In ons dagelijks leven staan we bloot aan allerlei vormen van ioniserende straling, soms ook radioactieve straling genoemd. Gemiddeld bekeken komt de meeste blootstelling van natuurlijke stralingsbronnen die hun oorsprong hebben in de aarde en de kosmos. Voor een ander deel gaat het om blootstelling aan kunstmatige, door de mens gemaakte bronnen van straling. Denk daarbij aan röntgentoestellen of CT-scanners, die in ziekenhuizen worden gebruikt voor medisch onderzoek. Daarnaast kunnen we te maken hebben met straling uit de industrie of van consumentenproducten die kleine hoeveelheden radioactiviteit bevatten. Hieronder staat het meest recente overzicht van de gemiddelde blootstelling van leden van de bevolking aan ioniserende straling in Nederland. Details over de blootstelling per bron zijn te vinden bij het betreffende onderwerp.

Stralingsdosis, gemiddeld per inwoner

De gemiddelde blootstelling van inwoners van Nederland aan ioniserende straling bedraagt momenteel naar schatting zo’n 2,8 mSv millisievert per inwoner per jaar. Dit gemiddelde wordt berekend door alle stralingsdoses die leden van de bevolking oplopen bij elkaar op te tellen en te delen door het aantal inwoners van Nederland. De blootstelling is per persoon verschillend en kan afwijken van dit gemiddelde. De verschillende bronnen die bijdragen aan de totale gemiddelde stralingsdosis worden in de figuur als taartpunten weergegeven. Hieruit blijkt dat de stralingsdoses die worden opgelopen als gevolg van natuurlijke straling in de woning (radon, thoron en externe straling) en als gevolg van medische diagnostiek de grootste bijdragen leveren aan de gemiddelde jaardosis in Nederland. Industrie, consumentenproducten en fall-out dragen samen minder dan 1% bij.

Blootstelling aan natuurlijke straling

Van alle stralingsbronnen draagt straling van natuurlijke oorsprong het meest bij aan de stralingsdosis die we ieder jaar gemiddeld per persoon ontvangen in Nederland. Het grootste deel daarvan komt van radioactieve stoffen die sinds het ontstaan van de aarde in de bodem voorkomen. Die stoffen zitten niet alleen in de bodem, maar ook in bouwmaterialen die bodemmaterialen als grondstof bevatten. De meeste stralingsdosis van natuurlijke oorsprong lopen we binnenshuis op. Dat komt omdat we meer binnen zijn dan buiten, en omdat de hoeveelheid straling binnen gemiddeld groter is dan buiten.

Ook staan we, zowel binnen als buiten, bloot aan kosmische straling. En als we het vliegtuig nemen, dan ontvangen we op vlieghoogte een grotere dosis kosmische straling dan wanneer we op zeeniveau blijven. Tot slot zitten er natuurlijke radioactieve stoffen in ons lichaam, die we via voedsel en drank binnen krijgen.

Blootstelling aan natuurlijke straling is maar gedeeltelijk te regelen. Sinds 2018 zijn er richtlijnen voor de maximale hoeveelheid radon in gebouwen en voor de maximale hoeveelheid gammastraling uit bouwmaterialen. Bijna alle gebouwen in Nederland zitten onder de richtlijn voor radon.

In 2021 heeft het RIVM de blootstelling aan natuurlijke bronnen van ioniserende straling opnieuw in kaart gebracht. Uit die studie blijkt dat de gemiddelde stralingsdosis door natuurlijke straling in Nederland 1,7 mSv millisievert per jaar bedraagt. Ongeveer één derde van die dosis komt door radon en thoron in de woning. Andere grote bijdragen komen van gammastraling uit bouwmaterialen, natuurlijke radioactiviteit in het lichaam en kosmische straling.

De internationale stralingsorganisaties UNSCEAR United Nations Scientific Committee on the Effects of Atomic Radiation en ICRP International Commission on Radiological Protection adviseren verschillende getallen om de hoeveelheid radon en thoron in de lucht om te rekenen naar de stralingsdosis die daar het gevolg van is. De ICRP schat de risico’s van radon en thoron ongeveer twee keer zo hoog in als UNSCEAR. Bij de berekeningen hier hebben we de getallen van UNSCEAR gebruikt. Die passen namelijk beter bij de gegevens in Nederland over longkanker door radon en thoron.

Blootstelling door medische diagnostiek

In ziekenhuizen en andere zorginstellingen wordt gewerkt met stralingstoestellen en radioactieve stoffen. Medische toepassing van straling kan twee doelen hebben: (1) straling wordt gebruikt om te onderzoeken wat er met iemand aan de hand is (diagnostiek), en (2) straling wordt gebruikt om patiënten met bepaalde aandoeningen te behandelen (therapie). Bij diagnostiek wordt straling gebruikt om te onderzoeken wat er in iemands lichaam gebeurt. Dit kan bijvoorbeeld met computertomografie (CT) of ander radiologisch onderzoek, waaronder de traditionele röntgenfoto.

Voor goed onderzoek is het toedienen van een stralingsdosis soms onvermijdelijk. Het is aan de behandelend arts om te beslissen of het nut van een goede diagnose opweegt tegen het nadeel van de stralingsdosis. Bij therapie wordt straling bewust toegepast om bepaalde cellen te doden, bijvoorbeeld om tumoren te bestrijden. Omdat bij therapie bewust een hoge dosis straling wordt toegediend wordt therapie niet meegenomen bij de berekening van de stralingsdosis die leden van de bevolking gemiddeld ontvangen als gevolg van medische stralingstoepassingen.

In ziekenhuizen wordt steeds vaker straling gebruikt voor onderzoeken bij patiënten, door de vergrijzing en doordat er steeds meer mogelijkheden zijn voor onderzoek met straling. Deze stijging zien we vooral bij het gebruik van computertomografie: vergeleken met 2002 worden er nu jaarlijks vier keer zo veel CT-scans gemaakt. Het gebruik van straling neemt dus toe, maar daar staat tegenover dat overheid, industrie en medische beroepsgroepen zich samen inspannen om met minder straling hetzelfde doel te bereiken. Zo wordt de balans van nut en nadeel verbeterd.

In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport maakt het RIVM ieder jaar een schatting van de gemiddelde stralingsdosis per lid van de bevolking door medische diagnostiek. Dat doet het RIVM door voor elk type onderzoek het aantal onderzoeken te vermenigvuldigen met de gemiddelde stralingsdosis die een patiënt bij dat type onderzoek ontvangt. De ziekenhuizen leveren ieder jaar gegevens aan over het aantal onderzoeken. De gemiddelde dosis voor de verschillende soorten onderzoeken wordt minder vaak vastgesteld. Momenteel wordt dit opnieuw onderzocht. De nu bekende gegevens komen uit 2010. In de lange periode daartussen is bij veel soorten onderzoek, waaronder CT-scans, de gemiddelde dosis per onderzoek waarschijnlijk afgenomen, maar hoeveel precies is nog niet bekend. Nieuwe gegevens komen in de loop van 2023 beschikbaar.

Omdat de nu bekende gegevens over de gemiddelde dosis per type onderzoek verouderd zijn, is het moeilijk om een betrouwbare schatting te geven van de gemiddelde stralingsdosis door medische diagnostiek. Op basis van de huidige inzichten verwachten we dat de gemiddelde dosis per lid van de bevolking door medische diagnostiek momenteel ergens tussen de 1,0 en 1,2 mSv millisievert per jaar ligt. De onzekerheid in deze waarde is echter tamelijk groot. In 2023 kan naar verwachting een meer precieze schatting gemaakt worden, op basis van geactualiseerde gegevens over de gemiddelde stralingsdosis per type onderzoek en de aantallen onderzoeken die zijn uitgevoerd in 2019, 2020 en 2021.

We hebben het hier steeds over de gemiddelde dosis per lid van de bevolking. Maar de werkelijke dosis die iemand ontvangt verschilt van persoon tot persoon: veel mensen krijgen niet of nauwelijks te maken met röntgenfoto’s of CT-scans, maar anderen juist erg veel.

Blootstelling door andere stralingsbronnen

Meer dan 99% van de gemiddelde blootstelling van de Nederlandse bevolking aan ioniserende straling wordt veroorzaakt door natuurlijke stralingsbronnen en medische diagnostiek. Andere bronnen van straling dragen samen weinig (minder dan 1%) bij aan het totaal. Het gaat daarbij om:

  • Lozingen door de industrie
  • Consumentenproducten
  • Historische fall-out door kernwapenproeven en kernongevallen

De bijdrage van deze bronnen aan de stralingsdosis is altijd klein geweest, en is de afgelopen 25 jaar nog verder gedaald.

In 1988 was de gemiddelde dosis voor de Nederlandse bevolking als gevolg van lozingen door de industrie nog geen 0,02 mSv millisievert per jaar. Dit betrof vooral lozingen van de procesindustrie, waar gewerkt wordt met bulkmaterialen die natuurlijke radioactieve stoffen bevatten. Het aandeel door de nucleaire industrie werd toen geschat op minder dan 0,000001 mSv per jaar. De stralingsdosis door lozingen van radioactieve stoffen door de procesindustrie is in de afgelopen 25 jaar fors afgenomen. De lozingen naar water zijn door sluiting van twee kunstmestfabrieken in 1999 en 2000 sterk gedaald. In 2012, na de sluiting van een grote fosforfabriek in Zeeland, zijn ook de lozingen naar lucht sterk afgenomen.

Ook bij consumentenproducten zien we een daling. De bijdrage daarvan aan de stralingsdosis van de Nederlandse bevolking was al laag, en die is de afgelopen decennia ook nog sterk afgenomen. Dat komt doordat consumentenproducten met radioactieve stoffen vervangen zijn door alternatieven die geen radioactiviteit bevatten. Voorbeelden zijn radioactieve rookmelders, die vervangen zijn door optische rookmelders, en radioactieve gloeikousjes voor campinggasbranders. In 1988 werd de dosis door consumentenproducten geschat op ongeveer 0,01 mSv per jaar. In 2003 was die schatting een factor 30 lager.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kreeg de wereld, dus ook Nederland, te maken met neerslag van radioactieve stoffen (fall-out) als gevolg van honderden bovengrondse kernwapenproeven. Nadat bovengrondse kernwapenproeven verboden werden (1963) nam dat snel af. In 1986 kreeg Nederland opnieuw te maken met fall-out, ditmaal vanwege het ongeval met de kernreactor in Tsjernobyl. In 1988 werd de bijdrage van fall-out aan de stralingsdosis van leden van de bevolking geschat op 0,03 mSv per jaar. In 2000 was die schatting 0,02 mSv per jaar. Er zijn daarna geen nieuwe berekeningen meer uitgevoerd. Maar door het verval en het dieper in de bodem dringen van de radioactieve stoffen nemen we aan dat de bijdrage van fall-out aan de stralingsdosis van leden van de bevolking momenteel lager is dan 0,01 mSv per jaar. Dat is inclusief de zeer geringe neerslag van radioactiviteit in Nederland als gevolg van het kernongeval in Fukushima, in maart 2011.

Gemiddelde waarde en spreiding

Als we de dosis van alle stralingsbronnen bij elkaar optellen, dan vinden we een gemiddelde waarde van ongeveer 2,8 mSv millisievert per jaar. De stralingsdosis die iemand werkelijk in een jaar ontvangt verschilt echter van persoon tot persoon. Mensen die nooit in een ziekenhuis onderzocht worden, en in een gebied wonen waar weinig radon uit de bodem komt, ontvangen in vrijwel alle gevallen een stralingsdosis die lager is dan gemiddeld. Andersom zullen mensen die meerdere medische onderzoeken per jaar ondergaan, of in een huis wonen met veel radon of thoron, een hogere stralingsdosis ontvangen dan gemiddeld. De ondergrens ligt bij ruwweg 1 mSv per jaar. Maar een stralingsdosis van meer dan 10 mSv per jaar behoort ook tot de mogelijkheden.