16-09-2020: Reactie op discussie effect warme varkenssanering

Berekeningen maatregelpakket landbouw
Om te komen tot een optimaal maatregelenpakket verzocht het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNVMinisterie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) dit voorjaar het Planbureau voor de Leefomgeving (PBLPlanbureau voor de Leefomgeving) en het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu om potentiele maatregelen door te rekenen die het ministerie aan het uitwerken was. Het ging om een globale inschatting, zowel van de reductie in de ammoniakemissie (door het PBL) als van de vertaling hiervan naar de reductie in de depositie van stikstof op de natuur (door het RIVM). Veel details waren op dat moment nog onbekend. Zie ook de toelichting van het RIVM

Inschatting gemaakt voor start uitkoopregeling varkenshouderij
Eén van de doorgerekende maatregelen daarbij was de warme sanering van de varkenshouderij. De locatie van de boerderij is daarbij van groot belang: dichtbij een natuurgebied heeft dat vele malen meer effect dan op 10 kilometer afstand. Omdat de exacte locaties niet bekend waren moest hier een aanname over worden gedaan. Over deze aanname is nu discussie in de pers. 

Geen gemiddelde varkensboerderij
Voor een gemiddelde varkensboerderij in Nederland geldt dat 1 ktonkiloton emissiereductie zich vertaalt in 7,3 mol reductie in de depositie. De notitie ‘van emissie naar depositie’ ligt dit toe. De uitkoopregeling richtte zich echter uitsluitend op die delen van provincies met een hoge dichtheid aan varkensbedrijven. Vanwege de grote belangstelling voor de regeling was de verwachting dat selectie nodig zou zijn van de uit te kopen varkenshouders. Daarom is in het voorjaar besloten om voor de berekeningen een beperkt hogere inschatting van 10,7 mol stikstof per kiloton ammoniak te gebruiken voor de stikstofreductie van een gemiddelde varkensboerderij. Zie ook de verantwoording van de berekeningen door het RIVM

Monitoring
De werkelijke reductie hangt af van de kenmerken van de specifieke boerderij (o.a. grootte veestapel, afstand tot natuurgebieden). Deze berekening van de werkelijke reductie kan daarom alleen achteraf gemaakt worden, nadat boeren zich hebben aangemeld. Dit wordt in een apart monitoringsprogramma geregistreerd. 

Zodra voldoende duidelijk is welke varkensboerderijen zich willen laten uitkopen, kan het RIVM samen met PBL een preciezere schatting maken van de vermindering van de stikstofdepositie. Momenteel is die duidelijkheid er nog niet.


07-07-2020: Metingen van ammoniakconcentraties MAN en LMLLandelijk Meetnet Luchtkwaliteit 2019 bekend

Ammoniakconcentraties ook in 2019 verhoogd door warm, zonnig en vrij droog weer

Het RIVM meet ammoniak in de lucht in het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Het RIVM bewaakt met deze metingen de ontwikkeling van de concentraties van ammoniak door de jaren heen.

In 2018 waren de gemeten ammoniakconcentraties in de lucht ongeveer 35% hoger dan in 2017. Dit kwam vooral doordat 2018 uitzonderlijk warm, zonnig en zeer droog was. Onder deze omstandigheden kan ammoniak gemakkelijker uit mest verdampen. Daarnaast slaat er relatief minder ammoniak neer door een tekort aan regen. De gemeten ammoniakconcentraties in de lucht zijn in 2019 ongeveer 10% gedaald ten opzichte van 2018, maar nog steeds verhoogd. Dit komt omdat het in 2019 ook warm, zonnig en vrij droog weer is geweest.

Voor de effecten op natuur is vooral de hoeveelheid ammoniak die neerslaat belangrijk: de depositie. Berekeningen van de stikstofdepositie in Nederland in 2019 worden in het najaar bekend. Er kunnen nu, op grond van deze metingen geen conclusies over de ontwikkeling van de stikstofdepositie worden getrokken.

De ontwikkelingen van de ammoniakconcentraties in de tijd zijn te zien op: http://man.rivm.nl  en http://www.clo.nl/nl0461

Ammoniak in lucht

 


15-06-2020: Reactie op eindadvies Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof

Vandaag presenteerde het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof zijn eindrapport “Meer meten, robuuster rekenen”. In dit eindadvies komt het Adviescollege met een aantal aandachtspunten en verbeteringen voor de stikstofmetingen en berekeningen. Het college adviseert bijvoorbeeld het realiseren van meer meetpunten en het op grotere schaal meten van stikstofdepositie. Ook doet het college voorstellen over het omgaan met de onzekerheden die samenhangen met modellen. In het eerste advies concludeerde het adviescollege dat de wetenschappelijke kwaliteit van de meet- en rekenmethodiek voor stikstof voldoende is en de data, methoden en modellen van voldoende tot goede kwaliteit zijn. Dit bevestigt dat de berekeningen en metingen van stikstof en stikstofdepositie wetenschappelijk verantwoord en betrouwbaar zijn. Lees meer.


01-05-2020: Toelichting bij berekening stikstofdepositie kamerbrief 24 april 2020

Zoals aangekondigd in ons bericht van 24 april geeft het RIVM een toelichting op de gebruikte methoden voor het bepalen van het effect van de maatregelen uit de kamerbrief.

Via de departementen zijn diverse maatregelen voorgesteld. Deze maatregelen en de inschatting van de hiermee te bereiken emissiereductie in 2030 door het PBL en het ministerie van LNV zijn terug te vinden in deze toelichting. Vooraf is er een grove inschatting gemaakt van het effect per kiloton naar het aantal molen reductie in de depositie. De notitie van emissie naar depositie licht dit toe. Het gaat hierbij om een eerste benadering waarbij er wel bekend is op welke activiteit een maatregel aangrijpt. Maar er is geen specifieke informatie bekend over op welk deel van die activiteit een maatregel effect heeft (op alle stallen bijvoorbeeld of alle bedrijven die nu reeds uitstoten). Daarom is het aantal molen reductie van het gehele pakket bepaald.

Vervolgens is het effect van elke maatregel op de depositie berekend en op de kaart gezet. Welke aannames hierbij gedaan zijn wordt in de memo werkwijze bronmaatregelen per maatregel toegelicht.  

In onderstaande documenten zijn de resultaten terug te vinden :


24-04-2020: Berekeningen stikstofdepositie maatregelen kamerbrief 24 april 2020

Het RIVM maakte op verzoek van het ministerie van LNV een globale inschatting van het effect van de voorgestelde bronmaatregelen, zoals die zijn opgenomen in de kamerbrief van 24 april 2020. Het ministerie van LNV en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) hebben hiervoor emissiereducties per bronmaatregel aangeleverd. Per maatregel is het effect op de depositie per Natura 2000-gebied in kaart gebracht. Daarbij is berekend dat de stikstofdepositie bij ruim 50% van de stikstofgevoelige natuurhectares in 2030 onder de kritische depositiewaarde (KDW) is gedaald. In deze berekening is de autonome daling in binnen- en buitenland aangevuld met het effect van het doorgerekende pakket meegenomen.

De inschatting van het effect van een maatregel kent een minimale en maximale waarde. In de kaartjes (zie hieronder) wordt uitgegaan van de gemiddelde waarde. Ieder hexagoon op de kaart is 64 hectares groot en bevat de gemiddelde depositie van de onderliggende hectares met hun aandeel stikstofgevoelige natuur. De individuele effecten van de maatregelen zijn bij elkaar opgeteld zonder rekening te houden met hun onderlinge beïnvloeding.

In de week na 24 april vindt u op deze website ook een beschrijving van de gehanteerde werkwijze. Tot eind maart hebben PBL en RIVM ook gewerkt aan effectinschattingen voor de zichtjaren 2021 en 2022. Deze is vanwege de coronacrisis niet meer verder uitgewerkt of geactualiseerd. Deze inschattingen zijn desgewenst opvraagbaar via info@rivm.nl. Ook de achterliggende Excelsheets met berekeningen zijn via dit e-mailadres op te vragen.

Kaartjes:

Overschrijding van de kritische depositiewaarde in 2030 zonder pakket bronmaatregelen

Overschrijding van de kritische depositiewaarde in 2030 met pakket bronmaatregelen

Daling van de depositie in 2030 zonder pakket bronmaatregelen

Daling van de depositie in 2030 met pakket bronmaatregelen


24-04-2020: Presentatie 6 maart over streefwaarden

Op 6 maart heeft het RIVM samen met het PBL een toelichting gegeven aan de ministers Schouten, Wiebes, Koolmees, Hoekstra en De Jonge. Daarbij zijn opties geschetst om tot een streefwaarde voor de stikstofdepositie in 2030 te komen. Onder andere is inzicht gegeven welke omvang een pakket van maatregelen zou moeten hebben om de stikstofbelasting zover te laten dalen dat ruim de helft van de stikstofgevoelige natuur in Nederland een stikstofbelasting krijgt die onder de Kritische Depositiewaarde (KDW) ligt. Rekening houdend met de daling van het reeds ingezette beleid in Nederland en het buitenland. Bijgaande presentatie is gebruikt als ondersteuning van dit overleg.


Reactie op rapport Mesdag-Zuivelfonds

Het RIVM heeft kennis genomen van het rapport 'Stikstof in een verstikkend politiek debat' van het Mesdag Zuivelfonds. Het Mesdag-Zuivelfonds heeft dit rapport op 30 maart op haar website geplaatst.

Het Mesdag-Zuivelfonds heeft met het OPSOperationele Prioritaire Stoffen-model berekeningen uitgevoerd naar de herkomst van de stikstofdepositie op de natuur in Nederland. Dit is een herberekening van de cijfers uit hun presentatie van 20 februari. Het Mesdag-Zuivelfonds komt nu op dezelfde cijfers uit als het RIVM.

Het Mesdag-Zuivelfonds berekent nu 35% als bijdrage van de landbouw aan stikstofdepositie op alle Natura2000-gebieden. In het rapport wordt genoemd dat als uitgegaan wordt van alleen de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden het percentage 41% is. Dit betreft geen doorrekening door het Mesdag-Zuivelfonds. Zij verwijzen hiervoor door naar RIVM-cijfers.

Het lagere percentage van 35% van het Mesdag-Zuivelfonds komt met name doordat grote watergebieden meegenomen zijn in de berekeningen. Dit zou niet moeten omdat grote watergebieden niet gevoelig zijn voor stikstof. Bovendien is daar de bijdrage door de landbouw aan de depositie lager, omdat deze gebieden verder van de landbouwbronnen liggen.

Voor het reduceren van stikstof is de bijdrage van landbouw belangrijk, maar het reduceren van de zogenoemde piekbelasters (agrarische bedrijven met relatief veel depositie in nabijgelegen natuurgebieden) heeft een beperkt maar wel relevant effect. De berekeningen van het Mesdag-Zuivelfonds in hoofdstuk 4 illustreren dat. De uitwerking van stikstofreducties naar bronnen (zoals verkeer, industrie en landbouw) is een onderdeel van verdere beleidsmatige uitwerking.

In hoofdstuk 5 verwijst het Mesdag-Zuivelfonds naar een uitspraak van de commissie meten en berekenen stikstof over het OPS model. Het volledige rapport van de commissie is hier terug te lezen. In onze reactie op de presentatie van 20 februari van het Mesdag-Zuivelfonds zijn wij reeds ingegaan op hun opmerkingen over de bug in het model.


05-03-2020: Reactie rapport Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof

Het RIVM heeft kennis genomen van het eerste advies van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof. Het is goed om te constateren dat de wetenschappelijke kwaliteit voldoende is en de data, methoden en modellen van voldoende tot goede kwaliteit zijn. Dit bevestigt dat de berekeningen en metingen van stikstof en stikstofdepositie wetenschappelijk verantwoord en betrouwbaar zijn. Het Adviescollege signaleert ook een aantal aandachtspunten en verbeterpunten, waarmee de nauwkeurigheid van meten en rekenen nog beter kan worden. Het RIVM herkent die punten en staat er voor open om die nader te onderzoeken.  


03-03-2020: Uitgebreide reactie cijfers Mesdag Zuivelfonds

Het RIVM heeft kennis genomen van de presentatie en onderbouwing van het Mesdag-Zuivelfonds van 20 februari jl. De toen gepresenteerde cijfers en berekeningen zijn zorgvuldig bekeken. Het blijkt dat berekeningen niet juist zijn uitgevoerd. Daardoor komt het Mesdag-Zuivelfonds tot een veel lagere bijdrage van de landbouw in de stikstofdepositie. Bovendien zijn in de berekening van de gemiddelde stikstofdepositie ook natuurgebieden meegenomen die niet stikstofgevoelig zijn, zoals de Doggersbank. Ook daardoor wordt de bijdrage van landbouw te laag voorgesteld. Deze bevindingen zijn vandaag met het Mesdag-Zuivelfonds besproken.

Het Mesdag-Zuivelfonds heeft de berekeningen uitgevoerd voor alle Natura2000-gebieden in Nederland. Dit in tegenstelling tot de berekeningen zoals in het rapport van de commissie Remkes, waarin uitgegaan wordt van het gehele landoppervlak van Nederland. De landbouwbijdrage voor heel Nederland is 46%. Wanneer de focus alleen op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ligt, dan is nog steeds de bijdrage van de landbouw het grootst. Afhankelijk van de gebruikte definities en rekenmethode is dan 41% van de stikstofdepositie toe te schrijven aan de landbouw. Dit is gebaseerd op de hectares stikstofgevoelige natuur binnen 130 Natura 2000 gebieden. Ter illustratie: de Waddenzee bevat 1% stikstofgevoelige natuur en telt daarom slechts voor 1% mee. Er is dus een grote variatie in de mate waarin natuurgebieden gevoelig zijn voor stikstof en er is een grote variatie in bijdragen van sectoren per gebied.
Zoals gezegd, uit nieuwe berekeningen blijkt dat de gemiddelde bijdrage van de landbouwsector aan de stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuurgebieden 41% is. In een eerdere berekening was dit percentage hoger (45%), vanwege een onjuiste middeling van de gegevens over ongeveer 100 deelsectoren en 255.000 rekenpunten. De onderliggende data zijn onveranderd. En ook het beeld van de relatieve bijdrage per sector blijft gelijk.

Presentatie Mesdag-Zuivelfonds
De berekeningen die het Mesdag-Zuivelfonds heeft gepresenteerd op 20 februari jl. zijn uitgevoerd op basis van het OPS-model en invoerdata die deels publiekelijk beschikbaar was en deels specifiek voor Mesdag-Zuivelfonds beschikbaar zijn gesteld door het RIVM. Het Mesdag-Zuivelfonds heeft daarna de onderliggende gegevens van de uitgevoerde berekeningen via Github beschikbaar gesteld.
Na veel zoekwerk in de uitgevoerde berekeningen van het Mesdag-Zuivelfonds hebben wij de volgende fouten geconstateerd:

  • de depositiewaarden zijn bepaald door twee berekeningen uit te voeren, een keer voor NOxStikstofoxiden en een keer voor NH3ammoniak; de stikstofemissies van beide berekeningen zijn onterecht samengevoegd (dus NOx en NH3 tezamen).
  • de depositieberekeningen worden in een nabewerking gecorrigeerd met de factoren die het gewicht van NOx/NH3 omzetten naar molen. Dit is echter niet correct omdat de resultaten van de berekeningen al in molen per ha per jaar staan.

Beide bevindingen leiden tot een verkeerde bepaling van de depositie. Wat het exacte effect met name op de herkomst van depositie is kan alleen met een herberekening vastgesteld worden. Wel is duidelijk dat door beide incorrecte bewerkingen de bijdrage van sectoren die voornamelijk NOx-emitteren (verkeer, scheepvaart en industrie) aanzienlijk overschat is en dat de bijdrage van landbouw aanzienlijk onderschat is. Met het Mesdag-Zuivelfonds is besproken dat de handleiding van het OPS-model onvoldoende duidelijk was om genoemde vergissingen in de berekeningen te voorkomen. Het RIVM had juist daarvoor een toelichting bij de data gevoegd op 7 januari. Er is dus geen sprake van een “bug” in het OPS-model.


20-02-2020: Reactie op cijfers Mesdag Zuivelfonds

Het RIVM heeft kennis genomen van de presentatie van het Mesdag Zuivelfonds. De genoemde bijdrage van de landbouw aan stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuurgebieden is groter dan de stichting stelt. Landbouw is veruit de grootste bron van ammoniak. En ammoniak heeft een veel groter effect in stikstofdepositie dan stikstofoxiden, die door industrie en verkeer worden veroorzaakt. Daarmee levert landbouw de grootste bijdrage aan stikstofdepositie. Dit wordt ook bevestigd door andere experts buiten het RIVM. Onze metingen, modellen, berekeningen en rapporten zijn robuust. Ze worden jaarlijks getoetst in de (internationale) wetenschappelijke wereld.

We zullen de gepresenteerde cijfers en berekeningen zorgvuldig bekijken. We hebben een paar dagen nodig om de resultaten van het Mesdag Zuivelfonds in detail te bestuderen. Om hun uitkomsten te begrijpen zullen we waar nodig contact opnemen. We verwachten in de loop van volgende week met een inhoudelijke reactie te kunnen komen.

Een belangrijk discussiepunt is de stikstofdepositie in heel Nederland of alleen in natuurgebieden. Op de website van het RIVM is te zien dat dat voor de bijdrage van landbouw dan ongeveer even groot blijft: voor heel Nederland is dat 46%, voor de stikstofdepositie in de stikstofgevoelige natuurgebieden is dat 41%. Het aandeel per sector verschilt heel sterk per natuurgebied. Hoe dit er uitziet is met vijf voorbeelden weergegeven.

 


Reactie op rapport “De illusie van goed stikstofbeleid”

Het RIVM heeft kennis genomen van het rapport “De illusie van goed stikstofbeleid”. Het RIVM waardeert de hoeveelheid werk die door de auteur in het rapport is gestoken en de suggesties voor verbetering. Het RIVM staat altijd open voor alle nieuwe inzichten die voortkomen uit het werk van derden, om hiermee de modellen en berekeningen verder te verbeteren waar mogelijk. De in dit onderzoek genoemde aanpassingen hebben een kleine impact. Hierdoor hebben ze geen invloed op het algemene beeld.

Een aantal mogelijke aanvullingen in de emissiegegevens, zoals genoemd in het rapport, staan al op de planning voor 2020. We zetten ons continu in om emissiedata te verbeteren. Hiervoor wordt een zorgvuldig jaarlijks proces van reviews doorlopen, waarbij meerdere deskundige organisaties betrokken zijn

GCNGrootschalige Concentratiekaarten Nederland/GDNGrootschalige Depositiekaarten Nederland heeft een ruimtelijke detail van 1x1 kilometer en is niet bedoeld en niet geschikt voor het bepalen van het lokale beeld ten aanzien van stikstofdepositie. Hiervoor is AERIUS bedoeld, waarin gedetailleerde emissiegegevens worden gebruikt. 

In het bijgaande overzicht geven we een inhoudelijke reactie op verschillende opmerkingen in het rapport.

Na het beschikbaar stellen van de dataset met stikstofemissies zijn verschillende mensen aan het rekenen gegaan. Het RIVM volgt met interesse  onderzoek dat wordt gedaan naar en met onze data en modellen. We krijgen regelmatig aanvullende vragen van mensen die aan het rekenen zijn en proberen deze zo goed en snel mogelijk te beantwoorden. 


Toelichting op het gebruik van de RIVM data

Voor het verifiëren van de uitspraak van het RIVM over de bijdrage van de landbouwsector aan de gemiddelde depositie van stikstof op Nederland, hebben we de dataset met emissies beschikbaar gesteld. Hier is door de stichting Stikstofclaim en het Mesdagzuivelfonds om gevraagd. Het betreffende percentage van 46% is berekend op basis van hetzelfde emissiebestand als die waarmee de GCN en GDN (grootschalige concentratie kaart, resp. depositie kaart Nederland) berekend worden. In dit bestand zijn de meeste bronnen geplaatst op een kilometerraster, dat over heel Nederland is gelegd. De bronnen zijn daarmee toegekend aan het midden van elk kilometervak en liggen dus niet precies op hun werkelijke geografische locatie. Uitzondering hierop vormen de grote industriële bronnen. Voor de betrouwbaarheid van de grootschalige en jaargemiddelde concentraties en deposities, GCN en GDN, is een dergelijke exacte lokalisering ook niet nodig. 

Voor de berekeningen van de stikstofdepositie op natuurgebieden wordt AERIUS gebruikt. AERIUS maakt gebruik van bronbestanden, die net als de GCN/GDN bestanden gebaseerd zijn op de emissieregistratie (www.emissieregistratie.nl). In AERIUS wordt gerekend met  de werkelijke ligging van de bronnen. Deze bronnen zijn daarom veel gedetailleerder uitgewerkt. Het doorrekenenen van de AERIUS bestanden met alle bronnen over heel Nederland kost momenteel een aantal maanden rekentijd.

Herkomst stikstofdepositie per gebied in Nederland

 


Berekeningen stikstofdepositie sector luchtvaart

Gisteren heeft de adviescommissie Stikstofproblematiek (commissie Remkes) haar advies over de luchtvaartsector in relatie tot de stikstofproblematiek aan het kabinet aangeboden. De afgelopen dagen heeft het RIVM veel vragen gekregen over de berekeningen die gemaakt zijn voor de bijdrage van luchtvaart aan de stikstofdepositie in Nederland. Hierbij een toelichting op deze berekeningen. Hoe zit het nu precies?

De totale bijdrage van de luchtvaart aan de stikstofdepositie in Nederland kan onderscheiden worden naar de herkomst van de luchtvaartemissies:

  1. 0,1%: de luchtvaartemissies van vluchten van en naar Nederland (berekend tot een hoogte van 3000 ft)
  2. 0,13%: de luchtvaartemissies uit buitenlandse vluchten uit EUEuropean Union -landen (in de luchtlaag tot 3000 ft)
  3. 0,62%: de emissies van de buitenlandse vluchten boven EU-landen (boven 3000 ft)
  4. 0,25%: de emissies van de overige, mondiale luchtvaart buiten EU-landen: dit is de emissie van de luchtvaart in de hele wereld, dus ook op grote afstand van Nederland, die in de hogere luchtlagen (boven 3000 ft) getransporteerd wordt en ook in Nederland stikstofdepositie veroorzaakt.

In de bijgevoegde figuren is de bijdrage van die verschillende soorten luchtvaartemissies weergegeven.

Tot 3000 voet is de bijdrage van luchtvaart uit Nederland 0,1%. De totale (Nederlandse, Europese en mondiale) bijdrage van de luchtvaart – zowel onder als boven 3000 voet - aan de stikstofdepositie in Nederland is ruim 1%. De precieze verdeling is terug te vinden in de presentatie (zie figuren).    

 Deze informatie heeft het RIVM eerder verstrekt aan de adviescommissie Stikstofproblematiek.


08-01-2020: RIVM ontvangt ‘Zure melk-trofee’

Op woensdag 8 januari heeft een delegatie van de NMV, de Nederlandse Melkveehouders Vakbond de ‘Zure Melk-trofee’ uitgereikt aan het RIVM. Doel van de uitreiking van de trofee is om in dialoog te gaan met het RIVM over de situatie van de melkveehouders in Nederland. Met het uitreiken van deze trofee vraagt NMV aandacht voor de positie van melkveehouders. Els van Schie – directeur Milieu en Veiligheid bij het RIVM – benadrukte tegenover een twintigtal melkveehouders begrip te hebben voor die positie. Tegelijkertijd is de door het RIVM gebruikte rekenmethode robuust en wetenschappelijk verantwoord. Er is een aantal inhoudelijke vragen besproken en er is toegezegd dat een delegatie van de NMV wordt uitgenodigd voor een vervolg.


07-01-2020 Gevraagde data openbaar

De gegevens over alle stikstofemissies waarmee de berekeningen in 2019 uitgevoerd zijn beschikbaar voor iedereen. De Nederlandse emissiedata zijn gebaseerd op openbare data van de Emissieregistratie van het RIVM.

Met deze gegevens over stikstofemissies in Nederland is het mogelijk stikstofdepositieberekeningen uit te voeren.

Download het ZIP-bestand met databestanden voor reproductie van de berekeningen.


31-12-2019 Het RIVM maakt gevraagde data openbaar

Het RIVM heeft besloten om de gevraagde data openbaar te maken (zie ook bericht 16-12). De data worden binnen een week beschikbaar gesteld.


16-12-2019 Uitspraak kort geding stikstof

De voorzieningenrechter heeft uitspraak gedaan inzake het kort geding tussen Mesdag Zuivelfonds, Stichting Stikstofclaim en het RIVM. De rechter heeft beslist dat het RIVM voor 1 januari 2020 een beslissing moet nemen over het beschikbaar stellen en openbaar maken van gegevens.

Het RIVM wil open en transparant zijn binnen de mogelijkheden die de wet geeft en was al aan het afwegen welke ruimte er is om de gevraagde data te delen. Deze data hebben betrekking op gedetailleerde informatie over de emissies van bedrijven, zodat externe partijen de berekeningen van het RIVM zelf kunnen uitvoeren. Het RIVM gaat zorgvuldig om met de data die door externen ter beschikking zijn gesteld en beoordeelt daarom zorgvuldig welke ruimte er is om de gevraagde data te delen. De rechter geeft nu ruimte aan deze afweging. 

Het RIVM zal uiterlijk 31 december 2019 een definitief besluit nemen over het openbaar maken en beschikbaar stellen  van deze data.


13-11-2019 Verkennende RIVM berekeningen stikstofmaatregelen

Vandaag heeft het kabinet de plannen voor de eerste stappen voor de aanpak van de stikstofproblematiek bekend gemaakt. Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  heeft de afgelopen tijd samen met het PBL Planbureau voor de Leefomgeving berekeningen gedaan om de betrokken ministers inzicht gegeven in het effect van verschillende maatregelen. Naar het volledige nieuwsbericht


08-11-2019 In gesprek over metingen UvAUniversiteit van Amsterdam

Gisteren sprak het RIVM met het Mesdagfonds (o.a. dhrde heer Vogelaar) en Universiteit van Amsterdam (o.a. dhr. Tietema) over de metingen die de UvA wil gaan uitvoeren. Het was een constructief gesprek. Het RIVM staat positief tegenover meer metingen in Nederland. Hoe meer data er beschikbaar komt, hoe beter en betrouwbaarder het beeld van de verspreiding en depositie van ammoniak zal worden. Er is afgesproken dat RIVM meekijkt met de opzet van de metingen. 


06-11-2019 OPS model volledig beschikbaar

Deze week is de broncode van het OPS model openbaar beschikbaar gesteld. OPS is het model waarmee berekeningen worden uitgevoerd voor de stikstofdepositie in Nederland. De methode en de data van het model waren al openbaar. Op verzoek van verschillende partijen is nu ook het achterliggende model te downloaden. Het was de bedoeling dat de broncode (het achterliggende model) al eerder dit jaar openbaar gemaakt werd, maar door de vele vragen die ons de afgelopen periode gesteld zijn heeft dit vertraging opgelopen. Het achterliggende model is te downloaden via: https://github.com/rivm-syso/OPS . 


15-10-2019 Rondetafelgesprek Tweede Kamer op 16 oktober

Het RIVM is uitgenodigd om deel te nemen aan het Rondetafelgesprek over stikstofproblematiek op woensdagmiddag 16 oktober. Het gesprek is georganiseerd door de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Naast het RIVM zijn vertegenwoordigers aanwezig van onder meer het KNMIKoninklijk Meteorologisch Instituut, het Louis Bolk Instituut, het Mesdag Zuivelfonds en Rutger van den Noort, die maandagavond bij het RIVM op bezoek was. 

Het RIVM heeft net als de andere deelnemers een zogenoemd ‘position paper’ aangeleverd voor dit gesprek.  De agenda, alle aangeleverde position papers en nadere informatie over het Rondetafelgesprek vindt u op de website van de Tweede Kamer: https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/…
 


14-10-2019: Gesprek over meten, berekenen en modelleren terugkijken

Maandagavond 14 oktober hebben Rutger van den Noort, Robert Bor en Jan Rhebergen een bezoek gebracht aan het RIVM. Het gesprek was verhelderend in een prettige sfeer. De bezoekers hadden vooraf vragen ingediend. Die zijn door het RIVM beantwoord en op papier gezet. De vragen en antwoorden zijn gepubliceerd. Het RIVM staat open voor gesprek en waardeert de inzet die de bezoekers hebben gestoken in het aanleveren van de vragen. We schatten de aanbevelingen van deze groep mensen op waarde en gebruiken die waar mogelijk om onze werkwijze of communicatie te verbeteren. De bijeenkomst is opgenomen en terug te kijken.


14-10-2019: In gesprek over meten, berekenen en modelleren

Sinds vorige week wordt onze manier van meten, berekenen en modelleren ter discussie gesteld. Er is twijfel over de betrouwbaarheid van onze data. Het RIVM wil graag open en transparant zijn over de werkwijze. Daarom ontvangt het RIVM op maandag 14 oktober 2019 een groep van drie mensen. We beantwoorden dan de vragen die zij hebben over de manier waarop wij de stikstofdepositie in Nederland meten en berekenen.  

Naast deze groep, zijn er meer mensen geïnteresseerd om uitleg te krijgen over de modellen. Om inzicht te geven in de manier waarop we meten, berekenen en modelleren hebben we een filmpje laten maken waarin hier uitleg over gegeven wordt. Daarnaast updaten we onze vraag en antwoord pagina regelmatig met nieuwe vragen en antwoorden. Verder zijn we de mogelijkheden aan het inventariseren om mensen inzicht te geven over onze meetmethoden via bijvoorbeeld een bijeenkomst. 
 


14-10-2019: Helpdesk stikstof vanaf 14 oktober voor iedereen bereikbaar

Vanaf maandag 14 oktober kan iedereen met vragen over stikstof of het aanvragen van vergunningen terecht bij de helpdesk van BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de twaalf provincies.

De helpdesk BIJ12 is het eerste aanspreekpunt voor burgers, agrariërs en ondernemers die vragen hebben over stikstof, de toepassing van het nieuwe beleid bij toestemmingsverlening en de AERIUS Calculator. De provincies, of het ministerie dat daarvoor bevoegd is, kunnen vragen beantwoorden over een specifieke vergunning of toestemmingsbesluit. Een overzicht van hun contactgegevens vindt u op de website van BIJ12.

Website

Op de website van BIJ12 staat informatie over de toepassing van het beleid en het gebruik van de AERIUS Calculator 2019. Naast de veelgestelde vragen en de algemene informatie is hier de Instructie AERIUS Calculator te vinden. Op basis van de ontvangen vragen en de belangrijkste ontwikkelingen wordt de inhoud van de website steeds weer geactualiseerd.

Contact

Mocht u op de website van BIJ12 het antwoord op uw vraag niet vinden, dan kunt u gebruik maken van het contactformulier. U kunt bijlagen meesturen en krijgt binnen drie dagen een schriftelijke reactie. Daarnaast bestaat de mogelijkheid telefonisch contact op te nemen, elke werkdag tussen 9.00 en 12.00 uur. Het telefoonnummer van de helpdesk is te vinden op de website van BIJ12.


4-10-2019: Bezoek van Mesdag Zuivelfonds 

Op donderdag 3 oktober was het Mesdag Zuivelfonds MZF op bezoek bij RIVM.

In een constructief overleg is een toelichting gegeven op de zogenaamde imputatiemethode die op de ammoniakmetingen wordt toegepast. Er zijn afspraken gemaakt over aanvullende gegevens die het MZF binnenkort van het RIVM ter beschikking krijgt. Een nieuwe afspraak was op dit moment voor het Mesdag Zuivelfonds niet nodig, maar zal gemaakt worden zodra dat gewenst is.


24-09-2019: Mesdag Zuivelfonds vraagt om inzage in stikstofmodel

Het Mesdag Zuivelfonds heeft op 23 september een bericht geplaatst waarin het inzage eist in het stikstofmodel van het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu . Volgens de stichting weigert het RIVM inzage in het model en mag er niet onder de motorkap van het model worden gekeken. Dit is onjuist, het RIVM staat open voor inzage in de data en uitleg over de gehanteerde methode. Het gaat om de metingen van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN). Dit is een meetnet dat het RIVM samen met veel partners in het land uitvoert.

In oktober 2018 zijn de data van het MAN ter beschikking gesteld aan onderzoeker Jaap Hanekamp van het Mesdagfonds. Vervolgens volgde een verzoek om de Amerikaanse onderzoeker Briggs toegang te geven tot de data en de programmatuur waarmee de data verwerkt worden. Hierop is door het RIVM positief gereageerd. Aangezien dit niet kan via een externe inlog, zijn de onderzoekers uitgenodigd om de data bij het RIVM in te zien. Hiervoor is een  afspraak gemaakt in januari 2019, maar die is door de onderzoekers afgezegd.

Het RIVM heeft in mei de onderzoekers verzocht om een nadere toelichting op het onderzoek zodat de inzage in het model en de data voorbereid kan worden. De onderzoekers zijn niet ingegaan op deze uitnodiging van het RIVM. Vanaf vorige week zijn er weer contacten en is het Mesdag Zuivelfonds wederom uitgenodigd bij het RIVM. Daar is het Mesdag Zuivelfonds tot nu toe niet op ingegaan. Wel is op 26 september een brief van de advocaat van het Mesdagzuivelfonds ontvangen. Daar is door het RIVM op 27 september op gereageerd met een herhaling van die uitnodiging.

Meetresultaten MAN: https://man.rivm.nl/


10-09-2019: Nieuwe cijfers broeikasgassen en ammoniak bekend


De broeikasgassenuitstoot is licht gedaald; de ammoniakuitstoot blijft stabiel.  Dat blijkt uit de nieuwe uitstootcijfers die het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu /Emissieregistratie heeft gepubliceerd over het jaar 2018 en definitieve cijfers over het jaar 2017.
Naar het nieuwsbericht: https://www.rivm.nl/nieuws/nieuwe-cijfers-broeikasgassen-en-ammoniak-bekend


03-07-2019: Metingen van ammoniakconcentraties MAN en LML 2018 bekend


Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  meet ammoniak in de lucht in het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit ). Het RIVM gebruikt deze metingen om de ontwikkelingen van ammoniak in de tijd te volgen. De gemeten ammoniakconcentraties in de lucht zijn in 2018 ongeveer 35% hoger dan in 2017. Dit komt vooral doordat 2018 extreem warm, zonnig en zeer droog was. Hierdoor kon er veel ammoniak uit mest verdampen die bovendien door het tekort aan regen niet neersloeg.
Naar het nieuwsbericht: https://www.rivm.nl/nieuws/ammoniakmetingen-in-2018


01-07-2019: PAS Monitoringsrapportage stikstof 2018


De jaarlijkse uitstoot van stikstofoxiden daalde van 2014 tot 2018 met 4 procent. De jaarlijkse uitstoot van ammoniak nam met 3 procent toe. Het is hierdoor onzeker of de verwachte daling van stikstofdepositie op langere termijn overal gehaald gaat worden. Voor een nauwkeuriger prognose zal de feitelijke uitstoot van ammoniak door de landbouw nader onderzocht worden. Dat staat in de PAS Monitoringsrapportage stikstof 2018. Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  rapporteert hierin over de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan in Nederlandse Natura 2000-gebieden. 
N.B. Dit rapport is opgesteld vóór de uitspraak van de Raad van State over het PAS van 29 mei. De uitgangspunten en bewoordingen in dit rapport zijn geschreven in de context van het PAS. Daardoor zijn onderdelen van het rapport mogelijk niet langer actueel. 
Naar het nieuwsbericht: https://www.rivm.nl/nieuws/pas-monitoringsrapportage-stikstof-2018


15-01-2019: Verklaring voor verschil in ontwikkeling emissies en concentraties ammoniak

Sinds 2005 worden hogere ammoniakconcentraties in de lucht gemeten terwijl de vastgestelde emissies dalen. Driekwart van dit verschil kan worden verklaard door veranderingen in de atmosferische en chemische processen. Zo blijkt uit nieuw onderzoek van het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu .
Naar het nieuwsbericht: https://www.rivm.nl/nieuws/verklaring-voor-verschil-in-ontwikkeling-emissies-en-concentraties-ammoniak

 


2018: RIVM Briefrapport ‘Ontwikkelingen in de stikstofdepositie’

Het RIVM heeft beschreven wat de samenstelling is van de stikstof die tussen 2005 en 2016 in Nederland op het oppervlak (bodem en planten) is neergedaald. Ook is beschreven op welke manier het RIVM deze zogeheten stikstofdepositie bepaalt. Hiervoor wordt onder andere gekeken in hoeverre ammoniak bijdraagt aan de totale stikstofdepositie. Ammoniak is een belangrijk onderdeel van de totale depositie van stikstof. 
https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2018-0117.pdf


17-05-2018: Reactie RIVM op ‘Ammoniak in Nederland: een noordoostelijke spelbreker’

Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  heeft op 16 mei 2018 het onderzoeksrapport “Ammoniak in Nederland: Een noordoostelijke spelbreker” gelezen. Er is geen contact geweest tussen het RIVM en de schrijvers Geesje Rotgers en Jaap Hanekamp over het rapport.
In deze reactie leggen we uit waarom de situatie bij meetstation Vredepeel nauwelijks invloed heeft op de onderzoeken die het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  uitvoert om het ammoniakbeleid te onderbouwen of te evalueren. En waarom we dus de conclusies van het rapport van Rotgers en Hanekamp niet delen.
Naar het bericht: https://www.rivm.nl/ammoniak/reactie-rivm-op-ammoniak-in-nederland-noordoostelijke-spelbreker