Algemene vragen en antwoorden over PFAS

PFAS is een verzamelnaam en staat voor poly- en perfluoroalkylstoffen. Deze groep chemische stoffen is door mensen gemaakt en komt van nature niet voor in het milieu. PFAS kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid. 

PFAS'en hebben handige eigenschappen: ze zijn onder andere water-, vet- en vuilafstotend. Ze zitten in verschillende producten, waaronder smeermiddelen, voedselverpakkingsmaterialen, blusschuim, anti-aanbaklagen van pannen, kleding, textiel en cosmetica. Ook worden ze gebruikt in verschillende industriële toepassingen en processen.

De stoffen komen in het milieu door emissies uit fabrieken die de stoffen maken of gebruiken. Ook kan PFAS in het milieu komen door het gebruik van PFAS-houdende producten, zoals blusschuim, impregneermiddel voor textiel en smeermiddelen, of als PFAS-houdende producten bij het afval terecht komen.

Nee. PFAS is een probleem dat wereldwijd speelt.

Vragen en antwoorden over PFAS en gezondheid

Van een aantal PFAS is bekend dat ze ongewenste eigenschappen hebben. Dit zijn bijvoorbeeld PFOSperfluoroctaansulfonaten perfluoroctaansulfonaten  en PFOAperfluoroctaanzuur  perfluoro octanoic acid . Ook over GenX-stoffen is steeds meer informatie beschikbaar. Van deze stoffen is bekend dat ze:

  • Niet of nauwelijks afbreken in het milieu (ze zijn persistent)
  • Schadelijke effecten kunnen geven in mensen en het milieu (ze zijn toxisch)
  • Zich gemakkelijk en snel verspreiden in het milieu (ze zijn mobiel) en/of
  • Ophopen in het menselijk lichaam, in dieren en planten (ze zijn bioaccumulerend)

De precieze eigenschappen verschillen per specifieke PFAS. De ene PFAS kan zich bijvoorbeeld sneller verspreiden of is schadelijker dan de andere PFAS. Ook zijn er heel veel PFAS waar nog weinig over bekend is. Van deze PFAS is dus ook niet duidelijk of ze ongewenste eigenschappen hebben.

Mensen kunnen in contact komen met een stof door inademen, huidcontact en inslikken. Dit heet de blootstelling aan een stof. De hoeveelheid die iemand inademt, aanraakt of inslikt, en hoe vaak of hoe lang dit contact duurt, is bepalend voor het risico op schadelijke gezondheidseffecten. Voor PFOSperfluoroctaansulfonzuurPFOAPerfluoroctaanzuuren GenX-stoffen heeft het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  de risico’s voor mensen en milieu beoordeeld voor een aantal specifieke situaties. We hebben bijvoorbeeld gekeken naar blootstelling van PFOSperfluoroctaansulfonaten, PFOAperfluoroctaanzuur of GenX-stoffen vanuit bijvoorbeeld lucht, water of voeding. Tot nu toe lijken in deze situaties  de risico’s voor mensen beperkt. De EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit heeft in 2020 een nieuwe studie afgerond waaruit blijkt dat PFAS schadelijker zijn dan al werd gedacht. Dat geeft aanleiding voor het RIVM om de situatie in Nederland opnieuw te bekijken

Bij normaal gebruik zijn producten met PFAS erin veilig. Veilig betekent dat er geen schadelijke effecten op de gezondheid door het gebruik van producten (met daarin chemische stoffen) te verwachten zijn. Het kan wel gebeuren dat PFAS in hele kleine hoeveelheden vrijkomen. De hoeveelheden die je binnenkrijgt vanuit consumentenproducten zijn over het algemeen zo klein, dat je je hierover geen zorgen hoeft te maken.

Vragen en antwoorden over de gezondheidskundige grenswaarde voor PFAS

EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit (European Food Safety Authority) is de Europese Voedselveiligheidsautoriteit. EFSA adviseert de Europese Commissie (ECEuropean Commission) over voedselveiligheid. EFSA levert onafhankelijke wetenschappelijke beoordelingen, zogenoemde opinies, over voedsel gerelateerde risico’s van (onder andere) chemische stoffen in voedsel. De EC gebruikt deze beoordelingen om de noodzaak voor maatregelen te bepalen. EFSA leidt in haar opinies een gezondheidskundige grenswaarde af. Deze waarde wordt in de risicobeoordeling gebruikt en heeft geen wettelijke status. De EC kan op basis van een EFSA-opinie Europese wetgeving opstellen, bijvoorbeeld wettelijke productnormen voor voedsel.

Meer informatie over EFSA en de gezondheidskundige grenswaarde: 

Een gezondheidskundige grenswaarde van een stof geeft aan wat de maximale hoeveelheid van een stof is die iemand binnen mag krijgen, zonder dat dit gevolgen heeft voor zijn gezondheid. Deze waarde wordt in risicobeoordeling gebruikt en heeft geen wettelijke status. Een voorbeeld van een gezondheidskundige grenswaarde is de TWI: Tolereerbare Wekelijkse inname, deze geeft aan hoeveel je levenslang wekelijks mag binnen krijgen van een stof zonder dat dit gevolgen heeft voor de gezondheid.

Gezondheidskundige grenswaarden zijn daarnaast ook van belang voor het milieudomein. Voor het vaststellen van (humane) risicogrenzen voor een stof in bodem, water en lucht worden gezondheidskundige grenswaarden gebruikt.

(Humane) risicogrenzen geven de concentratie in het milieu aan waaronder de risico’s voor mens aanvaardbaar zijn. Hierbij wordt gekeken in hoeverre de mens via het milieu aan de stof blootgesteld kan worden. Risicogrenzen hebben ook geen wettelijke status, maar kunnen door beleidsmakers worden gebruikt om normen vast te stellen.

Meer informatie over EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit en de gezondheidskundige grenswaarde: 

EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit heeft een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde afgeleid voor vier PFAS. Op basis hiervan keek EFSA of de blootstelling aan deze stoffen via voedsel een nadelig effect heeft op de gezondheid van de Europese bevolking. Blootstelling betekent dat mensen in contact komen met de stoffen, of dat de stoffen in het lichaam komen. Vervolgens heeft EFSA gekeken welke voedingsmiddelen het meest bijdragen aan de blootstelling van mensen aan deze vier stoffen. 

Meer informatie over EFSA en de gezondheidskundige grenswaarde: 

De huidige PFAS-opinie (uit 2020) van EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit gaat over PFPFOSperfluoroctaansulfonzuurOS (perfluoroctaansulfonzuur), PFOPFOAperfluoroctaanzuurA  (perfluoroctaanzuur), PFNAperfluornonaanzuur (perfluornonaanzuur) en PFHxSperfluorhexaansulfonzuur(perfluorhexaansulfonzuur). Dit zijn de vier PFAS stoffen die volgens EFSA gelijksoortige eigenschappen hebben en het meeste worden gevonden in bloed van mensen. EFSA heeft in dit onderzoek niet naar GenX-stoffen gekeken.

Meer informatie over EFSA en de gezondheidskundige grenswaarde: 

EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit heeft in haar opinie een gezondheidskundige grenswaarde afgeleid van 4,4 nanogram/kilogram lichaamsgewicht per week. Deze gezondheidskundige grenswaarde wordt door EFSA een TWI (Tolerable Weekly Intake) genoemd. Deze TWI geldt voor PFOSperfluoroctaansulfonaten perfluoroctaansulfonaten , PFOAperfluoroctaanzuur  perfluoro octanoic acid , PFNA en PFHxS samen. EFSA concludeert dat PFAS nadelige effecten kunnen hebben op het immuunsysteem. Dit zou het risico op ziekten kunnen vergroten. EFSA heeft de TWI op deze effecten gebaseerd, omdat dit de meest gevoelige effecten lijken te zijn. EFSA geeft aan dat andere bekende nadelige gezondheidseffecten van PFAS niet worden verwacht bij een inname lager dan deze nieuwe TWI. Het gaat dan bijvoorbeeld om effecten op de leverfunctie en op cholesterolgehalte. Dit zijn effecten die bij hogere concentraties optreden dan het effect op het immuunsysteem. Na vergelijking van de TWI met de berekende inname van PFAS via voedsel, concludeert EFSA dat een deel van de Europese bevolking meer binnenkrijgt dan de TWI. Zij zien dit ook terug in de PFAS concentraties die gemeten zijn in bloed van mensen in Europa. EFSA heeft aangegeven dat dit een reden tot zorg is. Dit betreft vooral jonge kinderen, maar het geldt ook voor een deel van de volwassenen. Bekijk de EFSA-opinie voor meer informatie

Meer informatie over EFSA en de gezondheidskundige grenswaarde: 

  •  

EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit Europese Voedselveiligheidsautoriteit  heeft een gezondheidskundige grenswaarde afgeleid van 4,4 nanogram/kilogram lichaamsgewicht per week voor PFOSperfluoroctaansulfonaten  , PFOAperfluoroctaanzuur  , PFNA en PFHxS samen. Deze waarde geeft aan hoeveel van deze PFAS iemand zijn leven lang iedere week binnen mag krijgen zonder dat er schadelijke effecten op de gezondheid verwacht worden. 

Meer informatie over EFSA en de gezondheidskundige grenswaarde: 

Vanaf wanneer gaat het RIVM deze grenswaarde gebruiken?

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu gaat deze grenswaarde gebruiken als basis voor verder werk. Bijvoorbeeld om te beoordelen of er gezondheidsrisico’s zijn door de aanwezigheid van PFAS in voedsel en drinkwater of voor het berekenen van risicogrenzen van PFAS in bodem of water. Voordat we dat kunnen doen, is er een vertaalslag nodig van de EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit-grenswaarde. De EFSA-grenswaarde gaat namelijk over PFOSperfluoroctaansulfonaten , PFOAperfluoroctaanzuur   , PFNA en PFHxS samen. In de praktijk komen deze vier PFAS niet altijd samen voor en er zijn ook nog andere PFAS die in Nederland voor komen. Ook in die situaties moeten de risico’s van individuele PFAS of van andere mengsels van PFAS ingeschat kunnen worden. RIVM onderzoekt nu hoe de EFSA-grenswaarde gebruikt kan worden en zal vanaf 2021 de nieuwe grenswaarde gebruiken.

Meer informatie over EFSA en de gezondheidskundige grenswaarde: 

Vragen en antwoorden over de achtergrondwaarden PFAS in bodem

PFAS zijn zogeheten Zeer Zorgwekkende Stoffen. Dat zijn chemische stoffen die vanwege hun eigenschappen gevaarlijk zijn voor mensen of het milieu. Het beleid in Nederland is erop gericht te voorkomen dat deze stoffen in de leefomgeving terecht komen en zich verspreiden.

Toch zit PFAS op meerdere plekken in de Nederlandse bodem. Een achtergrondwaarde geeft aan hoeveel PFAS er al in onbelaste bodem zit: op plekken waar geen duidelijke vervuilingsbron aanwezig is. Heeft een partij grond die verplaatst moet worden een lagere concentratie PFAS dan de achtergrondwaarde? Dan kan de grond gewoon verplaatst worden.

De overheid kan op basis van achtergrondwaarden normen vaststellen.  Het uitgangspunt van deze normen is dat de grond die verplaatst wordt op een andere  plek niet (verder) vervuilt. Als we weten hoeveel PFAS er in de Nederlandse grond zit, kunnen we op basis daarvan een nieuwe achtergrondwaarde afleiden. Heeft de grond een lagere concentratie PFAS dan de achtergrondwaarde? Dan kan de grond gewoon verplaatst worden.

In 2020 zijn op 100 locaties verspreid over Nederland monsters genomen en geanalyseerd. De monsters zijn genomen op plekken met 'relatief schone grond'. Dat is grond waar geen bekende bron van PFAS in de buurt is. De achtergrondwaarden geven daardoor een goed beeld van hoeveel PFAS er al in de bodem zit.

De tijdelijke achtergrondwaarden uit 2019 waren gebaseerd op eerder uitgevoerde bodemonderzoeken door regionale overheden. Deze onderzoeken waren oorspronkelijk niet bedoeld om daar achtergrondwaarden uit af te leiden. Achtergrondwaarden worden bepaald op basis van concentraties die zijn gemeten in landbouw- en natuurgebieden, waar geen (bekende) bronnen zijn van de betreffende stoffen. Aan die voorwaarden voldeden niet alle onderzoeken die voor de afleiding van de tijdelijke achtergrondwaarden zijn gebruikt. Daarom is in 2019 een extra marge aangehouden bij het vaststellen van de tijdelijke achtergrondwaarden om te voorkomen dat een overschatting werd gemaakt van de concentraties in landbouw- en natuurgebieden.

De nieuwe achtergrondwaarden voor PFOSperfluoroctaansulfonaten en PFOAperfluoroctaanzuur zijn gebaseerd op nieuw onderzoek op landbouw- en natuurlocaties verspreid over Nederland. Al deze locaties voldoen aan de eisen van het achtergrondwaardenonderzoek en daarom hoeft dit keer geen marge aangehouden te worden.

Onderzoek naar achtergrondwaarden is in de eerste plaats bedoeld om iets te zeggen over ‘wat er al in de bodem zit’ en niet over waar de stoffen vandaan komen.

We weten wel dat PFAS altijd door mensen zijn gemaakt en van nature niet voorkomen in de bodem. Dat betekent dat de herkomst van PFAS altijd een fabriek is, of een plek waar de stof gebruikt wordt. En uit het onderzoek blijkt dat ook. Rondom Chemours in Dordrecht weten we al dat de concentraties hoger zijn. In het onderzoek zien we dat de concentraties PFAS hoger zijn dan in bebouwd gebied dan in landbouw- en natuurgebieden. Daaruit concluderen we dat er meer, waarschijnlijk kleinere, bronnen zijn in bebouwde gebieden. Een bron kan bijvoorbeeld het gebruik van PFAS-houdenden producten zijn.

De achtergrondwaarden zijn gebaseerd op de zogenoemde 95-percentielwaarde van alle concentraties uit de verdeling. De achtergrondwaarden geven daarmee een indicatie van de hogere concentraties die aangetroffen kunnen worden in landbouw- en natuurgebieden waar geen sprake is van aanwijsbare bronnen van PFAS. In het bodembeleid mag grond en bagger tot aan deze waarden overal op de landbodem gebruikt worden. Voor PFAS adviseert het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu daarnaast om in grondwaterbeschermingsgebieden grond en bagger te gebruiken die aansluit bij de bodemkwaliteit van het gebied.

PFAS gedragen zich in het milieu anders dan veel andere stoffen. Van sommige PFAS, zoals PFOAperfluoroctaanzuur , is bekend dat ze zich relatief snel kunnen verplaatsen door de bodem en het grondwater. Onder welke omstandigheden dat gebeurt en hoe dat precies gebeurt weten we nog niet goed. Hier wordt nog onderzoek aan gedaan. Omdat PFAS ook niet afgebroken worden in het milieu, adviseert het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu om in grondwaterbeschermingsgebieden grond en bagger te gebruiken waarin niet meer PFAS zit dan er al in de bodem op die plek aanwezig is om te voorkomen dat  door grond- en baggerverzet er (meer) PFAS in deze voor de drinkwaterwinning belangrijke gebieden terecht kan komen.

Vragen en antwoorden over PFAS in de bodem, bagger en grondwater

Door het wijd verbreide gebruik van PFAS worden ze op veel plekken aangetroffen in grond, grondwater en de waterbodem. De concentraties zijn over het algemeen laag, met uitzondering van zogenaamde bronlocaties. Dat zijn plekken waar met PFAS houdende materialen is gewerkt, bijvoorbeeld in sommige fabrieken en op oefenlocaties van de brandweer.

Om een beter beeld te krijgen van de verspreiding van PFAS heeft het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu landelijk metingen gedaan naar PFAS in de bodem. Daarnaast worden PFAS ook bij reguliere bodemonderzoeken gemeten.

Over het gedrag  van PFAS in het milieu  is nog veel onbekend. Zo weten we nog niet goed hoe snel PFAS zich door de bodem en ondergrond en naar het grondwater bewegen. Ook over de manier waarop PFAS worden opgenomen in organismen is nog veel onduidelijk.

Een deel van de stoffen uit de PFAS groep, zoals PFOSperfluoroctaansulfonaten, hopen sterk op in organismen. Dit betekent dat het leven in en op de bodem al bij relatief lage concentraties effecten kan ondervinden van PFAS. Het bodembeleid in Nederland is erop gericht om ook deze effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Bij het afleiden van risicogrenzen voor PFAS wordt doorvergiftiging naar hogere organismen in beschouwing genomen.

In het tijdelijk handelingskader van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat staan afspraken en voorstellen voor regelgeving over het hergebruik van grond en bagger waarin PFAS zit. Op de website van BodemPlus staat meer informatie over het tijdelijk handelingskader.

Grond kan vrijkomen bij werkzaamheden, bijvoorbeeld bij de aanleg van huizen of een weg. Als deze grond ergens anders wordt gebruikt noemen we dit hergebruik.

Bagger komt vrij als watergangen worden onderhouden om bijvoorbeeld de bevaarbaarheid en de waterafvoer zeker te stellen. Als deze bagger op het aangrenzend perceel wordt gelegd of ergens anders wordt gebruikt, noemen we dit hergebruik.

Of mensen worden blootgesteld aan deze stoffen en in welke mate, hangt af van het bodemgebruik en de eigenschappen van deze stoffen. Over het algemeen geldt: hoe intensiever de bodem wordt gebruikt, hoe hoger de blootstelling.

PFAS kunnen vanuit grond via een beperkt aantal blootstellingsroutes bij de mens terechtkomen. Bijvoorbeeld door het ‘eten van grond’ (grondingestie) ), door de opname van PFAS in gewassen en dierlijke producten en tenslotte in geringe mate door het inademen van bodemstof.

Nee. De door het ministerie van IenWInfrastructuur en Waterstaat voorgestelde  normen voor hergebruik uit het tijdelijk handelingskader zijn gebaseerd op effecten op het ecosysteem die al bij lagere concentraties optreden dan gezondheidseffecten bij mensen (zie notitie Risicogrenzen voor PFOS, PFOA en GenX voor toepassen van grond en bagger). In de eerste helft van 2021 berekent het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu de risicogrenzen opnieuw in verband met de lagere gezondheidskundige grenswaarde voor PFAS.

Over het algemeen kan gesteld worden dat de toepassingsnormen voor PFAS uit het tijdelijk handelingskader ruim onder het niveau liggen waarboven arbeidshygiënische risico’s te verwachten zijn. Het CROW heeft arbeidshygiënische grenswaarden (zogenaamde SRCarbo-waarden) voor PFAS vastgesteld voor het werken in en met verontreinigde bodem.

De arbeidsomstandigheden wet beschrijft alleen de algemene regels: zoals de verantwoordelijkheden van werkgever en werknemer. Concreet schrijft de wet voor dat de werkgever moet zorgen voor de veiligheid van zijn werknemers. Er zijn voor PFAS verbindingen geen wettelijke grenswaarden voor arbeidsomstandigheden bepaald. 

Van enkele stoffen uit de PFAS groep is informatie beschikbaar over de opname door gewassen en dieren. Deze stoffen kunnen worden opgenomen in gewassen en kunnen terecht komen in dierlijke producten. 

Op plekken met meer PFAS in de bodem kunnen risico's bestaan voor mens of milieu. Bij een overschrijding van Indicatie Niveaus voor ernstige bodemverontreiniging (INEV) moeten gemeenten of provincies maatregelen nemen als er onaanvaardbare risico's zijn voor mens of milieu. Of dat inderdaad zo is, moet blijken uit een risicobeoordeling. Als u meer wilt weten over een specifieke situatie, dan kunt u het beste contact opnemen met de GGD in uw regio.

De risicogrenzen vormen de basis voor de onderbouwing van normen zoals de interventiewaarden. Het Ministerie van IenWInfrastructuur en Waterstaat kan bij de vaststelling van interventiewaarden ook andere informatie betrekken, bijvoorbeeld informatie over de achtergrondconcentraties van PFAS in grond en grondwater. Deze informatie wordt momenteel verzameld in het kader van een impact assessment die later dit jaar verschijnt. Op basis daarvan besluit het Ministerie over vast te stellen interventiewaarden. Tot die tijd wordt geadviseerd om de INEV’s te gebruiken.

De nieuwe risicogrenzen op basis van gezondheidseffecten zijn weliswaar lager dan eerder afgeleide risicogrenzen, maar ze laten ook zien dat de huidige normen uit het Handelingskader PFAS (de ‘3-7-3’ µg/kgkilogram voor PFOSperfluoroctaansulfonaten, PFOAperfluoroctaanzuur en PFAS) veilig zijn vanuit het oogpunt van gezondheid. Deze normen zijn namelijk gebaseerd op een effect dat al bij lagere concentraties optreedt: de stapeling van PFAS in de voedselketen van vogels en zoogdieren.

 

Vragen en antwoorden over de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging PFAS

INEV’s worden op dezelfde manier bepaald als interventiewaarden. Soms is er nog onvoldoende informatie om de waarden te onderbouwen. Of er komt op korte termijn nieuwe informatie die de hoogte van de waarden kan beïnvloeden. INEV’s dienen dan als een soort voorlopige interventiewaarde.

De beschermdoelen en -niveaus die gehanteerd worden voor de onderbouwing van de INEV’s zijn hetzelfde als die van de interventiewaarden. De INEV’s kunnen dus net als interventiewaarden gebruikt worden om de ernst van een bodemverontreiniging te beoordelen.

Nee. De INEV’s en de normen uit het Tijdelijk Handelingskader hebben verschillende doelen en bestaan naast elkaar.

Voor PFOSperfluoroctaansulfonaten, PFOAperfluoroctaanzuur en GenX zijn eerst zogenoemde Indicatieve Niveaus voor Ernstige verontreiniging vastgesteld vanwege de destijds nog lopende evaluatie van gezondheidskundige grenswaarden door de Europese autoriteit voor voedselveiligheid EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit. Inmiddels heeft de EFSA haar resultaten gepubliceerd en zijn op basis hiervan nieuwe risicogrenzen berekend door het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, ter onderbouwing van interventiewaarden voor grond en grondwater. De eventuele normen die daarop worden gebaseerd komen in plaats van de eerder afgeleide INEV's.  Tot die tijd wordt geadviseerd om de INEV's te blijven gebruiken voor de beoordeling van PFAS in grond en grondwater.

De status van INEV’s is anders dan die van een interventiewaarde. Bij de INEV’s moet een gemeente of provincie ook andere factoren meewegen in de beoordeling van de ernst van de vervuiling. Bijvoorbeeld door te kijken of er voor andere stoffen dan PFAS al een noodzaak is om de vervuiling op te ruimen. Ook kunnen lokale factoren een rol spelen in de beoordeling. Zoals het soort gebruik van de locatie of de manier waarop mensen in contact kunnen komen met de stoffen.

De INEV’s worden gebruikt om te beoordelen of een verontreiniging voor onaanvaardbare risico’s kan zorgen. Dat is zo als 50% van de planten en dieren in het ecosysteem aangetast kan worden door stoffen in bodem of het grondwater. Voor mensen is er een onaanvaardbaar risico als de blootstelling aan de stoffen in de bodem of grondwater boven de toegestane dagelijkse inname ligt.

Voor de normen uit het Tijdelijk Handelingskader gelden andere beschermingsniveaus. Daarbij is het uitgangspunt dat slechts 5% van de soorten in het ecosysteem mag worden aangetast. Dit leidt tot strengere risicogrenzen. De hoogte van – en de verschillen tussen de risicogrenzen voor PFAS zijn vergelijkbaar met die van andere stoffen waarvan bekend is dat ze, net als PFAS, kunnen ophopen in de voedselketen.

In de praktijk verandert er door het vaststellen van deze INEV’s voor het grondverzet en baggeraars vrijwel niets, tenzij uit reguliere bodemonderzoeken blijkt dat de INEV’s worden overschreden. In dat geval moeten zij de de terreineigenaar of het bevoegd gezag hierover informeren.

In de omgevingswet gaan interventiewaarden signaleringswaarden heten. Ze zijn dan niet langer bedoeld om te bepalen of een bodemverontreiniging ernstig of spoedeisend is. Het gaat er dan om of er sprake is van een zogenaamde ‘toevalsvondst’: een verontreiniging die niet eerder opgemerkt is. Daarop volgt dan, net als nu, een risicobeoordeling. Wanneer daaruit blijkt dat er onaanvaardbare risico’s zijn voor de gezondheid, moeten maatregelen genomen worden.

Dat hoeft niet. Bij een overschrijding van de INEV’s moeten gemeenten of provincies maatregelen nemen als er onaanvaardbare risico’s zijn voor mens of milieu. Of dat inderdaad zo is, moet blijken uit een risicobeoordeling. Daarvoor is het instrument Sanscrit beschikbaar. Zo’n risicobeoordeling kan gedaan worden als is gebleken dat er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. We spreken over een ernstige bodemverontreiniging als een bepaalde hoeveelheid grond of grondwater is verontreinigd tot boven de INEV’s, of indien deze zijn vastgesteld, interventiewaarden.

De INEV’s en de normen uit het Tijdelijk Handelingskader hebben verschillende doelen en bestaan naast elkaar. De normen uit het tijdelijk handelingskader gaan over het toepassen en hergebruiken van licht verontreinigde grond en bagger. Het uitgangspunt van deze normen is dat we voorkomen dat schone grond vervuild raakt. De normen moeten garanderen dat de kwaliteit van grond en bagger die ergens wordt toegepast ook voor lange tijd geschikt is voor het beoogde gebruik.

De INEV’s hebben een ander doel. Deze waarden zijn bedoeld om een ander soort verontreiniging te beoordelen. Het gaat dan om verontreinigingen met een beperkte omvang met hogere concentraties. Deze verontreiniging is het gevolg van de aanwezigheid van één of meer lokale bronnen van vervuiling. In die situaties is niet de vraag of de grond voor langere tijd geschikt is voor het gebruik, maar of er sprake kan zijn van onaanvaardbare risico’s waardoor maatregelen nodig zijn.

Met een risicobeoordeling wordt bepaald hoe groot het risico op nadelige effecten voor mens en milieu is. De beoordeling vindt plaats op basis van informatie over de locatie. Zo kan het in de praktijk zijn dat een plek niet toegankelijk is voor bijvoorbeeld omwonenden of bezoekers. In dat geval zijn de risico’s op blootstelling anders dan op een plek die bedoeld is voor recreatie. Voorbeelden van andere zaken die een rol spelen in de risicobeoordeling zijn de diepte van de verontreiniging, de aanwezigheid van bebouwing en of er op een plek groenten worden verbouwd.

Op dit moment is er uitsluitend voldoende informatie om INEV’s af te leiden voor deze drie PFAS verbindingen. In het analysepakket van het Tijdelijk Handelingskader zijn circa 30 PFAS verbindingen opgenomen. In lokale verontreinigingen kunnen naast de drie PFAS waarvoor INEV’s zijn afgeleid ook andere PFAS verbindingen voorkomen. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de afweging hoe deze PFAS verbindingen dienen te worden beoordeeld. Hiervoor zijn nog geen landelijke richtlijnen opgesteld. Voor vragen hierover kan contact opgenomen worden met de helpdesk van Bodem+ of het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

PFAS kunnen door het gebruik van materialen of producten, of door lokale uitstoot in het milieu terecht komen. Een bekend voorbeeld zijn de oefenplaatsen van de brandweer. Vanwege hun brandwerende eigenschappen worden PFAS gebruikt in brandblusschuim. Op plaatsen waar in het verleden veel is geoefend met blusschuim vinden we relatief hoge concentraties PFAS in grond en grondwater. Uit bodemonderzoeken moet blijken waar dit het geval is, welke andere activiteiten hebben geleid tot belasting van de bodem met PFAS en wat de omvang is van deze verontreinigingen. Het is nog niet altijd mogelijk om lokaal verhoogde concentraties PFAS in verband brengen met een bron. Met de uitkomsten van de verschillende onderzoeken die daarnaar worden uitgevoerd, kunnen we in de toekomst beter voorspellen op welke plekken verhoogde concentraties PFAS kunnen worden verwacht.

Bij de onderbouwing van interventiewaarden en INEV’s houden we altijd rekening met het gebruik van grondwater als drinkwater. Soms leidt dit tot lage normen die in de praktijk niet altijd gehaald kunnen worden. Bijvoorbeeld omdat de achtergrondwaarden in grondwater al hoger zijn dan de norm. Naar de achtergrondconcentraties van PFAS in grondwater wordt door het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu nog onderzoek gedaan. Als dat onderzoek is afgerond, kunnen we beter bepalen of de laagste INEV’s voor grondwater overal bruikbaar zijn.

Omdat het in Nederland niet gebruikelijk is om drinkwater uit een eigen waterput te betrekken, kunnen provincies en gemeentes nagaan of het in specifieke situaties voldoende is om te toetsen aan de hogere INEV’s voor grondwater. Deze waarden zijn beschermend voor mens en milieu, maar niet voor de productie van drinkwater uit grondwater.

Sinds de introductie van het Tijdelijk Handelingskader wordt bij alle bodemonderzoeken ook op PFAS gemeten. Naarmate er meer onderzoeken beschikbaar komen, kan ook beter voorspeld worden op welke plekken hoge concentraties PFAS kunnen zitten. Op dit moment is bijvoorbeeld al bekend dat de concentraties PFAS hoger zijn op oefenplaatsen van de brandweer . Gemeenten en provincies werken samen met het Rijk om deze plekken in kaart te brengen en informatie uit nieuwe onderzoeken te bundelen. Daarmee ontstaat een landelijk beeld van ‘PFAS-aandachtsgebieden’.

In de buurt van plekken waar met blusschuim is geoefend kunnen PFAS tot boven de INEV’s in grond en grondwater worden aangetroffen. Uit een risicobeoordeling moet dan blijken of er onaanvaardbare risico’s zijn. Meestal leiden dit soort lokale verontreinigingen met PFAS niet tot gezondheidsrisico’s. Op een oefenplaats van de brandweer worden namelijk geen gewassen verbouwd. Als er op zo’n plek huizen worden gebouwd, kan het wel nodig zijn eerst de bodem te saneren.

Op de lange termijn kan het zijn dat verontreinigingen met PFAS leiden tot aantasting van het drinkwater. In de risicobeoordeling moet daarom ook worden bekeken waar de verontreiniging zich naartoe zal verplaatsen en of zich kwetsbare objecten zoals drinkwaterwinningen in de omgeving bevinden.

De INEV’s zijn afgeleid op de manier waarop ook interventiewaarden worden afgeleid. De uitgangspunten hiervoor staan beschreven in de Circulaire bodemsanering en de Wet Bodembescherming. De normen zijn gericht op het beschermen van mensen en het ecosysteem. Andere doelstellingen, zoals de bescherming van oppervlaktewater en de gezondheid van dieren bij gebruik als drinkwater voor vee, worden niet meegenomen bij de onderbouwing van INEV’s en interventiewaarden. Het kan daarom in bepaalde situaties nodig zijn om niet alleen aan de INEV’s te toetsen, maar ook aan andere normen, zoals de normen voor oppervlaktewater. Daarnaast zal de Risicotoolbox Grondwater vanaf 2020 beschikbaar zijn om de risico’s voor aanvullende toepassingen van grondwater te beoordelen, zoals drinken door vee en sproeien van akkers.

De richtwaarden voor drinkwater zijn bedoeld om de kwaliteit van drinkwater als eindproduct (‘uit de kraan’) te garanderen. Bij overschrijding van de INEV’s wordt bepaald of er maatregelen nodig zijn om verontreinigingen in grondwater op te ruimen of te beheersen. Ook op plekken waar het grondwater niet als drinkwater wordt gewonnen. Het uitgangspunt voor de laagste INEV’s, die beschermend zijn voor de consumptie van grondwater als drinkwater, is dat bij directe consumptie van grondwater als drinkwater geen gezondheidsrisico’s ontstaan.

Voor drinkwater uit de kraan gelden strengere eisen, omdat dan ook rekening wordt gehouden met blootstelling via andere voedselbronnen. De richtwaarden en normen voor drinkwater zijn altijd van toepassing op water dat bedoeld is voor consumptie. Met andere woorden, grondwater kan getoetst worden aan de INEV’s en kraanwater moet daarnaast ook voldoen aan de richtwaarden voor drinkwater.

Door verplaatsing van verontreinigingen in het grondwater kan op termijn de kwaliteit van het grondwater achteruitgaan. De bodemregelgeving benoemt drinkwateronttrekkingen daarom als kwetsbare objecten. Provincies en gemeenten kunnen aanvullende eisen stellen aan de grondwaterkwaliteit voor de bescherming van drinkwaterwinningen.

Vragen en antwoorden over PFOA

PFOAperfluoroctaanzuur (perfluoroctaanzuur) is een door mensen gemaakte chemische stof, die van nature niet in het milieu voorkomt. De stof is gebruikt voor producten om oppervlakten te beschermen, zoals de behandeling van tapijten en kleding, coatings voor kartonnen verpakkingen en anti-aanbak lagen. PFOA wordt ook wel C8 genoemd. Sinds 2013 staat PFOA voor autorisatie op de Europese Kandidaatslijst van zeer zorgwekkende stoffen. Dit schept wettelijke verplichtingen voor bedrijven over het informeren van hun afnemers over de aanwezigheid van de stof in artikelen.

In juni 2017 heeft de Europese Unie een verordening vastgesteld om de productie, het gebruik en het in de handel brengen van PFOA en producten met PFOA in Europa sterk te beperken.

Vragen en antwoorden over het uitloogonderzoek naar grond en bagger

Uitloging is in dit geval het woord voor het vrijkomen van PFAS in water uit bodem en bagger.

Als grond of bagger worden gebruikt onder water, bijvoorbeeld bij het ondieper maken van zandwinplassen, kunnen daar stoffen uit vrijkomen. PFAS gedragen zich anders in het milieu dan veel andere stoffen. Daarom waren er zorgen over het vrijkomen (uitlogen) van PFAS uit grond bij het gebruik daarvan onder water.

Uit het uitloogonderzoek blijkt dat twee veelvoorkomende PFAS, namelijk PFOSperfluoroctaansulfonaten en PFOAperfluoroctaanzuur , niet in grotere mate vrijkomen uit grond dan uit bagger.

Met de uitkomsten van het uitloogonderzoek kunnen we hier een betere inschatting van maken. Net als in de bodem wordt overal in Nederland ook in oppervlaktewater PFAS aangetroffen. Voor PFOSperfluoroctaansulfonaten en PFOAperfluoroctaanzuur zien we dat de waterkwaliteit in plassen vergelijkbaar is met die van ander oppervlaktewater uit de omgeving. Het is daarbij wel belangrijk dat de kwaliteit van de grond en bagger onder water niet sterk afwijkt van wat er al aanwezig is in het water. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en Deltares adviseren daarom om normen voor het gebruik van grond en bagger onder oppervlaktewater (mede) te baseren op de huidige kwaliteit van de waterbodem en niet op die van de landbodem.

In tegenstelling tot veel bestaand onderzoek, is dit onderzoek uitgevoerd met praktijkmonsters die afkomstig waren van het land, uit uiterwaarden en uit het water (bagger). Het onderzoek is daarmee representatief voor bodems die in Nederland in de praktijk worden aangetroffen in gebieden waar er geen sprake is van een directe bron. In dat laatste geval zijn de concentraties PFAS aanmerkelijk hoger. Over dergelijke situaties doet dit onderzoek geen uitspraak.

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft risicogrenzen voor PFAS afgeleid voor zwemwater. Daaruit blijkt dat  de concentraties PFAS die normaal gesproken in Nederlands oppervlaktewater worden aangetroffen onder die risicogrenzen liggen.

Van sommige PFAS, zoals PFOSperfluoroctaansulfonaten, is bekend dat ze kunnen ophopen in organismen zoals vis. Mensen die vis eten kunnen daardoor blootgesteld worden aan deze stoffen. Uit berekeningen blijkt dat niet uitgesloten kan worden dat dit tot gezondheidseffecten kan leiden. De (verwachte) concentraties PFAS in diepe plassen zijn vergelijkbaar met die in andere oppervlaktewateren. Dit probleem is dus niet  specifiek voor diepe plassen waarin grond of bagger met PFAS is toegepast.

Vragen en antwoorden over het voorstel voor verbod op gebruik van PFAS (restrictie)

Nederland werkt samen met Denemarken, Duitsland, Noorwegen en Zweden aan een voorstel voor een Europees verbod op PFAS. Zo'n verbod wordt ook wel restrictie genoemd. De landen maken dit restrictievoorstel om de risico’s van de stoffen voor mens en milieu te beperken. Het restrictievoorstel gaat over een groot aantal stoffen en gaat over niet-essentiële toepassingen. De landen werken dus ook samen om het werk te verdelen. 

Nederland wil het gebruik van PFAS aan banden leggen om de risico’s van de stoffen voor mens en milieu te beperken. De regering wil risico's voorkomen door middel van bronbeleid. Om de risico’s van de stoffen voor mens en milieu te beperken, is het noodzakelijk om de zeer grote groep van PFAS als één groep aan te pakken en in Europa op dezelfde manier om te gaan met PFAS. Hiermee willen de lidstaten voorkomen dat de ene schadelijke PFAS wordt vervangen door de andere.

Als Lidstaten, de Europese Commissie of ECHAEuropean Chemicals Agency vinden dat chemische stoffen een onaanvaardbaar risico vormen voor mens en/of milieu kunnen zij een voorstel voor een restrictie van die stoffen doen. Dit gebeurt door het indienen van een restrictie dossier bij ECHA. In dit dossier wordt veel informatie bij elkaar gebracht. In dit geval informatie over risico’s en het gebruik van PFAS. Daarbij wordt ook bekeken wat de gevolgen van een restrictie zijn voor de maatschappij en of er alternatieven voor PFAS beschikbaar zijn. Uiteindelijk besluiten de lidstaten van de Europese Unie of een restrictie er moet komen en in welke vorm. Meer informatie over het proces en besluitvorming is te vinden onder de vraag 'Wat er moet er gebeuren voordat deze restrictie er is?'

Van sommige PFAS is bekend dat ze schadelijk kunnen zijn. Maar er is ook nog veel niet bekend over PFAS. Nadat er beleid werd gemaakt om het gebruik van  PFOSperfluoroctaansulfonaten en PFOAperfluoroctaanzuur te beperken werd duidelijk dat bij de vervanging van deze stoffen ook weer PFAS stoffen werden gebruikt. Bijvoorbeeld bij de nieuwe GenX techniek. Daarom werkt Nederland nu samen met andere landen in Europa om de toepassing van de hele groep van PFAS stoffen te beperken. 

Het is een zorgvuldig proces waarin alle wetenschappelijke informatie en informatie van fabrikanten en gebruikers wordt bestudeerd. In de Europese REACH-verordening staat precies omschreven hoe een restrictievoorstel-dossier moet worden samengesteld en ingediend. Daarna buigen twee Europese wetenschappelijke comités (RACRegionale Arts Consulenten en SEACSocio-Economic Assessment Committee) zich over het restrictievoorstel om te checken of het wetenschappelijk goed in elkaar zit. Ook is er een openbare raadpleging waarin belanghebbenden gevraagd worden om aanvullende informatie aan te leveren. Vervolgens wordt nagegaan of het restrictievoorstel in de praktijk (door bijvoorbeeld Inspectiediensten) handhaafbaar is. Op basis van het restrictievoorstel en de RAC en SEAC opinies, doet de Europese Commissie een voorstel. In het REACH Comité wordt het voorstel ter stemming aan de lidstaten voorgelegd. De restrictie kan een verbod of een ander soort beperking voor productie en gebruik zijn.
Meer informatie over het proces kunt u vinden op de website van ECHA.   

PFAS is een verzamelnaam en staat voor poly-en perfluoroalkylstoffen. Deze groep chemische stoffen is door mensen gemaakt en komt van nature niet voor in het milieu. PFAS heeft handige eigenschappen: de stoffen zijn bijvoorbeeld water-, vet-, vuil- en stofafstotend. Ze kunnen goed tegen warmte en worden niet gemakkelijk aangetast door andere chemische stoffen. PFAS kunnen ook vloeistoffen goed laten uitvloeien. Dat betekent dat blusschuim zich bijvoorbeeld snel over een brandend oppervlak zal verdelen. Producenten gebruiken PFAS bijvoorbeeld bij het maken van regenkleding, buitensport en skikleding. Ook wordt het gebruikt voor het maken van pannen met een anti-aanbaklaag en om papier water- en vetafstotend te maken, zoals bijvoorbeeld bij bakpapier en pizzadozen. 

Bij normaal gebruik zijn producten met PFAS erin veilig. Veilig betekent dat er geen schadelijke effecten op de gezondheid door het gebruik van producten (met daarin chemische stoffen) te verwachten zijn. Het kan wel gebeuren dat PFAS, bijvoorbeeld door slijtage, in hele kleine hoeveelheden vrijkomen. De hoeveelheden die je binnenkrijgt vanuit consumentenproducten zijn over het algemeen zeer klein. Wel bestaat de kans dat bij productie van PFAS of vanuit afvalproducten er PFAS in het milieu terecht komt. PFAS breekt daar niet af, dus op termijn kunnen dat toch schadelijke hoeveelheden worden. Nederland en andere landen in Europa vinden dat er zo min mogelijk PFAS in de leefomgeving terecht moet komen. Daarom wordt nu gewerkt aan een restrictievoorstel.

In principe worden alle PFAS-stoffen en alle toepassingen beoordeeld. In het restrictievoorstel zal uiteindelijk aangegeven worden voor welke PFAS de restrictie, bij uitzondering, niet van toepassing is. De intentie is dus om een zo breed mogelijk voorstel te maken. Hiermee wordt voorkomen dat nadat de restrictie van kracht wordt de ene PFAS verbinding door de andere wordt vervangen die ook schadelijke eigenschappen heeft. 

Tijdens het opstellen van het restrictievoorstel wordt per toepassing van PFAS onderbouwd waarom deze mogelijk niet essentieel is. De deelnemende landen onderzoeken of er bijvoorbeeld productiemethoden, of producten zijn waarbij het niet anders kan dan gebruik te maken van PFAS. Hiervoor kijken ze ook welke andere mogelijke stoffen of methoden er zijn om PFAS te vervangen. Daarbij kan het ook gaan om niet-chemische oplossingen waarmee eenzelfde functionaliteit bereikt kan worden. Andere elementen in de onderbouwing zijn risico’s voor de veiligheid, gezondheid of het milieu. Dit voorstel wordt via de gebruikelijke procedure beoordeeld, waarna alle lidstaten hierover een stem uitbrengen (zie ‘Wat moet er gebeuren voordat deze restrictie er is?).

Omdat er een open Europese markt is voor goederen is een Europese aanpak doeltreffender. Voor de industrie betekent een Europese aanpak ook een eerlijk speelveld. De aankondiging van een restrictievoorstel, en transparantie over stappen in het proces daarnaar toe, kunnen bedrijven gebruiken zich voor te bereiden. Het kan ontmoedigend werken voor bedrijven om producten met PFAS te blijven produceren, en het kan ook stimulerend zijn om alternatieven te gaan zoeken of ontwikkelen.

Nee dat mag niet. Restricties zijn ook van toepassing op producten die van buiten de EUEuropean Union komen. 

Op dit moment bevindt het voorstel voor de restrictie zich in een beginfase. Het is nu nog niet duidelijk wat de gevolgen kunnen zijn van een restrictie. 

Voor een groot aantal PFAS wordt een voorstel geschreven met als doel een restrictie voor productie, gebruik en verkoop van producten met deze verbindingen. Het is nu nog niet bekend voor welke PFAS en voor welke toepassingen de voorgestelde restrictie gaat gelden. U kunt zich nu al voorbereiden door na te gaan of u PFAS gebruikt en hoe de door uw gebruikte PFAS vervangen kunnen worden in uw toepassingen. Dat zou kunnen met andere chemicaliën, maar bijvoorbeeld ook door wijzigingen in het ontwerp van uw product of processen.  

Stuur uw informatie naar restrictiePFAS@rivm.nl. Uw informatie wordt gebruikt in de opbouw van het restrictievoorstel-dossier. Het wordt ook gedeeld met de andere lidstaten die aan dit restrictievoorstel werken (Noorwegen, Denemarken, Zweden en Duitsland). Desgewenst wordt uw informatie vertrouwelijk behandeld.