Algemene vragen en antwoorden over PFAS

PFAS is een verzamelnaam en staat voor poly- en perfluoroalkylstoffen. Deze groep chemische stoffen is door mensen gemaakt en komt van nature niet voor in het milieu. PFAS kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid. 

PFAS'en hebben handige eigenschappen: ze zijn onder andere water-, vet- en vuilafstotend. Ze zitten in verschillende producten, waaronder smeermiddelen, voedselverpakkingsmaterialen, blusschuim, anti-aanbaklagen van pannen, kleding, textiel en cosmetica. Ook worden ze gebruikt in verschillende industriële toepassingen en processen.

De stoffen komen in het milieu door emissies uit fabrieken die de stoffen maken of gebruiken. Ook kan PFAS in het milieu komen door het gebruik van PFAS-houdende producten, zoals blusschuim, impregneermiddel voor textiel en smeermiddelen, of als PFAS-houdende producten bij het afval terecht komen.

Nee. PFAS is een probleem dat wereldwijd speelt.

Vragen en antwoorden over PFAS en gezondheid

Van een aantal PFAS’en is bekend dat ze ongewenste eigenschappen hebben. Dit zijn bijvoorbeeld PFOSperfluoroctaansulfonaten perfluoroctaansulfonaten  en PFOAperfluoro octanoic acid perfluoro octanoic acid . Ook over GenX-stoffen is steeds meer informatie beschikbaar. Van deze stoffen is bekend dat ze:

  • Niet of nauwelijks afbreken in het milieu (ze zijn persistent)
  • Schadelijke effecten kunnen geven in mensen en het milieu (ze zijn toxisch)
  • Zich gemakkelijk en snel verspreiden in het milieu (ze zijn mobiel) en/of
  • Ophopen in het menselijk lichaam, in dieren en planten (ze zijn bioaccumulerend)

De precieze eigenschappen verschillen per specifieke PFAS. De ene PFAS kan zich bijvoorbeeld sneller verspreiden of is schadelijker dan de andere PFAS. Ook zijn er heel veel PFAS waar nog weinig over bekend is. Van deze PFAS is dus ook niet duidelijk of ze ongewenste eigenschappen hebben.

Mensen kunnen in contact komen met een stof door inademen, huidcontact en inslikken. Dit heet de blootstelling aan een stof. De hoeveelheid die iemand inademt, aanraakt of inslikt, en hoe vaak of hoe lang dit contact duurt, is bepalend voor het risico op schadelijke gezondheidseffecten. Voor PFOSperfluoroctaansulfonatenPFOAperfluoro octanoic acid en GenX-stoffen heeft het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  de risico’s voor mensen en milieu beoordeeld voor een aantal specifieke situaties. We hebben bijvoorbeeld gekeken naar blootstelling van PFOS, PFOA of GenX-stoffen vanuit bijvoorbeeld lucht, water of voeding. Tot nu toe lijken in deze situaties  de risico’s voor mensen beperkt.

Bij normaal gebruik zijn producten met PFAS erin veilig. Veilig betekent dat er geen schadelijke effecten op de gezondheid door het gebruik van producten (met daarin chemische stoffen) te verwachten zijn. Het kan wel gebeuren dat PFAS in hele kleine hoeveelheden vrijkomen. De hoeveelheden die je binnenkrijgt vanuit consumentenproducten zijn over het algemeen zo klein, dat je je hierover geen zorgen hoeft te maken.

Nee. De door het ministerie van IenWInfrastructuur en Waterstaat voorgestelde  normen voor hergebruik uit het tijdelijk handelingskader zijn gebaseerd op effecten op het ecosysteem die al bij lagere concentraties optreden dan gezondheidseffecten bij mensen (zie notitie Risicogrenzen voor PFOS, PFOA en GenX voor toepassen van grond en bagger). Op basis van de risicogrenzen in deze notitie kan bepaald worden of PFAS in grond of bagger kan leiden tot een overschrijding van de gezondheidskundige grenswaarden.

Of mensen worden blootgesteld aan deze stoffen en in welke mate, hangt af van het bodemgebruik en de eigenschappen van deze stoffen. Over het algemeen geldt: hoe intensiever de bodem wordt gebruikt, hoe hoger de blootstelling.

PFAS kunnen vanuit grond via een beperkt aantal blootstellingsroutes bij de mens terechtkomen. Bijvoorbeeld door het ‘eten van grond’ (grondingestie) ), door de opname van PFAS in gewassen en dierlijke producten en tenslotte in geringe mate door het inademen van bodemstof.

Ook op plekken waar een verhoogde concentratie PFAS in de bodem aanwezig is, worden over het algemeen de gezondheidskundige grenswaarden door blootstelling vanuit de bodem niet overschreden. Als u meer wilt weten over een specifieke situatie, dan kunt u het beste contact opnemen met de GGD in uw regio.

Van enkele stoffen uit de PFAS groep is informatie beschikbaar over de opname door gewassen en dieren. Deze stoffen kunnen worden opgenomen in gewassen en kunnen terecht komen in dierlijke producten. Voor zover bekend is de blootstelling van de mens aan stoffen uit de PFAS groep via voedsel laag. De EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit werkt aan een evaluatie van dit onderwerp.

De EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit  heeft voor twee PFAS verbindingen (PFOAperfluoro octanoic acid perfluoro octanoic acid en PFOSperfluoroctaansulfonaten perfluoroctaansulfonaten) voorlopige gezondheidskundige grenswaarden afgeleid. RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu verschilt van inzicht met EFSA over de wetenschappelijke onderbouwing van de gezondheidskunde grenswaarde van PFOA en hanteert daarom haar eigen gezondheidskundige grenswaarde voor deze stof.  Op dit moment voert de EFSA een evaluatie uit van een mengsel van PFAS verbindingen. Als dit afgerond is, wordt bekeken of op basis van de nieuwe EFSA evaluatie een aanpassing van normen en grenswaarden in Nederland noodzakelijk is.

Dat is niet de verwachting. De lage concentraties PFOSperfluoroctaansulfonaten, PFOAperfluoro octanoic acid en GenX die over het algemeen in grond en bagger worden aangetroffen leiden niet tot een blootstelling boven de voorlopige gezondheidskundige grenswaarden van EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit. De voorgestelde normen voor hergebruik van grond en bagger in het tijdelijk handelingskader zijn gebaseerd op de nog lagere risicogrenzen voor ecologie.

Over het algemeen kan gesteld worden dat de toepassingsnormen voor PFAS uit het tijdelijk handelingskader ruim onder het niveau liggen waarboven arbeidshygiënische risico’s te verwachten zijn. Het CROW heeft arbeidshygiënische grenswaarden (zogenaamde SRCarbo-waarden) voor PFAS vastgesteld voor het werken in en met verontreinigde bodem.

Er zijn geen wettelijke grenswaarden voor PFAS vastgelegd. De werkgever is verantwoordelijk voor toereikende beschermende maatregelen. Voor graven in verontreinigde grond worden over het algemene maatregelen getroffen bij concentraties boven de humane risicogrens.

De arbeidsomstandigheden wet beschrijft alleen de algemene regels: zoals de verantwoordelijkheden van werkgever en werknemer. Concreet schrijft de wet voor dat de werkgever moet zorgen voor de veiligheid van zijn werknemers. Er zijn voor PFAS verbindingen geen wettelijke grenswaarden voor arbeidsomstandigheden bepaald. 

Vragen en antwoorden over de (tijdelijke) achtergrondwaarden

PFAS zijn zogeheten Zeer Zorgwekkende Stoffen. Dat zijn chemische stoffen die vanwege hun eigenschappen gevaarlijk zijn voor mensen of het milieu. Het beleid in Nederland is erop gericht te voorkomen dat deze stoffen in de leefomgeving terecht komen en zich verspreiden.

Toch zit PFAS op meerdere plekken in de Nederlandse bodem. Een achtergrondwaarde geeft aan hoeveel PFAS er al in onbelaste bodem zit: op plekken waar geen duidelijke vervuilingsbron aanwezig is. Heeft een partij grond die verplaatst moet worden een lagere concentratie PFAS dan de achtergrondwaarde? Dan kan de grond gewoon verplaatst worden.

Het kabinet kan op basis van nieuwe achtergrondwaarden een nieuwe norm vaststellen. Nu weten we niet precies hoeveel PFAS er in Nederland al in de grond zit. Ook niet op plekken waarvan we denken dat de grond relatief schoon is. Het uitgangspunt is dat de grond die verplaatst wordt op een andere  plek niet (verder) vervuilt. Als we weten hoeveel PFAS er gemiddeld in de Nederlandse grond zit, kunnen we op basis daarvan een nieuwe achtergrondwaarde afleiden. Heeft de grond een lagere concentratie PFAS? Dan kan de grond gewoon verplaatst worden.

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  heeft opdracht gekregen om een definitieve achtergrondwaarde te bepalen. Daarvoor doet het RIVM metingen op locaties waar de bodem relatief schoon is en waar geen bron aanwezig is. Dit zijn de zogenoemde AW 2000 locaties. Het RIVM verwacht in de loop van 2020 een definitieve achtergrondwaarde te kunnen bepalen. Het ministerie van IenWInfrastructuur en Waterstaat wil tot die tijd graag een tijdelijke norm stellen. Daarom heeft het RIVM op basis van recente gegevens een tijdelijke achtergrondwaarde bepaald. 

Dat proberen we te voorkomen. De gegevens die het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft gekregen van waterschappen, gemeenten en provincies geven een beeld, maar dat is niet volledig. We hebben bij het bepalen van de tijdelijke achtergrondwaarde rekening gehouden met de onzekerheid van de beperkte verzameling gegevens.. Daarvoor hebben we een extra veiligheidsmarge toegepast. Dat moet ervoor zorgen dat de tijdelijke achtergrondwaarden na het definitieve onderzoek in 2020 niet naar beneden hoeven worden bijgesteld. 

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft de afgelopen weken gegevens gekregen van provincies, gemeenten en waterschappen in Nederland. Dat zijn meetgegevens uit eerder onderzoek op plekken waar de grond relatief schoon is, dus zonder directe vervuilende bron. Op basis van die gegevens heeft het RIVM kunnen uitrekenen wat een aannemelijke tijdelijke achtergrondwaarde is.

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft bij het bepalen van de tijdelijke achtergrondwaarde rekening gehouden met onzekerheden in de gegevens.  Zoals de geografische spreiding, verschillen in monsterdiepte en analysemethoden.

Voor het bepalen van een definitieve achtergrondwaarde zijn meer en betere gegevens nodig. Het RIVM gaat daarvoor landelijk metingen doen naar PFAS in de bodem. In 2020 kan het RIVM dan een definitieve achtergrondwaarde bepalen.

De metingen voor het bepalen van de definitieve achtergrondwaarden vinden plaats op locaties waar de bodem relatief schoon is en waar geen bron in de buurt aanwezig is. Dit zijn de zogenoemde AW 2000 locaties. Ook voor andere stoffen zijn deze locaties gebruikt om een achtergrondwaarde vast te stellen. Op de locaties worden bodemmonsters genomen van de bovengrond (0-20 cm) en op grotere diepte (50-100 cm). Deze monsters worden in het laboratorium geanalyseerd op een grote groep PFAS verbindingen om zo te bepalen wat de achtergrondconcentratie in Nederland is.

Nee. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  stelt zelf geen normen vast. Deze norm is vastgesteld door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op basis van de bepalingsgrens.

Vragen en antwoorden over PFAS in de bodem, bagger en grondwater

Door het wijd verbreide gebruik van PFAS worden ze op veel plekken aangetroffen in grond, grondwater en de waterbodem. De concentraties zijn over het algemeen laag, met uitzondering van zogenaamde bronlocaties. Dat zijn plekken waar met PFAS houdende materialen is gewerkt, bijvoorbeeld in sommige fabrieken en op oefenlocaties van de brandweer.

Om een beter beeld te krijgen van de verspreiding van PFAS in het doet het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu landelijk metingen naar PFAS in de bodem. Daarnaast worden PFAS ook bij reguliere bodemonderzoeken gemeten.

Deltares en Rijkswaterstaat brengen advies uit over de achtergrondwaarde in waterbodem, waarbij RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu geconsulteerd is.

Over het gedrag  van PFAS in het milieu  is nog veel onbekend. Zo weten we nog niet goed hoe snel PFAS zich door de bodem en ondergrond en naar het grondwater bewegen. Ook over de manier waarop PFAS worden opgenomen in organismen is nog veel onduidelijk.

Een deel van de stoffen uit de PFAS groep, zoals PFOSperfluoroctaansulfonaten, hopen sterk op in organismen. Dit betekent dat het leven in en op de bodem al bij relatief lage concentraties effecten kan ondervinden van PFAS. Het bodembeleid in Nederland is erop gericht om ook deze effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Bij het afleiden van risicogrenzen voor PFAS wordt doorvergiftiging naar hogere organismen in beschouwing genomen.

In het tijdelijk handelingskader van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat staan afspraken en voorstellen voor regelgeving over het hergebruik van grond en bagger waarin PFAS zit. Op de website van BodemPlus staat meer informatie over het tijdelijk handelingskader.

Grond kan vrijkomen bij werkzaamheden, bijvoorbeeld bij de aanleg van huizen of een weg. Als deze grond ergens anders wordt gebruikt noemen we dit hergebruik.

Bagger komt vrij als watergangen worden onderhouden om bijvoorbeeld de bevaarbaarheid en de waterafvoer zeker te stellen. Als deze bagger op het aangrenzend perceel wordt gelegd of ergens anders wordt gebruikt, noemen we dit hergebruik.

Vragen en antwoorden over de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging PFAS

INEV’s worden op dezelfde manier bepaald als interventiewaarden. Soms is er nog onvoldoende informatie om de waarden te onderbouwen. Of er komt op korte termijn nieuwe informatie die de hoogte van de waarden kan beïnvloeden. INEV’s dienen dan als een soort voorlopige interventiewaarde.

De beschermdoelen en -niveaus die gehanteerd worden voor de onderbouwing van de INEV’s zijn hetzelfde als die van de interventiewaarden. De INEV’s kunnen dus net als interventiewaarden gebruikt worden om de ernst van een bodemverontreiniging te beoordelen.

Nee. De INEV’s en de normen uit het Tijdelijk Handelingskader hebben verschillende doelen en bestaan naast elkaar.

Voor PFOSperfluoroctaansulfonaten, PFOAperfluoro octanoic acid en GenX zijn nog geen interventiewaarden bepaald vanwege de verwachte evaluatie van gezondheidskundige innamegrenzen door de Europese voedselautoriteit EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit. Als de nieuwe informatie door de EFSA is gepubliceerd zal het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu de wetenschappelijke onderbouwing van de evaluatie beoordelen. Op basis van deze beoordeling zal worden besloten of er aanleiding is om de tot nu toe gehanteerde innamegrenzen voor normafleiding aan te passen. De algemene vragen en antwoorden over PFAS in grond en bagger gaan verder in op de innamegrenzen en de evaluatie door de EFSA.

Het zal nog enige tijd duren voordat bekend is of en hoe het nieuwe onderzoek door EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit gebruikt kan worden voor de onderbouwing van interventiewaarden. Gemeentes en provincies hebben echter nu al te maken met locaties met verhoogde concentraties PFAS. Om de risico’s van deze locaties te kunnen beoordelen hebben zij er bij het Ministerie van IenWInfrastructuur en Waterstaat en het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu op aangedrongen om alvastINEV’s te bepalen. Daarmee kunnen zij locaties beoordelen op basis van de meest actuele kennis.

De status van INEV’s is anders dan die van een interventiewaarde. Bij de INEV’s moet een gemeente of provincie ook andere factoren meewegen in de beoordeling van de ernst van de vervuiling. Bijvoorbeeld door te kijken of er voor andere stoffen dan PFAS al een noodzaak is om de vervuiling op te ruimen. Ook kunnen lokale factoren een rol spelen in de beoordeling. Zoals het soort gebruik van de locatie of de manier waarop mensen in contact kunnen komen met de stoffen.

De INEV’s worden gebruikt om te beoordelen of een verontreiniging voor onaanvaardbare risico’s kan zorgen. Dat is zo als 50% van de planten en dieren in het ecosysteem aangetast kan worden door stoffen in bodem of het grondwater. Voor mensen is er een onaanvaardbaar risico als de blootstelling aan de stoffen in de bodem of grondwater boven de toegestane dagelijkse inname ligt.

Voor de normen uit het Tijdelijk Handelingskader gelden andere beschermingsniveaus. Daarbij is het uitgangspunt dat slechts 5% van de soorten in het ecosysteem mag worden aangetast. Dit leidt tot strengere risicogrenzen. De hoogte van – en de verschillen tussen de risicogrenzen voor PFAS zijn vergelijkbaar met die van andere stoffen waarvan bekend is dat ze, net als PFAS, kunnen ophopen in de voedselketen.

In de praktijk verandert er door het vaststellen van deze INEV’s voor het grondverzet en baggeraars vrijwel niets, tenzij uit reguliere bodemonderzoeken blijkt dat de INEV’s worden overschreden. In dat geval moeten zij de de terreineigenaar of het bevoegd gezag hierover informeren.

In de omgevingswet gaan interventiewaarden signaleringswaarden heten. Ze zijn dan niet langer bedoeld om te bepalen of een bodemverontreiniging ernstig of spoedeisend is. Het gaat er dan om of er sprake is van een zogenaamde ‘toevalsvondst’: een verontreiniging die niet eerder opgemerkt is. Daarop volgt dan, net als nu, een risicobeoordeling. Wanneer daaruit blijkt dat er onaanvaardbare risico’s zijn voor de gezondheid, moeten maatregelen genomen worden.

Dat hoeft niet. Bij een overschrijding van de INEV’s moeten gemeenten of provincies maatregelen nemen als er onaanvaardbare risico’s zijn voor mens of milieu. Of dat inderdaad zo is, moet blijken uit een risicobeoordeling. Daarvoor is het instrument Sanscrit beschikbaar. Zo’n risicobeoordeling kan gedaan worden als is gebleken dat er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. We spreken over een ernstige bodemverontreiniging als een bepaalde hoeveelheid grond of grondwater is verontreinigd tot boven de INEV’s, of indien deze zijn vastgesteld, interventiewaarden.

De INEV’s en de normen uit het Tijdelijk Handelingskader hebben verschillende doelen en bestaan naast elkaar. De normen uit het tijdelijk handelingskader gaan over het toepassen en hergebruiken van licht verontreinigde grond en bagger. Het uitgangspunt van deze normen is dat we voorkomen dat schone grond vervuild raakt. De normen moeten garanderen dat de kwaliteit van grond en bagger die ergens wordt toegepast ook voor lange tijd geschikt is voor het beoogde gebruik.

De INEV’s hebben een ander doel. Deze waarden zijn bedoeld om een anders soort verontreiniging te beoordelen. Het gaat dan om verontreinigingen met een beperkte omvang met hogere concentraties. Deze verontreiniging is het gevolg van de aanwezigheid van één of meer lokale bronnen van vervuiling. In die situaties is niet de vraag of de grond voor langere tijd geschikt is voor het gebruik, maar of er sprake kan zijn van onaanvaardbare risico’s waardoor maatregelen nodig zijn.

Met een risicobeoordeling wordt bepaald of er onaanvaardbare risico’s zijn voor mens of milieu. De beoordeling vindt plaats op basis van informatie over de locatie. Zo kan het in de praktijk zijn dat een plek niet toegankelijk is voor bijvoorbeeld omwonenden of bezoekers. In dat geval zijn de risico’s op blootstelling anders dan op een plek die bedoeld is voor recreatie. Voorbeelden van andere zaken die een rol spelen in de risicobeoordeling zijn de diepte van de verontreiniging, de aanwezigheid van bebouwing en of er op een plek groenten worden verbouwd.

Op dit moment is er uitsluitend voldoende informatie om INEV’s af te leiden voor deze drie PFAS verbindingen. In het analysepakket van het Tijdelijk Handelingskader zijn circa 30 PFAS verbindingen opgenomen. In lokale verontreinigingen kunnen naast de drie PFAS waarvoor INEV’s zijn afgeleid ook andere PFAS verbindingen voorkomen. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de afweging hoe deze PFAS verbindingen dienen te worden beoordeeld. Hiervoor zijn nog geen landelijke richtlijnen opgesteld. Voor vragen hierover kan contact opgenomen worden met de helpdesk van Bodem+ of het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

PFAS kunnen door het gebruik van materialen of producten, of door lokale uitstoot in het milieu terecht komen. Een bekend voorbeeld zijn de oefenplaatsen van de brandweer. Vanwege hun brandwerende eigenschappen worden PFAS gebruikt in brandblusschuim. Op plaatsen waar in het verleden veel is geoefend met blusschuim vinden we relatief hoge concentraties PFAS in grond en grondwater. Uit bodemonderzoeken moet blijken waar dit het geval is, welke andere activiteiten hebben geleid tot belasting van de bodem met PFAS en wat de omvang is van deze verontreinigingen. Het is nog niet altijd mogelijk om lokaal verhoogde concentraties PFAS in verband brengen met een bron. Met de uitkomsten van de verschillende onderzoeken die daarnaar worden uitgevoerd, kunnen we in de toekomst beter voorspellen op welke plekken verhoogde concentraties PFAS kunnen worden verwacht.

Bij de onderbouwing van interventiewaarden en INEV’s houden we altijd rekening met het gebruik van grondwater als drinkwater. Soms leidt dit tot lage normen die in de praktijk niet altijd gehaald kunnen worden. Bijvoorbeeld omdat de achtergrondwaarden in grondwater al hoger zijn dan de norm. Naar de achtergrondconcentraties van PFAS in grondwater wordt door het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu nog onderzoek gedaan. Als dat onderzoek is afgerond, kunnen we beter bepalen of de laagste INEV’s voor grondwater overal bruikbaar zijn.

Omdat het in Nederland niet gebruikelijk is om drinkwater uit een eigen waterput te betrekken, kunnen provincies en gemeentes nagaan of het in specifieke situaties voldoende is om te toetsen aan de hogere INEV’s voor grondwater. Deze waarden zijn beschermend voor mens en milieu, maar niet voor de productie van drinkwater uit grondwater.

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu bepaalt dit niet. Dat is een beleidsmatig besluit voor gemeenten, provincies en het Rijk. Het is aan de bevoegde gezagen en het Rijk om verder te verkennen hoe de beoordeling van grondwater op basis van de voorgestelde INEV’s plaats kan vinden.

Sinds de introductie van het Tijdelijk Handelingskader wordt bij alle bodemonderzoeken ook op PFAS gemeten. Naarmate er meer onderzoeken beschikbaar komen, kan ook beter voorspeld worden op welke plekken hoge concentraties PFAS kunnen zitten. Op dit moment is bijvoorbeeld al bekend dat de concentraties PFAS hoger zijn op oefenplaatsen van de brandweer . Gemeenten en provincies werken samen met het Rijk om deze plekken in kaart te brengen en informatie uit nieuwe onderzoeken te bundelen. Daarmee ontstaat een landelijk beeld van ‘PFAS-aandachtsgebieden’.

In de buurt van plekken waar met blusschuim is geoefend kunnen PFAS tot boven de INEV’s in grond en grondwater worden aangetroffen. Uit een risicobeoordeling moet dan blijken of er onaanvaardbare risico’s zijn. Meestal leiden dit soort lokale verontreinigingen met PFAS niet tot gezondheidsrisico’s. Op een oefenplaats van de brandweer worden namelijk geen gewassen verbouwd. Als er op zo’n plek huizen worden gebouwd, kan het wel nodig zijn eerst de bodem te saneren.

Op de lange termijn kan het zijn dat verontreinigingen met PFAS leiden tot aantasting van het drinkwater. In de risicobeoordeling moet daarom ook worden bekeken waar de verontreiniging zich naartoe zal verplaatsen en of zich kwetsbare objecten zoals drinkwaterwinningen in de omgeving bevinden.

De INEV’s zijn afgeleid op de manier waarop ook interventiewaarden worden afgeleid. De uitgangspunten hiervoor staan beschreven in de Circulaire bodemsanering en de Wet Bodembescherming. De normen zijn gericht op het beschermen van mensen en het ecosysteem. Andere doelstellingen, zoals de bescherming van oppervlaktewater en de gezondheid van dieren bij gebruik als drinkwater voor vee, worden niet meegenomen bij de onderbouwing van INEV’s en interventiewaarden. Het kan daarom in bepaalde situaties nodig zijn om niet alleen aan de INEV’s te toetsen, maar ook aan andere normen, zoals de normen voor oppervlaktewater. Daarnaast zal de Risicotoolbox Grondwater vanaf 2020 beschikbaar zijn om de risico’s voor aanvullende toepassingen van grondwater te beoordelen, zoals drinken door vee en sproeien van akkers.

De richtwaarden voor drinkwater zijn bedoeld om de kwaliteit van drinkwater als eindproduct (‘uit de kraan’) te garanderen. Bij overschrijding van de INEV’s wordt bepaald of er maatregelen nodig zijn om verontreinigingen in grondwater op te ruimen of te beheersen. Ook op plekken waar het grondwater niet als drinkwater wordt gewonnen. Het uitgangspunt voor de laagste INEV’s, die beschermend zijn voor de consumptie van grondwater als drinkwater, is dat bij directe consumptie van grondwater als drinkwater geen gezondheidsrisico’s ontstaan.

Voor drinkwater uit de kraan gelden strengere eisen, omdat dan ook rekening wordt gehouden met blootstelling via andere voedselbronnen. De richtwaarden en normen voor drinkwater zijn altijd van toepassing op water dat bedoeld is voor consumptie. Met andere woorden, grondwater kan getoetst worden aan de INEV’s en kraanwater moet daarnaast ook voldoen aan de richtwaarden voor drinkwater.

Door verplaatsing van verontreinigingen in het grondwater kan op termijn de kwaliteit van het grondwater achteruitgaan. De bodemregelgeving benoemt drinkwateronttrekkingen daarom als kwetsbare objecten. Provincies en gemeenten kunnen aanvullende eisen stellen aan de grondwaterkwaliteit voor de bescherming van drinkwaterwinningen.

Vragen en antwoorden over PFOA

PFOAperfluoro octanoic acid (perfluoroctaanzuur) is een door mensen gemaakte chemische stof, die van nature niet in het milieu voorkomt. De stof is gebruikt voor producten om oppervlakten te beschermen, zoals de behandeling van tapijten en kleding, coatings voor kartonnen verpakkingen en anti-aanbak lagen. PFOA wordt ook wel C8 genoemd. Sinds 2013 staat PFOA voor autorisatie op de Europese Kandidaatslijst van zeer zorgwekkende stoffen. Dit schept wettelijke verplichtingen voor bedrijven over het informeren van hun afnemers over de aanwezigheid van de stof in artikelen.

In juni 2017 heeft de Europese Unie een verordening vastgesteld om de productie, het gebruik en het in de handel brengen van PFOA en producten met PFOA in Europa sterk te beperken.

Vragen en antwoorden over GenX