Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu adviseert en voert wetenschappelijk onderzoek uit in zwembaden (badinrichtingen).

Wet- en regelgeving

Het hygiënisch en veilig kunnen zwemmen en baden is al gedurende enkele tientallen jaren onderwerp van specifieke overheidszorg. In 1969 is daartoe de Wet hygiëne en veiligheid in zweminrichtingen vastgesteld; deze wet is pas in 1984 in werking getreden en sinds de totstandkoming vaak aangevuld en aangepast. In 2000 werd de reikwijdte uitgebreid en de naam gewijzigd in Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (WhvbzWet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden). Samen met het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (BhvbzBesluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden) regelt deze wet de hygiëne en veiligheid in zwembaden. De provincies zijn het bevoegd gezag (de handhavers) met betrekking tot deze wetgeving. Op dit moment wordt gewerkt aan een herziening van deze wetgeving, die op termijn onderdeel gaat uitmaken van de Omgevingswet. 

Onderzoek ter onderbouwing van wet- en regelgeving

Ter ondersteuning van de wijziging van het Bhvbz heeft het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, samen met experts uit het veld, voor verschillende typen badinrichtingen (expert- en evidence based-)adviezen gegeven ten aanzien van te bepalen waterkwaliteitsparameters (inclusief meetfrequentie en normwaarden) en de daarvoor te gebruiken analysemethoden. Het RIVM voert onderzoek uit naar de waterkwaliteit in zwemvijvers in Nederland. Deze gegevens worden gebruikt ter onderbouwing van de voorgestelde waterkwaliteitsparameters en normwaarden voor dit type badinrichtingen. De resultaten van dit onderzoek worden eind 2017 verwacht.

Pseudomonas aeruginosa op speel- en lesmaterialen in zwembaden

In zwembaden is het warm en vochtig; dat is een ideale omgeving voor de groei van verschillende micro-organismen, zoals de bacterie Pseudomonas aeruginosa.

Het RIVM deed onderzoek  naar de aanwezigheid van P. aeruginosa op speel- en lesmaterialen in zwembaden en vond deze bacterie overal. Wel waren (opblaasbare) materialen van glad kunststof (zeil), zoals hindernisbanen, zwembanden en rolmatten vaker besmet dan schuim (les)materialen, zoals lesgordels, armkurkjes en aquabelts. Dat kan te maken hebben met de verschillende manieren van opslag van deze materialen en hoe vaak ze gebruikt worden, maar ook met het type kunststof waarvan ze zijn gemaakt. Duidelijk werd dat nat opbergen van speel- en lesmaterialen in zwembaden een risico vormt tot groei van P. aeruginosa op deze materialen. Wanneer de huid in contact komt met besmette materialen kan een infectie met deze bacterie ontstaan met huidklachten tot gevolg. Het RIVM beveelt dan ook aan de materialen na gebruik zodanig op te slaan dat ze goed kunnen drogen. Wanneer dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij de grote opblaasbare objecten, is het noodzakelijk dat zij voor het volgende gebruik worden schoongemaakt met water en zeep.

Schimmels in zwembaden

Omdat schimmels overal in het milieu voorkomen, onderzochten RIVM, IHEInstitute for Water Education Delft, Westerdijk Fungal Biodiversity Institute (voorheen KNAWKoninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen Centraal Bureau voor Schimmelcultures) en Universiteit Utrecht in een pilot-onderzoek hoeveel schimmels en welke schimmelsoorten je eigenlijk aantreft in een doorsnee Nederlands zwembad. 

Hiervoor namen de onderzoekers een groot aantal monsters van het water in de baden en van de oppervlakken rondom de baden en in de kleedruimtes. In totaal werden 16 monsters van oppervlakken en 6 watermonsters onderzocht door ze op een combinatie van verschillende kweekmedia te zetten om eventueel aanwezige schimmels te laten groeien. De gekweekte schimmels werden geïdentificeerd met genetische analyse.

Op de meeste onderzochte plekken in het zwembad werden schimmels aangetroffen. De aantallen varieerden per plek: hoge aantallen in het water van het recreatiebad en op het oppervlak van een schuim speelmateriaal, maar lage aantallen op een startblok, banken in de zwemzaal en de kleedruimtes en op de muren. De gekweekte schimmels behoorden tot verschillende schimmelsoorten en -groepen, waarvan een aantal ooit een infectie bij een persoon heeft veroorzaakt, zoals blijkt uit de internationale literatuur.

Ondanks desinfectie met chloor en regelmatig schoonmaken waren schimmels dus op veel plaatsen in het zwembad aanwezig. Dat is niet verbazend omdat de meeste van deze schimmels overal in het milieu voorkomen en geen infecties bij mensen veroorzaken. De aanwezigheid van schimmels die dat mogelijk wel doen, op plaatsen waar mensen op blote voeten lopen, is niet wenselijk. 

Daarom doen de onderzoekers deze zomer een uitgebreid vervolgonderzoek bij meerdere Nederlandse zwembaden. De aandacht ligt bij de volgende vragen: bevinden de schimmels in de verschillende zwembaden zich op dezelfde soort plekken? En hoe verhouden verschillende schoonmaakregimes zich tot de aangetroffen schimmelsoorten en -aantallen? Het doel is om adviezen te kunnen geven over welke maatregelen men kan treffen om de aanwezigheid van schimmels in zwembaden te beperken. De resultaten van dit onderzoek worden eind 2017-begin 2018 verwacht.