Pollen zijn stuifmeelkorrels die noodzakelijk zijn voor de voortplanting van veel bloemen, bomen en zaadplanten. Ze verspreiden zich door de lucht. Onmisbaar voor de natuur dus. Maar mensen met een allergie kunnen van deze stuifmeelkorrels hooikoorts krijgen. Voor deze mensen zorgen de pollen dus voor een slechtere luchtkwaliteit. In combinatie met andere luchtverontreinigende stoffen kunnen mensen meer klachten ervaren. Luchtkwaliteit gaat dus niet alleen over stoffen zoals fijnstof, stikstofoxiden (NOx) en ozon (O3).
Pollen en hooikoorts
Pollen zijn de mannelijke voortplantingscellen van bloemen, bomen, grassen, kruiden en andere zaadplanten. Hooikoorts is een overgevoelige (allergische) reactie van het afweersysteem op de stoffen (allergenen) die in de pollen aanwezig zijn. Uit vragenlijstonderzoek blijkt dat bijna de helft (tot 45 procent) van de deelnemers elk jaar last hebben van hooikoorts. Een jeukende of kriebelende neus en neus-keelholte, niezen, verstopte neus, tranende ogen of lichtgevoelige ogen komen het vaakst voor. In sommige gevallen worden mensen ook licht benauwd.
Pollen en klimaat
In Nederland begint het pollenseizoen doorgaans al in januari met els en hazelaar. In het voorjaar volgen andere boomsoorten, zoals de berk. Vanaf mei komen de graspollen op, gevolgd door kruidenpollen. Klimaatverandering heeft een duidelijke invloed op dit patroon. Omdat de temperatuur stijgt en er meer CO2 in de atmosfeer zit, start het groeiseizoen eerder en duurt het langer. En daarmee ook het pollenseizoen. Ook kan klimaatverandering zorgen voor meer pollen in de lucht en kunnen de klachten heftiger zijn. Een veranderend klimaat zorgt ervoor dat nieuwe plantensoorten die veel klachten kunnen veroorzaken zich in Nederland kunnen vestigen, zoals de ambrosia.
Wisselwerking met luchtverontreiniging
Een slechte luchtkwaliteit heeft op twee manieren invloed op hooikoortsklachten. Ten eerste tast het de luchtwegen aan. Dit maakt mensen met hooikoorts gevoeliger voor pollen, waardoor klachten erger kunnen worden. Ten tweede kunnen luchtvervuilende stoffen zoals ozon of stikstofdioxide ook effect hebben op de pollen zelf. Deze stoffen kunnen pollen beschadigen en hun eigenschappen veranderen, waardoor ze meer of sterkere allergenen bevatten.
Ook weersomstandigheden kunnen een rol spelen. Bij hevige onweersbuien, vooral na een periode van (langdurige) droogte, kunnen graspollen uiteenvallen in zeer kleine deeltjes. Deze deeltjes dringen diep door in de longen. Dit wordt ’thunderstorm asthma’ genoemd.
Ontwikkelingen in de metingen van pollen
Het (Leids Universitair Medisch Centrum) (Leiden) en het Elkerliek ziekenhuis (Helmond) doen tellingen voor een groot aantal soorten pollen. Dit doen de ziekenhuizen in samenwerking met het RIVM en het ministerie van (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Elke week worden pollen verzameld en in het laboratorium met een microscoop geanalyseerd. Sinds april 2025 zijn ook automatische pollentellers in gebruik. De automatische pollentellers hebben als belangrijke voordeel dat metingen niet meer wekelijks, maar vrijwel gelijk beschikbaar zijn. Op dit moment wordt onderzocht wat de kwaliteit is van deze automatische metingen ten opzichte van traditionele, handmatige metingen.
RIVM vergelijkt metingen en berekeningen
Metingen doen op twee locaties is niet genoeg om een volledig en actueel beeld te geven van pollenconcentraties in heel Nederland. Daarvoor zijn meer meetlocaties nodig en/of aanvullende modellering.
Het RIVM onderzoekt hoe goed de automatische metingen overeenkomen met berekeningen voor berkenpollen in Nederland. Daarvoor gebruikt het RIVM bestaande rekenmodellen zoals SILAM (System for Integrated modeLling of Atmospheric coMposition), en CAMS (Copernicus Atmosphere Monitoring Service).
In de toekomst kunnen automatische metingen mogelijk worden ingezet om de pollenverwachting voor de korte termijn verder te verbeteren.
De tellingen en berekeningen van pollen geven een algemene indruk hoeveel allergene pollen in de lucht zitten. Hoe hoog de blootstelling in het echt is, kan per locatie anders zijn. Bijvoorbeeld door verschillen in vegetatie in de directe omgeving of door regionale weersomstandigheden.