Radon (Rn-222) en thoron (Rn-220) zijn radioactieve edelgassen die van nature ontstaan ergens halverwege de uraniumreeks (radon) respectievelijk de thoriumreeks (thoron). Een deel van het gevormde radon en thoron ontsnapt uit het moedermateriaal en komt in de lucht terecht, waar de atomen na enige tijd vervallen. Omdat de vervalproducten van radon en thoron niet gasvormig zijn, hechten die zich aan stofdeeltjes. Na inademing geven ze straling af in de longen. Het grootste deel van de stralingsdosis die we jaarlijks oplopen door het inademen van radon- en thorondochters ontvangen we binnenshuis.

Wat zijn radon en thoron?

In de bodem, en dus ook in bouwmaterialen die bodemstoffen bevatten, zitten van nature radioactieve stoffen uit de zogenoemde uraniumreeks en de thoriumreeks.

De uraniumreeks bestaat uit een lange rij radioactieve stoffen (vervalreeks) die begint bij uranium-238 (U-238) en eindigt bij stabiel lood. Halverwege de uraniumreeks ontstaat het radioactieve radon-222 (Rn-222), kortweg radon genoemd. Omdat radon een edelgas is, en een halfwaardetijd heeft van bijna vier dagen, zal een deel van het radon dat in de bodem of in het bouwmateriaal ontstaat uit het moedermateriaal vrijkomen. Vanuit die materialen komt er dus voortdurend een zekere hoeveelheid radon in de lucht terecht. Het gasvormige radon zelf is geen probleem, maar de radioactieve vervalproducten van radon, ook wel radondochters genoemd, zijn niet gasvormig en zullen vastplakken aan kleine stofdeeltjes die in de lucht zweven. Als we die stofdeeltjes inademen, dan geven de radioactieve radondochters hun straling af in onze longen.

De thoriumreeks begint bij thorium-232 (Th-232) en eindigt eveneens bij stabiel lood. Halverwege de thoriumreeks ontstaat een ander radioactief isotoop van radon, namelijk radon-220 (Rn-220). Omdat Rn-220 ontstaat in de thoriumreeks, wordt deze radon variant al sinds het begin van de vorige eeuw thoron genoemd. Het grote verschil tussen radon en thoron is dat thoron een veel kortere halfwaardetijd heeft, van minder dan één minuut. Thoron kan dus alleen vrijkomen uit het buitenste laagje van het moedermateriaal: thoron dat dieper in het materiaal ontstaat vervalt alweer voordat het bij het oppervlak aankomt. Net zoals radon heeft thoron radioactieve vervalproducten die niet gasvormig zijn. Deze thorondochters hechten zich dus ook aan stofdeeltjes in de lucht en geven na inademing straling af in de longen.

Hoe komen radon en thoron de woning binnen?

Door ophoping treffen we binnen meer radon, thoron en dochterproducten aan dan buiten. Radon kan een woning (of een ander gebouw) binnenkomen vanuit de bodem (bijvoorbeeld via de kruipruimte) maar het kan ook ontwijken uit bouwmaterialen die veel bodembestanddelen bevatten. Denk daarbij bijvoorbeeld aan beton en baksteen. Thoron in de woning (of in een ander gebouw) komt voornamelijk uit het dunne laagje materiaal waarmee muren en plafonds zijn afgewerkt.

Metingen van radon in het binnenmilieu

De afgelopen jaren heeft het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu twee grote nationale radon/thoron meetcampagnes uitgevoerd, één in woningen (2013-2014) en één op werkplekken en in openbare gebouwen (2016-2017). 

Zowel in woningen als in openbare gebouwen en op werkplekken is een gemiddelde radonconcentratie gemeten van ongeveer 16 becquerel per kubieke meter (Bq/m3). In 0,4 procent van de huizen zijn waarden gevonden tussen 100 en 200 Bq/m3. Vergeleken met veel andere landen zijn de radonconcentraties in Nederland laag. Wel zien we regionale verschillen. Zo is de gemiddelde radonconcentratie in woningen in Zuid-Limburg ongeveer tweeënhalf keer zo hoog als het landelijk gemiddelde. Ook in het rivierengebied is de radonconcentratie binnenshuis hoger dan gemiddeld in Nederland. Iets vergelijkbaars zien we ook op werkplekken en in openbare gebouwen. Deze ruimtelijke verschillen worden veroorzaakt door verschillen in bodemtype.

In eengezinswoningen is de radonconcentratie gemiddeld hoger dan in meergezinswoningen (flats, appartementen en dergelijke). In woningen vanaf 2000 is de gemiddelde radonconcentratie 22 procent lager dan de gemiddelde waarde over alle woningen vanaf 1930.

Sinds februari 2018 hanteert Nederland een referentiewaarde voor de radonconcentratie in woningen, op werkplekken en in publiek toegankelijke gebouwen van 100 becquerel per kubieke meter. Dit is vastgelegd in het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (BbsBesluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming). Van de bijna zes miljoen woningen in Nederland hebben naar schatting 24.000 woningen een radonconcentratie boven dit referentieniveau. De meeste daarvan zijn te vinden in Zuid-Limburg en in het rivierengebied.

Kaart radon in woningen

Locatieafhankelijkheid van de radonconcentratie in woningen.  De gekleurde stippen tonen de radonconcentraties van individuele woningen in zes verschillende klassen. De blauwige achtergrond geeft een indicatie van de regionale, gemiddelde waarde.

Metingen van thoron(dochters) in het binnenmilieu

Vanwege de korte halfwaardetijd van thoron (minder dan één minuut) is de concentratie van thoron in een ruimte niet homogeen. Het heeft daarom weinig zin om de concentratie van thoron zelf te meten. In plaats daarvan wordt bij metingen de concentratie van de thorondochters bepaald, die wel homogeen is. Dat is dus anders dan bij radon.

In het woningenonderzoek is een jaargemiddelde concentratie van thorondochters gevonden van ongeveer 0,64 Bq/m3. Ongeveer 0,5 procent van de metingen was hoger dan 3 Bq/m3. De hoogst gevonden waarde bedroeg 13,3 Bq/m3. Qua gezondheidseffecten zijn deze thorondochter concentraties te vergelijken met radon concentraties die tien keer zo hoog zijn.

Anders dan bij radon zien we bij de concentratie van thorondochters geen verschil tussen eengezins- en meergezinswoningen. Ook is de locatie niet van invloed op de concentratie van thorondochters. Wel zien we verschillen tussen huizen uit deze en uit de vorige eeuw: de concentratie van thorondochters in woningen die vanaf 2000 zijn gebouwd is gemiddeld ruim 15 procent lager dan de gemiddelde waarde over alle woningen sinds 1930.

In een klein aantal woningen is gekeken hoeveel thoron er op de meetpositie uit de wand komt ('exhalatie'). Op de meeste meetpunten was de gemeten thoronexhalatie laag, maar bij ongeveer tien procent van de metingen vonden we waarden die tien tot vijftig keer hoger waren dan de mediane waarde. Er zijn dus grote verschillen in de exhalatie van thoron uit wandafwerkmaterialen die in de praktijk worden toegepast.

In het onderzoek op werkplekken en in openbare gebouwen is een gemiddelde waarde voor de concentratie van thorondochters gevonden van 0,42 Bq/m3.

In tegenstelling tot radon is op thoron geen speciale regelgeving van toepassing.

Gezondheidseffecten van radon en thoron

Radon en thoron zijn edelgassen. Dat betekent dat je ze na inademen ook gewoon weer uitademt. Het inademen van radon of thoron zelf heeft dus géén directe invloed op de gezondheid. Maar uit radon en thoron ontstaan van nature andere radioactieve stoffen. Deze dochters zijn niet gasvormig en hechten zich daarom gemakkelijk aan minuscule stofdeeltjes die in de lucht zweven. Na inademen kunnen de stofdeeltjes met de radon- en thorondochters in de longen achterblijven. Doordat de radioactieve stoffen daar verder vervallen, geven ze straling af die de cellen in de longen kan beschadigen. Dit verhoogt de kans op het ontstaan van longkanker.

Als iemand weinig radon- en thorondochters inademt, is de kans op longkanker erg klein. Naarmate de blootstelling toeneemt, neemt ook het risico toe. Gedrag beïnvloedt de schadelijkheid van straling in de longen. Na vele jaren van onderzoek staat vast dat de negatieve gezondheidseffecten van blootstelling aan radon- en thorondochters voor rokers veel sterker zijn dan voor nooit-rokers. Rokers hebben sowieso een veel grotere kans om longkanker te krijgen, maar hun (extra) risico door blootstelling aan radon- en thorondochters is in vergelijking met nooit-rokers dus ook hoger: de effecten van roken en radon- of thorondochters versterken elkaar.

https://www.rivm.nl/sites/default/files/2018-11/radon-thoron-gezondheid.jpg

Onderzoek naar de relatie tussen blootstelling aan radon of thoron en het optreden van gezondheidseffecten is niet eenvoudig. De getallen die het verband leggen tussen blootstelling en de kans op kanker zijn nog onzeker en in de wetenschappelijke wereld is er veel discussie over dit onderwerp. Op basis van wat er nu allemaal bekend is, kunnen we wel een schatting geven van het aantal gevallen van longkanker door radon en thoron. 

We schatten in dat blootstelling aan radon- en thorondochters verantwoordelijk is voor circa vierhonderd gevallen van longkanker per jaar. Dat betreft vooral rokers. De onzekerheidsmarge van deze schatting loopt uiteen van honderd tot achthonderd gevallen per jaar. Deze schatting is gebaseerd op epidemiologisch onderzoek. Een betere mogelijkheid is er niet, want bij specifieke gevallen van longkanker kunnen we de oorzaak (roken, radon, thoron of een combinatie daarvan) niet vaststellen. Jaarlijks krijgen in Nederland bijna twaalfduizend mensen longkanker, voornamelijk als gevolg van (mee)roken.

Stralingsdosis als gevolg van radon en thoron

Bij blootstelling aan een stralingsbron is het gebruikelijk om de mate van blootstelling uit te drukken in de hoeveelheid ontvangen stralingsdosis. Het bepalen van de stralingsdosis is nooit gemakkelijk, maar bij radon en thoron is dat extra ingewikkeld. Dat komt onder meer omdat de schadelijkheid van blootstelling aan radon- en thorondochters samenhangt met het rookgedrag van de ontvanger. Mede daarom is er in de wetenschappelijke wereld veel discussie over de coëfficiënten die het verband leggen tussen concentraties van radon en thoron(dochters) in de lucht en de stralingsdosis die een ‘gemiddelde burger’ daardoor per tijdseenheid oploopt. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu hanteert bij berekeningen voor radon en thoron de dosis conversie coëfficiënten die geadviseerd worden door UNSCEARUnited Nations Scientific Committee on the Effects of Atomic Radiation.

Uitgaande van de laatste meetgegevens in woningen, op arbeidsplaatsen en in openbare gebouwen en de dosis conversie coëfficiënten van UNSCEAR levert blootstelling aan radon binnenshuis een gemiddelde stralingsdosis op van circa 0,44 millisievert per jaar. Door blootstelling aan radon buitenshuis komt daar nog 0,02 millisievert per jaar bij. Bij die berekening is rekening gehouden met het gegeven dat we gemiddeld 10% van de tijd buiten zijn. De dosis door het binnenshuis inademen van thorondochters wordt geschat op 0,20 millisievert per jaar. Buiten komen we nauwelijks thoron tegen. De totale blootstelling door het inademen van radon- en thorondochters in Nederland bedraagt daarmee, gemiddeld per inwoner, circa 0,66 millisievert per jaar.

Maatregelen om de concentratie van radon en thorondochters in de woning te verlagen

In woningen zijn de concentraties van radon, thoron en hun vervalproducten (dochters) hoger dan buiten. Extra ventileren van de woning verlaagt dus de hoeveelheid radon en thoron in de woning.

 

Om uw huis goed te ventileren moet u dag en nacht voldoende ventilatieroosters en klepraampjes openzetten. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  is van mening dat voor een gemiddelde woning in Nederland de kosten van andere maatregelen dan goed ventileren niet opwegen tegen de baten.

Natuurlijke straling op werkplekken en in openbare gebouwen (Video)

Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar natuurlijke straling op werkplekken en in openbare gebouwen in Nederland. In deze video worden kort de resultaten van het onderzoek besproken
Sprekers: Pauline Goemans,onderzoeker stralingsbescherming. Ronald Smetsers, topexpert straling.