Algemene informatie over stikstof, ammoniak en stikstofoxiden vind je op www.rivm.nl/stikstof. Vind je op onze website niet wat je zoekt? Stel je vraag aan het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu via het contactformulier of bel 030-274 91 11.

Algemene vragen over stikstof en ammoniak

Stikstof (N2) is een kleur- en reukloos gas dat overal om ons heen is. Ongeveer 78% van alle lucht bestaat uit stikstof. Stikstof is van zichzelf niet schadelijk voor mens en milieu. Maar er zijn ook verbindingen van stikstof in de lucht die wel schadelijk kunnen zijn voor mens en milieu. Dit zijn stikstofoxiden (NOx, een verbinding van stikstof en zuurstof) en ammoniak (NH3, een verbinding van stikstof en waterstof). De hoeveelheid stikstofoxiden en ammoniak in de lucht heet de concentratie.

Stikstof (N2) is een kleur- en reukloos gas dat overal om ons heen is. Ongeveer 78% van alle lucht om ons heen bestaat uit stikstof. Het gas stikstof is niet schadelijk voor mens en milieu. Maar er zijn ook andere deeltjes in de lucht waarin stikstof zit, die wel schadelijk zijn voor mens en milieu. Dit zijn stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3). Over deze stoffen hebben we het als we het hebben over de stikstofproblematiek. Meer informatie over stikstof vind je op www.rivm.nl/stikstof.

Ammoniak is ook een gas. Het is een verbinding van stikstof en waterstof (NH3). Het ontstaat in de lucht en heeft een sterke geur. Ammoniak is vooral schadelijk voor de natuur. Meer informatie over ammoniak vind je op https://www.rivm.nl/stikstof/ammoniak

Teveel stikstofoxiden in de lucht is schadelijk voor de gezondheid. Vooral mensen met longklachten en astma hebben er last van. Teveel ammoniak is ook schadelijk voor de mens. Maar in de buitenlucht is de ammoniakconcentratie bijna nooit zo hoog.

Ammoniak is vooral schadelijk voor de natuur omdat planten en de bodem ammoniak opnemen. Zo komt er teveel van in natuurgebieden: de bodem wordt er rijker door. Zeldzame planten die het juist goed doen op voedselarme grond, verdwijnen daardoor. Zo verdringen de brandnetels bijvoorbeeld de orchideeën. Daarmee verdwijnen ook dieren die van die zeldzame planten leven. We zeggen dan dat de biodiversiteit (het aantal verschillende soorten planten en dieren) slechter wordt.

De schadelijke verbindingen van stikstof zijn stikstofoxiden en als ammoniak. Stikstofoxiden komen voornamelijk uit uitlaatgassen in het verkeer en uit de industrie. Ammoniak komt voornamelijk uit de landbouw. Doordat boeren hun land bemesten met dierlijk mest en kunstmest. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu houdt bij hoeveel er waar en door welke activiteiten wordt uitgestoten. Die informatie staat op www.emissieregisratie.nl

Op het Compendium voor de leefomgeving  vind je meer informatie over de bronnen van stikstofoxiden- en ammoniak: www.clo.nl.

Inderdaad is ammoniak als puur gas lichter dan lucht. Een ballon ammoniak zal opstijgen. Maar bij concentraties in de lucht, wordt het ammoniakgas zo gemengd in de lucht dat er geen sprake meer is van een afzonderlijk gas.

Bij aanwendingsemissies worden bijvoorbeeld duizenden microgrammen ammoniak per kubieke meter gemeten. Dat is ruwweg enkele deeltjes ammoniak per miljoen deeltjes lucht; oftewel 1/10000 van een procent dat aanwezig is in lucht. Dit is een factor 100 lager dan de hoeveelheid CO2 in  lucht. Dat betekent dat de lucht inclusief ‘de vervuiling’ gewoon de dynamische eigenschappen van lucht heeft. De wind en de turbulentie zijn belangrijke processen in de verspreiding en depositie van lucht. En die werken op de ammoniakmoleculen in de lucht dus op dezelfde manier als de lucht zelf.

Ammoniak reageert met vaste stoffen, en slaat daarom neer op het aardoppervlak: depositie. Hierdoor is er dicht bij het aardoppervlak een lage concentratie en neemt de concentratie in de eerste meters boven het oppervlak toe met de hoogte. Door turbulentie zal de lucht zich mengen en verplaatst ammoniak ook op hogere hoogte zich naar beneden. Die ammoniakmoleculen kunnen dan ook neerslaan. Met andere woorden depositie vindt ook gewoon plaats bij de lage concentraties.

De herkomst van de stikstofdepositie varieert van plek tot plek in Nederland. Onderstaande kaarten laten dit zien voor de belangrijkste bijdragen van de depositie.
In deze kaarten is duidelijk te zien dat natuurgebieden in landbouwgebieden een hoge bijdrage hebben van de landbouwsector. Verkeer, industrie en overige sectoren hebben een hogere bijdrage in de buurt van de gebouwde omgeving. Specifiek zijn de bijdragen van snelwegen op de Veluwe zichtbaar in deze kaart. Bijdragen van buitenlandse bronnen is het hoogst aan de randen van het land.
De relatieve bijdragen zijn uitgedrukt als percentage van de berekende depositie. De berekende depositie bestaat uit alle Nederlandse bronnen, buitenlandse bronnen en ammoniakemissie uit de zee. Onder Nederlandse bronnen valt ook internationale zeevaart op het Nederlandse continentaal plat (onderdeel verkeer), zeevaart daarbuiten valt onder de buitenlandse bijdragen. De meetcorrectie is geen berekende bijdrage en daarmee geen onderdeel van de verdeling van depositie naar herkomst.

 

Ammoniak en stikstofoxiden worden door menselijke activiteiten en ook natuurlijke processen in de lucht gebracht. Eenmaal in de lucht kunnen ze chemisch worden omgezet en ook weer neerkomen op het aardoppervlak, de depositie. Hoe snel komen ammoniak en stikstofoxiden weer neer en hoe ver komen ze? Om deze vraag te kunnen beantwoorden maken we gebruik van het OPSOperationele Prioritaire Stoffen-model. Het OPS-model rekent uit hoe ammoniak en stikstofoxiden zich verspreiden vanaf een bron. Hierbij houdt het model rekening met de weersomstandigheden en de chemische samenstelling van de lucht. Voor beide stoffen hebben we dezelfde hoeveelheid uitstoot en verspreidingsomstandigheden gebruikt. De figuren zijn berekend met de weersomstandigheden uit 2017 en onder een aantal vereenvoudigende aannames; ze zijn dus niet algemeen geldig. Meer informatie vindt u in de Technische toelichting hieronder.

De depositie wordt op 2 manieren weergegeven:

  • depositie op een bepaalde afstand van de bron
  • het deel van de uitstoot dat binnen een bepaalde afstand deponeert

In de eerste figuur is te zien dat de depositie dichtbij de bron het hoogst is en op afstand snel afneemt. Dit geldt voor zowel ammoniak als stikstofoxiden, waarbij de depositie van de stikstofoxiden iets lager is en sneller afneemt dan de depositie van ammoniak. Dat de depositie snel afneemt met de afstand van de bron komt vooral doordat de stoffen in de lucht verdunnen.

 

Dit betekent niet dat alle uitgestoten ammoniak en stikstofoxiden uit de lucht verwijderd zijn. Dat is terug te zien in de tweede figuur. Van de ammoniak die uitgestoten wordt, komt ca. 5% binnen een straal van 500 meter weer op de grond. Voor de stikstofoxiden is dit zo’n 2,5%.

 

Als we naar grotere afstanden vanaf de bron kijken, dan zien we dat op een afstand van 20 kmkilometer grofweg 30% van de uitgestoten ammoniak is neergeslagen en zo’n 10 % van de stikstofoxiden. En op een afstand van 250 kilometer is zo’n 80% van de ammoniak gedeponeerd en zo’n 40% van de stikstofoxiden. Met andere woorden: zowel ammoniak als stikstofoxiden worden aanzienlijk verder  dan de eerste honderden meters van een bron getransporteerd. Een deel van de ammoniak kan  tot enkele honderden kilometers ver komen. Stikstofoxiden komen nog veel verder. Een deel van het ammoniak en stikstofoxiden worden gedurende het transport omgezet in ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat. Deze zogenaamde secundaire aerosolen zijn fijnstofdeeltjes en kunnen nog veel verder komen dan ammoniak en stikstofoxiden (duizenden kilometers).

 

Technische toelichting

Om de verspreiding van stikstofoxiden en ammoniak met elkaar te kunnen vergelijken laten we in deze berekening een gelijke hoeveelheid stikstof vrijkomen, ca. 260 kilogram stikstof per jaar. Dit komt overeen met ca. 300 kilogram ammoniak en 850 kilogram stikstofoxiden. De uitstoot vindt plaats op een hoogte van 5 meter. Verder gaan we er in deze berekening vanuit dat de gehele omgeving van de bron uit grasland bestaat met een ruwheidslengte van 13 centimeter (d.i. de gemiddelde ruwheidslengte in Nederland). Voor de berekeningen hebben we de weergegevens van 2017 gebruikt. Bovenstaande keuzes maken dat de berekening als een indicatie moet worden gezien. De werkelijke omstandigheden en modeluitkomst zijn van plek tot plek anders.

De windrichting speelt een belangrijke rol bij de verspreiding van de uitstoot. Omdat de wind gedurende het jaar vaker vanuit het westen waait, komen er meer ammoniak en stikstofoxiden ten oosten van de bron op de grond terecht. In de figuren laten we daarom een gemiddelde zien (doorgetrokken lijn), maar ook de bandbreedte van de depositie op een lijn ten oosten en een lijn ten westen van de bron (verticale strepen). In de gemiddeldes is dus geen rekening gehouden met bijdragen uit alle windrichtingen.

 

NH3ammoniak (ca. 300 kgkilogram/jaar)

NOxStikstofoxiden (ca. 850 kg/jaar)

Afstand

Depositie (mol/ha/jaar)

Fractie gedeponeerd

Depositie (mol/ha/jaar)

Fractie gedeponeerd

50 m

89 (43-129)

0,4%

53 (30-71)

0,2%

100 m

49 (22-66)

1,2%

26 (13-33)

0,7%

200 m

18 (8-23)

2,6%

8 (4-11)

1,4%

500 m

3,9 (2,0-5,0)

5,2%

1,6 (0,8-2,0)

2,5%

1 km

1,1 (0,6-1,4)

7,7%

0,4 (0,2-0,5)

3,5%

2 km

0,3 (0,2-0,4)

11%

0,12 (0,07-0,15)

4,6%

5 km

0,07 (0,04-0,09)

16%

0,03 (0,02-0,03)

6%

10 km

0,02 (0,01-0,03)

21%

0,01 (0,01-0,01)

9%

20 km

0,01 (0,00-0,01)

27%

0,00 (0,00-0,00)

11%

 

Elk habitattype (type natuur) kent een Kritische Depositiewaarde (KDW). De KDW is de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van een habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van stikstofdepositie. Een habitattype wordt als stikstofgevoelig aangemerkt als de KDW lager is dan 2400 mol per hectare per jaar. Als de daadwerkelijke stikstofdepositie hoger is dan de KDW, spreken we van overbelasting door stikstof.

In totaal zijn er 161 Natura 2000 gebieden aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn (www.natura2000.nl/gebieden).  Van deze 161 gebieden zijn er 130 stikstofgevoelig. Een gebied is stikstofgevoelig, wanneer het habitattypen en leefgebieden bevat die een kritische depositiewaarde voor stikstof kleiner dan 2.400 mol/ha/j hebben. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu maakt gebruik van deze 130 gebieden voor het bepalen van de gemiddelde depositie op stikstofgevoelige natuur. Deze lijst wordt op basis van informatie van de Provincies vastgesteld.

Ten tijde van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) waren 118 stikstofgevoelige Natura 2000 vastgelegd als PAS Gebied (Bijlage 2, Vaststellingsbesluit PAS (18/12/2017) - https://wetten.overheid.nl/BWBR0036751/2017-12-18). Deze 118 gebieden zijn destijds geselecteerd, vanwege het overschrijden van de kritische depositie voor stikstof op dat moment. Met het wegvallen van het PAS door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, is in principe de wettelijke basis onder deze lijst van 118 gebieden weggevallen.      

Een uitgebreid overzicht van alle Natura 2000 gebieden is te vinden in dit Excel bestand.

Vragen over gezondheid en weersomstandigheden

Ammoniak heeft een sterke geur, sommige mensen vinden dat heel vervelend. Maar de geur op zich is niet schadelijk voor de gezondheid.

Ja, dat kan. Teveel stikstofoxiden in de lucht, of: een hoge stikstofoxidenconcentratie, is schadelijk voor de gezondheid. Vooral mensen met longklachten en astma hebben er last van. Kijk ook bij informatie over smog .

Teveel ammoniak is ook schadelijk voor de mens. Maar in de buitenlucht is de ammoniakconcentratie bijna nooit zo hoog dat mensen er last van hebben.

Bij koud en rustig weer en vroeg in de ochtend kunnen fijnstof, stikstofoxiden en ammoniak zich ophopen in de onderste laag van de atmosfeer. De lucht is dan meer ‘vervuild’: mensen kunnen daar last van hebben, ze krijgen het bijvoorbeeld eerder benauwd. Kijk voor meer informatie bij het onderwerp smog.

Als het meer gaat waaien of als de temperatuur stijgt kunnen de stoffen zich weer verspreiden en daalt de concentratie: de luchtvervuiling wordt minder.

Ozon wordt gevormd bij zonnig zomerweer uit stikstofdioxide en vluchtige organische stoffen. In Nederland gebeurt dit vooral bij een zwakke zuidelijke of oostelijke wind en hoge temperaturen.

Vragen over de rol van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en het PAS

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu zorgt voor continue monitoring van de concentraties van stikstofoxiden in de buitenlucht en in de neerslag. Verder zorgt het samen met terreinbeheerders voor de monitoring van de ammoniakconcentratie in ruim 80 natuurgebieden. Behalve de concentratie meet het RIVM ook de emissie en depositie van ammoniak, dit gebeurt met diverse meetopstellingen. Daarnaast worden modelberekeningen uitgevoerd om de gemeten niveaus van ammoniak te verklaren en om de ammoniakdepositie op natuur in kaart te brengen. Ten slotte voorziet het RIVM het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenWInfrastructuur en Waterstaat)  en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNVMinisterie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)  van advies en informatie over het ammoniakdossier.

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu ontwikkelt en beheert het instrumentarium waarmee berekeningen kunnen worden gemaakt van de uitstoot en de neerslag (depositie) van stikstof op Natura 2000-gebieden. Dat instrumentarium heet AERIUS, kijk voor meer informatie op https://www.rivm.nl/aerius.

Vragen en antwoorden over AERIUS in relatie tot het PAS staan op www.rijksoverheid.nl.

Wij vinden het jammer dat mensen zo over ons denken. In onze beleving zijn wij heel open en transparant over onze manier van berekenen, meten en modelleren. Dit doen wij via onze website en rapporten. Wij staan altijd open voor vragen en een gesprek hoe we dit nog beter kunnen doen. 

Vragen over meten, berekenen en modelleren

Kijk voor informatie over meten, berekenen en modelleren op de pagina stikstof/meten, berekenen en modelleren. Daar staat waar en hoe wordt gemeten en hoe berekeningen worden uitgevoerd.

Meet het RIVM stikstofdepositie?

Ja, het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu meet drie van de vier onderdelen waar de stikstofdepositie uit bestaat. Deze vier onderdelen zijn de natte depositie van stikstofoxides (1) en ammoniak (2), en de droge depositie van stikstofoxides (3) en ammoniak (4).

De natte depositie van stikstofoxides en ammoniak meet het RIVM met wet-only vangers op 8 plaatsen in het LMLLandelijk Meetnet Luchtkwaliteit.

De droge depositie van ammoniak meten we met de COTAG in drie Natura 2000-gebieden. Dit is in het Bargerveen (hoogveen), in de Oostelijke Vechtplassen (laagveen) en op de Hoge Veluwe (heide).

Meer informatie over de werking van de wet-only vangers en de COTAG staat hier.

De meetgegevens van de COTAG van de afgelopen jaren staan hier.

Hoe wordt een meetpunt bepaald?

Het neerzetten van een meetpunt, het beheren en onderhouden is duur. Het budget is beperkt er wordt dus zorgvuldig gekeken waar een meetpunt wordt neergezet. 

Wij meten conform Europese voorschriften (de Europese Luchtkwaliteitsrichtlijn) die voorschrijven in welke gevallen er gemeten wordt en waar volstaan kan worden met berekeningen. Zo moet er vooral worden gemeten in dichtbevolkte gebieden en op locaties waar overschrijdingen van de normen zijn (of dreigen). Verder meten we op een aantal punten die voor het modelleren van de luchtkwaliteit van belang zijn.

De metingen worden gebruikt om de modellen te valideren (contoleren).

Verder zijn er ook andere meetnetten in Nederland waar het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu mee samenwerkt.

  • Twee grote spelers in dit geheel zijn DCMRMilieudienst Rijnmond en GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Amsterdam.
  • Daarnaast zijn er een paar kleinere organisaties. Deze organisaties bundelen de krachten en stellen gezamenlijk informatie beschikbaar over actuele luchtverontreiniging; maar ook over de luchtkwaliteitsverwachting (komende 72 uur).  Deze informatie is te vinden op www.luchtmeetnet.nl.
  • Er is ook nog een burgerinitiatief voor zelf meten www.samenmeten.nl.

Het is te duur en praktisch gezien onmogelijk om heel Nederland vol te hangen met meetapparatuur. Om toch iets te kunnen zeggen over de situatie in het land, gebruikt het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu rekenmodellen.

Daarnaast kan met alleen het meten geen directe link worden gelegd met de bronnen. En er kan niet worden bepaald hoe effectief maatregelen zullen zijn. Dat kan met rekenmodellen wel.

De resultaten uit de metingen worden gebruikt om continu te controleren of de berekeningen kloppen, en om die te corrigeren waar nodig.

Een belangrijk aspect bij hoe representatief de metingen zijn, is de ligging van de meetpunten. Wat ziet de meting en het meetnet als geheel? Meerdere aspecten spelen hierbij een rol, zoals lokale terreininvloeden en invloed van lokale bronnen (bijvoorbeeld bedrijven). Maar ook: wat zijn de dominante typen emissies in de regio waar het meetpunt staat? Het is belangrijk om bij de interpretatie van de metingen te beseffen dat ammoniak gemakkelijk tientallen kilometers ver getransporteerd kan worden via de lucht. Meetpunten “zien” dus ammoniakemissies die uit een relatief groot gebied komen.

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft de zes LMLLandelijk Meetnet Luchtkwaliteit-locaties waar NH3 wordt gemeten zo gekozen, dat de verschillende stations het hele bereik van ammoniakconcentraties in Nederland dekt. Bij MAN is gekozen voor een gelijkmatige ruimtelijke verdeling over de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Alle locaties worden in meer of mindere mate beïnvloed door lokale factoren. Door zoveel mogelijk metingen in het gemiddelde te betrekken, vallen toevallige lokale invloeden in zekere mate weg. Door alleen de LML-stations te gebruiken is uiteraard een mogelijke lokale invloed potentieel dominanter aanwezig dan in het MAN. Door de gegevens uit beide meetnetten te combineren, wordt de representativiteit van de concentratiemetingen groter. Want zo ontstaat een gemiddelde én landbouwgebieden (met veel emissies) weergeeft én de natuurgebieden.

Uit onderzoek blijkt dat het gemiddelde dat gebaseerd is op het LML, goed overeen komt met die van de combineerde concentratie gebaseerd op LML en MAN (Stolk et al., 2017). Dit geeft aan dat het LML redelijk goed het landelijk beeld representeert, ondanks het geringe aantal stations. Dit is eerder geconcludeerd in een experiment waarbij 159 passieve monsternemers op een regelmatig rooster over Nederland zijn opgehangen en zijn vergeleken met de LML metingen (Van Pul et al., 2004).

Wij hebben een goede kennisbasis over stikstof door jarenlang onderzoek. Internationale wetenschappers hebben dit gecontroleerd en gewaardeerd. Wij hebben naar onze mening geen steken laten vallen. Kritiek nemen we serieus en we houden nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen in de gaten

We gebruiken 2 meetnetten, het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LMLLandelijk Meetnet Luchtkwaliteit) en het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en daarnaast gebruiken we de meetmethode Conditional Time Averaged Gradient (COTAG). Meer informatie staat op onze pagina Meten

In de media wordt er gesproken over dat wij meten boven een rioolput en op een locatie dichtbij een pluimveebedrijf. Deze twee meetpunten (Wekerom en Vredepeel) gebruiken we – al voordat deze kritiek naar buiten kwam- niet meer bij het bepalen van de depositie. Wel worden ze nog benut voor het ijken van de meetbuisjes uit het andere meetnet (MAN), maar de representativiteit van het meetpunt speelt daarbij geen rol.

We hebben gekeken naar de data uit februari 2012. Wij vinden de waarden niet erg hoog. De eerste helft van februari was koud tot extreem koud, de tweede helft van februari was daarentegen weer zacht. Zie www.knmi.nl/nederland-nu/klimatologie/maand-en-seizoensoverzichten/2012/februari.

Gebruikt het RIVM wel de juiste statistische methodes?

Wij volgen de IPCCIntergovernmental Panel on Climate Change (Intergovernmental Panel on Climate Change) richtlijn t.a.v. onzekerheden: https://www.ipcc.ch/site/assets/uploads/2018/05/uncertainty-guidance-note.pdf

Wanneer er meetbuisjes missen uit het meetpuntennetwerk van MAN, hoe kunnen de metingen dan nog correct zijn?

Om de missende gegevens zo goed mogelijk te kunnen schatten kijken we naar de meetstations in de buurt. Wanneer iets 20% hoger is dan kunnen we ervan uitgaan dat het missende buisje ook rond de 20% hoger is. Dit is beter dan de gegevens niet meenemen. Dit heet imputatie. Wij zien na imputatie geen versterkte trend van de stijgende ammoniakconcentratie. 

Kan iedereen de modellen en data van stikstof inzien?

Een vraag die ons vaak gesteld wordt is om inzage in onze modellen en data mbtmaximum tolerable risk stikstof. De modellen en de data zijn openbaar en te vinden op onze website.

 

Het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) meet de maandgemiddelde ammoniakconcentratie in de lucht in Nederlandse natuurgebieden.

Met het landelijk meetnet effecten mestbeleid meten we (oa) stikstof in bodem en water.

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu baseert het cijfer 0,1% op het meten en modelleren (berekenen) waarbij de emissie van stikstofdioxide is meegenomen tot een hoogte van 914 meter (3000 voet). In de praktijk gaat het dan alleen over het landen, opstijgen en taxiën van en naar Nederlandse vliegvelden. De grens van 914 meter wordt internationaal gezien vaak gebruikt voor het modelleren (berekenen) van lokale luchtvaartuitstoot. Het is een methode van de ICAO, de VNVerenigde Naties-organisatie voor luchtvaart. Die baseert zich op het gegeven dat de atmosfeer rond de 3000 voet een ander karakter krijgt omdat dan de zogenaamde ‘menglaag’ wordt overstegen. Er vindt dan minder uitwisseling plaats met de onderste 900 meter. Stikstof die boven dat punt wordt uitgestoten, wordt daar redelijk snel in chemische reacties afgebroken. De feitelijke grens kan enigszins wisselen, afhankelijk van bijvoorbeeld de temperatuur en het tijdstip van de dag. Kleine hoeveelheden stikstofdioxiden slaan met regen neer (de natte depositie). Maar in die neerslag is niet meer goed te achterhalen of die stikstofdioxide uit de luchtvaart afkomstig is. En deze depositie vindt over een heel groot gebied plaats, ook veel buiten Nederland.

Voor de bepaling van de emissies zijn regels vastgelegd in internationale richtlijnen (zogenoemde guidebooks). En in internationale verdragen is vastgelegd over welke bronnen gerapporteerd moet worden. Daarin staat dat Nederland verplicht is om zijn luchtvaartemissies onder de 3000 voet te rapporteren, en niet de emissies boven de 3000 voet. Tot nu toe is er voor gekozen om de luchtvaartemissies boven de 3000 voet niet te rapporteren, de emissies zijn daarom ook niet geïnventariseerd.

Het CBSCentraal Bureau voor de Statistiek meldde in 2017 dat de Nederlandse luchtvaart verantwoordelijk is voor 14 procent van de (Nederlandse) stikstofuitstoot. Dit betreft echter de uitstoot (emissies) van alle Nederlandse vliegtuigen wereldwijd, ongeacht waar zij vliegen.  In dit verband gaat het alleen om de emissies van vliegtuigen die boven Nederland vliegen. 

Ongeveer 20% van onze stikstofuitstoot komt terecht in Duitsland. Dit blijkt uit berekeningen van het EMEP.

De hoeveelheid stikstof die in Nederland wordt uitgestoten is ongeveer 170 miljoen kilogram. Van deze 170 miljoen kilogram komt ca. 60 miljoen kilogram weer neer in Nederland. Maar er gaat dus ook zo’n 110 miljoen kilogram de grens over. Vanuit het buitenland ontvangt Nederland zo’n 30 miljoen kilogram stikstof. Dit is dus ongeveer eenderde van de totale hoeveelheid stikstof die in Nederland neerslaat. Maar uiteindelijk exporteert Nederland dus bijna 4 maal zoveel stikstof als dat het vanuit het buitenland ontvangt.

Vragen over normen en maatregelen

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu bepaalt geen normeringen en stelt geen maatregelen op. Daar zijn andere organisaties voor zoals de WHO en de Europese unie. Het RIVM houdt wel voor Nederland continu in de gaten of we voldoen aan de normeringen.

Informatie over maatregelen van de overheid op het gebied van stikstofoxiden en ammoniak: www.rijksoverheid.nl

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu maakt altijd alle data over stikstofoxiden en ammoniak openbaar. Wij publiceren regelmatig rapporten over de stand van zaken, en meldt daarin wanneer normen worden overschreden. Die rapporten zijn openbaar en staan op de website.

De rapporten gaan ook naar de opdrachtgever: het ministerie van LNVMinisterie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of bijvoorbeeld een provincie. Het ministerie of de provincie besluit vervolgens of en welke maatregelen moeten worden genomen.

‘Technische’ vragen over stikstofoxiden en ammoniak

De hoeveelheid stikstofoxiden en ammoniak in de lucht zit, heet de concentratie. De concentratie stikstofoxiden of ammoniak wordt meestal uitgedrukt in microgram per kubieke meter (μg m-3). Soms ook in deeltjes per deeltjes lucht (bijvoorbeeld parts per billion, ppbparts per billlion parts per billlion ).

Hoeveel stikstofoxiden of ammoniak er neerkomt op de grond heet depositie. De depositie wordt uitgedrukt in molen per hectare per jaar (mol ha-1 jaar-1) of kilogram per hectare per jaar (kgkilogram kilogram  ha-1 jaar-1) .

Vragen en antwoorden 14 oktober 2019

Op maandagavond 14 oktober hebben Rutger van den Noort, Robert Bor en Jan Rhebergen een bezoek gebracht aan het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Vooraf hebben zij 94 vragen opgesteld. Het RIVM heeft deze beantwoord en gepubliceerd.