdat het in douche- en badruimtes heel vochtig is, groeien schimmels en andere micro-organismen er relatief makkelijk. Neem daarom de volgende hygiënemaatregel:

Hygiënenormen

  • Zorg dat de vloer en de wanden tot een hoogte waar water tegenaan spat, geen vocht kunnen opnemen en gemakkelijk schoon te maken zijn. Het materiaal op de rest van de muren en het plafond moet goed bestand zijn tegen water en waterdamp.
  • Zorg voor een goede ventilatie.

5.4 Keuken

Een gemeenschappelijke keuken kan variëren van een kleine ruimte met koelkast waar eten (koud) wordt klaargemaakt tot een grote keuken waar (warme) maaltijden bereid worden.

Hygiënenormen

  • Zorg voor een vloer van glad, niet-absorberend materiaal, die goed schoon te maken, splintervrij en stroef is.
  • Zorg dat de wand boven het aanrechtblad glad is tot een hoogte waar water en etenswaren tegenaan spatten.
    Zo is de wand makkelijk schoon te maken.
  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser, wegwerphanddoekjes en een afvalbak.
  • Bewaar gevaarlijke stoffen, zoals schoonmaakmiddelen, gescheiden van etenswaren en zorg dat cliënten hier niet bij kunnen.

5.5 Opslag schoonmaakmaterialen

Zorg voor een aparte opslagruimte waar schoonmaakmiddelen en materialen opgeborgen kunnen worden. Zo worden vuile en gevaarlijke stoffen of giftige materialen gescheiden van voedingsmiddelen.

Hygiënenormen

  • Maak een ophangsysteem zodat bezems, (raam)trekkers en andere materialen niet op de grond staan.
    Op deze manier kunnen ze beter drogen.
  • Plaats een uitstortgootsteen waar vuil water wordt ververst en materialen gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt.
  • Plaats gevaarlijke schoonmaakmiddelen, zoals ammoniak, in lekbakken. Zorg dat cliënten er niet bij kunnen.

Tips

  • Zorg voor een wastafel met stromend water, een zeepdispenser, wegwerphanddoekjes en afvalbak.

5.6 Medische behandelruimte

In de medische behandelruimte (zoals een artsenkamer of onderzoekskamer) wordt medische zorg verleend aan cliënten. Zorg dat er een aparte behandelruimte beschikbaar is waar medische zorgverleners veilig en hygiënisch kunnen werken:

Hygiënenormen

  • Maak wanden en vloeren van een glad, niet-absorberend materiaal dat goed schoon te maken is.
  • Zorg voor een behandeltafel of stoel. Ook deze moet van niet-absorberend materiaal zijn gemaakt dat goed schoon te maken is. Zorg ook voor een papierrol zodat iedere cliënt op schoon papier zit of ligt, of gebruik per cliënt een schone handdoek.
  • Zorg voor een handenwasgelegenheid met:
    • een wastafel met stromend water, bij voorkeur een no-touch kraan;
    • een zeepdispenser en een houder met papieren wegwerpdoekjes;
    • een dispenser voor een handdesinfecterend middel.
  • Plaats een pedaalemmer met plastic zak in de ruimte.
  • Plaats een naaldcontainer met een UNUnited Nations-keurmerk in de ruimte.

5.7 Snoezelruimte

In een snoezelruimte kunnen cliënten ontspannen. Dit is een speciale plek waar de zintuigen van cliënten geprikkeld worden via geluid, licht en andere materialen.

Hygiënenormen

  • Zorg dat alle materialen in deze ruimte goed schoon te maken zijn.

6 Medische en verpleegkundige zorg

Ziekteverwekkers kunnen gemakkelijk overgebracht worden via handen, (werk)kleding en medische hulpmiddelen. Door het intensieve contact tussen medewerkers en cliënten is er tijdens het verlenen van medische en verpleegkundige zorg een verhoogde kans op besmetting. Om dit risico op besmetting te verkleinen moet u zich tijdens het verlenen van verpleegkundige en medische zorg houden aan de eisen uit dit hoofdstuk. Daarnaast gelden uiteraard de algemene maatregelen op het gebied van persoonlijke hygiëne (zie paragraaf 2.1) en schoonmaak en desinfectie (zie hoofdstuk 4).

6.1 Verpleegkundige handelingen

In uw instelling kunnen diverse verpleegkundige handelingen worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld de verzorging van wonden, het schoonmaken of verwisselen van verschillende soorten katheters, sondes en canules, het uitzuigen van cliënten, het verzorgen van stomazakjes en het verwisselen van incontinentiemateriaal.

Al dit soort handelingen geeft een verhoogd risico op verspreiding van micro-organismen van de ene naar de andere cliënt. Daarom is het van belang om in protocollen en werkinstructies maatregelen op te nemen die dit besmettingsrisico verminderen.

Hieronder staan eerst algemene hygiëne- en infectiepreventiemaatregelen. Vervolgens worden er voor een aantal handelingen aanvullende eisen beschreven.

Hygiënenormen

  • Zorg ervoor dat nieuwe en herziene protocollen en werkinstructies voor verpleegkundige handelingen beoordeeld zijn door een deskundige op het gebied van infectiepreventie.
  • Zorg dat in de protocollen en werkinstructies de juiste hygiëne- en infectiepreventiemaatregelen zijn opgenomen. Neem in ieder geval alle onderstaande maatregelen op die van belang zijn voor de handeling.

Voorbereiding

  • Zet voordat u begint alle benodigdheden klaar binnen handbereik, op een schone ondergrond. Gebruik als schone ondergrond een celstofmatje of desinfecteer het oppervlak. Plaats ook een afvalzakje binnen handbereik, zodat u vuile materialen direct kunt weggooien.
  • Controleer de houdbaarheidsdatum van alle materialen vóór elke handeling.
  • Controleer of de verpakkingen van steriele materialen onbeschadigd en ongeopend zijn.
  • Voorkom tocht tijdens de handeling, om het opdwarrelen van stof te voorkomen.
    Zo voorkomt u besmetting met micro-organismen in stofdeeltjes uit de lucht.
  • Open steriele materialen pas als u klaar bent om met de handeling te beginnen en laat ze na opening op de binnenkant van hun verpakking liggen.
  • Desinfecteer of was uw handen direct vóór iedere schone of steriele handeling, vlak voordat u handschoenen aantrekt.

Tijdens de handeling

  • Draag handschoenen wanneer uw handen in aanraking kunnen komen met lichaamsvloeistoffen. Uitzondering: bij het aanleggen van stomahulpmiddelen hoeven geen handschoenen te worden gedragen, omdat deze blijven kleven aan de plakkers.
  • Draag een wegwerpschort wanneer uw (werk)kleding besmet kan raken met lichaamsvloeistoffen.
    In de meeste situaties is een halterschort voldoende; alleen als het protocol dat aangeeft, is een schort met lange mouwen nodig.
  • Draag een chirurgisch mondneusmasker met spatscherm of losse veiligheidsbril als er tijdens de handeling lichaamsvloeistoffen in het gezicht kunnen spatten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een bronchiaal toilet.
  • Voorkom dat de handschoenen in contact komen met oppervlakken, om besmetting met micro-organismen te voorkomen.
    Zo voorkomt u bij schone en steriele handelingen dat de handschoenen besmet raken met micro-organismen uit de omgeving (bijvoorbeeld op deurklinken of telefoons) en bij vuile handelingen dat u micro-organismen van de handschoenen naar de omgeving verspreidt.
  • Desinfecteer waar nodig de aansluitpunten van materialen, voordat u nieuwe aansluit. Gebruik alleen een desinfecterend middel dat is toegelaten door het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides.​
    Zie paragraaf 4.2.
  • Gebruik bij voorkeur tubes in plaats van potjes met zalf. Heeft u toch een potje? Neem de zalf dan met een schone spatel uit de pot.
    Zo voorkomt u dat uw handen de zalf besmetten met micro-organismen.

Na de handeling

  • Gooi wegwerpinstrumenten en materialen (zoals handschoenen, mondneusmaskers en wegwerppincetten) direct na de handeling weg. Gebruik waar mogelijk wegwerpinstrumenten en materialen.
  • Maak instrumenten en materialen die worden hergebruikt, na gebruik schoon. Instrumenten en materialen waar bloed op zat, of die vervolgens bij een andere cliënt worden gebruikt, moeten na het schoonmaken ook worden gedesinfecteerd (zie paragraaf 4.2). Maak ook spatschermen en veiligheidsbrillen die worden hergebruikt, na gebruik schoon en desinfecteer deze vervolgens.
  • Desinfecteer of was uw handen na het uittrekken van de handschoenen.
  • Noteer de openingsdatum en tijd op materialen die na openen beperkt houdbaar zijn, zoals zalven en spoelvloeistoffen. Gebruik spoelvloeistof tot maximaal 24 uur na opening. Noteer ook de naam van de cliënt; geopende materialen mogen niet bij andere cliënten gebruikt worden.

Sputum

Naast bovenstaande algemene maatregelen, geldt bij het opvangen van sputum het volgende:

Hygiënenormen

  • Vang het sputum op in een wegwerppot.
  • Laat cliënten dezelfde pot maximaal 24 uur gebruiken.
  • Gooi sputumpotten afgesloten weg.

Verblijfskatheter

Naast bovenstaande algemene maatregelen, geldt bij het aftappen of ontkoppelen van de urineopvangzak van een verblijfskatheter het volgende:

Hygiënenormen

  • Ontkoppel de urineopvangzak alleen van de katheter bij het verwisselen van de opvangzak of katheter, bij het spoelen van de katheter (alleen op medische indicatie), bij verstopping door gruis of bloedstolsels in de katheter, bij lekkage van de opvangzak of als de zak vies gaat ruiken.
    Bij elke ontkoppeling is er een risico op besmetting van het aansluitpunt.
  • Voorkom bij een urineopvangzak met aftapkraan dat het kraantje tijdens het aftappen in aanraking komt met het urinaal of de beker waarin de urine wordt opgevangen.
  • Leeg de urineopvangzak in een pospoeler. Gooi de lege urineopvangzak weg.
    Voorkom het spatten van urine. 

Tracheacanule

Naast bovenstaande algemene maatregelen, geldt bij het schoonmaken van de binnencanule van de tracheacanule het volgende:

Hygiënenormen

  • Verwijder binnencanules twee keer per dag en reinig ze.
  • Maak een gaasje nat met water uit een stromende kraan en maak hiermee de buitenkant van de binnencanule schoon. Maak de binnenkant schoon met wattenstokjes. Gebruik geen pijpenragers, deze kunnen de canule beschadigen.
  • Gooi de handschoenen na het schoonmaken weg en trek nieuwe aan voor het terugplaatsen van de canule.
  • Zet de droge binnencanule terug in de buitencanule.

Sondes

Naast bovenstaande algemene maatregelen, geldt bij het toedienen van sondevoeding of het vervangen van het toedieningssysteem het volgende:

Hygiënenormen

  • Pas handhygiëne toe voor het aansluiten of toedienen van sondevoeding. Het is niet nodig om handschoenen te dragen.
  • Bij continue toediening van de voeding geldt:
    • Vervang de zak of fles met voeding binnen 24 uur.
    • Vervang het toedieningssysteem tot aan de sonde na maximaal 96 uur.
    • Spoel het voedingssysteem door met water uit een flink stromende kraan wanneer de voedingszak wordt gewisseld.
  • Wordt de voeding in bolus toegediend, let dan op het volgende:
    • Bewaar de sondevoeding na openen maximaal 24 uur in de koelkast, in een afgesloten zak of fles. Noteer hiervoor de datum en tijd van openen. Uitzondering: gebruik sondevoeding die niet in de koelkast mag worden bewaard (vanwege klonteren bij lage temperaturen) direct na openen en gooi restjes weg.
    • Sluit de voedingssonde of PEG-katheter na elke toediening af met een schoon dopje.
    • Spoel een PEG-katheter na iedere toediening van voeding of medicijnen door met 2030 cc kraanwater. Doe dit minimaal vijf keer per dag.
  • Gebruik voor het doorspoelen een cliëntgebonden spuit. Hergebruik deze spuit maximaal 24 uur. Noteer hiervoor de naam van de cliënt en de datum en tijd van ingebruikname. Heeft de cliënt een schimmelinfectie (waar dan ook op het lichaam) of is de spuit beschadigd, bewaar hem dan niet maar gooi hem direct na gebruik weg.
  • Maak spuiten die worden hergebruikt na gebruik schoon in een sopje. Leg de stamper en huls daarna los van elkaar te drogen op een schone, droge doek of in een uitlekbakje waarin geen water kan blijven staan. Maak het aanrecht na het schoonmaken droog met papier.

Tips

  • Gebruik bij voorkeur kant-en-klare voeding; deze is onder gecontroleerde omstandigheden bereid waardoor de kans op besmetting van deze sondevoeding kleiner is dan bij zelf op te lossen voeding.

6.2 Po's, urinalen en urine- en stomaopvangzakken

Gebruik van po’s en urinalen

Zie ook de WIPWerkgroep Infectiepreventie-richtlijn ‘Urinelozing en stoelgang’. Onderstaande maatregelen gelden bij het gebruik van po’s en of urinalen:

Hygiënenormen

  • Gebruik po’s en urinalen bij voorkeur cliëntgebonden.
  • Gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen als er risico is op direct contact met urine en/of feces of risico op aerosolvorming.
  • Reinig en desinfecteer po’s en urinalen in een pospoeler of gebruik een vermaler.
  • Bij gebruik van een vermaler geldt:
    • Dek een gebruikte wegwerppo af tot aan verwerking door het vermaalsysteem.
    • Toon de gebruiksinstructies van de fabrikant duidelijk zichtbaar in de directe omgeving van het vermaalsysteem.
    • Instrueer medewerkers in het correcte gebruik van het vermaalsysteem.
    • Plaats de gebruikte volle po/urinaal/maatbeker zo snel als mogelijk in het vermaalsysteem, sluit de deur en start direct het programma. Pas aansluitend handhygiëne toe.
  • Leeg po’s/urinalen/maatbekers niet handmatig in een toilet of pospoeler. Het voorzichtig legen van een maatbeker in het toilet is alleen toegestaan bij afwezigheid van een pospoeler of vermaalsysteem. Het afwezig zijn van een pospoeler of vermaalsysteem is alleen toegestaan onder voorwaarden (zie de WIP-richtlijn).

Urine- en stomaopvangzakken

Zie ook de WIP-richtlijn ‘Urinelozing en stoelgang’. Onderstaande maatregelen gelden voor opvangzakken voor urine en stoma’s:

Hygiënenormen

  • Urine- en stomaopvangzakken zijn voorzien van een terugslagklep.
  • Urine- en stomaopvangzakken zijn voorzien van een aftappunt.
  • Urinebeenzakken worden voor de nacht doorgekoppeld naar een schone standaard urine-opvangzak (de beenzak wordt dus niet afgekoppeld).
  • Vervang een urine-opvangzak (standaard en been) wekelijks en direct bij veel verontreinigingen in de zak of bij lekkage.
  • Koppel een urine-opvangzak alleen tussentijds af als dit noodzakelijk is; sluit aansluitend een schone zak aan.
  • Was materiaal ter fixatie van stomamateriaal (bijvoorbeeld gordels, bandages) wekelijks op minimaal 60°C en een volledig wasprogramma en direct bij zichtbare verontreiniging.

6.3 Medicijnen en steriele materialen

Medicijnen kunnen hun werking verliezen als ze te lang of bij een verkeerde temperatuur worden bewaard. Ook steriele materialen, zoals gaasjes en pincetten, moeten op de juiste manier worden opgeslagen; anders neemt de steriliteit af.

Medicijnen

Hanteer de volgende regels als medicijnen worden verstrekt binnen uw instelling:

Hygiënenormen

  • Controleer de houdbaarheidsdatum van medicijnen maandelijks en vóór gebruik. Gebruik de medicijnen niet na deze datum.
  • Voorkom dat cliënten bij de voorraad medicijnen kunnen komen.
  • Noteer de openingsdatum op medicijnen die na openen beperkt houdbaar zijn.
  • Bewaar medicijnen op de voorgeschreven temperatuur.
    Bewaren tussen 15 en 25 °C’ betekent kamertemperatuur en bij ‘gekoeld bewaren’ plaatst u het in de koelkast.
  • Gebruik een aparte koelkast voor medicijnen of bewaar de medicijnen in een afgesloten bak in een levensmiddelenkoelkast.
  • Controleer dagelijks en registreer wekelijks de temperatuur van de koelkast met medicijnen. Leg hiervoor een thermometer in de koelkast. Zorg dat de temperatuur tussen de 2 en 7 °C is.
  • Werk bij het gereedmaken en toedienen van medicijnen volgens de Landelijke instructie Voor Toediening Gereedmaken (VTGM) van medicatie in verpleeg- en verzorgingshuizen van de V&VNVerpleegkundigen en Verzorgenden Nederland.
    Kijk voor meer informatie op de website van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland: www.venvn.nl.

Tips

  • Sla medicijnen op volgens het ‘first in, first out’ (fifo)-principe. Dit betekent dat medicijnen die het eerst geleverd zijn, ook het eerst gebruikt worden. Plaats hiervoor de nieuwe voorraad achteraan in de medicijnkast en schuif de oude voorraad naar voren.

Steriele materialen

Steriel verpakte instrumenten blijven alleen steriel als de verpakking droog en onbeschadigd is. Let op de volgende regels wanneer steriele materialen worden gebruikt:

Hygiënenormen

  • Controleer de houdbaarheidsdatum van steriele materialen maandelijks en vóór gebruik. Gebruik de materialen niet na deze datum.
  • Sla steriele materialen stofvrij en droog op, op zo’n manier dat ze niet beschadigen en gescheiden zijn van andere materialen.
    Prop ze dus bijvoorbeeld niet in laatjes, leg ze niet op de vloer, bundel materialen niet samen met elastiekjes of nietjes en schrijf of stempel niet op de verpakking.
  • Gebruik de instrumenten niet als de verpakking:
    • beschadigd of gescheurd is;
    • (deels) geopend is;
    • vochtig is of vochtkringen vertoont;
    • vuil is geworden.

Tips

  • Gebruik zoveel mogelijk wegwerpmaterialen, zodat zelf steriliseren van instrumenten en materialen niet nodig is.
  • Sla steriele materialen op volgens het ‘first in, first out’ (fifo)-principe. Dit betekent dat materialen die het eerst geleverd zijn, ook het eerst gebruikt worden. Plaats hiervoor de nieuwe voorraad achteraan en schuif de oude voorraad naar voren.

6.4 Omgang met scherp afval

Bij het verlenen van medische zorg of het injecteren van medicijnen kunnen scherpe materialen zoals naalden of mesjes worden gebruikt. Bij het gebruik van deze materialen, is er een kans op prikaccidenten. Omdat 85% van de prikaccidenten voorkomen in de zorgsector, is er een Europese richtlijn (richtlijn 2010/32/EUEuropean Union ) opgesteld die werkgevers van alle EU-lidstaten verplicht om hun medewerkers tegen deze accidenten te beschermen. In Nederland is dit vertaald in het Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel 4.97. In dit besluit staat dat er veilige naaldsystemen beschikbaar moeten zijn met ingebouwde beveiliging, zodat de zorgmedewerker na gebruik zichzelf of anderen er niet mee kan besmetten. Ook is in het besluit opgenomen dat het verboden is om het hoesje na gebruik terug op de naald te zetten (‘recappen’ genoemd).

Naast het gebruik van de juiste naalden, wordt het risico op prikaccidenten verder verlaagd door een juiste omgang met gebruikte naalden en naaldcontainers. Daarom gelden de volgende regels voor de omgang met scherp afval:

Hygiënenormen

  • Gebruik veilige naaldsystemen met een ingebouwde beveiliging.
  • Zet hoesjes nooit terug op de naald.
  • Zorg dat er op iedere plek waar handelingen met injectienaalden of andere scherpe voorwerpen worden verricht, naaldcontainers met een UNUnited Nations-keurmerk zijn (zie afbeelding).
    logo UN-keurmerk
  • Gooi naalden en andere scherpe wegwerpinstrumenten die de huid of slijmvlies doorboren, direct na gebruik in een naaldcontainer met het UN-keurmerk. Gooi het scherpe afval nooit in een gewone afvalemmer.
  • Zorg dat de naaldcontainer tijdens het prikken of snijden binnen handbereik staat.
  • Zorg dat het deksel van de naaldcontainer goed vast zit. Het deksel zit stevig vast wanneer u bij het aandrukken van de hoeken bij elke hoek een duidelijke klik heeft gehoord. Er zit dan geen speling meer in het deksel.
  • Vervang naaldcontainers wanneer ze tot de maximale vullijn vol zitten. Sluit het deksel en lever de volle naaldcontainer in volgens het protocol van uw instelling. Zet direct een nieuwe naaldcontainer neer.

Volle naaldcontainers vallen in de categorie ‘ziekenhuisafval’. Aan de afvoer van ziekenhuisafval zijn bij wet eisen gesteld (zie hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer). Zo mag u uw containers alleen inleveren bij inzamelaars die een zogeheten VIHB-nummer hebben. Op de website van de NIWO kunt u een lijst met goedgekeurde inzamelaars vinden.  Zoek hiervoor op ‘VIHB-lijst’ en klik vervolgens op ‘Raadplegen VIHB-lijst (bedrijfsafval en gevaarlijk afval)’.

6.5 Prik-, snij-, bijt- en spataccidenten

Ook wanneer u zich bij de omgang met scherp afval houdt aan de eisen in de vorige paragraaf, kunnen er in uw instelling prik-, snij-, bijt- en spataccidenten plaatsvinden. Hier spreekt men van als het bloed of de slijmvliezen van een medewerker of cliënt in contact komt met bloed, wondvocht of de slijmvliezen van een ander. Bij zo’n accident kunnen ziekteverwekkers worden overgedragen, zoals het hepatitis B of C virus en hivhumaan immunodeficientievirus. Bij een bijtaccident lopen zowel de bijter als de degene die gebeten is het risico om besmet te worden door de ander.

Door een protocol voor prik-, snij-, bijt- en spataccidenten dat bekend is bij de medewerkers, verkleint u de kans dat medewerkers of cliënten bij zo’n accident een infectieziekte oplopen.

Hygiënenormen

  • Ontwikkel een protocol voor prik-, snij-, bijt- en spataccidenten en stel uw medewerkers hiervan op de hoogte.
  • In dit protocol moet in ieder geval het volgende staan:
    • Bij bloed-bloed- of bloed-slijmvliescontact (bijvoorbeeld wanneer bloed in het oog of de mond is gespat) moeten zo snel mogelijk de volgende stappen worden genomen:
      • Laat een wondje goed doorbloeden.
      • Spoel het wondje of het slijmvlies met water of fysiologisch zout.
      • Ontsmet een wondje (slijmvliezen niet!) met een wond desinfecterend middel voorzien van een RVGRegister Verpakte Geneesmiddelen-nummer (bijvoorbeeld Betadine of Sterilon).
      • Dek het wondje zo nodig af.
      • Neem direct hierna contact op met de instantie die volgens uw lokale protocol het accident moet behandelen. De deskundige maakt vervolgens een inschatting van de risico's en bespreekt het te volgen beleid.
    • Bij melding wordt een risico-inschatting gemaakt en worden eventuele vervolgstappen bepaald. Noteer hiervoor de volgende gegevens:
      • de personen die bij het accident zijn betrokken;
      • het type verwonding (bijv. prik- of bijtwond);
      • het materiaal waarmee iemand verwond is (het type naald in het geval van een prikaccident).

Tips

  • Neem in het protocol de contactgegevens op van de instantie(s) aan wie het accident gemeld moet worden. Maak zo nodig onderscheid tussen meldingen binnen en buiten kantooruren.
  • Vermeld in uw teampost het nummer dat gebeld moet worden bij een prik-, snij-, bijt- of spataccident.
  •  Als u zelf slachtoffer bent van een prik-, snij-, bijt- of spataccident, laat u zich dan begeleiden door een collega.
  • U kunt het protocol ook gebruiken bij bijtaccidenten met huisdieren.

7 Maatregelen bij besmetting

Ook wanneer u goede hygiënemaatregelen instelt, kan het voorkomen dat cliënten of medewerkers besmet raken met een infectieziekte. In sommige gevallen moet u dit melden bij de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst. In dit hoofdstuk vindt u informatie over infectiepreventiemaatregelen bij specifieke ziekteverwekkers (zoals MRSAMethicillin-resistant Staphylococcus aureus en het norovirus). In paragraaf 7.4 vindt u maatregelen om de kans te verkleinen dat medewerkers met een infectieziekte cliënten besmetten.

7.1 Meldingsplicht

Cliënten in zorginstellingen zijn meestal vatbaarder voor infectieziekten dan de algemene bevolking. Daarom geldt er op grond van de Wet publieke gezondheid, artikel 26, een meldingsplicht voor het hoofd van een verpleeghuis of woonzorgcentrum:

Hygiënenormen

  • Meld het aan uw regionale GGD wanneer er een ongewoon aantal zieke cliënten of medewerkers is met maag- en darmaandoeningen, geelzucht, huidaandoeningen en andere ernstige aandoeningen van vermoedelijk infectieuze aard.
    Meer informatie over wat wordt verstaan onder een ‘ongewoon aantal zieken’ vindt u in het LCILandelijke coördinatie infectieziektebestrijding-draaiboek ‘Artikel 26-meldingen Wpg instellingen’.
  • Om een infectieziekte zo goed mogelijk te bestrijden heeft de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst zo veel mogelijk informatie nodig.
    Wanneer en hoe werd de cliënt ziek? Wat zijn de klachten en zijn er nog meer cliënten of medewerkers besmet geraakt? Houd deze gegevens bij.
  • Bepaal samen met de behandelend arts, deskundige infectiepreventie en deskundigen van de GGD welke maatregelen u moet nemen.

Tips

  • Voor vragen en advies over (een uitbraak van) een infectieziekte, of als u twijfelt of u of een ander een besmettelijke ziekte heeft (zoals tuberculose), kunt u contact opnemen met uw GGD.

7.2 Beschermende maatregelen

Bij een aantal infectieziekten moeten er beschermende maatregelen worden ingesteld bij een cliënt. Zie paragraaf 9.2 voor een overzicht van de benodigde beschermingsmiddelen bij de belangrijkste infectieziekten.

Een andere beschermende maatregel is isolatie. Er worden vijf typen isolatie onderscheiden:

  • contactisolatie;
  • druppelisolatie;
  • aërogene isolatie;
  • strikte isolatie;
  • beschermende isolatie.

Hygiënenormen

  • Zorg voor de aanwezigheid van protocollen voor de verschillende vormen van isolatie. Hierin moet worden beschreven welke en hoe de beschermende maatregelen uitgevoerd dienen te worden.
  • Raadpleeg de deskundige infectiepreventie over de te nemen maatregelen.

Tips

  • Houdt rekening met de privacy van de cliënt.

Hieronder worden de typen isolatie besproken die het meest van toepassing zijn in de verpleeghuissetting: contactisolatie en druppelisolatie. De arts bepaalt, in overleg met de deskundige infectiepreventie, of isolatie nodig is en zo ja, in welke vorm.

Contactisolatie

Binnen verpleeghuizen, woonzorgcentra en kleinschalig wonen is contactisolatie de meest gangbare vorm van isolatie. Contactisolatie is nodig bij cliënten met een ziekte die zich via contact verspreidt, bijvoorbeeld besmettelijke diarree en Clostridium.

Voorkom verspreiding van zulke ziektes door bij cliënten in contactisolatie de volgende maatregelen te nemen: 

    Hygiënenormen

    • Volg het protocol van uw instelling.
    • Plaats de cliënt bij voorkeur op een eenpersoonskamer. Alleen als dit echt niet mogelijk is, mag de verpleging op een meerpersoonskamer plaatsvinden.
    • Geef bij de ingang van de kamer aan dat de cliënt in isolatie ligt en welke maatregelen bezoekers en medewerkers moeten nemen.

    Druppelisolatie

    Druppelisolatie is nodig bij cliënten met een ziekte die zich via druppels over een afstand van ongeveer 1,5 meter verspreidt. Een voorbeeld hiervan is griep (influenza).

    Voorkom verspreiding van zulke ziektes door bij cliënten in druppelisolatie de volgende maatregelen te nemen: 

    Hygiënenormen

    • Volg het protocol van uw instelling.
    • Plaats de cliënt bij voorkeur op een eenpersoonskamer. Als er meerdere cliënten ziek zijn mogen zij op een gezamenlijke kamer (cohortverpleging).
    • Geef bij de ingang van de kamer aan dat de cliënt in druppelisolatie ligt en welke maatregelen bezoekers en medewerkers moeten nemen.

    7.3 Infectieziekten

    Bijzonder resistente micro-organismen (BRMObijzonder resistente micro-organismen)

    Ziekteverwekkers die resistent zijn tegen de eerste keuzeantibiotica of tegen meerdere groepen antibiotica worden BRMO genoemd. Van een infectie met BRMO wordt het ziektebeeld niet ernstiger, wel kan het ziekteproces langer duren en ernstiger zijn. Dit kan zijn omdat er eerst met een antibiotica is gestart waar de BRMO resistent voor is. De kans op infectie is groter wanneer de weerstand verminderd is en bij de aanwezigheid van wonden, katheters en/of drains. BRMO verspreidt zich net als andere ziekteverwekkers.

    BRMO is een verzamelen naam voor meerdere ziekteverwekkers die resistent zijn. Hierdoor is het mogelijk dat de beschermende maatregelen per BRMO soort verschillen.

    Hygiënenormen

    • Verzorg een cliënt die besmet is met BRMO bij voorkeur op een eenpersoonskamer. Niet bij elk type BRMO hoeft een cliënt op een eenpersoonskamer verzorgt te worden.
      Zie de WIPWerkgroep Infectiepreventie richtlijn voor de infectiepreventiemaatregelen per BRMO.
    • Leg cliënten met BRMO uit wanneer en hoe ze handhygiëne moeten toepassen.

    Een goede persoonlijke hygiëne voorkomt dat u besmet raakt met BRMO. Naast de algemene maatregelen in paragraaf 2.1, geldt het volgende: 

    Hygiënenormen

    • Draag een schort eenmalig.
    • Draag een schort tijdens:
      • de verzorging van de cliënt;
      • de schoonmaak van de kamer van de cliënt;
      • het opmaken en afhalen van het bed.
    • Trek bovengenoemde persoonlijke beschermingsmiddelen aan voordat u de kamer binnengaat.
      Zo voorkomt u besmetting van uw (werk)kleding.
    • Trek de persoonlijke beschermingsmiddelen na bovenstaande handelingen uit op de kamer van de cliënt. Volg hierbij de volgende stappen in onderstaande volgorde:
      • Trek de handschoenen uit en gooi ze weg.
      • Trek het schort uit en doe het in de was of gooi het weg.
      • Desinfecteer of was uw handen.

    Tips

    • Draag disposable schorten.

    Uitgebreide informatie over hoe om te gaan met BRMO in een verpleeghuis vindt u ook in de WIP-richtlijn ‘BRMO voor verpleeghuizen, wooncentra en kleinschalig wonen ouderen'.

    Via bovenstaande link vindt ook u een tabel met daarin een overzicht van de te nemen beschermende maatregelen per BRMO.

    MRSAMethicillin-resistant Staphylococcus aureus

    MRSA (methicilline-resistente Staphylococcus Aureus) is een bacterie die ongevoelig is voor veel soorten antibiotica. De bacterie wordt steeds vaker gevonden bij cliënten en medewerkers in zorginstellingen. MRSA is vooral gevaarlijk voor mensen met een sterk verminderde weerstand, zoals cliënten in een verpleeghuis of woonzorgcentrum. De bacterie kan infecties veroorzaken die moeilijk te behandelen zijn. Gezonde mensen ondervinden meestal geen last van de bacterie. Maar als drager van de bacterie, kunnen zij wel weer andere mensen besmetten.

    MRSA wordt vooral overgedragen via de handen, maar kan ook worden verspreid via stofdeeltjes en huidschilfers. Om verspreiding van de bacterie in uw instelling te voorkomen, moet bij cliënten die besmet zijn met MRSA, uitgebreide contactisolatie worden toegepast tijdens:

    • de verzorging van de cliënt;
    • de schoonmaak van de kamer en het sanitair;
    • het opmaken en afhalen van het bed.

    Buiten deze momenten is uitgebreide contactisolatie niet nodig. De cliënt mag dus gewoon deelnemen aan activiteiten. Wel is het belangrijk dat de cliënt zijn of haar handen goed wast of desinfecteert.

    Hygiënenormen

    • Verzorg een cliënt die besmet is met MRSA op een eenpersoonskamer met eigen sanitaire voorzieningen.
    • Leg cliënten met MRSA uit wanneer en hoe ze handhygiëne moeten toepassen.
    • Laat medewerkers met psoriasis of eczeem geen cliënten met MRSA verzorgen.
      Mensen met deze huidafwijkingen raken sneller gekoloniseerd door de bacterie en zijn moeilijker te behandelen.

    Een goede persoonlijke hygiëne voorkomt dat u besmet raakt met MRSA. Naast de algemene maatregelen in paragraaf 2.1, geldt het volgende:

    Hygiënenormen

    • Draag handschoenen, een wegwerpschort met lange mouwen en een chirurgisch mondneusmasker met neusklem tijdens:
      • de verzorging van de cliënt;
        Onder verzorging valt ook het tillen en rechtop zetten van de cliënt en het opschudden van kussens.
      • de schoonmaak van de kamer en het sanitair van de cliënt;
      • het opmaken en afhalen van het bed.
    • Trek bovengenoemde persoonlijke beschermingsmiddelen aan voordat u de kamer binnengaat.
      Zo voorkomt u besmetting van uw (werk)kleding.
    • Druk de neusklem van het mondneusmasker goed aan op uw neus.
      Zo voorkomt u dat bacteriën via de rand van het masker uw neus kunnen besmetten.
    • Trek na bovenstaande handelingen bij de cliënt de persoonlijke beschermingsmiddelen uit. Doe dit in de kamer van de cliënt en volg hierbij de volgende stappen in onderstaande volgorde:
      • Trek de handschoenen uit en gooi ze weg.
      • Desinfecteer de handen met handdesinfectans of was ze met water en zeep.
      • Trek het schort uit en gooi deze weg.
      • Doe het mondneusmasker af. Houd hierbij alleen de zijkant van het masker vast om besmetting van de handen te voorkomen. Gooi het masker direct weg.
        Om de persoonlijke beschermingsmiddelen weg te gooien, moet er een pedaalemmer of afvalbak zonder deksel, met afvalzak, aanwezig zijn in de kamer van de cliënt!
    • Desinfecteer of was de handen direct na het verlaten van de kamer opnieuw.

    Wanneer de cliënt niet verzorgd wordt, de kamer niet wordt schoongemaakt en het bed niet wordt opgemaakt of afgehaald, hoeven mensen die de kamer binnenkomen (bijvoorbeeld voedingsassistenten, de technische dienst en familie) geen persoonlijke beschermingsmiddelen aan. Wel geldt: 

    Hygiënenormen

    • Laat iedereen direct na het verlaten van de kamer de handen desinfecteren of wassen.

    Uitgebreide informatie over hoe om te gaan met MRSA in een verpleeghuis vindt u ook in de WIP-richtlijn ‘MRSA voor thuiszorg, verpleeghuis en verzorgingshuis'. 

    Norovirus

    Norovirussen zijn zeer besmettelijke virussen die een ontsteking van het slijmvlies van het maag-darmkanaal veroorzaken, waardoor mensen symptomen krijgen als braken en diarree. In de volksmond wordt dit vaak ‘buikgriep’ genoemd. Dit virus komt veel voor, ook in verpleeghuizen en woonzorgcentra.

    Het norovirus is erg besmettelijk en wordt vooral overgedragen via de zogenaamde fecaal-orale route. Dat wil zeggen dat virusdeeltjes in de ontlasting en het braaksel op de een of andere manier (meestal via de handen) in de mond terechtkomen. Dit gebeurt bijvoorbeeld als volgt: een besmet persoon wast zijn handen niet goed na een toiletbezoek. Hierdoor blijven virusdeeltjes uit de ontlasting achter op de handen. Vervolgens maakt hij voedsel klaar, waardoor de virusdeeltjes in het eten terechtkomen. Wanneer iemand anders dit voedsel vervolgens eet, kan hij of zij ook besmet raken. Het norovirus kan al enkele dagen vóór het ziek worden tot dagen erna in de ontlasting zitten.

    Hygiënenormen

    • Verzorg een cliënt die besmet is met het norovirus bij voorkeur op een eenpersoonskamer. Als er meerdere cliënten ziek zijn mogen zij op een gezamenlijke kamer (cohortverpleging).
    • Zorg voor cliëntgebonden gebruik van sanitair óf zorg voor een scheiding in sanitair voor zieke cliënten en niet-zieke cliënten.
    • Pas handhygiëne toe volgens de afspraak in uw instelling.
    • Leg cliënten met het norovirus uit wanneer en hoe ze handhygiëne moeten toepassen.

    Tips

    • Bekijk tijdens een uitbraak (bijvoorbeeld dagelijks bij de ochtendoverdracht) de instructiefilm ‘Norovirus, je ziet het niet maar het is er wel’, gemaakt door de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond. In deze film ziet u hoe het norovirus zich verspreidt en welke maatregelen er genomen kunnen worden. De film is gratis te downloaden op www.ggd.rotterdam.nl/filmnorovirus en is te zien op YouTube.

    Een goede persoonlijke hygiëne verkleint de kans dat u besmet raakt met het norovirus. Naast de algemene maatregelen in paragraaf 2.1, geldt het volgende:

    Hygiënenormen

    • Draag een halterschort, handschoenen en een FFP1-mondneusmasker. Het FFP1-mondneusmasker draagt u bij werkzaamheden waarbij u in contact kunt komen met braaksel of diarree van een persoon die (waarschijnlijk) besmet is met het norovirus. Draag deze beschermende middelen ook bij het opmaken en afhalen van het bed.
    • Trek bovengenoemde persoonlijke beschermingsmiddelen aan voordat u de kamer binnengaat.
      Zo voorkomt u besmetting van uw (werk)kleding.
    • Zorg dat er FFP1-maskers bij de ingang van de kamer van de cliënt klaarliggen.
    • Gooi de persoonlijke beschermingsmiddelen direct na gebruik weg in een afsluitbare afvalbak, bij voorkeur met pedaal. Desinfecteer direct daarna de handen of was ze met water en zeep en droog ze af aan een papieren handdoekje.

    Uitgebreide informatie over hoe om te gaan met het norovirus in een verpleeghuis vindt u ook in de WIP-richtlijn ‘Norovirus’ voor verpleeghuizen, wooncentra en kleinschalig wonen ouderen. 

    Clostridium difficile

    Clostridium difficile is een bacterie die veel voorkomt in de darmen, maar die daar normaal gesproken geen problemen veroorzaakt. Pas als de drager van Clostridium difficile bepaalde antibiotica gebruikt en de weerstand ernstig afgenomen is, kan deze bacterie uitgroeien en gifstoffen (toxines) produceren waar mensen ziek van worden. Clostridium difficile is een sporenvormer die lang kan overleven; dagelijkse schoonmaak is daarom belangrijk.

    Hygiënenormen

    • Verzorg een cliënt die besmet is met Clostridium difficile bij voorkeur op een eenpersoonskamer met eigen toilet, indien niet mogelijk een persoonsgebonden postoel.
    • Was uw handen altijd met water en zeep. Gebruik géén handdesinfectans; Clostridium difficile is hier niet gevoelig voor.
    • Leg cliënten met Clostridium uit wanneer en hoe ze handhygiëne moeten toepassen.

    Persoonlijke hygiëne en beschermende maatregelen

    Een goede persoonlijke hygiëne voorkomt dat u besmet raakt met de Clostridiumbacterie. Naast de algemene maatregelen in paragraaf 2.1, geldt het volgende:

    Hygiënenormen

    • Draag een wegwerpschort met lange mouwen en handschoenen tijdens:
      • de verzorging van de cliënt;
      • de schoonmaak van de kamer van de cliënt;
      • het opmaken en afhalen van het bed.
    • Trek bovengenoemde persoonlijke beschermingsmiddelen aan voordat u de kamer binnengaat.
      Zo voorkomt u besmetting van uw (werk)kleding.
    • Trek de persoonlijke beschermingsmiddelen na bovenstaande handelingen uit op de kamer van de cliënt. Volg hierbij de volgende stappen in onderstaande volgorde:
      • Trek de handschoenen uit en gooi ze weg.
      • Trek het schort uit en gooi deze weg.
      • Was uw handen met water en zeep.

     Uitgebreide informatie over Clostridium difficile vindt u in de richtlijn ‘Clostridium difficile’ van de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding.

    Scabiës (schurft)

    Scabiës is een besmettelijke aandoening die wordt veroorzaakt door de schurftmijt, een klein beestje dat niet met het blote oog te zien is. De vrouwtjesmijt graaft oppervlakkig in de huid gangetjes en legt daar haar eitjes. Het meest voorkomende symptoom is jeuk, maar er zijn allerlei huidafwijkingen mogelijk, zoals roodheid, blaasjes en schilfering.

    Bij mensen komt scabiës in twee varianten voor: normale scabiës en scabiës crustosa. Bij normale scabiës zijn er gemiddeld zeven tot dertien volwassen vrouwtjes op de huid van de cliënt. Bij scabiës crustosa is het aantal mijten vele malen groter. Scabiës crustosa komt vaak voor bij zieke mensen die door bijvoorbeeld afweerstoornissen of neurologische aandoeningen minder jeuk door de mijten ervaren. Hierdoor krabben ze minder, waardoor er minder sterfte onder de mijten is en het aantal mijten in de huid zeer groot kan worden (tot tienduizenden). Meer informatie over (de bestrijding van) scabiës is te vinden in de toolkit van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu*.

    Overdracht vindt bij normale scabiës voornamelijk plaats via langdurig (langer dan 15 minuten) huidcontact, wat bijvoorbeeld plaats kan vinden bij wassen en zalven. Ook via besmet beddengoed of kleding van de cliënt kan besmetting plaatsvinden. Scabiës crustosa is door het grote aantal mijten zeer besmettelijk en vluchtig contact met een besmette cliënt, zoals het opmaken van een bed, kan al tot overdracht leiden.

     * De toolkit scabiës van het RIVM is te vinden op http://rivmtoolkit.nl/Onderwerpen

    Hygiënenormen

    • Plaats een cliënt met scabiës bij voorkeur op een eenpersoonskamer totdat hij of zij door een dermatoloog genezen is verklaard.
    • Leg cliënten met scabiës uit wanneer en hoe ze handhygiëne moeten toepassen.

    Een goede persoonlijke hygiëne voorkomt dat u besmet raakt met scabiës. Naast de algemene maatregelen in paragraaf 2.1, geldt het volgende:

    Hygiënenormen

    • Bij normale scabiës: draag een wegwerpschort met lange mouwen en handschoenen bij handelingen waarbij direct huidcontact plaats kan vinden. Bij vluchtig huidcontact, zoals bij het schudden van de hand, hoeven geen persoonlijke beschermingsmiddelen te worden gedragen.
    • Bij scabiës crustosa: draag bij het betreden van de kamer van een cliënt met scabiës crustosa altijd een wegwerpschort met lange mouwen en handschoenen, ook wanneer er geen direct huidcontact plaatsvindt.

    Uitgebreide informatie over scabiës vindt u in de richtlijn ‘Scabiës’ van de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding.

    7.4 Medewerkers met infectie(ziekten)

    Medewerkers met een infectieziekte kunnen cliënten besmetten. Daarom moeten medewerkers zich direct bij een bedrijfsarts of afdelingshoofd melden wanneer zij een infectie hebben. Er wordt dan onderzocht of de medewerker kan blijven werken of dat er naar vervangende werkzaamheden moet worden gezocht.

    Hygiënenormen

    • Stimuleer medewerkers de volgende symptomen direct te melden bij de bedrijfsarts of afdelingshoofd:
      • infecties aan de handen;
      • een luchtweginfectie;
      • huidaandoeningen;
      • steenpuisten;
      • ontstekingen aan ogen (conjunctivitis);
      • geelzucht;
      • acute of aanhoudende diarree en/of braken;
      • na opname of werken in een buitenlands ziekenhuis (i.v.m. een verhoogd risico op MRSAMethicillin-resistant Staphylococcus aureus).

    Naast een goede persoonlijke hygiëne, kunnen medewerkers zich tegen een aantal infectieziekten beschermen door zich te vaccineren. Voor gezondheidswerkers is een jaarlijkse griepprik en een vaccinatie tegen hepatitis B aan te raden.

    Tips

    • Geef voorlichting aan uw medewerkers over het belang van vaccinaties en de risico’s van infectieziekten.

    Griepprik

    Door een jaarlijkse griepprik aan te bieden aan medewerkers en cliënten, verkleint u de kans op besmetting met het griepvirus. Hoewel de prik geen volledige bescherming biedt, blijkt uit onderzoek wel dat een hoge vaccinatiegraad in een verpleeghuis of woonzorgcentrum de verspreiding van het griepvirus bemoeilijkt. Hierdoor zullen minder cliënten en medewerkers het griepvirus oplopen.

    Hygiënenormen

    • Biedt medewerkers jaarlijks een gratis griepprik aan en stimuleer ze deze te nemen. 

    Vaccinatie tegen hepatitis B

    Bij contact met bloed en andere lichaamsvloeistoffen zoals sperma en vaginaal vocht, kunnen medewerkers hepatitis B oplopen. Hepatitis B is een ernstige, zeer besmettelijke infectieziekte die wordt veroorzaakt door het hepatitis B-virus. Dit virus dringt de levercellen binnen en veroorzaakt daar een ontsteking. Een van de gevolgen hiervan is geelzucht.

    Uw medewerkers kunnen zich tegen hepatitis B laten vaccineren. Als er tijdens het uitvoeren van werkzaamheden enig risico op besmetting met hepatitis B bestaat, hebben medewerkers zelfs recht op een gratis hepatitis B vaccinatie. U als werkgever moet deze vaccinatie aanbieden. Dit is vastgelegd in Beleidsregel 4.91 van het Arbobesluit. Het risico op besmetting met hepatitis B bestaat niet alleen voor gezondheidsmedewerkers. Ook andere werknemers kunnen met besmet bloed in aanraking komen, bijvoorbeeld tijdens de schoonmaak of bij een agressie-incident waarbij er gebeten is.

    Hygiënenormen

    • Bepaal in uw Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&ERisico-Inventarisatie en Evaluatie) welke werknemers tijdens hun werkzaamheden in aanraking kunnen komen met bloed. Bied deze werknemers een gratis vaccinatie aan.

    De vaccinatie tegen hepatitis B bestaat uit drie injecties in totaal. De tweede injectie krijgt men één maand na de eerste. De derde injectie vijf maanden na de tweede. Vier tot zes weken na de laatste vaccinatie kan er een zogenaamde titerbepaling worden gedaan. Hiermee wordt getest of het lichaam genoeg antistoffen tegen hepatitis B heeft aangemaakt. Als dit het geval is, is men levenslang beschermd. Men kan de ziekte dan niet meer krijgen én niet meer overdragen op anderen.

    8 Schoonmaakschema’s en instructies

    In dit hoofdstuk vindt u schoonmaakschema’s en instructies, bijvoorbeeld voor handen wassen en handen desinfecteren. De schoonmaakschema’s en de instructies handhygiëne kunt u downloaden en uitprinten. U kunt ze dan direct ophangen, bijvoorbeeld bij wastafels of in een schoonmaakkast.

    8.1 Schoonmaakschema’s

    In de schoonmaakschema’s staat hoe vaak en op welke manier gereinigd moet worden. 

    U mag natuurlijk vaker schoonmaken dan in deze schema’s is aangegeven. Minder vaak of op een andere manier schoonmaken, mag alleen met een goede reden (bijvoorbeeld omdat een ruimte bijna nooit wordt gebruikt).

    U kunt de schoonmaakschema’s hier downloaden als Word-document. De schema’s zijn zoveel mogelijk op losse pagina’s geplaatst, zodat u ze eenvoudig kunt uitprinten en ophangen. Tevens kunt u de schema’s aanpassen aan de eigen situatie. Bespreek binnen uw eigen organisatie de schoonmaakschema’s en werk ze in nader detail uit tot een eigen werkinstructie.

    8.2 Instructies handhygiëne

    Bacteriën en virussen zijn overal, op deurknoppen, tafels, telefoons en andere voorwerpen, apparaten en materialen. Sommigen kunnen ziekteverwekkend zijn. Een van de meest voorkomende manieren waarop ziekteverwekkers worden verspreid, is via de handen. Door regelmatig handhygiëne toe te passen wordt de kans dat u of iemand uit uw omgeving ziek wordt klein.

    Pas voor een goede handhygiëne onderstaande regels toe:

    • Was uw handen met water en vloeibare zeep als ze zichtbaar vuil zijn. Gebruik dan geen desinfecterend middel (handalcohol); door zichtbaar vuil vermindert namelijk de werking.
    • Zijn uw handen niet zichtbaar vuil? Dan mag u kiezen of u uw handen wast óf desinfecteert. Pas de manieren echter niet allebei toe; de huid droogt dan te veel uit en beschadigt sneller. De handen worden voldoende schoon als u ze alleen wast of alleen desinfecteert.
    Instructies handhygiëne

    Het schema Instructies handhygiëne kunt u hier downloaden als pdfPortable Document Format.

    8.3 Microvezeldoekjes

    Tegenwoordig wordt er steeds meer gebruik gemaakt van microvezeldoekjes. Doordat de vezels in deze doekjes zijn gesplitst, hebben microvezeldoekjes een veel groter oppervlak dan katoenen schoonmaakdoekjes. Zo kunnen microvezeldoekjes vuil en ziekteverwekkers veel beter opnemen dan gewone schoonmaakdoekjes. Bovendien raspen de vezels het vuil los, waardoor u vlekken gemakkelijker verwijdert. U kunt microvezeldoekjes zowel droog als vochtig gebruiken.

    Voor een optimaal resultaat gaat u als volgt te werk:

    • Gebruik de microvezeldoekjes altijd zonder schoonmaakmiddelen. Wijk hier alleen van af als de leverancier dit aangeeft.
    • Wilt u de doekjes vochtig gebruiken? Maak ze dan vlak voor gebruik licht vochtig onder de kraan of met het middel dat de leverancier voorschrijft. Leg de doekjes niet in een emmer water. Hierdoor nemen ze direct hun maximale hoeveelheid aan vocht op en verliezen ze hun reinigende werking.
    • Vouw de doekjes voor gebruik een aantal keer dubbel, zodat er meerdere vlakken ontstaan. Gebruik een nieuw, schoon vlak zodra de werking minder wordt.
    • Stop vuile microvezeldoekjes direct in de was; spoel ze tussentijds niet uit. Microvezeldoekjes trekken vuil zó goed aan dat handmatig uitspoelen geen zin heeft. Alleen in de wasmachine wordt een vuil doekje weer schoon.
    • Was de doekjes volgens de voorschriften van de fabrikant.
    • Droog gewassen microvezeldoekjes volgens de gebruiksinstructie. Let op: niet alle microvezeldoekjes kunnen in de droogtrommel. Berg de doekjes nooit vochtig op; hierdoor kunnen ziekteverwekkers uitgroeien.

    9 Extra informatie

    9.1 Begrippenlijst

    Binnenmilieu

    Het binnenmilieu is het milieu in gebouwen. Het binnenmilieu wordt beïnvloed door een groot aantal factoren. Bijvoorbeeld de temperatuur, de luchtvochtigheid en de hoeveelheid zuurstof in de ruimte.

    Biofilm

    Een laag micro-organismen omgeven door zelfgeproduceerd slijm. Biofilm is vastgehecht aan een oppervlak of drijft op een wateroppervlak. Legionellabacteriën vermeerderen zich in bepaalde eencellige organismen, protozoa genaamd, die in de biofilm leven.

    CEConformité Européenne-markering

    CE staat voor conformiteit met de Europese richtlijnen. Handschoenen, maar ook desinfectiemiddelen voor (een specifieke groep) medische hulpmiddelen zijn voorzien van een CE-markering.

    Cohortverpleging

    Cliënten die besmet zijn met hetzelfde micro-organisme worden bij elkaar (op dezelfde zaal of afdeling) verpleegd. Bij voorkeur door een vast groepje verpleegkundigen of verzorgenden, die niet met andere cliënten in aanraking komen.

    CTGBBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides

    College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het CTGB beoordeelt op basis van Europese wet- en regelgeving of desinfecterende middelen toegelaten worden op de Nederlandse markt.

    Desinfecteren

    Desinfecteren is het doden van ziekteverwekkers met een speciaal daarvoor bestemd desinfecterend middel.

    Fifo-systeem

    First in, first out-systeem. Dit betekent dat materialen die het eerst geleverd zijn, ook het eerst gebruikt worden. Hiervoor moet de nieuwe voorraad achteraan geplaatst worden en de oude voorraad naar voren geschoven.

    HACCP

    Hazard Analysis Critical Control Points. HACCP is een systematische aanpak met als doel het identificeren, evalueren en controleren van de gevaren rondom voedselveiligheid gevaren.

    Handdesinfecterend middel

    Een middel dat de tijdelijke (=transiënte) micro-organismen, verkregen door bijvoorbeeld handcontact of contact met besmette voorwerpen verwijdert en zorgt voor de reductie van residente (=lichaamseigen) micro-organismen.

    IPM

    Integrated Pest Management. IPM is een methode die zich in de eerste plaats richt op het voorkómen van ongewenste dieren door wering, en pas in de tweede plaats op bestrijding.

    Legionellabeheersplan

    In een legionellabeheersplan staan de maatregelen en controles die nodig zijn om de groei van legionellabacteriën te beheersen.

    Legionellarisicoanalyse

    Een legionellarisicoanalyse laat zien of legionellabacteriën kunnen groeien en vernevelen in de waterinstallatie.

    Lichaamsvloeistoffen

    Lichamelijke vloeistoffen zoals ontlasting, urine, bloed, wondvocht, speeksel, braaksel of sperma.

    Luchten

    Luchten is het korte tijd (ongeveer tien minuten) openzetten van alle ramen en deuren. Hierbij wordt het niet veel kouder, maar is wel alle binnenlucht ververst.

     

    Micro-organismen

    Bacteriën, schimmels, gisten en protozoën zijn micro-organismen. Micro-organismen zijn onzichtbaar voor het blote oog (net als virussen) en komen overal voor: op de huid, op meubels en gebruiksvoorwerpen, in de lucht, in water, op en in voedsel. De meeste zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar sommige micro-organismen kunnen ziekten veroorzaken.

    Microvezeldoekjes

    Microvezeldoekjes bestaan uit een weefsel van microscopisch kleine vezels. Samen vormen de vezels een veel groter oppervlak dan de vezels in bijvoorbeeld een katoenen doek. Hierdoor kunnen microvezeldoekjes meer vuil absorberen. De vezels bestaan uit materiaal dat vetten goed vasthoudt.

    Naaldcontainer

    Een naaldcontainer is een container speciaal ontworpen voor scherp afval zoals naalden en scheermesjes. Bij goed gebruik bieden naaldcontainers bescherming tegen prikken en snijden aan scherp afval.

    RVGRegister Verpakte Geneesmiddelen-nummer

    Register Verpakte Geneesmiddelen. De Geneesmiddelenwet bepaalt dat een product dat een genezende werking heeft, moet worden geregistreerd. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBGCollege ter Beoordeling van Geneesmiddelen) toetst de werkzaamheid, kwaliteit en veiligheid van deze geneesmiddelen. Is een geneesmiddel goedgekeurd, dan krijgt het een registratienummer.

    Schoonmaken

    Schoonmaken is stof en vuil verwijderen, bijvoorbeeld door te stofzuigen of te dweilen.

    Ventileren

    Bij ventileren komt voortdurend verse buitenlucht binnen, bijvoorbeeld door een rooster of een open raam.

    9.2 Beschermingsmaatregelen bij infectieziekten

    Indicatie Aparte kamer Hand­schoenen Beschermende kleding Mondneus­masker Hoofd­bedekking
    Influenza (A en B) Ja of cohortverpleging Ja Nee Ja (FFP1) Nee
    MRSAMethicillin-resistant Staphylococcus aureus1 Ja Ja Ja2 Ja (chirurgisch) Nee
    Norovirus3 Ja of cohortverpleging Ja Ja4 Ja (FFP1) Nee
    Scabiës5 Ja Ja Ja2 Nee Nee
    Clostridium difficile Ja Ja Ja2 Nee Nee
    Enterobacteriaeceae (incl. ESBLExtended spectrum beta-lactamases, excl. CPECarbapenamse-producerende enterobacteriaceae) Nee Ja Ja4 Nee Nee
    CPE Ja Ja Ja2 Nee Nee
    Acinetobacter species Ja Ja Ja2 Nee Nee
    Pseudomonas aeruginosa Nee Ja Ja4 Nee Nee
    Stenotrophomonas maltophilia Nee Ja Ja4 Nee Nee
    Streptococcus pneumoniae (PRP) Ja Ja Ja4 Ja (FFP1) Nee
    Enterococcus faecium (VREvacomicineresistente enterokok) Ja Ja Ja4 Nee Nee
    Overname buitenlandse zorginstelling Ja Ja Ja2 Nee Nee

    1 Deze maatregel geldt voor schoonmakers en personeel belast met de verzorging en therapie op de kamer.
    2 Wegwerpschort met lange mouwen.
    3 Deze maatregelen gelden bij kans op contact met diarree en/of braaksel.
    4 Halterschort.
    5 Deze voorzorgmaatregelen worden genomen bij de verzorging van de cliënt.

    9.3 Ctgb-databank

    Hieronder staat hoe u desinfecterende middelen kunt vinden op de website van het Ctgb.

    Hebt u al een desinfecterend middel en wilt u weten of u dit mag gebruiken? Gebruik dan optie A. Wilt u een overzicht van toegelaten desinfecterende middelen? Gebruik dan optie B.

    A. Zoeken naar een specifiek desinfecterend middel

    • Ga naar www.ctgb.nl en klik op ‘Toelatingendatabank’. Of ga direct naar https://toelatingen.ctgb.nl.
    • Hier kunt u zoeken op de naam van het product.
    • Controleer in het actuele gebruiksvoorschrift altijd of het middel geschikt is voor uw toepassing en welke maatregelen bij gebruik moeten worden genomen.

    B. Een overzicht van toegelaten desinfecterende middelen zien

    • Ga naar www.ctgb.nl en klik op ‘Toelatingendatabank’. Of ga direct naar https://toelatingen.ctgb.nl.
    • Klik op de knop ‘Toon uitgebreide filters’.
    • Voer de gewenste selectiecriteria in. Bij Gebruik kunt u professioneel invoeren. Bij Producttype kiest u een optie die hieronder beschreven staat:
      • Middelen die geschikt zijn voor het desinfecteren van handen hebben een PT01-code (‘Biociden voor menselijke hygiëne’).
      • Middelen die geschikt zijn voor materialen en oppervlakken hebben een PT02-code (‘Desinfecterende middelen voor privégebruik en voor de openbare gezondheidszorg, alsmede andere desinfectantia’).
      • Middelen die geschikt zijn voor oppervlakken waarop eet- en drinkwaren kunnen komen, hebben een PT04-code (‘Ontsmettingsmiddelen voor gebruik in de sector voeding en diervoeders’).
    • Controleer in het actuele gebruiksvoorschrift altijd of het middel geschikt is voor uw toepassing en welke maatregelen bij gebruik moeten worden genomen.
    • U kunt via de knop downloaden de selectie exporteren naar een Excel-bestand.

    Deze zoekhulp is opgesteld in augustus 2019. Klopt het advies niet meer en heeft u hulp nodig? Neem dan contact op met de Servicedesk van het CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides via telefoonnummer 0317 – 471 810 of door het servicedesk-verzoekformulier in te vullen. Het LCHVLandelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid is niet verantwoordelijk voor eventuele wijzigingen aan de website van het Ctgb.

    9.4 Mengschema chlooroplossingen

    Gebruik onderstaand schema om de juiste chlooroplossing te verkrijgen. Let op: onderstaand schema is gebaseerd op de hoeveelheid werkzaam chloor per tablet. Dit wijkt af van het totale gewicht van een tablet.

    Mengschema.
      Aantal tabletten Watervolume (in liters) ppmparts per million g%
    tabletten à 1,0 g werkzaam chloor 1 4 250  0,025
    1 1 1000 0,1
    tabletten à 1,5 g werkzaam chloor 1 6 250 0,025
    2 3 1000 0,1

    9.5 Bronnenlijst

    Literatuur

    • Code van de kapper. Hoofdbedrijfschap Ambachten.
    • Keurmerk Kinderboerderijen. Vereniging Samenwerkende KinderBoerderijen Nederland (vSKBN). 
    • LCI-richtlijnen. RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.
    • Legionellapreventie in waterinstallaties: regels en toezicht (2012). Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Milieu. 
    • Richtlijnen Werkgroep Inspectiepreventie (WIPWerkgroep Infectiepreventie). 

    Wetten & regelingen 

    Losse informatie

    • HACCP: regelgeving Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit.

    Verantwoording

    De hygiënerichtlijn voor verpleeghuizen, woonzorgcentra en kleinschalig wonen is voor het laatst volledig herzien in 2017. De Hygiënerichtlijn voor verpleeghuizen, woonzorgcentra en kleinschalig wonen is gebaseerd op de richtlijnen voor deze setting van de Werkgroep Infectie Preventie (WIPWerkgroep Infectiepreventie). De Hygiënerichtlijn wordt herzien aan de hand van de herzieningen van de richtlijnen van de WIP.

    Wijzigingen sinds laatste herziening:

    • Juli 2019: de richtlijn is omgezet naar webbased tekst; hierbij zijn enkele niet-inhoudelijke aanpassingen gedaan en zijn diverse hyperlinks geüpdatet.
    • Augustus 2019: paragraaf 9.3 (zoekhulp CtgbBoard for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides-databank) is geactualiseerd.

     

    De hygiënerichtlijn is een uitgave van:
    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
    Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid
    Postbus 1 | 7200 BA Bilthoven
    E-mail: lchv@rivm.nl 
    Web: www.lchv.nl