Overzicht actuele berichten 2022


Terugkijken technische briefing over fout in databestand

Er zijn opnieuw fouten geconstateerd in de top 100-lijst met ammoniakuitstoters die door het RIVM is opgesteld. Op dinsdag 1 november heeft het RIVM de minister voor Natuur en Stikstof hierover in een brief geïnformeerd. In de technische briefing van donderdag 3 november heeft het RIVM aan de Tweede Kamer toegelicht hoe de fout kon ontstaan en wat we op dit moment weten over de impact. 

Lees verder


RIVM checkt twee berekeningen stikstofdepositie piekbelasters

Op verzoek van het Ministerie van LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) heeft het RIVM verschillende berekeningen over piekbelasters uitgevoerd en gecontroleerd. Ten eerste berekende het RIVM wat de depositie is van de 2% bedrijven met de grootste depositiebijdrage op de kwetsbaarste natuurgebieden. Ten tweede controleerde het RIVM berekeningen over het mogelijke effect van piekbelasters. 

Lees verder


Start periodieke monitoring stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden

Op 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering ingevoerd. Het kabinet legt met deze wet vast dat de natuur versterkt wordt en de stikstofdepositie omlaag gaat. Daarvoor stelt de wet onder meer doelen voor de stikstofdepositie in 2025, 2030 en 2035. Om de voortgang en haalbaarheid van deze doelen te kunnen meten beschrijft het RIVM in dit eerste monitoringsrapport de situatie voordat de wet inging. 

Lees verder


Uitspraak Raad van State niet van invloed op cijfers Emissieregistratie 

De Raad van State heeft een streep gehaald door de vergunningverlening voor emissiearme melkveestallen. 

De ammoniakuitstoot is volgens de Raad waarschijnlijk hoger dan waarvan in de regelgeving wordt uitgegaan. Deze uitspraak heeft echter geen invloed op de cijfers in de Emissieregistratie. 

De Emissieregistratie corrigeert bij de bepaling van de uitstoot uit emissiearme stallen al sinds een paar jaar voor het feit dat emissiearme stallen in de praktijk meer uitstoten dan waar in de regelgeving voor vergunningverlening wordt uitgegaan. 

Zie het rapport ‘Emissies naar lucht uit de landbouw berekend met NEMA voor 1990-2019.’ voor meer informatie. 


Reactie RIVM op artikel “Criticizing AERIUS/ OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) model performance” van Briggs, Hanekamp en Rotgers

Op 9 augustus 2022 is het artikel “Criticizing AERIUS/OPS model performance” van Briggs, Hanekamp en Rotgers, gepubliceerd op de website Researchgate. Het betreft geen artikel in een wetenschappelijk vakblad. 

Het RIVM heeft kennis genomen van het artikel. Het artikel behandelt de performance van het OPS-model, zoals gebruikt in Aerius, op basis van algemene beschikbare informatie van RIVM op websites of rapporten, aangevuld met detail rapporten over vier validatiestudies. Deze laatste vier rapporten zijn interne RIVM-documenten die ter beschikking gesteld zijn aan de auteurs. Op hoofdlijnen heeft het RIVM reactie gegeven.

Lees verder


Berekening stikstofruimte in het stikstofregistratiesysteem 2021 (SSRS 2021)

Lees de notitie met toelichting op de achtergronden en berekeningsmethodiek.


Aanvullende informatie technische briefing RIVM 16 juni 2022

Naar aanleiding van de technische briefing van 16 juni heeft de Tweede Kamer aan de minister voor Natuur en Stikstof aanvullende informatie gevraagd. Het RIVM heeft een memo geschreven die de informatie bevat zoals het ministerie van LNV aan RIVM heeft gevraagd. 

Lees de memo


Toelichting berekeningen stikstofdepositie sector luchtvaart

In juni 2020 heeft de adviescommissie Stikstofproblematiek (commissie Remkes) haar advies over de luchtvaartsector in relatie tot de stikstofproblematiek aan het kabinet aangeboden. Omdat er onduidelijkheid bestaat over de berekeningen die zijn gemaakt voor de bijdrage van luchtvaart aan de stikstofdepositie in Nederland, volgt hieronder nogmaals een toelichting op deze berekeningen. Hoe zit het nu precies?

De totale bijdrage van de luchtvaart aan de stikstofdepositie in Nederland kan onderscheiden worden naar de herkomst van de luchtvaartemissies:
1.    0,1%: de luchtvaartemissies van vluchten van en naar Nederland (berekend tot een hoogte van 3000 ft)
2.    0,13%: de luchtvaartemissies uit buitenlandse vluchten uit EU European Union (European Union ) (in de luchtlaag tot 3000 ft)
3.    0,62%: de emissies van de buitenlandse vluchten boven EU-landen (boven 3000 ft)
4.    0,25%: de emissies van de overige, mondiale luchtvaart buiten EU-landen: dit is de emissie van de luchtvaart in de hele wereld, dus ook op grote afstand van Nederland, die in de hogere luchtlagen (boven 3000 ft) getransporteerd wordt en ook in Nederland stikstofdepositie veroorzaakt.

In figuren is de bijdrage van die verschillende soorten luchtvaartemissies weergegeven.
Tot 3000 voet is de bijdrage van luchtvaart uit Nederland 0,1%. De totale (Nederlandse, Europese en mondiale) bijdrage van de luchtvaart – zowel onder als boven 3000 voet - aan de stikstofdepositie in Nederland is ruim 1%. De precieze verdeling is terug te vinden in de presentatie (zie figuren).    
Deze informatie heeft het RIVM eerder verstrekt aan de adviescommissie Stikstofproblematiek (commissie Remkes).


Technische briefing commissie LNV: RIVM naar aanleiding brief NPLG

Op donderdag 16 juni 2022 vindt bij de commissie LNV de technische briefing plaats door het RIVM, naar aanleiding van de brief over het Nationaal Plan Landelijk Gebied. De briefing vindt plaats van 18.00-20.00 uur.


Toelichting bij doorrekening RIVM emissie reductiedoelstellingen ministerie van LNV

Op vrijdag 10 juni 2022 heeft het ministerie van LNV de regiodoelen voor stikstof gepresenteerd. Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie het ruimtelijke verdelingsscenario doorgerekend waar deze richtinggevende doelen op zijn gebaseerd. De doelen zijn doorgerekend op hun effecten op de stikstofdepositie en -overbelasting in Natura-2000 gebieden en beschreven in een memo door het RIVM. Het memo beschrijft de uitgangspunten en de uitgevoerde berekeningen. Bij de berekeningen is niet gekeken naar welke maatregelen mogelijk of nodig zijn om deze emissiereducties in de praktijk te realiseren. De resultaten van deze berekeningen zijn als conclusie zichtbaar op de door LNV gepresenteerde kaartbeelden. 
Download de memo 


Slides presentatie RIVM technische briefing Tweede Kamer 25 mei 2022

Op woensdag 25 mei gaf het RIVM tijdens een technische briefing in de Tweede Kamer een toelichting over totstandkoming top 100 stikstofbronnen en AERIUS.
Download presentatie: Slides Technische briefing RIVM 25 mei 2022


Technische briefing Tweede Kamer: RIVM over totstandkoming top 100 stikstofbronnen en AERIUS

Op woensdag 25 mei vindt in de Tweede Kamer de technische briefing door het RIVM plaats over de totstandkoming van de top 100-stikstofbronnen en AERIUS. Vanwege onduidelijkheid over de totstandkoming van voornamelijk de top 100-lijst van ammoniakuitstoters heeft het RIVM aangeboden om de Kamer hier nader over te informeren. De Tweede Kamer heeft verzocht om daarbij breder naar het systeem te kijken dan alleen de emissieregistratie en ook in te gaan op AERIUS. De briefing vindt plaats van 17.00-19.00 uur.


Ammoniak in kuststreek opnieuw bekijken: geen gevolgen stikstofopgave kustprovincies

Met nieuwe wetenschappelijke kennis en actuele meetgegevens, werkt het RIVM voortdurend aan de verbetering van rekenmodellen. Bij verschillen tussen de veldmetingen en de modelberekeningen, zoekt het RIVM naar mogelijke verklaringen. Die verklaringen verwerkt het RIVM vervolgens in de modellen. Ook aan de Nederlandse kust bestaat een verschil tussen de berekende en de gemeten concentraties van ammoniak. Door nieuwe, actuele inzichten is er twijfel over de oorzaak van dat zogeheten ‘duinengat’. Uit een eerdere studie (2014) leken ammoniakemissies vanuit zee nog de belangrijkste reden voor dit gat. Nieuwe studies laten zien dat de hoeveelheid ammoniak vanuit de zee misschien lager is dan gedacht. Het RIVM onderzoekt dat verder en verwacht later dit jaar de resultaten. Hieronder een update over dat onderzoek. 

Stikstofbelasting natuurgebieden aan de kust wijzigt niet

De provincies maken de komende tijd gebiedsplannen, zoals voor de gebieden langs de kust. Het onderzoek naar de oorzaak van het duinengat heeft echter geen gevolgen voor de absolute depositiebijdragen van de verschillende sectoren. Mogelijk volgt uit nader onderzoek dat de kustprovincies een (iets) grotere depositie-opgave hebben, maar deze wijzigingen zijn zo klein dat het algemene beeld van de stikstofbelasting van de natuurgebieden hetzelfde is. De totale stikstofopgave voor alle provincies blijft hoe dan ook groot.

Zee produceert ammoniak, maar vraag is hoeveel precies

Het RIVM onderzocht in 2014, samen met onder andere de WUR Wageningen University & Research (Wageningen University & Research) en TNO, wat het ‘duinengat’ veroorzaakt. Uit die studie bleek ammoniak vanuit zee de belangrijkste verklaring. Bekend is onder andere dat rottingsprocessen in zeeschuim zorgen voor ammoniakuitstoot. Bovendien werden direct langs de zee hogere ammoniakconcentraties gemeten dan een paar honderd meter landinwaarts. Sindsdien houden berekeningen van de stikstofneerslag in het duingebied rekening met zowel bronnen op het land als met de ammoniakemissies door de zee. Door nieuwe wetenschappelijke inzichten is er nu twijfel over de hoeveelheid ammoniak die uit zee komt.

Eén of combinatie van verklaringen?

Tijdens het aanvullende onderzoek kijkt het RIVM naar de mogelijke oorzaken en consequenties daarvan. Mogelijke oorzaken van het duinengat zijn terug te voeren op: de metingen, ontbrekende emissies of de modellen. Mogelijk gaat het ook om een combinatie van deze oorzaken. Het geconstateerde verschil wordt dan niet volledig door één van de afzonderlijke punten (metingen, emissies of model) veroorzaakt, maar door een combinatie van oorzaken. Wat zijn mogelijke verklaringen?

          1.    De metingen zijn lokaal te hoog door invloed van zoutdeeltjes

In de meetbuisjes kunnen zoutdeeltjes invloed hebben op de ammoniakmeting. Deze (met name ammoniumnitraat) deeltjes ontstaan in de lucht en kunnen zich hechten aan de meetbuisjes. Onder invloed van temperatuursverandering kunnen deze deeltjes echter weer uiteenvallen, waarbij ammoniak ontstaat. Deze ammoniak kan vervolgens in het meetbuisje worden ingevangen, waardoor de ammoniakmeting onterecht hoger uitvalt. In natuurgebied het Zwanenwater bij Callantsoog, is hier het afgelopen jaar onderzoek naar gedaan. Verder onderzoek moet uitwijzen of de invloed van de zoutdeeltjes ook in andere (kust)gebieden een rol speelt. Als dit voor alle kustgebieden geldt, kan een correctie op deze metingen gevolgen hebben voor de hoogte van de depositie. In dat geval zou namelijk sprake zijn van een overschatting van de berekende depositie. 

          2.    Er ontbreken lokale ammoniakbronnen in de emissieschattingen

Er kunnen ammoniakbronnen zijn in de buurt van de metingen of dichtbij de kust, zoals lokale (water)vogelkolonies. Die zijn op dit moment nog niet meegenomen in de huidige emissieschattingen van ammoniak van de Emissieregistratie. Maar, omdat de depositieberekeningen worden gecorrigeerd op basis van de metingen (de meetcorrectie), heeft dit geen invloed op de depositiecijfers. 

          3.    De huidige modelberekeningen zijn mogelijk niet optimaal voor de kustgebieden

Het berekenen van de ammoniakconcentratie en -depositie langs de kust is afhankelijk van verschillende aspecten die een bron van onzekerheid kunnen zijn. Zo is er sprake van een ‘grillig’ patroon van water/landovergangen en een complexe meteorologische situatie in de duingebieden. Het onderzoek moet uitwijzen hoe gevoelig de berekeningen zijn voor verschillen van bijvoorbeeld de genoemde water/landovergangen en of dit leidt tot systematische afwijkingen in de berekende depositie.

Bij meten en rekenen spelen altijd onzekerheden; daar houden we rekening mee 

Metingen en modelberekeningen kennen per definitie een bepaalde onzekerheid. Het RIVM rapporteert daar ook altijd uitgebreid over. Ook door nieuwe wetenschappelijke kennis, zoals bij ammoniak uit zee, wordt in combinatie met de jaarlijkse actualisatie van lokale data (zoals meteo, landgebruik, emissiefactoren verkeer) openomen in onze modellen. Deze modellen geven altijd de meest waarschijnlijke werkelijkheid weer. Het RIVM werkt er voortdurend aan via extra metingen en het verder ontwikkelen van modellen de onzekerheden zo klein mogelijk te maken. 

Vervolg

Het onderzoek naar de mogelijke oorzaken van het geconstateerde verschil is inmiddels in gang gezet. Het richt zich op de invloed van zoutdeeltjes op de metingen, eventuele missende bronnen en de werking van het model voor het kustgebied. In het najaar van 2022 geven we weer een update. 


RIVM geeft graag meer uitleg over nieuwe top 100 ammoniakuitstoters

Op dinsdag 19 april heeft het ministerie van LNV de Kamerbrief beantwoording vragen over 'de top 100 stikstofbronnen' gepubliceerd. Er is onduidelijkheid ontstaan over de nieuwe top 100 lijst van ammoniakuitstoters. Zo is bijvoorbeeld niet helder hoe deze lijst tot stand is gekomen. Om verdere onduidelijkheden te voorkomen, is het RIVM bereid op korte termijn de Kamer via een technische briefing te informeren over de totstandkoming van de top 100 lijst voor ammoniakuitstoot. Daarnaast is het RIVM bereid om, als gemeentes of provincies vragen hebben, verder toelichting te geven.


Fout gemaakt bij samenstellen top 100 ammoniakuitstoot

Op 5 april publiceerde het ministerie van LNV een top 100 van ammoniakuitstoters in NL. In deze – door het RIVM gemaakte - lijst is een fout gemaakt. Deze top 100 lijst is handmatig en op verzoek van de Kamer samengesteld. Door een menselijke fout daarbij kregen een aantal stallen met moderne emissiereducerende technieken een zogeheten ‘Rav-code’ die hoort bij een minder schoon staltype. Het gaat om een beperkt aantal stallen in Nederland. Wat precies het effect is op de top 100-lijst is nu niet te zeggen en zoeken we uit. 

Download brief: Correctie bij Top 100 van ammoniakuitstoters


 

Verkenning mogelijkheden monitoring en evaluatie stikstofreductie en natuurverbetering

Het RIVM heeft in een consortium met het Planbureau voor de Leefomgeving en Wageningen University & Research verkend wat de mogelijkheden zijn voor monitoring en evaluatie van het beleidsprogramma Stikstofreductie en Natuurverbetering. Het gepubliceerde rapport beschrijft de resultaten van deze verkenning.

Uit de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering volgt een rapportageverplichting. Het beleidsprogramma vraagt om monitoring en bijsturing. Het programmadirectoraat-generaal Stikstof ( DG directeur-generaal (directeur-generaal ) Stikstof) heeft vanuit deze verplichting en de monitoring voor het beleidsprogramma om de verkenning gevraagd. DG Stikstof wil de resultaten als input gebruiken om een werkprogramma voor monitoring en evaluatie op te stellen.

Inhoud rapport

Op hoofdlijnen brengt de verkenning het volgende in beeld: 

  1. welke onderdelen van de rapportages voor de uitvoering van het programma vanaf 2022 zijn te realiseren;
  2. welke onderdelen anders georganiseerd moeten worden om de komende jaren de monitoring en evaluatie uit te bouwen;
  3. welke methodieken en datavoorzieningen daarvoor nog ontwikkeld moeten worden. 

Naast antwoord op bovengenoemde onderdelen, doet het consortium in het rapport concrete voorstellen voor het beheer en de organisatie van de monitoring en evaluatie. 

Download

Meer informatie:


14-12-2021:  Presentatie 11 november 2021 resultaten rapporten stikstofreductie

Op verzoek van LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) heeft het RIVM op 11 november een presentatie verzorgd aan vertegenwoordigers vanuit de landbouwsector, de milieubeweging en de industrie. Deze presentatie bevat de resultaten uit drie rapporten die onlangs zijn gepubliceerd, met als onderwerp ‘Waar in Nederland kan stikstofreductie het meeste opleveren voor de natuur?’.

Download:


09-07-2021: Vanuit de wetenschap is geen grens aan te wijzen voor berekening stikstofdepositie

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft het RIVM gevraagd of er op wetenschappelijke gronden een maximale afstand bepaald kan worden voor het berekenen van de stikstofdepositie (neerslag) van een project. Dit wordt een afstandsgrens genoemd en is relevant voor het verlenen van vergunningen. Het RIVM ziet geen wetenschappelijke argumenten voor een afstandsgrens voor stikstofdepositie. Daarom adviseert het RIVM om hierover een beleidsmatige keuze te maken. De overheid bepaalt dan wanneer zij stopt met het berekenen van de stikstofdepositie. Beleidsmakers kunnen de inzichten uit het RIVM-onderzoek over de modellen en berekeningen wel meenemen in hun beslissing.

Ook op grote afstand vindt depositie plaats

De met de modellen berekende depositie zal ook op (zeer) grote afstand daadwerkelijk optreden. Daar is geen twijfel over mogelijk. Wel is de hoeveelheid neerslag op grote afstand heel klein.

Naar aanleiding van het advies van de commissie Hordijk (zie hieronder) is het RIVM  gevraagd een begrenzing te onderzoeken op basis van afstand of de hoeveelheid neerslag. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen punt te bepalen is waar de onzekerheid van modellen duidelijk toe- of afneemt. Hetzelfde geldt voor de hoeveelheid neerslag. Daarom valt vanuit de wetenschap geen grens aan te wijzen tot waar er sprake is van stikstofdepositie.

Berekenen van stikstofdepositie

Om te voorkomen dat stikstofgevoelige natuur extra belast wordt, is voor nieuwe projecten een vergunning nodig. Voor het verlenen van die vergunning gebruikt het bevoegd gezag rekenmodellen van het RIVM. Het is namelijk heel moeilijk om de depositie op grotere afstanden van de bron te meten. De modellen zijn gebaseerd op wetenschappelijke uitgangspunten, zoals chemische processen in de lucht en de manier waarop stoffen zich in de lucht verspreiden. De modellen worden niet alleen in Nederland, maar ook in andere landen gebruikt.

Onderzoek na advies commissie Hordijk

Aanleiding voor de vraag van LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit  was een advies van het Adviescollege Hordijk Meten en Berekenen (de ‘commissie-Hordijk’). Dit Adviescollege stelde in 2020 dat er sprake is van ongelijke behandeling van verschillende sectoren. Dit geldt voor de berekening van de stikstofdepositie bij de vergunningverlening van projecten. Een belangrijk punt daarbij is dat voor wegverkeer een afstandsgrens van 5 kilometer wordt gebruikt om een vergunning te verkrijgen. Voor de overige bronnen, zoals landbouw en industrie, geldt er nu nog geen afstandsgrens. Daarnaast stelt de commissie dat er een onbalans is tussen de nauwkeurigheid die vanuit juridisch oogpunt gevraagd wordt en de mate van onzekerheid bij het gebruik van wetenschappelijke modellen.

Download de Verkenning afstandsgrens depositieberekeningen voor projecten


30-06-2021: Inschatting effect op stikstofdepositie van de deelnemers aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderij (Srv)

Op verzoek van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft het RIVM het effect op de stikstofdepositie van de deelnemers aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderij (Srv) opnieuw ingeschat. De voorlopige inschatting is dat de subsidieregeling gemiddeld 2,8 mol/N/ha/jaar oplevert. Deze inschatting is gedaan op basis van de actuele inventarisatie van varkenshouders van LNV per 6 juni 2021 en op basis van de actuele informatie van de registratie van varkenshouders door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ( RVO Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland)). 

Deze notitie beschrijft de werkwijze van deze doorrekening en geeft resultaten van deze tussentijdse inschatting in molen reductie per Natura 2000 gebied.


30-04-2021: RIVM start vervolgonderzoek naar ammoniak in kustgebied

Het RIVM doet nader onderzoek naar de stikstofconcentraties in het kustgebied. Het is de verwachting dat de resultaten daarvan in het derde kwartaal van 2021 bekend worden. In de memo bij dit bericht leest u meer informatie over het onderzoek. 

Eerder onderzoek
Het RIVM onderzoekt al langere tijd de concentratie van ammoniak langs de Nederlandse kust. Onderzoekers merkten daarbij dat er een verschil zat tussen metingen en berekeningen van stikstof in het duingebied. Het RIVM rapport ’Ammoniakdepositie in de duinen langs de Noordzee- en Waddenzeekust’ uit 2014 analyseerde dat verschil, dat eerder ook wel ‘het duinengat‘ werd genoemd. Die naam veranderde later in ‘ammoniak vanuit zee’. Maar ook die term kan verwarrend zijn. Daarom spreekt het vervolgonderzoek dat nu start van ‘meetcorrectie’.

Vervolgonderzoek
Sinds het onderzoek uit 2014 zijn langs de Nederlandse kust veel meetlocaties toegevoegd aan het ‘Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden’ (MAN). Vooral in het zuiden groeide het aantal meetpunten. Ook is er een langere reeks met metingen voor de kustlocaties opgebouwd. Alle extra gegevens leveren meer informatie op. Zo ontstaat een scherper beeld. Het onderzoek heeft geen invloed op de totale berekende stikstofdepositie en de overschrijding van de kritische depositiewaarden. Wel kan de relatieve bijdrage vanuit verschillende broncategorieën (buitenland, verkeer, landbouw, etc.) er door veranderen. De absolute depositie (bijdrage) blijft gelijk. 

Download memo: Ammoniak uit zee: stand van zaken


23-03-2021: Doorrekening stikstofmaatregelen voor normeren en beprijzen

In opdracht van DG Stikstof, het ministerie LNV en de werkgroep Normeren en Beprijzen heeft het RIVM nieuwe maatregelen doorgerekend om aanvullende stikstofreductie te realiseren op de middellange en lange termijn. Het effect van deze maatregelen op de stikstofdepositie in de natuur is door het RIVM berekend voor het jaar 2030. De maatregelen zijn onderverdeeld in de categorieën mobiliteit, industrie en landbouw. De emissiereducties behorend bij deze maatregelen zijn, op de snelheidsmaatregel en de maatregel betreft piekbelasters in de landbouw na, bepaald door het TNO voor industrie & mobiliteit en de WUR Wageningen University & Research (Wageningen University & Research) voor landbouw. In deze notitie worden de werkwijze en resultaten toegelicht.

De resultaten van deze doorrekening zijn opgenomen in de notitie Verkenning Normeren en beprijzen van stikstofemissies | Rapport | Aanpak Stikstof


01-03-2021: Doorrekening verkiezingsprogramma's

Het RIVM heeft op verzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving ( PBL Planbureau voor de Leefomgeving (Planbureau voor de Leefomgeving)) berekend wat de effecten van de partijprogramma’s zijn voor de stikstofdepositie. Het gaat hierbij om zes verschillende partijprogramma’s. 
Bijgaand document geeft de technische achtergrond van de berekeningen. Ook de resultaten staan in het document. Deze laten zien welk percentage van de stikstofgevoelige natuur (in 2030) bij uitvoering van het partijprogramma onder de kritische depositiewaarde komt.


15-02-2021: Hoe komt een habitatkaart in AERIUS terecht?

De opstelling van habitatkaarten is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag: de provincies en (voor de grote wateren) Rijkswaterstaat ( RWS Rijkswaterstaat (Rijkswaterstaat)). De basis voor habitatkaarten wordt gevormd door vegetatiekaarten. De opstelling van die vegetatiekaarten wordt door provincies en RWS uitbesteed, meestal aan terreineigenaren, die dat weer uitbesteden aan (onafhankelijke) karteringsbureaus. De vegetatiekaarten worden via een landelijk afgesproken methode van vertaling en interpretatie verwerkt tot een habitatkaart. Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit volgens de afspraken, op een objectieve wijze gebeurt. Vervolgens vindt er ook nog een interbestuurlijk validatieproces plaats, waarbij een aantal experts op het vlak van habitatkartering de kaarten nauwgezet beoordelen en suggesties doen voor correcties waar dat nodig is. Voor het uiteindelijk vaststellen van een kaart zijn provincies en RWS verantwoordelijk, dus niet de eigenaren van de natuurgebieden.
 
BIJ12 verzamelt deze gegevens, zorgt voor een landelijk register en zorgt ervoor dat deze ook bij het RIVM terechtkomen. De vastgestelde kaarten worden vervolgens toegevoegd aan AERIUS. Het RIVM bezit zelf geen kennis over habitatkartering en leefgebieden en controleert alleen of de data geen technische inhoudelijke fouten bevatten die de werking in het AERIUS-systeem in de weg staat.


28-01-2021: Uitspraak RvS over stikstof van wegenbouw heeft geen betrekking op de juistheid van modellen

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 20 januari 2021 een tussenuitspraak gedaan over het tracébesluit ‘A15/A12 Ressen-Oudbroeken (ViA15)’. De bestuursrechter stelt dat de minister niet goed genoeg gemotiveerd heeft dat uit de berekeningen volledig, precies en definitief kan worden geconcludeerd dat het besluit geen nadelige gevolgen heeft voor omliggende Natura 2000-gebieden. Het gaat er vooral om dat de effecten niet verder zijn getoetst dan tot 5 km kilometer (kilometer) uit de weg. 

In de berichtgeving in de media wordt gesuggereerd dat dit een gevolg is van de modellen die het RIVM gebruikt. Dit is niet het geval en dat lichten we hieronder toe:

Voor monitoring van het landelijk stikstofbeleid rekent het RIVM met een combinatie van modellen (het zogeheten SRM2 model en het OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) model). Daarmee wordt het effect van wegverkeer tot op grotere afstanden dan 5 km uit de weg berekend. Zo komt de totale stikstofbelasting van de natuur goed en volledig in beeld.

Voor de vergunningverlening heeft het bevoegd gezag gekozen om de effecten alleen te toetsen met het SRM2 model. Dit model heeft een werkingsbereik die beperkt is tot maximaal 5 km. Na 5 km neemt de herleidbaarheid van een projectbijdrage af.

Binnen de eerste kilometers valt de meeste depositie per hectare, waardoor het effect op natuur daar het grootst is. Daarna spreidt de stikstof zich snel uit tot kleine hoeveelheden. In totaal betreft de optelling van al die kleine hoeveelheden stikstof wel het overgrote deel van de depositie (ca. 90%) van een wegvak. 

Het RIVM heeft geen rol in vergunningverlening en doet geen berekeningen voor vergunningverlening. Wel stelt het RIVM de modellen beschikbaar. Initiatiefnemers gebruiken die modellen voor vergunningaanvragen. 

Voor alle bronnen, ook voor wegverkeer is het dus mogelijk om de effecten op grotere afstand door te rekenen en te toetsen. Hiervoor zijn modellen beschikbaar. Het is aan het bevoegd gezag om daar al dan niet voor te kiezen.

01-12-2020: Nader bekeken: effect van piekbelasters op het stikstofprobleem

Woensdag 25 november publiceerde onderzoeksplatform Investico een interessant onderzoek naar zogenoemde ‘piekbelasters’ in stikstofuitstoot. Veel media namen het nieuws over. Soms leek alsof het stikstofprobleem opgelost kan worden met het uitkopen van de 25 meest stikstofuitstotende boerenbedrijven. Dat beeld is genuanceerder. Het RIVM vindt het belangrijk om de stikstofdiscussie met de juiste kennis en meetgegevens te voeren. Daarom geven wij hieronder een aantal aanvullende, op feiten en cijfers gebaseerde, inzichten.

Stikstofprobleem heeft nooit maar één bron
Nederland heeft een stikstofprobleem doordat veel verschillende activiteiten (autoverkeer, landbouw, industrie, scheepvaart et cetera) elk zorgen voor kleine of grotere hoeveelheden stikstof in natuurgebieden. De optelsom van deze uitstoot zorgt ervoor dat de beschermde natuur, met name in de stikstofgevoelige gebieden, achteruit gaat. Het is dus nooit één activiteit die zorgt voor het  stikstofprobleem in een natuurgebied. 

Uitstoot verspreidt zich over Nederland
Slechts 5% van de uitstoot van stikstof (ammoniak) komt binnen een straal van 500 meter op de grond. Na 20 kilometer is 30% van de ammoniak neergeslagen. Zo’n 65% van de ammoniak die is neergeslagen in een natuurgebied, komt van grote afstand. Deze is twintig tot honderden kilometers verderop uitgestoten. De emissies van een piekbelaster op bijvoorbeeld de Veluwe verspreiden zich dus over heel Nederland (en deels nog daarbuiten). Het weghalen van een piekbelaster naast een natuurgebied heeft daarom vooral effect binnen een straal van 500 meter (5% van de uitstoot komt daar neer). Het effect voor de Veluwe als geheel is door de landelijke verspreiding van de ammoniak heel beperkt. 

Veluwe: meer depositie door scheepvaart dan door kalkoenen
Voor elk gebied in Nederland is berekend waar de neergeslagen stikstof (ammoniak) vandaan komt. In het Investico-onderzoek staat pluimvee (kalkoenen op de Veluwe met name) bovenaan in de top 25 van piekbelasters. Als we op basis van de meest recente gegevens inzoomen op de Veluwe dan is het beeld dat 47% van de neergeslagen ammoniak afkomstig is van landbouw, en 53% komt van andere bronnen, zoals autoverkeer, industrie en buitenlandse bronnen. Als we verder kijken binnen die 47% ammoniakdepositie door landbouw op de Veluwe, dan blijken melkveestallen en het uitrijden van mest op het land de belangrijkste agrarische stikstofbronnen (elk goed voor meer dan 10 van de 47%). Slechts 1% is afkomstig van ander pluimvee dan kippen, zoals kalkoenen. Ter nuancering: scheepvaart (binnenvaart en zeeschepen op de Noordzee) draagt 3% bij aan alle ammoniakdepositie op de Veluwe.

Weghalen ‘piekbelasters’ heeft vooral lokaal effect
Het weghalen van piekbelasters lost het stikstofprobleem dus niet op. Het onderzoek van Investico laat wel heel goed zien dat gerichte lokale maatregelen helpen om de stikstofdepositie te verminderen in natuurgebieden in de directe omgeving. Maar in de totale stikstofopgave voor ons land levert de opkoop van de top 25 slechts een beperkte bijdrage. De depositie in Nederland zal daardoor met een paar procent afnemen. Uiteraard kan opkoop lokaal ruimte vrijmaken voor andere activiteiten, bijvoorbeeld woningbouw of de verbreding van een weg.


16-09-2020: Reactie op discussie effect warme varkenssanering

Berekeningen maatregelpakket landbouw
Om te komen tot een optimaal maatregelenpakket verzocht het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)) dit voorjaar het Planbureau voor de Leefomgeving ( PBL Planbureau voor de Leefomgeving (Planbureau voor de Leefomgeving)) en het RIVM om potentiele maatregelen door te rekenen die het ministerie aan het uitwerken was. Het ging om een globale inschatting, zowel van de reductie in de ammoniakemissie (door het PBL) als van de vertaling hiervan naar de reductie in de depositie van stikstof op de natuur (door het RIVM). Veel details waren op dat moment nog onbekend. Zie ook de toelichting van het RIVM

Inschatting gemaakt voor start uitkoopregeling varkenshouderij
Eén van de doorgerekende maatregelen daarbij was de warme sanering van de varkenshouderij. De locatie van de boerderij is daarbij van groot belang: dichtbij een natuurgebied heeft dat vele malen meer effect dan op 10 kilometer afstand. Omdat de exacte locaties niet bekend waren moest hier een aanname over worden gedaan. Over deze aanname is nu discussie in de pers. 

Geen gemiddelde varkensboerderij
Voor een gemiddelde varkensboerderij in Nederland geldt dat 1 kton kiloton (kiloton) emissiereductie zich vertaalt in 7,3 mol reductie in de depositie. De notitie ‘van emissie naar depositie’ ligt dit toe. De uitkoopregeling richtte zich echter uitsluitend op die delen van provincies met een hoge dichtheid aan varkensbedrijven. Vanwege de grote belangstelling voor de regeling was de verwachting dat selectie nodig zou zijn van de uit te kopen varkenshouders. Daarom is in het voorjaar besloten om voor de berekeningen een beperkt hogere inschatting van 10,7 mol stikstof per kiloton ammoniak te gebruiken voor de stikstofreductie van een gemiddelde varkensboerderij. Zie ook de verantwoording van de berekeningen door het RIVM

Monitoring
De werkelijke reductie hangt af van de kenmerken van de specifieke boerderij (o.a. grootte veestapel, afstand tot natuurgebieden). Deze berekening van de werkelijke reductie kan daarom alleen achteraf gemaakt worden, nadat boeren zich hebben aangemeld. Dit wordt in een apart monitoringsprogramma geregistreerd. 

Zodra voldoende duidelijk is welke varkensboerderijen zich willen laten uitkopen, kan het RIVM samen met PBL een preciezere schatting maken van de vermindering van de stikstofdepositie. Momenteel is die duidelijkheid er nog niet.


07-07-2020: Metingen van ammoniakconcentraties MAN en LML Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit) 2019 bekend

Ammoniakconcentraties ook in 2019 verhoogd door warm, zonnig en vrij droog weer

Het RIVM meet ammoniak in de lucht in het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Het RIVM bewaakt met deze metingen de ontwikkeling van de concentraties van ammoniak door de jaren heen.

In 2018 waren de gemeten ammoniakconcentraties in de lucht ongeveer 35% hoger dan in 2017. Dit kwam vooral doordat 2018 uitzonderlijk warm, zonnig en zeer droog was. Onder deze omstandigheden kan ammoniak gemakkelijker uit mest verdampen. Daarnaast slaat er relatief minder ammoniak neer door een tekort aan regen. De gemeten ammoniakconcentraties in de lucht zijn in 2019 ongeveer 10% gedaald ten opzichte van 2018, maar nog steeds verhoogd. Dit komt omdat het in 2019 ook warm, zonnig en vrij droog weer is geweest.

Voor de effecten op natuur is vooral de hoeveelheid ammoniak die neerslaat belangrijk: de depositie. Berekeningen van de stikstofdepositie in Nederland in 2019 worden in het najaar bekend. Er kunnen nu, op grond van deze metingen geen conclusies over de ontwikkeling van de stikstofdepositie worden getrokken.

De ontwikkelingen van de ammoniakconcentraties in de tijd zijn te zien op: http://man.rivm.nl  en http://www.clo.nl/nl0461

Ammoniak in lucht

 


15-06-2020: Reactie op eindadvies Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof

Vandaag presenteerde het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof zijn eindrapport “Meer meten, robuuster rekenen”. In dit eindadvies komt het Adviescollege met een aantal aandachtspunten en verbeteringen voor de stikstofmetingen en berekeningen. Het college adviseert bijvoorbeeld het realiseren van meer meetpunten en het op grotere schaal meten van stikstofdepositie. Ook doet het college voorstellen over het omgaan met de onzekerheden die samenhangen met modellen. In het eerste advies concludeerde het adviescollege dat de wetenschappelijke kwaliteit van de meet- en rekenmethodiek voor stikstof voldoende is en de data, methoden en modellen van voldoende tot goede kwaliteit zijn. Dit bevestigt dat de berekeningen en metingen van stikstof en stikstofdepositie wetenschappelijk verantwoord en betrouwbaar zijn. Lees meer.


01-05-2020: Toelichting bij berekening stikstofdepositie kamerbrief 24 april 2020

Zoals aangekondigd in ons bericht van 24 april geeft het RIVM een toelichting op de gebruikte methoden voor het bepalen van het effect van de maatregelen uit de kamerbrief.

Via de departementen zijn diverse maatregelen voorgesteld. Deze maatregelen en de inschatting van de hiermee te bereiken emissiereductie in 2030 door het PBL en het ministerie van LNV zijn terug te vinden in deze toelichting. Vooraf is er een grove inschatting gemaakt van het effect per kiloton naar het aantal molen reductie in de depositie. De notitie van emissie naar depositie licht dit toe. Het gaat hierbij om een eerste benadering waarbij er wel bekend is op welke activiteit een maatregel aangrijpt. Maar er is geen specifieke informatie bekend over op welk deel van die activiteit een maatregel effect heeft (op alle stallen bijvoorbeeld of alle bedrijven die nu reeds uitstoten). Daarom is het aantal molen reductie van het gehele pakket bepaald.

Vervolgens is het effect van elke maatregel op de depositie berekend en op de kaart gezet. Welke aannames hierbij gedaan zijn wordt in de memo werkwijze bronmaatregelen per maatregel toegelicht.  

In onderstaande documenten zijn de resultaten terug te vinden :


24-04-2020: Berekeningen stikstofdepositie maatregelen kamerbrief 24 april 2020

Het RIVM maakte op verzoek van het ministerie van LNV een globale inschatting van het effect van de voorgestelde bronmaatregelen, zoals die zijn opgenomen in de kamerbrief van 24 april 2020. Het ministerie van LNV en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) hebben hiervoor emissiereducties per bronmaatregel aangeleverd. Per maatregel is het effect op de depositie per Natura 2000-gebied in kaart gebracht. Daarbij is berekend dat de stikstofdepositie bij ruim 50% van de stikstofgevoelige natuurhectares in 2030 onder de kritische depositiewaarde (KDW) is gedaald. In deze berekening is de autonome daling in binnen- en buitenland aangevuld met het effect van het doorgerekende pakket meegenomen.

De inschatting van het effect van een maatregel kent een minimale en maximale waarde. In de kaartjes (zie hieronder) wordt uitgegaan van de gemiddelde waarde. Ieder hexagoon op de kaart is 64 hectares groot en bevat de gemiddelde depositie van de onderliggende hectares met hun aandeel stikstofgevoelige natuur. De individuele effecten van de maatregelen zijn bij elkaar opgeteld zonder rekening te houden met hun onderlinge beïnvloeding.

In de week na 24 april vindt u op deze website ook een beschrijving van de gehanteerde werkwijze. Tot eind maart hebben PBL en RIVM ook gewerkt aan effectinschattingen voor de zichtjaren 2021 en 2022. Deze is vanwege de coronacrisis niet meer verder uitgewerkt of geactualiseerd. Deze inschattingen zijn desgewenst opvraagbaar via info@rivm.nl. Ook de achterliggende Excelsheets met berekeningen zijn via dit e-mailadres op te vragen.

Kaartjes:

Overschrijding van de kritische depositiewaarde in 2030 zonder pakket bronmaatregelen

Overschrijding van de kritische depositiewaarde in 2030 met pakket bronmaatregelen

Daling van de depositie in 2030 zonder pakket bronmaatregelen

Daling van de depositie in 2030 met pakket bronmaatregelen


24-04-2020: Presentatie 6 maart over streefwaarden

Op 6 maart heeft het RIVM samen met het PBL een toelichting gegeven aan de ministers Schouten, Wiebes, Koolmees, Hoekstra en De Jonge. Daarbij zijn opties geschetst om tot een streefwaarde voor de stikstofdepositie in 2030 te komen. Onder andere is inzicht gegeven welke omvang een pakket van maatregelen zou moeten hebben om de stikstofbelasting zover te laten dalen dat ruim de helft van de stikstofgevoelige natuur in Nederland een stikstofbelasting krijgt die onder de Kritische Depositiewaarde (KDW) ligt. Rekening houdend met de daling van het reeds ingezette beleid in Nederland en het buitenland. Bijgaande presentatie is gebruikt als ondersteuning van dit overleg.


Reactie op rapport Mesdag-Zuivelfonds

Het RIVM heeft kennis genomen van het rapport 'Stikstof in een verstikkend politiek debat' van het Mesdag Zuivelfonds. Het Mesdag-Zuivelfonds heeft dit rapport op 30 maart op haar website geplaatst.

Het Mesdag-Zuivelfonds heeft met het OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen)-model berekeningen uitgevoerd naar de herkomst van de stikstofdepositie op de natuur in Nederland. Dit is een herberekening van de cijfers uit hun presentatie van 20 februari. Het Mesdag-Zuivelfonds komt nu op dezelfde cijfers uit als het RIVM.

Het Mesdag-Zuivelfonds berekent nu 35% als bijdrage van de landbouw aan stikstofdepositie op alle Natura2000-gebieden. In het rapport wordt genoemd dat als uitgegaan wordt van alleen de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden het percentage 41% is. Dit betreft geen doorrekening door het Mesdag-Zuivelfonds. Zij verwijzen hiervoor door naar RIVM-cijfers.

Het lagere percentage van 35% van het Mesdag-Zuivelfonds komt met name doordat grote watergebieden meegenomen zijn in de berekeningen. Dit zou niet moeten omdat grote watergebieden niet gevoelig zijn voor stikstof. Bovendien is daar de bijdrage door de landbouw aan de depositie lager, omdat deze gebieden verder van de landbouwbronnen liggen.

Voor het reduceren van stikstof is de bijdrage van landbouw belangrijk, maar het reduceren van de zogenoemde piekbelasters (agrarische bedrijven met relatief veel depositie in nabijgelegen natuurgebieden) heeft een beperkt maar wel relevant effect. De berekeningen van het Mesdag-Zuivelfonds in hoofdstuk 4 illustreren dat. De uitwerking van stikstofreducties naar bronnen (zoals verkeer, industrie en landbouw) is een onderdeel van verdere beleidsmatige uitwerking.

In hoofdstuk 5 verwijst het Mesdag-Zuivelfonds naar een uitspraak van de commissie meten en berekenen stikstof over het OPS model. Het volledige rapport van de commissie is hier terug te lezen. In onze reactie op de presentatie van 20 februari van het Mesdag-Zuivelfonds zijn wij reeds ingegaan op hun opmerkingen over de bug in het model.


05-03-2020: Reactie rapport Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof

Het RIVM heeft kennis genomen van het eerste advies van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof. Het is goed om te constateren dat de wetenschappelijke kwaliteit voldoende is en de data, methoden en modellen van voldoende tot goede kwaliteit zijn. Dit bevestigt dat de berekeningen en metingen van stikstof en stikstofdepositie wetenschappelijk verantwoord en betrouwbaar zijn. Het Adviescollege signaleert ook een aantal aandachtspunten en verbeterpunten, waarmee de nauwkeurigheid van meten en rekenen nog beter kan worden. Het RIVM herkent die punten en staat er voor open om die nader te onderzoeken.  


03-03-2020: Uitgebreide reactie cijfers Mesdag Zuivelfonds

Het RIVM heeft kennis genomen van de presentatie en onderbouwing van het Mesdag-Zuivelfonds van 20 februari jl. De toen gepresenteerde cijfers en berekeningen zijn zorgvuldig bekeken. Het blijkt dat berekeningen niet juist zijn uitgevoerd. Daardoor komt het Mesdag-Zuivelfonds tot een veel lagere bijdrage van de landbouw in de stikstofdepositie. Bovendien zijn in de berekening van de gemiddelde stikstofdepositie ook natuurgebieden meegenomen die niet stikstofgevoelig zijn, zoals de Doggersbank. Ook daardoor wordt de bijdrage van landbouw te laag voorgesteld. Deze bevindingen zijn vandaag met het Mesdag-Zuivelfonds besproken.

Het Mesdag-Zuivelfonds heeft de berekeningen uitgevoerd voor alle Natura2000-gebieden in Nederland. Dit in tegenstelling tot de berekeningen zoals in het rapport van de commissie Remkes, waarin uitgegaan wordt van het gehele landoppervlak van Nederland. De landbouwbijdrage voor heel Nederland is 46%. Wanneer de focus alleen op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ligt, dan is nog steeds de bijdrage van de landbouw het grootst. Afhankelijk van de gebruikte definities en rekenmethode is dan 41% van de stikstofdepositie toe te schrijven aan de landbouw. Dit is gebaseerd op de hectares stikstofgevoelige natuur binnen 130 Natura 2000 gebieden. Ter illustratie: de Waddenzee bevat 1% stikstofgevoelige natuur en telt daarom slechts voor 1% mee. Er is dus een grote variatie in de mate waarin natuurgebieden gevoelig zijn voor stikstof en er is een grote variatie in bijdragen van sectoren per gebied.
Zoals gezegd, uit nieuwe berekeningen blijkt dat de gemiddelde bijdrage van de landbouwsector aan de stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuurgebieden 41% is. In een eerdere berekening was dit percentage hoger (45%), vanwege een onjuiste middeling van de gegevens over ongeveer 100 deelsectoren en 255.000 rekenpunten. De onderliggende data zijn onveranderd. En ook het beeld van de relatieve bijdrage per sector blijft gelijk.

Presentatie Mesdag-Zuivelfonds
De berekeningen die het Mesdag-Zuivelfonds heeft gepresenteerd op 20 februari jl. zijn uitgevoerd op basis van het OPS-model en invoerdata die deels publiekelijk beschikbaar was en deels specifiek voor Mesdag-Zuivelfonds beschikbaar zijn gesteld door het RIVM. Het Mesdag-Zuivelfonds heeft daarna de onderliggende gegevens van de uitgevoerde berekeningen via Github beschikbaar gesteld.
Na veel zoekwerk in de uitgevoerde berekeningen van het Mesdag-Zuivelfonds hebben wij de volgende fouten geconstateerd:

  • de depositiewaarden zijn bepaald door twee berekeningen uit te voeren, een keer voor NOx Stikstofoxiden (Stikstofoxiden) en een keer voor NH3 ammoniak (ammoniak); de stikstofemissies van beide berekeningen zijn onterecht samengevoegd (dus NOx en NH3 tezamen).
  • de depositieberekeningen worden in een nabewerking gecorrigeerd met de factoren die het gewicht van NOx/NH3 omzetten naar molen. Dit is echter niet correct omdat de resultaten van de berekeningen al in molen per ha per jaar staan.

Beide bevindingen leiden tot een verkeerde bepaling van de depositie. Wat het exacte effect met name op de herkomst van depositie is kan alleen met een herberekening vastgesteld worden. Wel is duidelijk dat door beide incorrecte bewerkingen de bijdrage van sectoren die voornamelijk NOx-emitteren (verkeer, scheepvaart en industrie) aanzienlijk overschat is en dat de bijdrage van landbouw aanzienlijk onderschat is. Met het Mesdag-Zuivelfonds is besproken dat de handleiding van het OPS-model onvoldoende duidelijk was om genoemde vergissingen in de berekeningen te voorkomen. Het RIVM had juist daarvoor een toelichting bij de data gevoegd op 7 januari. Er is dus geen sprake van een “bug” in het OPS-model.


20-02-2020: Reactie op cijfers Mesdag Zuivelfonds

Het RIVM heeft kennis genomen van de presentatie van het Mesdag Zuivelfonds. De genoemde bijdrage van de landbouw aan stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuurgebieden is groter dan de stichting stelt. Landbouw is veruit de grootste bron van ammoniak. En ammoniak heeft een veel groter effect in stikstofdepositie dan stikstofoxiden, die door industrie en verkeer worden veroorzaakt. Daarmee levert landbouw de grootste bijdrage aan stikstofdepositie. Dit wordt ook bevestigd door andere experts buiten het RIVM. Onze metingen, modellen, berekeningen en rapporten zijn robuust. Ze worden jaarlijks getoetst in de (internationale) wetenschappelijke wereld.

We zullen de gepresenteerde cijfers en berekeningen zorgvuldig bekijken. We hebben een paar dagen nodig om de resultaten van het Mesdag Zuivelfonds in detail te bestuderen. Om hun uitkomsten te begrijpen zullen we waar nodig contact opnemen. We verwachten in de loop van volgende week met een inhoudelijke reactie te kunnen komen.

Een belangrijk discussiepunt is de stikstofdepositie in heel Nederland of alleen in natuurgebieden. Op de website van het RIVM is te zien dat dat voor de bijdrage van landbouw dan ongeveer even groot blijft: voor heel Nederland is dat 46%, voor de stikstofdepositie in de stikstofgevoelige natuurgebieden is dat 41%. Het aandeel per sector verschilt heel sterk per natuurgebied. Hoe dit er uitziet is met vijf voorbeelden weergegeven.

 


Reactie op rapport “De illusie van goed stikstofbeleid”

Het RIVM heeft kennis genomen van het rapport “De illusie van goed stikstofbeleid”. Het RIVM waardeert de hoeveelheid werk die door de auteur in het rapport is gestoken en de suggesties voor verbetering. Het RIVM staat altijd open voor alle nieuwe inzichten die voortkomen uit het werk van derden, om hiermee de modellen en berekeningen verder te verbeteren waar mogelijk. De in dit onderzoek genoemde aanpassingen hebben een kleine impact. Hierdoor hebben ze geen invloed op het algemene beeld.

Een aantal mogelijke aanvullingen in de emissiegegevens, zoals genoemd in het rapport, staan al op de planning voor 2020. We zetten ons continu in om emissiedata te verbeteren. Hiervoor wordt een zorgvuldig jaarlijks proces van reviews doorlopen, waarbij meerdere deskundige organisaties betrokken zijn

GCN Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland)/ GDN Grootschalige Depositiekaarten Nederland (Grootschalige Depositiekaarten Nederland) heeft een ruimtelijke detail van 1x1 kilometer en is niet bedoeld en niet geschikt voor het bepalen van het lokale beeld ten aanzien van stikstofdepositie. Hiervoor is AERIUS bedoeld, waarin gedetailleerde emissiegegevens worden gebruikt. 

In het bijgaande overzicht geven we een inhoudelijke reactie op verschillende opmerkingen in het rapport.

Na het beschikbaar stellen van de dataset met stikstofemissies zijn verschillende mensen aan het rekenen gegaan. Het RIVM volgt met interesse  onderzoek dat wordt gedaan naar en met onze data en modellen. We krijgen regelmatig aanvullende vragen van mensen die aan het rekenen zijn en proberen deze zo goed en snel mogelijk te beantwoorden. 


Toelichting op het gebruik van de RIVM data

Voor het verifiëren van de uitspraak van het RIVM over de bijdrage van de landbouwsector aan de gemiddelde depositie van stikstof op Nederland, hebben we de dataset met emissies beschikbaar gesteld. Hier is door de stichting Stikstofclaim en het Mesdagzuivelfonds om gevraagd. Het betreffende percentage van 46% is berekend op basis van hetzelfde emissiebestand als die waarmee de GCN en GDN (grootschalige concentratie kaart, resp. depositie kaart Nederland) berekend worden. In dit bestand zijn de meeste bronnen geplaatst op een kilometerraster, dat over heel Nederland is gelegd. De bronnen zijn daarmee toegekend aan het midden van elk kilometervak en liggen dus niet precies op hun werkelijke geografische locatie. Uitzondering hierop vormen de grote industriële bronnen. Voor de betrouwbaarheid van de grootschalige en jaargemiddelde concentraties en deposities, GCN en GDN, is een dergelijke exacte lokalisering ook niet nodig. 

Voor de berekeningen van de stikstofdepositie op natuurgebieden wordt AERIUS gebruikt. AERIUS maakt gebruik van bronbestanden, die net als de GCN/GDN bestanden gebaseerd zijn op de emissieregistratie (www.emissieregistratie.nl). In AERIUS wordt gerekend met  de werkelijke ligging van de bronnen. Deze bronnen zijn daarom veel gedetailleerder uitgewerkt. Het doorrekenenen van de AERIUS bestanden met alle bronnen over heel Nederland kost momenteel een aantal maanden rekentijd.

Herkomst stikstofdepositie per gebied in Nederland

 


Berekeningen stikstofdepositie sector luchtvaart

Gisteren heeft de adviescommissie Stikstofproblematiek (commissie Remkes) haar advies over de luchtvaartsector in relatie tot de stikstofproblematiek aan het kabinet aangeboden. De afgelopen dagen heeft het RIVM veel vragen gekregen over de berekeningen die gemaakt zijn voor de bijdrage van luchtvaart aan de stikstofdepositie in Nederland. Hierbij een toelichting op deze berekeningen. Hoe zit het nu precies?

De totale bijdrage van de luchtvaart aan de stikstofdepositie in Nederland kan onderscheiden worden naar de herkomst van de luchtvaartemissies:

  1. 0,1%: de luchtvaartemissies van vluchten van en naar Nederland (berekend tot een hoogte van 3000 ft)
  2. 0,13%: de luchtvaartemissies uit buitenlandse vluchten uit EU European Union (European Union )-landen (in de luchtlaag tot 3000 ft)
  3. 0,62%: de emissies van de buitenlandse vluchten boven EU-landen (boven 3000 ft)
  4. 0,25%: de emissies van de overige, mondiale luchtvaart buiten EU-landen: dit is de emissie van de luchtvaart in de hele wereld, dus ook op grote afstand van Nederland, die in de hogere luchtlagen (boven 3000 ft) getransporteerd wordt en ook in Nederland stikstofdepositie veroorzaakt.

In de bijgevoegde figuren is de bijdrage van die verschillende soorten luchtvaartemissies weergegeven.

Tot 3000 voet is de bijdrage van luchtvaart uit Nederland 0,1%. De totale (Nederlandse, Europese en mondiale) bijdrage van de luchtvaart – zowel onder als boven 3000 voet - aan de stikstofdepositie in Nederland is ruim 1%. De precieze verdeling is terug te vinden in de presentatie (zie figuren).    

 Deze informatie heeft het RIVM eerder verstrekt aan de adviescommissie Stikstofproblematiek.


08-01-2020: RIVM ontvangt ‘Zure melk-trofee’

Op woensdag 8 januari heeft een delegatie van de NMV, de Nederlandse Melkveehouders Vakbond de ‘Zure Melk-trofee’ uitgereikt aan het RIVM. Doel van de uitreiking van de trofee is om in dialoog te gaan met het RIVM over de situatie van de melkveehouders in Nederland. Met het uitreiken van deze trofee vraagt NMV aandacht voor de positie van melkveehouders. Els van Schie – directeur Milieu en Veiligheid bij het RIVM – benadrukte tegenover een twintigtal melkveehouders begrip te hebben voor die positie. Tegelijkertijd is de door het RIVM gebruikte rekenmethode robuust en wetenschappelijk verantwoord. Er is een aantal inhoudelijke vragen besproken en er is toegezegd dat een delegatie van de NMV wordt uitgenodigd voor een vervolg.


07-01-2020 Gevraagde data openbaar

De gegevens over alle stikstofemissies waarmee de berekeningen in 2019 uitgevoerd zijn beschikbaar voor iedereen. De Nederlandse emissiedata zijn gebaseerd op openbare data van de Emissieregistratie van het RIVM.

Met deze gegevens over stikstofemissies in Nederland is het mogelijk stikstofdepositieberekeningen uit te voeren.

Download het ZIP-bestand met databestanden voor reproductie van de berekeningen.

31-12-2019 Het RIVM maakt gevraagde data openbaar

Het RIVM heeft besloten om de gevraagde data openbaar te maken (zie ook bericht 16-12). De data worden binnen een week beschikbaar gesteld.


16-12-2019 Uitspraak kort geding stikstof

De voorzieningenrechter heeft uitspraak gedaan inzake het kort geding tussen Mesdag Zuivelfonds, Stichting Stikstofclaim en het RIVM. De rechter heeft beslist dat het RIVM voor 1 januari 2020 een beslissing moet nemen over het beschikbaar stellen en openbaar maken van gegevens.

Het RIVM wil open en transparant zijn binnen de mogelijkheden die de wet geeft en was al aan het afwegen welke ruimte er is om de gevraagde data te delen. Deze data hebben betrekking op gedetailleerde informatie over de emissies van bedrijven, zodat externe partijen de berekeningen van het RIVM zelf kunnen uitvoeren. Het RIVM gaat zorgvuldig om met de data die door externen ter beschikking zijn gesteld en beoordeelt daarom zorgvuldig welke ruimte er is om de gevraagde data te delen. De rechter geeft nu ruimte aan deze afweging. 

Het RIVM zal uiterlijk 31 december 2019 een definitief besluit nemen over het openbaar maken en beschikbaar stellen  van deze data.


13-11-2019 Verkennende RIVM berekeningen stikstofmaatregelen

Vandaag heeft het kabinet de plannen voor de eerste stappen voor de aanpak van de stikstofproblematiek bekend gemaakt. Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  heeft de afgelopen tijd samen met het  PBL Planbureau voor de Leefomgeving (Planbureau voor de Leefomgeving) Planbureau voor de Leefomgeving berekeningen gedaan om de betrokken ministers inzicht gegeven in het effect van verschillende maatregelen. Naar het volledige nieuwsbericht


08-11-2019 In gesprek over metingen UvA Universiteit van Amsterdam (Universiteit van Amsterdam)

Gisteren sprak het RIVM met het Mesdagfonds (o.a. dhr Vogelaar) en Universiteit van Amsterdam (o.a. dhr. Tietema) over de metingen die de UvA wil gaan uitvoeren. Het was een constructief gesprek. Het RIVM staat positief tegenover meer metingen in Nederland. Hoe meer data er beschikbaar komt, hoe beter en betrouwbaarder het beeld van de verspreiding en depositie van ammoniak zal worden. Er is afgesproken dat RIVM meekijkt met de opzet van de metingen. 


06-11-2019 OPS model volledig beschikbaar

Deze week is de broncode van het OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) model openbaar beschikbaar gesteld. OPS is het model waarmee berekeningen worden uitgevoerd voor de stikstofdepositie in Nederland. De methode en de data van het model waren al openbaar. Op verzoek van verschillende partijen is nu ook het achterliggende model te downloaden. Het was de bedoeling dat de broncode (het achterliggende model) al eerder dit jaar openbaar gemaakt werd, maar door de vele vragen die ons de afgelopen periode gesteld zijn heeft dit vertraging opgelopen. Het achterliggende model is te downloaden via: https://github.com/rivm-syso/OPS . 


15-10-2019 Rondetafelgesprek Tweede Kamer op 16 oktober

Het RIVM is uitgenodigd om deel te nemen aan het Rondetafelgesprek over stikstofproblematiek op woensdagmiddag 16 oktober. Het gesprek is georganiseerd door de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Naast het RIVM zijn vertegenwoordigers aanwezig van onder meer het KNMI Koninklijk Meteorologisch Instituut (Koninklijk Meteorologisch Instituut), het Louis Bolk Instituut, het Mesdag Zuivelfonds en Rutger van den Noort, die maandagavond bij het RIVM op bezoek was. 

Het RIVM heeft net als de andere deelnemers een zogenoemd ‘position paper’ aangeleverd voor dit gesprek.  De agenda, alle aangeleverde position papers en nadere informatie over het Rondetafelgesprek vindt u op de website van de Tweede Kamer: https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/…
 


14-10-2019: Gesprek over meten, berekenen en modelleren terugkijken

Maandagavond 14 oktober hebben Rutger van den Noort, Robert Bor en Jan Rhebergen een bezoek gebracht aan het RIVM. Het gesprek was verhelderend in een prettige sfeer. De bezoekers hadden vooraf vragen ingediend. Die zijn door het RIVM beantwoord en op papier gezet. De vragen en antwoorden zijn gepubliceerd. Het RIVM staat open voor gesprek en waardeert de inzet die de bezoekers hebben gestoken in het aanleveren van de vragen. We schatten de aanbevelingen van deze groep mensen op waarde en gebruiken die waar mogelijk om onze werkwijze of communicatie te verbeteren. De bijeenkomst is opgenomen en terug te kijken.


14-10-2019: In gesprek over meten, berekenen en modelleren

Sinds vorige week wordt onze manier van meten, berekenen en modelleren ter discussie gesteld. Er is twijfel over de betrouwbaarheid van onze data. Het RIVM wil graag open en transparant zijn over de werkwijze. Daarom ontvangt het RIVM op maandag 14 oktober 2019 een groep van drie mensen. We beantwoorden dan de vragen die zij hebben over de manier waarop wij de stikstofdepositie in Nederland meten en berekenen.  

Naast deze groep, zijn er meer mensen geïnteresseerd om uitleg te krijgen over de modellen. Om inzicht te geven in de manier waarop we meten, berekenen en modelleren hebben we een filmpje laten maken waarin hier uitleg over gegeven wordt. Daarnaast updaten we onze vraag en antwoord pagina regelmatig met nieuwe vragen en antwoorden. Verder zijn we de mogelijkheden aan het inventariseren om mensen inzicht te geven over onze meetmethoden via bijvoorbeeld een bijeenkomst. 
 


14-10-2019: Helpdesk stikstof vanaf 14 oktober voor iedereen bereikbaar

Vanaf maandag 14 oktober kan iedereen met vragen over stikstof of het aanvragen van vergunningen terecht bij de helpdesk van BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de twaalf provincies.

De helpdesk BIJ12 is het eerste aanspreekpunt voor burgers, agrariërs en ondernemers die vragen hebben over stikstof, de toepassing van het nieuwe beleid bij toestemmingsverlening en de AERIUS Calculator. De provincies, of het ministerie dat daarvoor bevoegd is, kunnen vragen beantwoorden over een specifieke vergunning of toestemmingsbesluit. Een overzicht van hun contactgegevens vindt u op de website van BIJ12.

Website

Op de website van BIJ12 staat informatie over de toepassing van het beleid en het gebruik van de AERIUS Calculator 2019. Naast de veelgestelde vragen en de algemene informatie is hier de Instructie AERIUS Calculator te vinden. Op basis van de ontvangen vragen en de belangrijkste ontwikkelingen wordt de inhoud van de website steeds weer geactualiseerd.

Contact

Mocht u op de website van BIJ12 het antwoord op uw vraag niet vinden, dan kunt u gebruik maken van het contactformulier. U kunt bijlagen meesturen en krijgt binnen drie dagen een schriftelijke reactie. Daarnaast bestaat de mogelijkheid telefonisch contact op te nemen, elke werkdag tussen 9.00 en 12.00 uur. Het telefoonnummer van de helpdesk is te vinden op de website van BIJ12.


4-10-2019: Bezoek van Mesdag Zuivelfonds 

Op donderdag 3 oktober was het Mesdag Zuivelfonds MZF op bezoek bij RIVM.

In een constructief overleg is een toelichting gegeven op de zogenaamde imputatiemethode die op de ammoniakmetingen wordt toegepast. Er zijn afspraken gemaakt over aanvullende gegevens die het MZF binnenkort van het RIVM ter beschikking krijgt. Een nieuwe afspraak was op dit moment voor het Mesdag Zuivelfonds niet nodig, maar zal gemaakt worden zodra dat gewenst is.


24-09-2019: Mesdag Zuivelfonds vraagt om inzage in stikstofmodel

Het Mesdag Zuivelfonds heeft op 23 september een bericht geplaatst waarin het inzage eist in het stikstofmodel van het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu . Volgens de stichting weigert het RIVM inzage in het model en mag er niet onder de motorkap van het model worden gekeken. Dit is onjuist, het RIVM staat open voor inzage in de data en uitleg over de gehanteerde methode. Het gaat om de metingen van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN). Dit is een meetnet dat het RIVM samen met veel partners in het land uitvoert.

In oktober 2018 zijn de data van het MAN ter beschikking gesteld aan onderzoeker Jaap Hanekamp van het Mesdagfonds. Vervolgens volgde een verzoek om de Amerikaanse onderzoeker Briggs toegang te geven tot de data en de programmatuur waarmee de data verwerkt worden. Hierop is door het RIVM positief gereageerd. Aangezien dit niet kan via een externe inlog, zijn de onderzoekers uitgenodigd om de data bij het RIVM in te zien. Hiervoor is een  afspraak gemaakt in januari 2019, maar die is door de onderzoekers afgezegd.

Het RIVM heeft in mei de onderzoekers verzocht om een nadere toelichting op het onderzoek zodat de inzage in het model en de data voorbereid kan worden. De onderzoekers zijn niet ingegaan op deze uitnodiging van het RIVM. Vanaf vorige week zijn er weer contacten en is het Mesdag Zuivelfonds wederom uitgenodigd bij het RIVM. Daar is het Mesdag Zuivelfonds tot nu toe niet op ingegaan. Wel is op 26 september een brief van de advocaat van het Mesdagzuivelfonds ontvangen. Daar is door het RIVM op 27 september op gereageerd met een herhaling van die uitnodiging.

Meetresultaten MAN: https://man.rivm.nl/


10-09-2019: Nieuwe cijfers broeikasgassen en ammoniak bekend


De broeikasgassenuitstoot is licht gedaald; de ammoniakuitstoot blijft stabiel.  Dat blijkt uit de nieuwe uitstootcijfers die het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu /Emissieregistratie heeft gepubliceerd over het jaar 2018 en definitieve cijfers over het jaar 2017.
Naar het nieuwsbericht: https://www.rivm.nl/nieuws/nieuwe-cijfers-broeikasgassen-en-ammoniak-bekend


03-07-2019: Metingen van ammoniakconcentraties MAN en LML Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit) 2018 bekend


Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  meet ammoniak in de lucht in het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit ). Het RIVM gebruikt deze metingen om de ontwikkelingen van ammoniak in de tijd te volgen. De gemeten ammoniakconcentraties in de lucht zijn in 2018 ongeveer 35% hoger dan in 2017. Dit komt vooral doordat 2018 extreem warm, zonnig en zeer droog was. Hierdoor kon er veel ammoniak uit mest verdampen die bovendien door het tekort aan regen niet neersloeg.
Naar het nieuwsbericht: https://www.rivm.nl/nieuws/ammoniakmetingen-in-2018


01-07-2019: PAS Monitoringsrapportage stikstof 2018


De jaarlijkse uitstoot van stikstofoxiden daalde van 2014 tot 2018 met 4 procent. De jaarlijkse uitstoot van ammoniak nam met 3 procent toe. Het is hierdoor onzeker of de verwachte daling van stikstofdepositie op langere termijn overal gehaald gaat worden. Voor een nauwkeuriger prognose zal de feitelijke uitstoot van ammoniak door de landbouw nader onderzocht worden. Dat staat in de PAS Monitoringsrapportage stikstof 2018. Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  rapporteert hierin over de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan in Nederlandse Natura 2000-gebieden. 
N.B. Dit rapport is opgesteld vóór de uitspraak van de Raad van State over het PAS van 29 mei. De uitgangspunten en bewoordingen in dit rapport zijn geschreven in de context van het PAS. Daardoor zijn onderdelen van het rapport mogelijk niet langer actueel. 
Naar het nieuwsbericht: https://www.rivm.nl/nieuws/pas-monitoringsrapportage-stikstof-2018


15-01-2019: Verklaring voor verschil in ontwikkeling emissies en concentraties ammoniak

Sinds 2005 worden hogere ammoniakconcentraties in de lucht gemeten terwijl de vastgestelde emissies dalen. Driekwart van dit verschil kan worden verklaard door veranderingen in de atmosferische en chemische processen. Zo blijkt uit nieuw onderzoek van het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu .
Naar het nieuwsbericht: https://www.rivm.nl/nieuws/verklaring-voor-verschil-in-ontwikkeling-emissies-en-concentraties-ammoniak

2018: RIVM Briefrapport ‘Ontwikkelingen in de stikstofdepositie’

Het RIVM heeft beschreven wat de samenstelling is van de stikstof die tussen 2005 en 2016 in Nederland op het oppervlak (bodem en planten) is neergedaald. Ook is beschreven op welke manier het RIVM deze zogeheten stikstofdepositie bepaalt. Hiervoor wordt onder andere gekeken in hoeverre ammoniak bijdraagt aan de totale stikstofdepositie. Ammoniak is een belangrijk onderdeel van de totale depositie van stikstof. 
https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2018-0117.pdf


17-05-2018: Reactie RIVM op ‘Ammoniak in Nederland: een noordoostelijke spelbreker’

Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  heeft op 16 mei 2018 het onderzoeksrapport “Ammoniak in Nederland: Een noordoostelijke spelbreker” gelezen. Er is geen contact geweest tussen het RIVM en de schrijvers Geesje Rotgers en Jaap Hanekamp over het rapport.
In deze reactie leggen we uit waarom de situatie bij meetstation Vredepeel nauwelijks invloed heeft op de onderzoeken die het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  uitvoert om het ammoniakbeleid te onderbouwen of te evalueren. En waarom we dus de conclusies van het rapport van Rotgers en Hanekamp niet delen.
Naar het bericht: https://www.rivm.nl/ammoniak/reactie-rivm-op-ammoniak-in-nederland-noordoostelijke-spelbreker